|
18.7.2018 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 182/61 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/989 VAN DE COMMISSIE
van 18 mei 2018
tot wijziging en rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (1), en met name artikel 25, lid 4, onder a) tot en met d), artikel 26, lid 6, artikel 42, lid 4, onder b), en artikel 43, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om het gebruik mogelijk te maken van bepaalde brandstoffen die in enkele lidstaten rechtmatig worden verhandeld, zonder extra lasten aan fabrikanten op te leggen, moet het toegestane gehalte aan vetzuurmethylesters (FAME) 8,0 % v/v bedragen in plaats van 7,0 % v/v. |
|
(2) |
Om te zorgen voor overeenstemming met artikel 7, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie (2) moet worden toegestaan dat bij de indiening van een bestaand testrapport voor motoren van categorie RLL ter verkrijging van typegoedkeuring voor fase V overeenkomstig dat artikel dezelfde versie van testcyclus F wordt gebruikt voor het controleren van de conformiteit van de productie van motoren waarvoor op basis van die cyclus typegoedkeuring is verleend. |
|
(3) |
Om de testprocedures voor motoren zonder nabehandelingssysteem te verbeteren, moeten er specifieke voorschriften worden vastgesteld voor de bepaling van de verslechteringsfactoren voor deze motoren. |
|
(4) |
Om rekening te houden met alle mogelijke emissiebeheersingsstrategieën moeten de desbetreffende technische voorschriften niet alleen betrekking hebben op de aanvullende emissiebeheersingsstrategie, maar ook op de basisemissiebeheersingsstrategie. |
|
(5) |
De voorschriften voor de emissiebeheersingsstrategieën golden oorspronkelijk voor motoren die aan een transiënte cyclus werden onderworpen. Deze voorschriften zijn echter niet geschikt voor motoren die alleen aan de NRSC worden onderworpen en niet volgens een transiënte cyclus worden getest. De bestaande voorschriften voor de emissiebeheersingsstrategieën voor motoren die aan een transiënte cyclus worden onderworpen, moeten daarom aan die motoren worden aangepast door een onderscheid te maken tussen de voorwaarden betreffende de emissietest (alleen in statische toestand) en de overige bedrijfsomstandigheden (transiënt). |
|
(6) |
Om ervoor te zorgen dat bij de demonstratie op basis van willekeurige punten overeenkomstig punt 3 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie (3) rekening wordt gehouden met de regeneratie van een nabehandelingssysteem, en om te verduidelijken dat voorafgaand aan de uitvoering van de emissietestcyclus een regeneratie van het motornabehandelingssysteem mag plaatsvinden, moeten de in punt 4 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 bedoelde testvoorschriften worden gewijzigd door er nieuwe specifieke bepalingen betreffende regeneratie in op te nemen. |
|
(7) |
Om de kans te verkleinen dat tijdens de test regeneratie plaatsvindt, moet de minimale bemonsteringstijd bij uitvoering van de NRSC met specifieke modi voor de demonstratie op basis van willekeurige punten overeenkomstig punt 3 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 worden beperkt tot drie minuten per punt. |
|
(8) |
Voor de volledigheid moet de fabrikant in het in deel A van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 beschreven informatiedossier een verslag opnemen van de demonstraties die uit hoofde van specifieke technische voorschriften en procedures van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 zijn uitgevoerd. |
|
(9) |
De verwijzing in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 naar de bepalingen van Verordening (EU) 2016/1628 waarin wordt voorgeschreven dat in de resultaten van emissielaboratoriumtests rekening wordt gehouden met de verslechteringsfactoren, is onjuist en moet worden gerectificeerd. |
|
(10) |
Omwille van de samenhang van Verordening (EU) 2016/1628 en alle op basis van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringsverordeningen moeten bepaalde voorschriften betreffende families van motornabehandelingssystemen ook van toepassing zijn op motorfamilies of groepen van motorfamilies. |
|
(11) |
Er moeten bepaalde veranderingen worden aangebracht in bepalingen die tegenstrijdigheden of overbodige informatie bevatten en er moeten bepaalde verwijzingen worden gerectificeerd. |
|
(12) |
Na de bekendmaking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 zijn nadere fouten van verschillende aard, zoals onjuiste begrippen en nummers, ontdekt; die fouten moeten worden rechtgezet. |
|
(13) |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en gerectificeerd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende artikel 20 bis wordt ingevoegd: „Artikel 20 bis Overgangsbepalingen 1. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/989 van de Commissie, blijven de goedkeuringsinstanties tot en met 31 december 2018 ook EU-typegoedkeuringen voor motortypen of motorfamilies verlenen overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is. 2. Niettegenstaande de toepassing van deze verordening, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/989 van de Commissie, staan de lidstaten tot en met 30 juni 2019 ook toe dat motoren in de handel worden gebracht die gebaseerd zijn op een motortype dat is goedgekeurd overeenkomstig de versie van deze verordening die op 6 augustus 2018 van toepassing is.”. |
|
2) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening. |
|
3) |
Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening. |
|
4) |
Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening. |
|
5) |
Bijlage IV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening; |
|
6) |
Bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening. |
|
7) |
Bijlage VI wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VI bij deze verordening. |
|
8) |
Bijlage VII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening. |
|
9) |
Bijlage VIII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VIII bij deze verordening. |
|
10) |
Bijlage IX wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IX bij deze verordening. |
|
11) |
Bijlage XIII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage X bij deze verordening. |
|
12) |
Bijlage XV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage XI bij deze verordening. |
Artikel 2
Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Artikel 4 wordt vervangen door: „Artikel 4 Methode voor het aanpassen van de resultaten van emissielaboratoriumtests om rekening te houden met de verslechteringsfactoren De resultaten van emissielaboratoriumtests worden overeenkomstig de in bijlage III bij deze verordening vastgestelde methode aangepast om rekening te houden met de verslechteringsfactoren, waaronder de factoren die verband houden met de meting van de deeltjesaantallen (PN) en met gasmotoren, zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/1628.”. |
|
2) |
Bijlage I wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XII bij deze verordening. |
|
3) |
In bijlage II wordt punt 3.3.2 vervangen door:
|
|
4) |
Bijlage III wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XIII bij deze verordening. |
|
5) |
Bijlage IV wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XIV bij deze verordening. |
|
6) |
Bijlage V wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XV bij deze verordening. |
|
7) |
Bijlage VI wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XVI bij deze verordening. |
|
8) |
Bijlage VII wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XVII bij deze verordening. |
|
9) |
bijlage VIII wordt gerectificeerd overeenkomstig bijlage XVIII bij deze verordening. |
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 mei 2018.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 252 van 16.9.2016, blz. 53.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 van de Commissie van 19 december 2016 tot vaststelling van de administratieve voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden en typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 364).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 van de Commissie van 19 december 2016 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de technische en algemene voorschriften betreffende de emissiegrenswaarden en de typegoedkeuring voor interne verbrandingsmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines (PB L 102 van 13.4.2017, blz. 1).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 1.2.2 wordt vervangen door:
(*1) Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).”." |
|
2) |
Punt 1.2.2.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Punt 2.4.1.4 wordt geschrapt. |
(*1) Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58).”.”
BIJLAGE II
Bijlage II bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende punt 6.2.3.1 wordt ingevoegd:
|
|
2) |
In punt 6.2.4 wordt „, zoals bepaald overeenkomstig bijlage III” vervangen door „die zijn bepaald overeenkomstig bijlage III”. |
|
3) |
In punt 6.4 wordt de derde zin vervangen door: „Voor motoren op aardgas/biomethaan (NG) of vloeibaar petroleumgas (lpg), met inbegrip van dualfuelmotoren, worden de tests uitgevoerd met ten minste twee van de referentiebrandstoffen voor elke gasmotor, behalve in het geval van een gasmotor met een brandstofspecifieke typegoedkeuring, waarin slechts één referentiebrandstof vereist is, zoals beschreven is in aanhangsel 1 van bijlage I.”. |
BIJLAGE III
Bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De punten 3.1.3 en 3.1.4 worden vervangen door:
|
|
2) |
Punt 3.2.1 wordt vervangen door: „3.2.1. Algemeen De voor een motorfamilie, groep van motorfamilies of familie van motornabehandelingssystemen geldende verslechteringsfactoren worden van de geselecteerde motoren afgeleid op basis van een bedrijfsaccumulatieschema waarbij de emissies van gassen en deeltjes tijdens elke testcyclus die op de motorcategorie van toepassing is, zoals vermeld in bijlage IV bij Verordening (EU) 2016/1628, periodiek worden gemeten. Bij transiënte testcycli, niet voor wegverkeer, voor motoren van categorie NRE (hierna „NRTC” genoemd), worden alleen de resultaten gebruikt van de met warme start uitgevoerde NRTC (hierna „warmstart-NRTC” genoemd).”. |
|
3) |
In punt 3.2.5.2 wordt de laatste alinea vervangen door: „Wanneer emissiewaarden worden gebruikt voor motorfamilies binnen dezelfde groep van motorfamilies of familie van motornabehandelingssystemen, maar met verschillende emissieduurzaamheidsperioden, worden de emissiewaarden aan het eindpunt van de emissieduurzaamheidsperiode voor elke periode opnieuw berekend door extrapolatie of interpolatie van de overeenkomstig punt 3.2.5.1 bepaalde regressievergelijking.”. |
|
4) |
In punt 3.2.6.1 wordt de laatste alinea geschrapt. |
|
5) |
Het volgende punt 3.2.6.1.1 wordt ingevoegd:
|
BIJLAGE IV
Bijlage IV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De volgende punten 2.2.3.1 en 2.2.4 worden ingevoegd:
|
|
2) |
In punt 2.6 wordt de alinea onder de titel geschrapt. |
|
3) |
De volgende punten 2.6.1 en 2.6.2 worden ingevoegd:
|
|
4) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE V
Bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2.1.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Het volgende punt 3.1 wordt ingevoegd:
|
|
3) |
Punt 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Het volgende punt 5 wordt toegevoegd: „5. Regeneratie Als tijdens of onmiddellijk voor de in punt 4 beschreven procedure een regeneratieproces plaatsvindt, kan de test na voltooiing van de procedure op verzoek van de fabrikant ongeldig worden verklaard, ongeacht de oorzaak van de regeneratie. In dit geval wordt de test herhaald. Er worden dezelfde koppel- en toerentalpunten gebruikt, hoewel de volgorde mag worden veranderd. Het wordt niet nodig geacht koppel- en toerentalpunten te herhalen waarvoor al een positief resultaat is behaald. Voor de herhaling van de test wordt de volgende procedure toegepast:
|
BIJLAGE VI
Bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 1 wordt vervangen door: „1. Inleiding In deze bijlage worden de methode voor het bepalen van de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes door de te testen motor en de specificaties van de meetapparatuur beschreven. Vanaf onderdeel 6 komt de nummering in deze bijlage overeen met die van Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 (*1) (GTR nr. 11) en VN/ECE-Reglement nr. 96, wijzigingenreeks 04 (*2), bijlage 4B. Enkele punten van GTR nr. 11 zijn echter in deze bijlage niet nodig of zijn aangepast aan de vooruitgang van de techniek. (*1) Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 betreffende de motoremissies van landbouw- en bosbouwtrekkers en van niet voor de weg bedoelde mobiele machines in het kader van het wereldregister dat op 18 november 2004 is gecreëerd uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen." (*2) Reglement nr. 96 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van compressieontstekingsmotoren voor landbouw- en bosbouwtrekkers en niet voor de weg bestemde mobiele machines wat de emissies van verontreinigende stoffen door de motor betreft.”." |
|
2) |
In punt 5.1 worden de tweede, de derde en de vierde alinea vervangen door: „Met de gemeten waarden van de door de motor uitgestoten verontreinigende gassen en deeltjes en CO2 worden de specifieke emissies in grammen per kilowattuur (g/kWh) bedoeld, of het aantal deeltjes per kilowattuur (#/kWh) voor PN. Gemeten worden de verontreinigende gassen en deeltjes waarvoor grenswaarden gelden ten aanzien van de subcategorie van de geteste motor, zoals vermeld in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628. De resultaten, met inbegrip van:
mogen de toepasselijke grenswaarden niet overschrijden. De CO2-waarden worden overeenkomstig artikel 43, lid 4, van Verordening (EU) 2016/1628 voor alle motorsubcategorieën gemeten en gerapporteerd.”. |
|
3) |
Punt 5.2.5.1.1 wordt vervangen door: „5.2.5.1.1. Berekening van MTS Voor de berekening van het MTS wordt de procedure voor het bepalen van de transiënte motorkarakteristiek overeenkomstig punt 7.4 uitgevoerd. Het MTS wordt vervolgens bepaald aan de hand van de bepaalde waarden voor motortoerental versus vermogen. Het MTS wordt op een van de volgende manieren berekend:
|
|
4) |
Punt 5.2.5.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Punt 5.2.5.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
In punt 6.2 wordt de eerste alinea vervangen door: „Er wordt een vulluchtkoelsysteem gebruikt met een totale inlaatluchtcapaciteit die representatief is voor die bij in gebruik zijnde productiemotoren na montage. Elk laboratoriumsysteem voor vulluchtkoeling moet zodanig zijn ontworpen dat accumulatie van condensaat zo veel mogelijk wordt beperkt. Vóór de emissietests wordt elk geaccumuleerd condensaat afgevoerd en worden alle afvoergaten volledig gesloten. Tijdens de emissietest worden de afvoergaten gesloten gehouden. De koelmiddelcondities worden als volgt gehandhaafd:
|
|
7) |
Punt 6.3.4 wordt vervangen door: „6.3.4. Bepaling van het vermogen van de hulpapparatuur Indien van toepassing uit hoofde van de punten 6.3.2 en 6.3.3 worden de waarden van het vermogen van de hulpapparatuur en de wijze waarop deze zijn gemeten of berekend voor het gehele werkgebied van de toepasselijke testcycli door de motorfabrikant ingediend en door de goedkeuringsinstantie goedgekeurd.”. |
|
8) |
Punt 6.6.2.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
In punt 6.6.2.4, derde alinea, wordt punt b) vervangen door:
|
|
10) |
Punt 7.3.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
Punt 7.3.1.1.5 wordt geschrapt. |
|
12) |
De punten 7.3.1.2 tot en met 7.3.1.5 worden vervangen door: „7.3.1.2. Afkoelen van de motor (NRTC) Er mag een natuurlijke of geforceerde afkoelingsprocedure worden toegepast. Bij geforceerde afkoeling worden naar goede ingenieursinzichten systemen opgezet om koellucht langs de motor te leiden, koelolie door het motorsmeersysteem te leiden, het koelmiddel door het motorkoelsysteem te koelen, en het uitlaatgasnabehandelingssysteem te koelen. Bij geforceerde afkoeling van het uitlaatgasnabehandelingssysteem mag koellucht pas worden gebruikt nadat het systeem tot onder de activeringstemperatuur van de katalysator is afgekoeld. Koelprocedures die tot niet-representatieve emissies leiden, zijn niet toegestaan. 7.3.1.3. Verificatie van HC-verontreiniging Als er enig vermoeden van een essentiële HC-verontreiniging van het uitlaatgasmeetsysteem bestaat, mag die verontreiniging met nulgas worden gecontroleerd en dan worden gecorrigeerd. Als de hoeveelheid verontreiniging van het meetsysteem en het achtergrond-HC-systeem moet worden gecontroleerd, moet dat binnen 8 uur voor het starten van elke testcyclus gebeuren. De waarden worden voor latere correctie geregistreerd. Vóór deze controle wordt op lekken gecontroleerd en wordt de FID-analysator gekalibreerd. 7.3.1.4. Voorbereiding van de meetapparatuur voor bemonstering Voordat de emissiebemonstering begint, worden de volgende stappen uitgevoerd:
7.3.1.5. Kalibratie van gasanalysatoren Voor de gasanalysatoren worden passende meetbereiken gekozen. Emissieanalysatoren met automatische of handmatige meetbereikschakeling zijn toegestaan. Tijdens een test volgens een transiënte testcyclus (NRTC of LSI-NRTC) of de RMC en tijdens een bemonsteringsperiode van een gasvormige emissie aan het einde van elke modus bij een test volgens de NRSC met specifieke modi wordt het meetbereik van de emissieanalysatoren niet omgeschakeld. Ook de output van analoge operationele versterkers van de analysator wordt tijdens een testcyclus niet veranderd. Alle continue analysatoren worden op nul gezet en geijkt met internationaal herleidbare gassen die voldoen aan de specificaties van punt 9.5.1. Vlamionisatiedetectoren (FID-analysatoren) worden geijkt op basis van een koolstofgetal van één (C1).”. |
|
13) |
Het volgende punt 7.3.1.6 wordt ingevoegd: „7.3.1.6. Voorconditionering en tarraweging van PM-filters Voor het voorconditioneren en tarrawegen van PM-filters worden de procedures van punt 8.2.3 gevolgd.”. |
|
14) |
Punt 7.4 wordt vervangen door: „7.4. Testcycli De EU-typegoedkeuringstest wordt uitgevoerd volgens de toepasselijke NRSC en, in voorkomend geval, NRTC of LSI-NRTC, als gespecificeerd in artikel 18 van Verordening (EU) 2016/1628 en bijlage IV bij die verordening. De technische specificaties en karakteristieken van de NRSC, NRTC en LSI-NRTC zijn opgenomen in bijlage XVII bij deze verordening en de methode voor het bepalen van de koppel-, vermogens- en toerentalinstellingen van die testcycli is beschreven in onderdeel 5.2.”. |
|
15) |
Punt 7.5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
16) |
In punt 7.5.1.2 worden de punten a) en b) vervangen door:
|
|
17) |
Punt 7.8.1.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
18) |
In punt 7.8.2.4, eerste alinea, wordt de laatste zin vervangen door: „Bij het testen van motoren met een referentievermogen van meer dan 560 kW mogen de regressielijntoleranties van tabel 6.2 worden gebruikt en mogen overeenkomstig tabel 6.3 punten worden geschrapt.”. |
|
19) |
In punt 7.8.3.5 wordt tabel 6.3 vervangen door: „Tabel 6.3 Punten die uit de regressieanalyse mogen worden geschrapt
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
20) |
In punt 8.1.2 wordt tabel 6.4 als volgt gewijzigd:
|
|
21) |
Punt 8.1.7 wordt vervangen door: „8.1.7. Meten van de motorparameters en de omgevingsomstandigheden Er worden interne kwaliteitsprocedures toegepast die herleidbaar zijn naar erkende nationale of internationale standaarden. Zo niet gelden de volgende procedures.”. |
|
22) |
In punt 8.1.8.4.1, onder f), wordt de eerste alinea vervangen door: „De CFV of SSV mag ook voor de kalibratie uit zijn permanente positie worden verwijderd, mits aan de volgende voorschriften wordt voldaan wanneer zij in de CVS worden geïnstalleerd:”. |
|
23) |
In punt 8.1.8.5.1, onder a), wordt punt iv) vervangen door:
|
|
24) |
In punt 8.1.8.5.4 worden de eerste en tweede zin onder de titel vervangen door: „De lekcontrole aan vacuümzijde van het HC-bemonsteringssysteem mag worden uitgevoerd overeenkomstig punt g). Als deze procedure wordt gevolgd, mag de HC-verontreinigingsprocedure van punt 7.3.1.3 worden toegepast.”. |
|
25) |
Punt 8.1.8.5.8 wordt geschrapt. |
|
26) |
Punt 8.1.9.1.2 wordt vervangen door: „8.1.9.1.2. Meetprincipes H2O kan met de respons van een NDIR-analysator op CO2 interfereren. Als de NDIR-analysator gebruikmaakt van compensatiealgoritmen waarvoor metingen van andere gassen worden gebruikt om deze interferentie te verifiëren, moeten die metingen simultaan worden verricht om de compensatiealgoritmen tijdens de verificatie van de interferentie van de analysator te testen.”. |
|
27) |
In punt 8.1.9.1.4 wordt punt b) vervangen door:
|
|
28) |
Punt 8.1.9.2.4, onder b), wordt vervangen door:
|
|
29) |
Punt 8.1.10.1.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
30) |
In punt 8.1.10.2.4, onder a), wordt de tweede zin geschrapt. |
|
31) |
Punt 8.1.11.1.5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
32) |
In punt 8.1.11.3.4, onder g), wordt de aanhef vervangen door: „vermenigvuldig dit verschil met het quotiënt van de verwachte gemiddelde HC-concentratie en de tijdens de verificatie gemeten HC-concentratie. De analysator voldoet aan de interferentieverificatie van dit punt als het resultaat binnen ± 2 % van de bij de emissiegrenswaarde verwachte NOx-concentratie ligt, zoals beschreven in vergelijking (6-25):”. |
|
33) |
In punt 8.1.11.4.2 wordt „koelbad” vervangen door „monsterdroger”. |
|
34) |
Punt 8.1.12 wordt vervangen door: „8.1.12. Verificatie van de monsterdroger Als een vochtigheidssensor wordt gebruikt om het dauwpunt bij de uitlaat van de monsterdroger continu te meten, is deze controle niet noodzakelijk zolang ervoor wordt gezorgd dat de vochtigheid bij de uitlaat van de droger onder de bij de controle voor quenching, interferentie en compensatie toegepaste minimumwaarden ligt. Als, zoals toegestaan in punt 9.3.2.3.1, een monsterdroger wordt gebruikt om water uit het monstergas te verwijderen, moeten de prestaties bij thermische koelers bij de installatie en na een grote onderhoudsbeurt worden geverifieerd. Bij osmotische membraandrogers moeten de prestaties bij de installatie, na een grote onderhoudsbeurt en maximaal 35 dagen vóór de tests worden geverifieerd. Water kan de analysator beletten de relevante uitlaatgasbestanddelen naar behoren te meten en wordt daarom soms verwijderd voordat het monstergas de analysator bereikt. Zo kan water negatief interfereren met de NOx-respons van een CLD via demping door botsing (quenching) en kan het positief interfereren met een NDIR-analysator door een soortgelijke respons als CO te veroorzaken. De monsterdroger moet voldoen aan de specificaties van punt 9.3.2.3.1 voor het dauwpunt (T dew) en de absolute druk (p total) voorbij de osmotische membraandroger of de thermische koeler. Om de prestaties van de monsterdroger te bepalen, wordt de volgende verificatieprocedure toegepast of er worden goede ingenieursinzichten toegepast om een ander protocol te ontwikkelen:
|
|
35) |
De punten 8.1.12.1 tot en met 8.1.12.2.5 worden geschrapt. |
|
36) |
De volgende punten 8.1.13 tot en met 8.1.13.2.5 worden ingevoegd: „8.1.13. PM-metingen 8.1.13.1. Verificatie van de PM-balans en het weegproces 8.1.13.1.1. Reikwijdte en frequentie In dit onderdeel worden drie verificaties beschreven:
8.1.13.1.2. Onafhankelijke verificatie De fabrikant van de balans (of een door hem goedgekeurde vertegenwoordiger) moet de prestaties van de balans maximaal 370 dagen vóór de tests volgens interne auditprocedures verifiëren. 8.1.13.1.3. Op nul zetten en ijken De prestaties van de balans worden geverifieerd door ze met ten minste één kalibratiegewicht op nul te zetten en te ijken, waarbij alle voor die verificatie gebruikte gewichten aan de specificaties in punt 9.5.2 moeten voldoen. Er wordt een manuele of geautomatiseerde procedure toegepast:
8.1.13.1.4. Wegen van het referentiemonster Alle massa-aflezingen tijdens een weegsessie worden geverifieerd door de referentiemedia voor PM-monsters (bv. filters) vóór en na een weegsessie te wegen. Een weegsessie mag zo kort zijn als men wil, maar niet langer dan 80 uur, en mag massa-aflezingen zowel vóór als na de test omvatten. Opeenvolgende massabepalingen van elk referentiemedium voor PM-monsters moeten dezelfde waarde opleveren op ± 10 μg of ± 10 % van de verwachte totale PM-massa na, waarbij de grootste waarde van toepassing is. Als opeenvolgende wegingen van PM-monsterfilters niet aan dat criterium voldoen, worden alle afzonderlijke testfiltermassa-aflezingen tussen de opeenvolgende referentiefiltermassabepalingen in ongeldig verklaard. Deze filters mogen tijdens een andere weegsessie opnieuw worden gewogen. Als na de test een filter ongeldig wordt verklaard, is het testinterval ongeldig. De verificatie wordt als volgt uitgevoerd:
8.1.13.2. Correctie van een PM-monsterfilter voor de opwaartse kracht 8.1.13.2.1. Algemeen PM-monsterfilters moeten voor hun opwaartse kracht in de lucht worden gecorrigeerd. De correctie voor de opwaartse kracht is afhankelijk van de dichtheid van het monstermedium, de luchtdichtheid en de dichtheid van het kalibratiegewicht dat is gebruikt om de balans te kalibreren. Bij de correctie voor de opwaartse kracht wordt geen rekening gehouden met de opwaartse kracht van het deeltjesmateriaal zelf, omdat de PM-massa meestal maar 0,01 tot 0,10 % van het totale gewicht vertegenwoordigt. Een correctie voor deze kleine massafractie zou hooguit 0,010 % zijn. De voor de opwaartse kracht gecorrigeerde waarden zijn de tarramassa's van de PM-monsters. Deze voor de opwaartse kracht gecorrigeerde waarden van de weging van het filter vóór de test worden vervolgens van de voor de opwaartse kracht gecorrigeerde waarden van de weging van het overeenkomstige filter na de test afgetrokken om de massa van het tijdens de test uitgestoten deeltjesmateriaal te bepalen. 8.1.13.2.2. Dichtheid van het PM-monsterfilter Verschillende PM-monsterfilters hebben een verschillende dichtheid. De bekende dichtheid van het monstermedium wordt toegepast of bij een aantal gebruikelijke bemonsteringsmedia wordt een van de volgende dichtheden toegepast:
8.1.13.2.3. Luchtdichtheid Aangezien de omgeving van een PM-balans strikt op een omgevingstemperatuur van 295 ± 1 K (22 ± 1 °C) en een dauwpunt van 282,5 ± 1 K (9,5 ± 1 °C) moet worden geregeld, is de luchtdichtheid voornamelijk een functie van de luchtdruk. Daarom wordt een correctie voor de opwaartse kracht gespecificeerd die alleen afhankelijk is van de luchtdruk. 8.1.13.2.4. Dichtheid van het kalibratiegewicht De aangegeven dichtheid van het materiaal van het metalen kalibratiegewicht wordt toegepast. 8.1.13.2.5. Berekening van de correctie Het PM-monsterfilter wordt voor de opwaartse kracht gecorrigeerd met vergelijking (6-27):
waarbij:
met
waarin:
|
|
37) |
In punt 9.3.2.1.1 wordt de eerste zin vervangen door: „Wanneer overeenkomstig punt 9.3.1.1.1 een mengkamer wordt gebruikt, moet het inwendige volume van de mengkamer ten minste tien keer zo groot zijn als het slagvolume van één cilinder van de motor die wordt getest.”. |
|
38) |
In punt 9.3.2.2 wordt punt b) vervangen door:
|
|
39) |
In punt 9.3.2.3.1.1 wordt de laatste alinea vervangen door: „Bij de hoogste verwachte waterdampconcentratie Hm moet de waterverwijderingstechniek de vochtigheid op ≤ 5 g water/kg droge lucht (of ongeveer 0,8 vol.-% H2O) houden, wat gelijk is aan 100 % relatieve vochtigheid bij 277,1 K (3,9 °C) en 101,3 kPa. Deze specificatie van de vochtigheid komt overeen met ongeveer 25 % relatieve vochtigheid bij 298 K (25 °C) en 101,3 kPa. Dit kan worden aangetoond door:
|
|
40) |
In punt 9.3.3.4.3 wordt de tweede zin vervangen door: „De monstertemperatuur wordt geregeld op 320 ± 5 K (47 ± 5 °C), gemeten op gelijk welk punt binnen 200 mm vóór of 200 mm voorbij de PM-filtermedia.”. |
|
41) |
In punt 9.3.4.4, onder b), wordt de laatste zin vervangen door: „Deze waarde wordt gebruikt om overeenkomstig punt 8.1.13.2 de correctie van het PM-monsterfilter voor de opwaartse kracht te berekenen.”. |
|
42) |
In punt 9.4.1.2 wordt de laatste zin vervangen door: „Wanneer voor een bepaalde meting meer dan een instrument wordt gespecificeerd, duidt de goedkeuringsinstantie op verzoek een ervan aan als referentie-instrument voor het aantonen dat een alternatieve procedure gelijkwaardig is met de gespecificeerde procedure.”. |
|
43) |
In punt 9.4.1.3 wordt de eerste zin vervangen door: „Voor alle in dit punt beschreven meetinstrumenten geldt dat, met voorafgaande toestemming van de goedkeuringsinstantie, voor de berekening van testresultaten voor één test gegevens van meerdere instrumenten mogen worden gebruikt.”. |
|
44) |
In punt 9.4.5.3.2 wordt de eerste zin vervangen door: „Om een partiëlestroomverdunningssysteem zo te regelen dat een evenredig monster van het ruwe uitlaatgas wordt genomen, moet de responstijd van de stroommeter sneller zijn dan aangegeven in tabel 6.8.”. |
|
45) |
In punt 9.4.6 wordt de laatste zin vervangen door: „Het NDIR-systeem moet voldoen aan de kalibratie- en verificatievoorschriften in punt 8.1.9.1 of 8.1.9.2, naargelang het geval.”. |
|
46) |
In punt 9.4.12 wordt de alinea onder de titel vervangen door: „Er mag overeenkomstig aanhangsel 4 een fouriertransformatie-infraroodanalysator (FTIR), een niet-dispersieve ultravioletanalysator (NDUV) of een laser-infraroodanalysator worden gebruik.”. |
|
47) |
Punt 9.5.1.1, onder a), wordt als volgt gewijzigd:
|
|
48) |
In punt 9.5.1.1, onder c), wordt punt i) vervangen door:
|
|
49) |
In punt 9.5.1.2 wordt punt b) vervangen door:
|
|
50) |
In punt 9.5.1.3 wordt de tweede alinea onder de titel geschrapt. |
|
51) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
52) |
In aanhangsel 3, punt 3, tweede alinea, wordt de eerste zin vervangen door: „Het door de elektronische regeleenheid uitgezonden koppel wordt zonder correctie aanvaard als op elk meetpunt het quotiënt van de koppelwaarde van de dynamometer en de koppelwaarde van de elektronische regeleenheid niet minder dan 0,93 bedraagt (d.w.z. een maximaal verschil van 7 %).”. |
|
53) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
54) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 betreffende de motoremissies van landbouw- en bosbouwtrekkers en van niet voor de weg bedoelde mobiele machines in het kader van het wereldregister dat op 18 november 2004 is gecreëerd uit hoofde van artikel 6 van de Overeenkomst betreffende de vaststelling van mondiale technische reglementen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen.
(*2) Reglement nr. 96 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van compressieontstekingsmotoren voor landbouw- en bosbouwtrekkers en niet voor de weg bestemde mobiele machines wat de emissies van verontreinigende stoffen door de motor betreft.”.”
BIJLAGE VII
Bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2.1 wordt vervangen door: „2.1. Meting van gasvormige emissies in ruw uitlaatgas”. |
|
2) |
In punt 2.1.1 wordt vergelijking (7-1) vervangen door:
|
|
3) |
In punt 2.1.3 wordt vergelijking (7-4) vervangen door:
|
|
4) |
In punt 2.1.5.2 wordt vergelijking (7-13) vervangen door:
|
|
5) |
In punt 2.1.6.4 wordt in de legenda van vergelijking (7-21) de rij betreffende „wC ” vervangen door:
|
|
6) |
In punt 2.3.3 worden in de legenda van vergelijking (7-34) de rijen betreffende „Mda,w” en „Mr,w” vervangen door:
|
|
7) |
Punt 2.3.1 wordt vervangen door: „2.3.1. Transiënte testcycli (NRTC en LSI-NRTC) en RMC De deeltjesmassa wordt berekend na de correctie van de deeltjesmonstermassa voor de opwaartse kracht overeenkomstig punt 8.1.13.2.5 van bijlage VI.”. |
|
8) |
In punt 2.3.1.1.2 wordt vergelijking (7-46) vervangen door:
|
|
9) |
Punt 2.4.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
10) |
In punt 2.4.1.2 wordt de legenda van vergelijking (7-64) als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
Punt 2.4.2.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
12) |
In punt 3.3.4 wordt de eerste alinea vervangen door: „Voor HC-meting wordt x THC[THC-FID] aan de hand van de concentratie van de initiële THC-verontreiniging x THC[THC-FID]init uit punt 7.3.1.3 van bijlage VI berekend met vergelijking (7-83):”. |
|
13) |
In punt 3.3.5 wordt de laatste zin vervangen door: „Op basis van eerdere tests met soortgelijke motoren of van tests met soortgelijke apparatuur en instrumenten kan wellicht al een bepaalde debietgewogen gemiddelde concentratie van een emissie bij de emissiegrenswaarde worden verwacht.”. |
|
14) |
Punt 3.5 wordt vervangen door: „3.5. Meting van gasvormige emissies in ruw uitlaatgas”. |
|
15) |
In punt 3.5.3, onder c), wordt vergelijking (7-113) vervangen door:
|
|
16) |
Punt 3.6.1 wordt vervangen door: „3.6.1. Emissiemassaberekening en achtergrondcorrectie De massa van gasvormige emissies m gas [g/test] wordt als volgt als functie van de molaire debieten van de emissies berekend:
|
|
17) |
In punt 3.6.3 wordt punt b) als volgt gewijzigd:
|
|
18) |
Punt 3.8.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
19) |
In punt 3.8.1.2 wordt de legenda van vergelijking (7-131) als volgt gewijzigd:
|
|
20) |
Punt 3.8.2.2.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
21) |
Punt 3.8.2.2.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
22) |
In punt 3.9.3, onder a), wordt vergelijking (7-140) vervangen door:
|
|
23) |
Aan aanhangsel 3, punt 5, worden de volgende tabellen 7.9 en 7.10 toegevoegd: „Tabel 7-9 Kritieke F-waarden, Fcrit90, versus N-1 en Nref-1 met een betrouwbaarheid van 90 %
Tabel 7-10 Kritieke F-waarden, Fcrit95, versus N-1 en Nref-1 met een betrouwbaarheid van 95 %
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
24) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE VIII
Bijlage VIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan punt 4.2.2.2, laatste alinea, wordt de volgende zin toegevoegd: „In het in deel A van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/656 beschreven informatiedossier wordt een beschrijving opgenomen van de verbinding en de methode voor het uitlezen van deze gegevens.”; |
|
2) |
In punt 4.5.1 wordt punt b) vervangen door:
|
|
3) |
Punt 6.4.1 wordt vervangen door:
|
|
4) |
Het volgende punt 6.8 wordt ingevoegd: „6.8. Documentatie van de demonstratie De demonstratie uit hoofde van de punten 6.1 tot en met 6.7.1 wordt vastgelegd in een demonstratieverslag. Dat verslag:
|
|
5) |
Aanhangsel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE IX
In aanhangsel 2, punt 2, van bijlage IX bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt de aanhef voor vergelijking (9-5) vervangen door:
„De waarde van Sλ mag worden bepaald als het quotiënt van de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van zuurstof en methaan en de verhouding in de stoichiometrische samenstelling van zuurstof en het naar de motor gevoerde brandstofmengsel, zoals weergegeven in vergelijking (9-5):”.
BIJLAGE X
In bijlage XIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt punt 1 als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 1) wordt de aanhef vervangen door:
(*1) Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).”." |
|
2) |
In punt 2) wordt de aanhef vervangen door:
(*2) Reglement nr. 49 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voor voertuigen bestemde compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren (PB L 171 van 24.6.2013, blz. 1.”." |
(*1) Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).”.
(*2) Reglement nr. 49 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voor voertuigen bestemde compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren (PB L 171 van 24.6.2013, blz. 1.”.”
BIJLAGE XI
In punt 3, 15), van bijlage XV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt punt a) vervangen door:
|
„a) |
als de motor in de Unie op diesel of gasolie voor niet voor de weg bestemde mobiele machines moet werken: een verklaring dat een brandstof moet worden gebruikt met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg (20 mg/kg op het laatste punt van distributie), een cetaangetal van minimaal 45 en een FAME-gehalte van maximaal 8 % v/v;”. |
BIJLAGE XII
Bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 2.4.1 wordt vervangen door:
|
|
2) |
De punten 2.5.2 en 2.5.2.1 worden vervangen door: „2.5.2. Brandstofspecifieke dualfuelmotoren op vloeibaar aardgas (LNG) 2.5.2.1. Bij een dualfuelmotorfamilie wordt, wanneer de motoren voor een specifieke LNG-samenstelling worden gekalibreerd, wat een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3 % verschilt van de λ-verschuivingsfactor van de in bijlage IX gespecificeerde brandstof G20, en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5 % bedraagt, de basismotor alleen getest met het referentiegas G20 of met de gelijkwaardige brandstof die een mengsel is van leidinggas en andere gassen, zoals gespecificeerd in aanhangsel 1 van bijlage IX.”. |
BIJLAGE XIII
Bijlage III bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 3.1.2 wordt vervangen door:
|
|
2) |
In punt 3.4.1.3 wordt de tweede zin vervangen door: „De goedkeuringsinstantie weigert geen goedkeuring voor onderhoudsvoorschriften die redelijk en technisch noodzakelijk zijn, waaronder onder meer de in punt 3.4.1.4 bedoelde verrichtingen.”. |
BIJLAGE XIV
Bijlage IV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 2.3.1 wordt vervangen door:
|
|
2) |
Aanhangsel 1 wordt als volgt gerectificeerd:
|
|
3) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gerectificeerd:
|
BIJLAGE XV
Punt 1 van bijlage V bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
De tweede en de derde alinea worden vervangen door: „Deze bijlage bevat de technische voorschriften in verband met het gebied van de toepasselijke NRSC waarin de toegestane overschrijding van de emissiegrenswaarden van bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628 beheerst wordt. Wanneer een motor overeenkomstig de testvoorschriften van onderdeel 4 wordt getest, mogen de op een willekeurig gekozen punt binnen het in onderdeel 2 gedefinieerde beheersgebied bemonsterde emissies van verontreinigende gassen en deeltjes de toepasselijke emissiegrenswaarden in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1628, vermenigvuldigd met factor 2,0, niet overschrijden.”. |
|
2) |
De laatste alinea wordt vervangen door: „In de montage-instructies die de fabrikant overeenkomstig bijlage XIV aan de OEM verstrekt, worden de boven- en ondergrens van het toepasselijke beheersgebied aangegeven en wordt een verklaring opgenomen om te verduidelijken dat de OEM de motor niet op zodanige wijze mag monteren dat de motor gedwongen wordt permanent uitsluitend bij combinaties van toerental en koppel te werken die buiten het beheersgebied voor de koppelcurve voor het goedgekeurde motortype of de goedgekeurde motorfamilie liggen.”. |
BIJLAGE XVI
Bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
In punt 5.2.5.6 wordt de tweede alinea vervangen door: „Wanneer de op de motor gemonteerde regulateur wordt gebruikt, is het 100 %-toerental het gereguleerde toerental, zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 24.”. |
|
2) |
Punt 6.3.1 wordt vervangen door: „6.3.1. Basis voor emissiemeting De basis voor het meten van specifieke emissies is het ongecorrigeerde nettovermogen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 25, van Verordening (EU) 2016/1628.”. |
|
3) |
In punt 6.3.3, tweede alinea, wordt de laatste zin vervangen door: „Het door hulpapparatuur opgenomen vermogen wordt gebruikt om de instelwaarden aan te passen en de door de motor tijdens de testcyclus geleverde arbeid te berekenen overeenkomstig punt 7.7.1.3 of punt 7.7.2.3, onder b).”. |
|
4) |
In punt 7.4.2.1 worden de twee alinea's onder figuur 6.3 vervangen door:
|
|
5) |
In punt 7.6 wordt „zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 12” vervangen door „zoals gedefinieerd in artikel 1, punt 12”. |
|
6) |
In punt 7.6.3.1, onder b), worden de vierde en de vijfde zin vervangen door: „Het geregistreerde vermogen mag niet meer dan 12,5 % hoger zijn dan het nominale vermogen, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 27, van Verordening (EU) 2016/1628. Als deze waarde wordt overschreden, moet de fabrikant het opgegeven nominale vermogen herzien.”. |
|
7) |
In punt 7.7.2.3 wordt in de legenda van vergelijking (6-16) de tweede vermelding vervangen door:
|
|
8) |
In punt 8.2.3.5 wordt de laatste zin vervangen door: „Indien echter een PM-massa van 400 μg of meer wordt verwacht, moet het monstermedium gedurende ten minste 60 minuten worden gestabiliseerd.”. |
|
9) |
In punt 9.2.1, onder c), wordt punt i) vervangen door:
|
|
10) |
In punt 9.2.2, onder g), wordt de laatste alinea vervangen door: „Bij PM-bemonstering ondergaat de al proportionele stroom die van de CVS komt, een of meer secundaire verdunningen om de verlangde totale verdunningsverhouding te bereiken zoals getoond in figuur 6.7 en vermeld in punt 9.2.3.2;”. |
|
11) |
In punt 9.2.3.1, eerste alinea, wordt de laatste zin vervangen door: „Zij moeten voldoen aan andere criteria zoals vermeld in punt 8.1.8.6 (periodieke kalibratie) en 8.2.1.2 (validering) voor PFD met variabele verdunning en in punt 8.1.4.5 en tabel 6.5 (lineariteitsverificatie) en punt 8.1.8.5.7 (verificatie) voor PFD met constante verdunning.”. |
|
12) |
In punt 9.2.3.3 wordt de laatste alinea vervangen door: „Het systeem mag ook worden gebruikt bij een eerder verdund uitlaatgas waarvan, via een constante verdunningsverhouding, een al proportionele stroom wordt verdund (zie figuur 6.7). Zo wordt met een CVS-tunnel een secundaire verdunning uitgevoerd om de voor PM-bemonstering vereiste totale verdunningsverhouding te verkrijgen.”. |
|
13) |
In aanhangsel 4, punt 3.4.1, wordt de laatste zin vervangen door: „Het verschil tussen de resultaten vóór en na de test moet minder dan 2 % van de volledige schaal bedragen.”. |
BIJLAGE XVII
Bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Punt 2.4.1.1 wordt als volgt gerectificeerd:
|
|
2) |
Punt 3.9.5 wordt vervangen door: „3.9.5. Kalibratie van CFV Sommige CFV-stroommeters bestaan uit één venturi en andere uit meerdere venturi's, waarbij verschillende combinaties van venturi's worden gebruikt om verschillende debieten te meten. Bij CFV-stroommeters met meerdere venturi's mag ofwel kalibratie van elke venturi afzonderlijk worden toegepast om voor elke venturi een eigen afvoercoëfficiënt C d te bepalen, ofwel kalibratie van elke combinatie van venturi's als één venturi. Indien een combinatie van venturi's wordt gekalibreerd, wordt de som van de actieve venturihalsoppervlakken gebruikt als A t, de vierkantswortel van de som van de actieve venturihalsdiameters in het kwadraat als d t, en is de verhouding tussen de diameter van de venturihals en die van de venturi-inlaat de verhouding tussen de vierkantswortel van de som van de actieve venturihalsdiameters (d t) en de diameter van de gemeenschappelijke toegang tot alle venturi's (D). Om de C d voor één venturi of één combinatie van venturi's te bepalen, worden de volgende stappen uitgevoerd:
|
|
3) |
In aanhangsel 6 wordt vergelijking (7-180) vervangen door:
|
BIJLAGE XVIII
Bijlage VIII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/654 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
(Heeft geen betrekking op het Nederlands). |
|
2) |
In aanhangsel 2, punt 4, derde alinea onder de titel, wordt de laatste zin vervangen door: „Dit moet met een van de in punt 7 beschreven methoden worden gecompenseerd.”. |