30.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/38


BESLUIT (GBVB) 2017/915 VAN DE RAAD

van 29 mei 2017

over activiteiten van de Unie ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 28, lid 1, en artikel 31, lid 1,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Wapenhandelsverdrag (WHV) is 2 april 2013 aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN. Het WHV is vervolgens op 3 juni 2013 opengesteld voor ondertekening en is op 24 december 2014 in werking getreden. Alle lidstaten zijn partij bij het WHV.

(2)

Met het Verdrag wordt beoogd de hoogst mogelijke gemeenschappelijke internationale normen vast te stellen om de legale handel in conventionele wapens te reglementeren en de illegale handel in conventionele wapens te voorkomen en uit te bannen en het oneigenlijk gebruik van die wapens te voorkomen. De belangrijkste uitdagingen zijn de daadwerkelijke uitvoering ervan door de partijen en de universalisering ervan, gelet op het feit dat de reglementering van de internationale wapenhandel per definitie een mondiale aangelegenheid is. Als bijdrage tot het aanpakken van deze uitdagingen heeft de Raad op 16 december 2013 Besluit 2013/768/GBVB (1) vastgesteld, en aldus het werkterrein van de Unie op het gebied van bijstand bij uitvoercontrole uitgebreid met activiteiten die specifiek verband houden met het WHV.

(3)

De activiteiten in het kader van Besluit 2013/768/GBVB waren gericht op zestien begunstigde landen en hadden betrekking op een groot aantal onderwerpen die van belang zijn voor het instellen en ontwikkelen van een nationaal systeem voor controle op wapenoverdrachten, zoals voorgeschreven door het WHV. De samenwerking is veelbelovend gestart met een aantal landen die nooit eerder het doel waren geweest van andere bijstandsactiviteiten van de Unie op het gebied van de uitvoercontrole, en dat weerspiegelde het mondiale karakter van het WHV. Het verdient derhalve aanbeveling om met deze subgroep van landen verder te werken zodat de vooruitgang blijvend is, en om deze begunstigde landen aan te sporen zelf regionale voorlichting ter hand te nemen.

(4)

Naast de voortzetting van de activiteiten met de begunstigde landen in het kader van Besluit 2013/768/GBVB, is het raadzaam te streven naar een vraaggestuurde aanpak waarbij bijstandsactiviteiten kunnen worden ingeschakeld op verzoek van landen die behoeften blijken te hebben met betrekking tot de uitvoering van het WHV. Een dergelijke aanpak heeft zich al eens eerder bewezen als eerlijk en succesvol bij het verlenen van bijstand aan landen die de Unie om bijstand hebben gevraagd en aldus blijk hebben gegeven van engagement en eigen verantwoordelijkheid inzake het WHV. Dit besluit behelst dus een specifiek aantal activiteiten dat op verzoek beschikbaar zal worden gesteld.

(5)

Bijstand van de Unie krachtens Besluit (GBVB) 2015/2309 van de Raad (2) is gericht op een aantal landen in de nabije oostelijke en zuidelijke buurlanden van de Unie. De Unie verstrekt ook al heel lang bijstand bij controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik, en wel in het kader van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP), dat steun biedt voor de ontwikkeling van juridische kaders en institutionele capaciteit voor het instellen en handhaven van adequate uitvoercontroles op goederen voor tweeërlei gebruik. Via het IcSP en Gemeenschappelijk Optreden 2006/419/GBVB (3), Gemeenschappelijk Optreden 2008/368/GBVB (4) en Besluit (GBVB) 2013/391 van de Raad (5) steunt de Unie ook de uitvoering van UNSCR 1540 (2004) waarin een mandaat wordt gegeven voor doeltreffende controle op de overdracht van aan massavernietigingswapens gerelateerde goederen.

Als zodanig dragen controles die zijn ontwikkeld voor de uitvoering van UNSCR 1540 (2004) en worden uitgevoerd in het kader van de programma's van de Unie voor bijstand bij de controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik, bij aan het algemene vermogen om het WHV daadwerkelijk uit te voeren, aangezien in veel gevallen de wetten, bestuurlijke procedures en instanties voor de controle op de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik dezelfde zijn als voor de controle op de uitvoer van conventionele wapens. Derhalve is het van cruciaal belang dat er wordt gezorgd voor nauwe coördinatie tussen activiteiten voor de controle op goederen voor tweeërlei gebruik en activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering van het WHV.

(6)

Het hoge totaalaantal in het onderhavige besluit van de Raad geplande activiteiten rechtvaardigt het bestaan van twee uitvoerende instanties die de werklast op efficiënte wijze kunnen verdelen. Het Duitse Bundesamt für Wirtschaft und Ausfuhrkontrolle (BAFA) is door de Raad en de Commissie belast met de uitvoering van eerdere projecten op het vlak van exportcontrole. BAFA heeft bijgevolg een grote hoeveelheid kennis en deskundigheid ontwikkeld. Expertise France is verantwoordelijk voor de in het kader van het IcSP gefinancierde EU-P2P-projecten in verband met goederen voor tweeërlei gebruik. Zijn rol bij de uitvoering van dit besluit van de Raad zal er mede voor zorgen dat er voldoende wordt gecoördineerd met projecten in verband met tweeërlei gebruik,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Ter ondersteuning van de daadwerkelijke uitvoering en universalisering van het WHV, onderneemt de Unie activiteiten met de volgende doelstellingen:

a)

steun verlenen aan een aantal staten om hun systemen voor de controle op wapenoverdrachten te versterken ten behoeve van een daadwerkelijke uitvoering van het WHV;

b)

op nationaal en regionaal niveau de kennis over en de verantwoordelijkheid voor het WHV door de relevante nationale en regionale autoriteiten en belanghebbenden van maatschappelijke organisaties verbeteren.

2.   Ter verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstellingen voert de Unie de volgende projectactiviteiten uit:

a)

begunstigde landen helpen bij het opstellen, actualiseren en uitvoeren, naargelang het geval, van wettelijke en administratieve maatregelen voor het opzetten en ontwikkelen van een efficiënt systeem voor controle op de uitvoer van wapens, overeenkomstig de in het WHV gestelde eisen;

b)

versterking van de deskundigheid en capaciteiten van de ambtenaren van de begunstigde landen die belast zijn met het afgeven van vergunningen en met handhaving, met name door middel van het uitwisselen van goede werkwijzen, het geven van opleiding en het bieden van toegang tot relevante informatiebronnen, zodat kan worden gewaarborgd dat de controles op wapenoverdrachten op adequate wijze worden uitgevoerd en gehandhaafd;

c)

transparantie in de internationale wapenhandel bevorderen door voort te bouwen op de transparantie-eisen van het WHV;

d)

de begunstigde landen en hun buurlanden ertoe bewegen zich duurzaam bij het WHV aan te sluiten door een rol te geven aan relevante nationale en regionale belanghebbenden, zoals daar zijn nationale parlementen, bevoegde regionale organisaties en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, die er voor de lange termijn belang bij hebben erop toe te zien dat het WHV daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

In de bijlage worden deze projectactiviteiten nader omschreven.

Artikel 2

1.   De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de hoge vertegenwoordiger) is belast met de uitvoering van dit besluit.

2.   De technische uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projectactiviteiten is in handen van BAFA en Expertise France.

3.   BAFA en Expertise France zullen deze taken onder de verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger uitvoeren. Daartoe treft de hoge vertegenwoordiger de nodige regelingen met BAFA en Expertise France.

Artikel 3

1.   Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projectactiviteiten bedraagt EUR 7 178 924,36. De totale geraamde begroting voor het gehele project bedraagt EUR 8 368 151,36. Het deel van die geraamde begroting dat niet wordt gedekt door het referentiebedrag, komt uit medefinanciering door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en expertise France.

2.   Uitgaven die uit het in lid 1 genoemde referentiebedrag worden gefinancierd, worden beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de begroting van de Unie.

3.   De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Daartoe treft de Commissie de nodige financieringsregelingen met BAFA en Expertise France. In de financieringsregelingen wordt bepaald dat BAFA en Expertise France ervoor moeten zorgen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in een mate die overeenstemt met de omvang ervan.

4.   De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde financieringsregelingen zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te treffen. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden en van de datum van sluiting van de financieringsregelingen.

Artikel 4

1.   De hoge vertegenwoordiger brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van de geregelde verslagen die worden opgesteld door de uitvoerende entiteiten. Deze rapporten vormen de grondslag voor de evaluatie door de Raad.

2.   De Commissie geeft informatie over de financiële aspecten van de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projectactiviteiten.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Het verstrijkt 36 maanden na de datum van sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsregelingen of zes maanden nadat het is vastgesteld indien de noodzakelijke financieringsregelingen niet binnen die periode zijn getroffen.

Gedaan te Brussel, 29 mei 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

C. CARDONA


(1)  Besluit 2013/768/GBVB van de Raad van 16 december 2013 betreffende activiteiten van de Europese Unie ter ondersteuning van de uitvoering van het Wapenhandelsverdrag in het kader van de Europese veiligheidsstrategie (PB L 341 van 18.12.2013, blz. 56).

(2)  Besluit (GBVB) 2015/2309 van de Raad van 10 december 2015 betreffende het bevorderen van doeltreffende controle op de wapenuitvoer (PB L 326 van 11.12.2015, blz. 56).

(3)  Gemeenschappelijk Optreden 2006/419/GBVB van de Raad van 12 juni 2006 ter ondersteuning van de uitvoering van Resolutie 1540 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en in het kader van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens (PB L 165 van 17.6.2006, blz. 30).

(4)  Gemeenschappelijk Optreden 2008/368/GBVB van de Raad van 14 mei 2008 ter ondersteuning van de uitvoering van Resolutie 1540 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en in het kader van de uitvoering van de strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (PB L 127 van 15.5.2008, blz. 78).

(5)  Besluit 2013/391/GBVB van de Raad van 22 juli 2013 ter ondersteuning van de praktische uitvoering van Resolutie 1540 (2004) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inzake de non-proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor (PB L 198 van 23.7.2013, blz. 40).


BIJLAGE

1.   Achtergrond en motivering van de Unie-steun

Dit besluit wordt geschraagd door eerdere Raadsbesluiten ter ondersteuning van het VN-proces dat moet leiden tot het Wapenhandelsverdrag („WHV”) en ter bevordering van de daadwerkelijke uitvoering en universalisering ervan (1). Het WHV is op 2 april 2013 door de Algemene Vergadering van de VN vastgesteld en op 24 december 2014 van kracht geworden.

Oogmerk van het WHV is de hoogst mogelijke gemeenschappelijke internationale normen vast te stellen om de internationale handel in conventionele wapens te reglementeren of de reglementering van die handel te verbeteren, de illegale handel in conventionele wapens te voorkomen en uit te bannen en het oneigenlijk gebruik van die wapens te voorkomen. Het doel ervan is bij te dragen aan internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit, menselijk leed te verminderen en samenwerking, transparantie en verantwoord handelen door de verdragsluitende partijen in de internationale handel in conventionele wapens te bevorderen, en aldus vertrouwen tussen de verdragsluitende staten op te bouwen. Als zodanig passen oogmerk en doel van het WHV bij de algemene ambitie van de Unie met betrekking tot buitenlands en veiligheidsbeleid, zoals vastgelegd in artikel 21 van het Verdrag betreffende Europese Unie.

Het WHV is in 2013 aangenomen en de grootste uitdagingen op dit moment liggen in de daadwerkelijke uitvoering en universalisering ervan.

Bijstand bij en voorlichting over uitvoercontrole zijn van cruciaal belang voor het aanpakken van die uitdagingen en vormen derhalve de centrale elementen van dit besluit. Wat betreft bijstand bij uitvoercontrole is dit besluit gericht op specifieke partnerlanden en biedt het mogelijkheden voor bijstand aan landen die daarom verzoeken.

Met betrekking tot de negen specifieke partnerlanden (Senegal, Burkina Faso, Ghana, Filipijnen, Georgië, Peru, Jamaica, Colombia, Costa Rica) voorziet dit besluit in de verdere ontwikkeling van de samenwerking die op gang is gebracht door de eerste fase van de activiteiten ter ondersteuning van de uitvoering die worden gefinancierd door Besluit 2013/768/GBVB.

Wat betreft het toepassingsgebied voor begunstigde landen die een verzoek doen, is dit besluit ingegeven door dezelfde beproefde activiteiten als de in het kader van Besluit 2013/768/GBVB uitgevoerde, te weten:

specifieke bijstandsprogramma's waarmee begunstigde landen op een op hen toegesneden en ver reikende wijze worden bijgestaan bij het voldoen aan de vereisten van het WHV. De bijstand zal worden ontwikkeld volgens een draaiboek voor bijstand dat met de begunstigde landen moet worden opgesteld en waarin de actieprioriteiten worden aangegeven, waarin wordt gezorgd voor lokale verantwoordelijkheid en in voorkomend geval het engagement tot ratificatie van het WHV wordt aangegeven;

ad-hocbijstandsactiviteiten waarin aandacht wordt besteed aan begunstigde landen met beperkte en specifieke behoeften. Deze ad-hocbijstandsactiviteiten bieden de Unie de mogelijkheid om flexibel en reactief in te gaan op verzoeken om bijstand.

Ten slotte behelst dit besluit, in verband met de uitdaging van het universaliseren van het WHV, een component regionale voorlichting die steunt op de negen specifieke partnerlanden, met deelname van de meest relevante regionale organisaties. Een andere hefboom ter ondersteuning van universalisering is voorlichting via de jaarlijkse conferentie van de staten die partij zijn bij het WHV.

Daarom staat er in dit besluit een alomvattende reeks bijstands- en voorlichtingsactiviteiten waarmee zal worden bijgedragen aan de aanpak van de uitdagingen die liggen in de daadwerkelijke uitvoering en universalisering. Het besluit bouwt voort op de resultaten en geleerde lessen van de eerdere door Besluit 2013/768/GBVB gefinancierde fase en toont de voortgezette en geëngageerde steun voor het WHV van de Unie en de lidstaten.

2.   Algemene doelstellingen

Kerndoel van dit besluit is steun verlenen aan een aantal staten om hun systemen voor de controle op wapenoverdrachten te versterken ten behoeve van een daadwerkelijke uitvoering van het WHV en de universalisering ervan te propageren. In het kader van de actie van de Unie wordt specifiek voorzien in:

a)

het verbeteren van de capaciteiten van de begunstigde landen op het vlak van controle op de overdracht van wapens evenals hun deskundigheid;

b)

het stimuleren van kennis en eigen verantwoordelijkheid van relevante belanghebbenden, zoals bevoegde regionale organisaties, nationale parlementen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, die voor de lange termijn belang hebben bij een doeltreffende uitvoering van het WHV;

c)

het leggen van contacten met andere landen teneinde de universalisering en daadwerkelijke uitvoering van het WHV te steunen.

3.   Beschrijving van projectactiviteiten

3.1.   Versterking van de pool van deskundigen die is opgericht bij Besluit 2013/768/GBVB

3.1.1.   Doel van het project

De pool van deskundigen die is opgericht bij Besluit 2013/768/GBVB heeft aangetoond een welomschreven, bekwaam en betrouwbaar instrument te zijn waarmee bijstandsactiviteiten op passende wijze worden gesteund. Nu deze ervaring is opgedaan, is het zaak de pool uit te breiden qua aantal deskundigen en diversiteit van hun deskundigheid, en de soort deskundigen die wordt ingezet, bijvoorbeeld de inzet van niet-gouvernementele deskundigen; en hun rol op langere termijn in de begunstigde landen aan te moedigen; en een component „de opleider opleiden” binnen de pool te ontwikkelen.

3.1.2.   Projectomschrijving

De uitvoerende instanties zullen werken aan het uitbreiden van de pool van deskundigen en zo goed mogelijk zorgen voor een brede geografische vertegenwoordiging en een ruime expertise, voor zover mogelijk. In het bijzonder moeten zij deskundigen uit landen die onlangs met succes nationale systemen voor de controle op wapenoverdrachten hebben opgezet, met inbegrip van de systemen die zijn ontwikkeld met ontvangen internationale bijstand, aanmoedigen om deel te nemen. De uitvoerende instanties zullen regelmatig aan de Groep export van conventionele wapens van de Raad (COARM) verslag uitbrengen over de pool, de samenstelling ervan en het vermogen ervan om om te gaan met de werklast die voortkomt uit de activiteiten die in dit besluit worden beoogd. COARM kan indien nodig besluiten over te gaan tot corrigerende maatregelen.

De algemene deskundigheid van de pool van deskundigen moet het gehele gebied van een nationaal systeem voor controle op wapenoverdrachten bestrijken (in het bijzonder juridische kwesties, het afgeven van vergunningen, douane/handhaving, bekendheid, vervolging/sancties, rapportage/transparantie).

3.1.2.1.   Deskundigen

De uitvoerende entiteiten zien toe op een eerlijke en transparante werving van deskundigen en maken, wat Unie-deskundigen betreft, ten volle gebruik van de EU-lijst van voorlichtingsdeskundigen, die in COARM wordt verspreid en geactualiseerd.

3.1.2.2.   Vergaderingen van deskundigen

De uitvoerende entiteiten zullen tijdens de looptijd van dit besluit vier tweedaagse vergaderingen van deskundigen (elk twee vergaderingen) bijeenroepen. Doel van deze vergaderingen is met name:

het ontwikkelen van een gemeenschappelijk inzicht onder deskundigen in de problemen en oplossingen bij het ondersteunen van de uitvoering van het WHV;

het zo nodig ontwikkelen van gemeenschappelijk materiaal dat kan worden gebruikt bij de door deskundigen verleende bijstand (zoals handboeken en richtsnoeren), zodat het door deskundigen uitgebrachte advies consequent is;

het beoordelen van het onderdeel „de opleider opleiden” (zie 3.1.2.3) en zo nodig over wijzigingen te beslissen.

Twee vergaderingen, met inbegrip van de openingsvergadering, moeten in Brussel plaatsvinden. De plaats van de andere twee vergaderingen is afhankelijk van de uitvoerende entiteit. Tot 40 deskundigen, op basis van geografisch evenwicht en de behoeften van het onderdeel „de opleider opleiden” (zie 3.1.2.3), zullen voor elke vergadering worden uitgenodigd.

3.1.2.3.   Onderdeel „de opleider opleiden”

Met dit onderdeel wordt beoogd de opleiding van een aantal deskundigen uit de begunstigde landen te ondersteunen, zodat zij in een later stadium hun eigen collega's doeltreffend kunnen opleiden. Waar mogelijk zullen de uitvoerende entiteiten bekendheid geven aan het onderdeel „de opleider opleiden” en toekomstige opleiders aanduiden wanneer de bijstandsactiviteiten in de begunstigde landen krachtens dit besluit worden gestart. Deze functionarissen zullen vervolgens in de pool van deskundigen worden opgenomen en derhalve worden uitgenodigd voor de in punt 3.1.2.2 bedoelde vergaderingen van deskundigen.

Het onderdeel „de opleider opleiden” zal plaatsvinden op een aanvullende derde dag, onmiddellijk na de vergaderingen van de deskundigen. Het wordt een bijeenkomst van toekomstige opleiders en een passend aantal deskundigen van de pool die de opleiding verstrekken.

Tussen de jaarlijkse vergaderingen van deskundigen en de aanvullende onderdelen „de opleiders opleiden”, zullen contacten tussen opleidingsdeskundigen en toekomstige opleiders worden aangemoedigd, en indien nodig kunnen, aansluitend bij de geplande bijstandsactiviteiten, extra opleidingssessies worden gepland in de begunstigde landen (bijvoorbeeld een halve dag van een gerichte workshop, als bedoeld in punt 3.2.3.1).

Voor iedere sessie zullen tot 15 opleiders worden ingeschreven.

De uitvoerende entiteit die verantwoordelijk is voor de vergadering van deskundigen zal verantwoordelijk zijn voor het aansluitende onderdeel „de opleider opleiden”.

3.2.   Nadere bijstand aan langetermijnpartnerlanden

3.2.1.   Langetermijnpartnerlanden

Senegal, Burkina Faso, Ghana, de Filipijnen, Georgië, Peru, Jamaica, Colombia, Costa Rica.

Deze langetermijnpartnerlanden zullen door de uitvoerende entiteiten als volgt worden behandeld:

BAFA: Ghana; Georgië; Peru; Jamaica; Colombia; Costa Rica

Expertise France: Senegal; Burkina Faso; de Filipijnen

3.2.2.   Doel van het project

Besluit 2013/768/GBVB heeft het de Unie mogelijk gemaakt om met de negen in punt 3.2.1 bedoelde landen een samenwerking aan te gaan op basis van een initieel draaiboek. Het volledig of gedeeltelijk uitvoeren van het draaiboek heeft bijkomende uitdagingen aan het licht gebracht die moeten worden aangepakt om te komen tot een volledigere uitvoering van het WHV. Er zal dan ook een totaalaantal van beschikbare activiteiten worden verstrekt en toegewezen volgens de behoeften, interesses en absorptiecapaciteit van de begunstigde landen.

3.2.3.   Projectomschrijving

3.2.3.1.   Workshops in landen

Als vervolgmaatregel na de werkzaamheden en verwezenlijkingen in het kader van Besluit 2013/768/GBVB zullen in de begunstigde landen in totaal 45 workshops van twee dagen worden opgezet voor de negen langetermijnpartnerlanden.

3.2.3.2.   Studiebezoeken in lidstaten

Ter aanvulling van de activiteiten in de begunstigde landen zullen voor overheidsfunctionarissen en voor vergunningen en handhaving bevoegde functionarissen van de langetermijnpartnerlanden maximaal negen driedaagse studiebezoeken aan de relevante instanties van de lidstaten worden aangeboden. Voor de organisatie van het studiebezoek wordt gezorgd door de uitvoerende entiteit die verantwoordelijk is voor het langetermijnpartnerland dat gebruik maakt van het studiebezoek (zie punt 3.2.1).

Vanwege het hoge opleidingspotentieel van de studiebezoeken, dienen deze in beginsel gericht te zijn tot toekomstige opleiders van begunstigde landen, d.w.z. functionarissen van de begunstigde landen die deelnemen aan „de opleiders opleiden” (punt 3.1.2.3).

3.3.   Regionale voorlichting

3.3.1.   Doel van het project

De negen genoemde begunstigde landen kunnen bij de regionale voorlichting een nuttige rol spelen door met hun buurlanden nadere contacten te leggen inzake de overdracht van wapens en de uitvoering van het WHV. Dit kan op langere termijn een prikkel zijn voor Zuid-Zuid-samenwerking.

Dit besluit biedt hun derhalve de mogelijkheid om, gezamenlijk of afzonderlijk, naargelang hun capaciteiten subregionale workshops te organiseren voor maximaal drie buurlanden.

3.3.2.   Projectomschrijving

Er zullen maximaal twaalf tweedaagse workshops voor regionale voorlichting worden gepland. Tenzij anders overeengekomen met de gastlanden, zullen zij als volgt plaatsvinden:

Senegal, Burkina Faso, Ghana: tot drie workshops voor maximaal drie Ecowas-landen, in voorkomend geval in samenwerking met de Commissie van Ecowas, op roterende basis, tenzij de drie gastlanden anders besluiten;

Peru, Costa Rica en Colombia: tot drie workshops voor maximaal drie UN-LiREC-landen, in voorkomend geval in samenwerking met UN-LiREC, op roterende basis, tenzij de drie gastlanden anders besluiten;

Filipijnen, Georgië, Jamaica: elk tot twee workshops voor maximaal drie van hun respectieve buurlanden. In Georgië en de Filipijnen bevindt zich een regionaal secretariaat van de CBRN-kenniscentra, dat kan helpen bij het scheppen van synergieën met uitvoercontroleprojecten en het bepalen en leggen van contacten met uit te nodigen landen.

Per uitgenodigd buurland zullen tot tien functionarissen worden uitgenodigd.

Expertise France zal zorgen voor de workshops voor Senegal, Burkina Faso, Ghana en de Filipijnen en BAFA voor de workshops voor Peru, Costa Rica, Colombia, Georgië en Jamaica.

3.4.   Bijstandprogramma's op basis van het draaiboek

3.4.1.   Doel van het project

Doel van de gerichte bijstandsprogramma's en de bijbehorende draaiboeken is de begunstigde landen beter in staat te stellen over de hele linie duurzaam te voldoen aan de WHV-vereisten. Dankzij het draaiboek weet het nieuwe begunstigde land van tevoren wat er aan bijstand wordt gepland en worden de te verwachten verbeteringen van de capaciteiten van het land inzake controle op overdracht vastgelegd. De begunstigde landen zullen landen zijn die na de vaststelling van dit besluit om bijstand verzoeken.

3.4.2.   Projectomschrijving

Er worden voor maximaal negen begunstigde landen nationale bijstandsprogramma's opgezet.

De gerichte bijstandsprogramma's moeten in onderstaande stappen worden opgezet:

a)

verzoek om bijstand met het oog op de implementatie van het WHV. Dit verzoek moet zo uitvoerig mogelijk worden onderbouwd; er moet in worden aangegeven welke specifieke gebieden voor bijstand in aanmerking moeten komen. Waar van toepassing moet het verzoekende land ook eerdere en lopende bijstand van andere bijstandsverleners vermelden (zie ook punt 6 hieronder) en informatie geven over zijn nationale uitvoeringsstrategie inzake het WHV;

b)

op basis van de onderbouwing van het verzoek en van de criteria in afdeling vier, besluit de hoge vertegenwoordiger, samen met COARM van de Raad en de uitvoerende entiteit, of het verzoekende land in aanmerking komt voor bijstand;

c)

indien het verzoek om bijstand wordt ingewilligd, organiseert de uitvoerende entiteit een beoordelingsbezoek door deskundigen. Het bezoek moet voortbouwen op nauwe contacten tussen de uitvoerende entiteit en het derde land dat om bijstand vraagt, en er moet aan worden deelgenomen door de meest in aanmerking komende deskundigen uit de pool van deskundigen.

Het beoordelingsbezoek door de deskundigen kan, waar nodig, worden voorbereid met behulp van vragenlijsten en het bundelen van de bestaande informatie; het omvat onder meer een eerste beoordeling van de behoeften en prioriteiten van het land dat om bijstand vraagt. Het bezoek zal het met name mogelijk maken om samen met het om bijstand verzoekende land te bepalen wat er daadwerkelijk nodig is voor de uitvoering van het WHV en om deze behoeften te vergelijken met de bestaande middelen van het land. Dit eerste beoordelingsbezoek door deskundigen omvat alle relevante nationale instanties en belanghebbenden, en er zal uit blijken wie gemotiveerde en betrouwbare lokale partners zijn;

d)

de uitvoerende entiteit zal, op basis van de resultaten van het beoordelingsbezoek door de deskundigen, een ontwerp voor een bijstandsdraaiboek opstellen. Daarbij houdt de uitvoerende entiteit rekening met de bijstand die eventueel via het vrijwillig WHV-trustfonds, de VN-Trustfaciliteit voor steun aan samenwerking bij regelgeving inzake wapens (Unscar) of door andere organisaties wordt verleend (zie ook punt 6 hieronder). Indien het land dat om bijstand vraagt reeds een nationale uitvoeringsstrategie voor het WHV heeft, zorgt de uitvoerende entiteit er ook voor dat het bijstandsdraaiboek overeenstemt met die nationale uitvoeringsstrategie;

e)

het ontwerp van bijstandsdraaiboek wordt aan het begunstigde land getoond zodat het kan worden bekrachtigd door de bevoegde autoriteit. Dit draaiboek wordt toegesneden op het begunstigde land en geeft de prioriteiten voor de bijstand aan;

f)

de relevante deskundigen die uit de pool van deskundigen zijn geselecteerd en, naargelang het geval, andere belanghebbenden worden bij de uitvoering van het draaiboek betrokken. De uitvoerende entiteit kan de organisatie en/of het beoordelingsproces en de opstelling van het bijstandsdraaiboek delegeren aan een externe deskundige of indien nodig externe deskundigen. De uitvoerende entiteit oefent hierop toezicht uit.

Het scala aan bijstandsinstrumenten zal met name juridische toetsingen, opleidingsseminars en workshops omvatten en het gebruik van internetinstrumenten en -informatiebronnen, zoals het EU-P2P-webportaal voor voorlichting en de EU-P2P-nieuwsbrief, bevorderen. Deze bijstandsinstrumenten worden door de uitvoerende entiteit geselecteerd volgens de exacte behoeften en prioriteiten die tijdens het beoordelingsbezoek van de deskundigen zijn vastgesteld en overeenkomstig het draaiboek.

3.4.3.   Geografische opsplitsing van de draaiboeken

Rekening houdend met de reeds uit hoofde van Besluit 2013/768/GBVB uitgevoerde activiteiten en de wenselijke vervolgmaatregelen ervan, zullen de negen draaiboeken als volgt worden uitgevoerd (tussen haakjes de verantwoordelijke uitvoerende entiteit):

Noord-, Midden- en West-Afrika: 5 (Expertise France)

Zuid- en Oost-Afrika: 1 (BAFA)

Zuidoost-Azië: 2 (BAFA)

Midden-Oosten & Golfstaten en Centraal-Azië: 1 (Expertise France)

Volgens de VN-praktijk zal in de met de uitvoerende entiteiten gesloten overeenkomsten nader worden gespecificeerd welke derde landen van de bovengenoemde geografische regio's met de uitvoerende entiteiten worden verbonden.

3.5.   Ad-hocworkshops voor bijstand

3.5.1.   Doel van het project

Doel van de ad-hocworkshops voor bijstand is de begunstigde landen beter in staat te stellen de overdracht van wapens te controleren teneinde op gerichte en relevante wijze te voldoen aan de WHV-vereisten. Deze ad-hocbijstandsactiviteiten bieden de Unie de mogelijkheid om flexibel en reactief in te gaan op verzoeken om bijstand die wijzen op specifieke behoeften die van belang zijn voor de uitvoering van het WHV. Zij zal bijstand kunnen verlenen aan hetzij elk begunstigd land afzonderlijk, hetzij een groep van begunstigde landen met soortgelijke behoeften.

3.5.2.   Projectomschrijving

Er worden tot 14 tweedaagse workshops georganiseerd om in te spelen op gerichte verzoeken om bijstand en op gebleken belangstelling voor de ontwikkeling van een of meer specifieke onderdelen van een systeem voor controle op de overdracht van wapens.

Deze workshops zullen bijstand op maat leveren en zullen ingaan op de specifieke kwesties die door het verzoekende land of de verzoekende landen naar voren zijn gebracht. De workshops vinden plaats in de begunstigde landen en deskundigen uit de pool van deskundigen zullen hun deskundigheid ter beschikking stellen.

De hoge vertegenwoordiger zal in overleg met COARM beslissen hoe op de verzoeken om bijstand moet worden gereageerd. De hoge vertegenwoordiger laat zich in zijn beoordeling met name leiden door de criteria in punt 4, de nauwkeurigheid van het verzoek en de wijze waarop de betrokken kwesties worden beschreven, alsook door de noodzaak om een geografisch evenwicht te bewerkstelligen.

3.5.3.   Geografische opsplitsing van de ad-hocworkshops voor bijstand

De 14 ad-hocworkshops voor bijstand zullen als volgt verlopen (tussen haakjes de verantwoordelijke uitvoerende entiteit):

Latijns-Amerika: 3 (BAFA) en 1 (Expertise France)

Afrika: 3 (Expertise France)

Centraal- en Zuidoost-Azië: 2 (BAFA) en 1 (Expertise France)

Oost-Europa en de Kaukasus: 2 (BAFA)

Golfstaten en het Midden-Oosten: 2 (Expertise France)

Volgens de VN-praktijk zal in de met de uitvoerende entiteiten gesloten overeenkomsten nader worden bepaald welke derde landen van de bovengenoemde geografische risico's met de uitvoerende entiteiten worden verbonden.

3.6.   Slotconferentie van landen die begunstigden zijn van WHV-bijstandsactiviteiten

3.6.1.   Doel van het project

Doel van de conferentie is het besef en de eigen verantwoordelijkheid te vergroten van relevante belanghebbenden, zoals bevoegde regionale organisaties, nationale parlementen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties, die voor de lange termijn belang hebben bij een doeltreffende uitvoering van het WHV.

3.6.2.   Projectomschrijving

Het project krijgt de vorm van een tweedaagse conferentie die vlak voor het eind van de uitvoering van dit besluit moet worden belegd, eventueel aansluitend bij een COARM-vergadering. BAFA zal verantwoordelijk zijn voor de uitvoering ervan. Op deze conferentie zullen relevante vertegenwoordigers bijeenkomen van de negen langetermijnbegunstigden (punt 3.2.1) en van de in de punten 3.4 en 3.5 bedoelde landen die begunstigden van activiteiten zijn.

Tijdens de conferentie kunnen de begunstigde landen ervaring uitwisselen, informatie verstrekken over hun standpunt inzake het WHV en de stand van zaken betreffende ratificatie en uitvoering ervan, en kan informatie ter zake worden uitgewisseld met vertegenwoordigers van nationale parlementen, regionale organisaties en het maatschappelijk middenveld.

Aan deze conferentie dient derhalve te worden deelgenomen door:

diplomatiek en militair en defensiepersoneel van de begunstigde landen, in het bijzonder autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor nationaal beleid inzake het WHV;

technisch personeel en wetshandhavingspersoneel uit de begunstigde landen, in het bijzonder instanties die vergunningen afgeven, douane- en wetshandhavingsfunctionarissen;

vertegenwoordigers van nationale, regionale en internationale organisaties die betrokken zijn bij het verlenen van bijstand, evenals vertegenwoordigers van landen die belangstelling hebben voor het leveren of ontvangen van strategische bijstand bij handelscontrole;

vertegenwoordigers van op dit gebied actieve niet-gouvernementele organisaties (ngo's), denktanks, nationale parlementen en het bedrijfsleven.

Naar verwachting zullen er zo'n tachtig deelnemers aan de conferentie zijn. De hoge vertegenwoordiger zal, in overleg met COARM, de plaats waar de conferentie wordt gehouden en de definitieve lijst van uitgenodigde landen en organisaties bepalen op basis van een voorstel van de uitvoerende entiteit.

3.7.   Nevenevenementen in de marge van de conferenties van staten die partij zijn bij het WHV

3.7.1.   Doel van het project

Jaarlijkse conferenties van staten die partij zijn bij het WHV bieden een unieke mogelijkheid om contacten te leggen met relevante functionarissen en belanghebbenden inzake WHV-aangelegenheden. Dankzij door de Unie gefinancierde nevenevenementen zal het mogelijk zijn bekendheid te geven aan de Unieactiviteiten met betrekking tot uitvoeringssteun, kennis te verwerven over landen die mogelijk vervolgens om bijstand verzoeken, en goede praktijken, met name van begunstigde landen, in aanzienlijke mate te bevorderen.

3.7.2.   Projectomschrijving

In de loop van het programma zullen drie nevenevenementen plaatsvinden, d.w.z. een voor elke jaarlijkse conferentie van staten die partij zijn bij het WHV. Expertise France zal verantwoordelijk zijn voor de uitvoering ervan. De reisuitgaven van maximaal drie deskundigen/functionarissen van begunstigde landen zullen door Unie-middelen kunnen worden gedekt.

4.   In de punten 3.4 en 3.5 bedoelde begunstigden van projectactiviteiten

Begunstigden van de onder de punten 3.4 en 3.5 genoemde projectactiviteiten kunnen staten zijn die om bijstand vragen voor het uitvoeren van het WHV en die worden geselecteerd aan de hand van onder meer onderstaande criteria:

de politieke en juridische inzet voor het nakomen van het WHV en de stand van de uitvoering van internationale instrumenten die relevant zijn voor de wapenhandel en de controle op de overdracht van wapens die op het land van toepassing zijn;

de slaagkansen van de bijstandsactiviteiten;

de beoordeling van eventueel reeds verstrekte of geplande bijstand op het gebied van tweeërlei gebruik en controle op de overdracht van wapens;

de relevantie van het land voor de mondiale wapenhandel;

de relevantie van het land voor de veiligheidsbelangen van de Unie;

de vraag of het land in aanmerking komt voor officiële ontwikkelingshulp (ODA).

5.   Uitvoerende entiteiten

De werkbelasting die de activiteiten uit hoofde van dit Besluit meebrengen, maakt het wenselijk gebruik te maken van twee uitvoerende entiteiten: BAFA en Expertise France. Waar passend gaan zij een partnerschap aan met, of delegeren zij werkzaamheden aan, de uitvoercontrole-instanties van de lidstaten van de Unie, de relevante regionale en internationale organisaties, denktanks, onderzoeksinstellingen en ngo's.

BAFA is door de Raad en de Commissie belast met de taak een aantal eerdere uitvoercontroleprojecten uit te voeren. BAFA heeft bijgevolg een grote hoeveelheid kennis en deskundigheid ontwikkeld. Expertise France is verantwoordelijk voor de in het kader van het IcSP gefinancierde EU-P2P-projecten in verband met goederen voor tweeërlei gebruik. Zijn rol in de uitvoering van dit besluit van de Raad zal er mee voor zorgen dat er voldoende wordt gecoördineerd met projecten in verband met tweeërlei gebruik. Samen hebben de beide uitvoerende entiteiten dus de bewezen ervaring, kwalificaties en noodzakelijke deskundigheid inzake het volledige scala relevante Unieactiviteiten in verband met controle op de uitvoer van zowel goederen voor tweeërlei gebruik als wapens.

6.   Coördinatie met andere relevante bijstandsactiviteiten

De uitvoerende entiteit moet de allergrootste aandacht besteden aan voor het WHV relevante activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitroeiing van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten en het bijbehorende systeem ter ondersteuning van de uitvoering van het actieprogramma (PoA-ISS), UNSCR 1540 (2004), het vrijwillig WHV-trustfonds en Unscar, alsmede bilaterale bijstandsactiviteiten. De uitvoerende entiteiten moeten zo nodig overleggen met andere bijstandsverleners opdat dezelfde inspanning niet tweemaal wordt geleverd en de samenhang en complementariteit optimaal zijn.

Het project moet ook in de begunstigde landen het besef doen groeien dat er instrumenten van de Unie zijn die de Zuid-Zuid-samenwerking bij uitvoercontroles kunnen ondersteunen. In dit verband moet in het kader van de bijstandsactiviteiten informatie worden verstrekt over instrumenten zoals het initiatief van de EU betreffende de CBRN-kenniscentra en andere EU-P2P-programma's.

7.   Zichtbaarheid van de Unie en beschikbaarheid van bijstandsmateriaal

In het kader van het project geproduceerd materiaal zal de zichtbaarheid van de Unie waarborgen, met name dankzij het logo en de afbeelding van de Communicatie- en zichtbaarheidshandleiding betreffende externe maatregelen van de Europese Unie, met inbegrip van het logo „EU-P2P-programma voor de controle op de uitvoer”. De Unie-delegaties moeten bij evenementen in derde landen worden betrokken om de politieke follow-up en zichtbaarheid te versterken.

Het EU-P2P-webportaal (https://export-control.jrc.ec.europa.eu) zal worden gepropageerd met het oog op de WHV-gerelateerde bijstandsactiviteiten uit hoofde van dit besluit. De uitvoerende entiteiten moeten derhalve in de door hen uitgevoerde bijstandsactiviteiten melding maken van het webportaal en aanzetten tot raadpleging en gebruik van de technische hulpmiddelen ervan. Bij het aanprijzen van het webportaal moet de entiteit de zichtbaarheid van de Unie waarborgen. Voorts moeten de activiteiten onder de aandacht worden gebracht door middel van de EU-P2P-nieuwsbrief.

8.   Effectbeoordeling

Na de voltooiing van de activiteiten in het kader van dit besluit moet een technische effectbeoordeling plaatsvinden. Aan de hand van informatie en verslagen van de uitvoerende entiteiten zal de effectbeoordeling worden uitgevoerd door de hoge vertegenwoordiger, in samenwerking met COARM en, zo nodig, met de delegaties van de Unie in de begunstigde landen en met andere belanghebbenden.

Wat betreft landen die begunstigde zijn geweest van een gericht bijstandsprogramma, moet er in de effectbeoordeling bijzondere aandacht worden besteed aan het aantal begunstigde landen dat het WHV heeft geratificeerd en aan de ontwikkeling van hun capaciteiten om de overdracht van wapens te controleren. Zo'n beoordeling van de capaciteiten van de begunstigde landen om de overdracht van wapens te controleren moet met name gaan over de opstelling en uitvaardiging van relevante nationale regelgeving, de nakoming van de rapportageverplichtingen uit hoofde van het WHV en het bevoegd maken van een orgaan voor de controle op de overdracht van wapens.

9.   Rapportage

De uitvoerende entiteiten stellen geregeld verslagen op, ook na de voltooiing van elk van de activiteiten. De verslagen worden uiterlijk zes weken na afloop van de betrokken activiteiten aan de hoge vertegenwoordiger voorgelegd.


(1)  Zie Besluit 2009/1012/GBVB; Besluit 2010/336/GBVB, Besluit 2012/711/GBVB, Besluit 2013/43/GBVB en Besluit 2013/768/GBVB.