|
5.4.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 91/11 |
BESLUIT (EU) 2017/639 VAN DE COMMISSIE
van 30 september 2016
betreffende staatssteun SA.23216 — C 54/07 (ex NN 55/07) ten gunste van de Emsländische Eisenbahn GmbH, Duitsland
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 6232)
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben uitgenodigd hun opmerkingen te maken (1), en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Bij schrijven van 30 augustus 2002 hebben de ondernemingen Ludger Albers oHG, Reinhard Bittner, Elbert GmbH & Co. KG, Auto Fischer GmbH & Co. KG, Kalmer GmbH, Richters Reisen en Wessels Reisen (hierna „de klagers” genoemd) bij de Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd) een klacht ingediend, volgens welke de Emsländische Eisenbahn GmbH (hierna „de EEB” genoemd) onwettige staatssteun zou hebben ontvangen. Bij schrijven van 13 juli 2006 hebben de klagers de Commissie geïnformeerd over een uitbreiding van hun klacht en bij schrijven van 22 november 2006 hebben zij verdere informatie verstrekt. |
|
(2) |
Naar aanleiding van de klachten heeft de Commissie de Duitse autoriteiten regelmatig (2) om informatie verzocht en de Duitse autoriteiten hebben op deze verzoeken om informatie gereageerd (3). |
|
(3) |
Bij schrijven van 28 november 2007 heeft de Commissie Duitsland in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure volgens artikel 88, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna „het EG-Verdrag” genoemd). Duitsland heeft op 24 april 2008 opmerkingen ingediend. |
|
(4) |
Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure (hierna „het inleidingsbesluit” genoemd) is op 9 juli 2008 in het Publicatieblad van de Europese Unie (4) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen kenbaar te maken. |
|
(5) |
Naar aanleiding van het besluit om de formele onderzoeksprocedure in te leiden, hebben de klagers op 21 februari 2008 een eerste reeks opmerkingen ingediend. Na de bekendmaking hebben de klagers op 25 augustus 2008 en 29 augustus 2008 verdere opmerkingen ingediend. |
|
(6) |
De Nahverkehrsberatung Südwest heeft op 29 juli 2008 opmerkingen ingediend en op 16 en 29 oktober 2008 niet-vertrouwelijke versies van de informatie verzonden. Een andere partij die anoniem wenste te blijven, heeft op 23 juli 2008 opmerkingen ingediend. |
|
(7) |
Op 26 november 2008 heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden doorgestuurd aan Duitsland. Bij schrijven van 26 januari 2009 heeft de Commissie de opmerkingen van Duitsland ontvangen. |
|
(8) |
Op 9 juli 2009 hebben de Duitse autoriteiten naar aanleiding van een informatieverzoek van de Commissie van 30 april 2009 nadere inlichtingen verstrekt. |
|
(9) |
De Duitse autoriteiten hebben op 16 december 2009, 4 augustus 2010 en 23 juni 2011 nadere inlichtingen verstrekt. |
|
(10) |
Op 20 oktober 2011 heeft de Commissie een brief aan de Duitse autoriteiten geschreven en op 10 november 2011 heeft zij een reactie gekregen. |
|
(11) |
De Duitse autoriteiten hebben in reactie op een informatieverzoek van de Commissie op 5 juni 2012, 6 mei 2013 en op 21 november 2013 nadere inlichtingen verstrekt. |
2. FEITEN
2.1. ONTVANGER VAN DE STEUN
|
(12) |
De ontvanger van de vermeende onrechtmatige staatssteun, Emsländische Eisenbahn GmbH (5) (hierna „de EEB” genoemd), werd opgericht op 1 januari 1997. De EEB is voortgekomen uit het gelijknamige nutsbedrijf (hierna „de EE” genoemd). |
|
(13) |
Het district Emsland is sinds de oprichting van de EEB de enige vennoot. Als zodanig kan het de activiteiten van de EEB volledig controleren. Volgens § 10 van de statuten van de EEB benoemt het district de bedrijfsleider van de EEB en heeft het in belangrijke zakelijke beslissingen (jaarrekening, bedrijfsplannen enz.) het laatste woord. |
|
(14) |
Op grond van § 3 van de statuten is de EEB verantwoordelijk voor de volgende taken met betrekking tot de planning en coördinatie van het lokale openbaar vervoer (hierna „het LOV” genoemd):
|
|
(15) |
De EEB beschikt momenteel over meerdere vergunningen voor openbare lijndiensten (hierna „vergunningen” genoemd) voor de buslijnen in het district Emsland (7). Voor zover EEB de houder van deze vergunningen was, heeft zij het operationele beheer van deze lijnen (8) aan diverse busondernemingen overgedragen, zo ook aan haar dochteronderneming EVG. |
|
(16) |
Bovendien is de EEB actief op het gebied van goederenvervoer per spoor, met name op eigen rails, en op het gebied van infrastructuurbeheer van deze spoorlijnen. |
2.2. MARKT VOOR HET LOKALE PERSONENVERVOER PER BUS IN HET DISTRICT EMSLAND
|
(17) |
Sinds 1 januari 1996 zijn overeenkomstig de Nahverkehrsgesetz des Landes Niedersachsen (wet op het lokale vervoer van de deelstaat Neder-Saksen, hierna „NNVG” genoemd) de steden en districten verantwoordelijk voor het aanbod van voldoende openbare personenvervoersdiensten. Het district Emsland moest er daarom voor zorgen dat de planning, organisatie en financiering van het lokale openbaar vervoer in het district werden uitgevoerd. Het district vertrouwde op zijn beurt deze taken toe aan de EEB, zoals blijkt uit § 3 van de statuten van de EEB (zie overweging 14 hierboven). |
|
(18) |
Het openbaar busvervoer is onderverdeeld in vier lijnen, waarvoor overeenkomstig §§ 13 en 42 van de Duitse wet op de vergunningen voor het personenvervoer op concurrentiebasis vergunningen zijn verleend. De meeste ondernemingen die in het district Emsland LOV aanbieden, zijn in het district zelf gevestigd. |
|
(19) |
De markt voor het lokaal personenvervoer per bus in het district Emsland is verdeeld in twee grote gebieden. In het zuidelijke deel van het district hebben particuliere busondernemingen, waaronder twee van de klagers (Reinhard Bittner en Kalmer), hun busdiensten verenigd in een tariefvereniging, de Verkehrsgemeinschaft Emsland-Süd (hierna „de VGE-Süd” genoemd). |
|
(20) |
In het centrale en noordelijke deel van het district zijn de tariefvereniging RegioNetz Mitte (bestaande uit de EEB en drie particuliere busondernemingen) en de tariefvereniging Emsland Mitte/Nord (bestaande uit de resterende klagers) de belangrijkste samenwerkingsverbanden voor lokaal openbaar vervoer. |
|
(21) |
De EEB verzorgt het schoolvervoer in het hele district Emsland in een geïntegreerde of niet-geïntegreerde vorm. |
|
(22) |
Het schoolvervoer kan in het reguliere busvervoer geïntegreerd zijn. De exploitanten van de respectieve buslijnen krijgen van de districten en steden die niet onder een district vallen een overeenkomst op grond waarvan zij hun routes moeten aanpassen aan de behoeften van het schoolvervoer. De vervoersbewijzen voor scholieren worden door het district Emsland via de EEB betaald. |
|
(23) |
Voor scholieren die recht hebben op schoolvervoer maar niet langs de busroutes wonen, biedt de EEB het schoolvervoer in niet-geïntegreerde vorm aan (gratis schoolvervoer). Bij deze dienstverlening krijgen de busondernemingen de opdracht om aan bepaalde voorwaarden te voldoen, met name wat betreft de route en de dienstregeling. Het district Emsland vergoedt aan de EEB de bedragen die de exploitanten bij de EEB in rekening brengen. |
3. GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN
|
(24) |
De Commissie heeft in haar inleidingsbesluit (9) een tabel opgesteld op basis van de door de Duitse autoriteiten verstrekte gegevens met de financiële transfers aan de EEB die het voorwerp van de onderzoeksprocedure vormden. Hieronder worden de kolommen 1 tot en met 6 van deze tabel weergegeven (10). De kolommen 7 tot en met 9 van de tabel zijn verwijderd, omdat de Commissie in haar inleidingsbesluit heeft besloten om geen bezwaren te opperen tegen deze betalingen. Tabel 1 In het inleidingsbesluit onderzochte relevante maatregelen
|
|
(25) |
In de volgende paragrafen worden de feitelijke gegevens samengevat aan de hand van de documenten die door Duitsland en door de klagers voor en na het inleidingsbesluit zijn verstrekt. |
3.1. DOTATIEKAPITAAL EN DE OVERDRACHT VAN AANDELEN (KOLOM 1)
|
(26) |
Het district Emsland bracht in de EEB een maatschappelijk kapitaal van 800 000 DM (ca. 410 000 EUR) in toen het voormalig nutsbedrijf EE en diens activa werden gesplitst en EEB in 1997 werd opgericht. Bovendien werd de EEB voorzien van aandelen van de vennootschap RWE (16). |
|
(27) |
Bij het inleidingsbesluit was niet duidelijk of de aandelenoverdracht een deel van het aanvangsdotatiekapitaal van de EEB of een bij de oprichting van de EEB onvoorziene kapitaalinjectie vormde. Duitsland heeft duidelijk gesteld dat het merendeel van de aandelen, 280 310 RWE-aandelen met een marktwaarde van 9 686 523,78 EUR, een deel van het aanvangsdotatiekapitaal vormde. Deze aandelen waren vóór de oprichting van de EEB aan het nutsbedrijf EE overgedragen. |
|
(28) |
37 630 aandelen met een marktwaarde van 1 689 264,40 EUR werden echter pas op 12 oktober 1998, dat wil zeggen meer dan vijf jaar na de integratie, aan de EEB overgedragen. |
3.2. GEÏNTEGREERD SCHOOLVERVOER IN EMSLAND SÜD TOT EN MET 31 DECEMBER 2005 (KOLOMMEN 2 EN 3) (17)
|
(29) |
De onder kolom 2 (dividenden) vermelde bedragen en de onder kolom 3 vermelde bedragen (in de begrotingsramingen en —correcties van het district Emsland onder post 67.500 Verliescompensatie voor LOV-diensten) werden door de EEB gebruikt als vergoedingen aan de VGE-Süd in ruil voor haar geïntegreerd schoolvervoer in Emsland Süd. |
|
(30) |
De dividenden in kolom 2 zijn de dividenden die de EEB uit de bovengenoemde RWE-aandelen verkregen heeft. |
|
(31) |
In Emsland Süd werd het schoolvervoer voornamelijk in een geïntegreerde vorm door de VGE-Süd uitgevoerd op basis van een overeenkomst die tussen de VGE-Süd en de EE was gesloten. Bij de oprichting van de EEB in 1997 werd deze overeenkomst door een identieke overeenkomst tussen de EEB en de VGE-Süd vervangen. De overeenkomst werd met ingang van 31 december 2005 door de EEB opgezegd. |
|
(32) |
De oorspronkelijke overeenkomst tussen de EEB en de VGE-Süd voorzag in een forfaitaire vergoeding ter hoogte van 1 705 362,94 EUR per jaar. Dit bedrag werd op 1 november 2000 met 10 % verhoogd tot 1 839 116,88 EUR. |
|
(33) |
De kolommen 2 en 3 geven samen het forfaitaire bedrag weer dat tussen de EEB en de VGE-Süd was overeengekomen. Het district Emsland trok de waarde van de dividenden (kolom 2) af van het totale bedrag dat aan de VGE-Süd betaald moest worden voor haar diensten en transporteerde de rest (kolom 3) naar de EEB. Dit kan uit de onderstaande tabel afgeleid worden, die is gebaseerd op aanvullende cijfers die na het inleidingsbesluit door Duitsland werden toegezonden. Tabel 2 Betalingen aan de VGE-Süd voor het geïntegreerd schoolvervoer
|
|
(34) |
Aangezien de overeenkomst tussen de EEB en de VGE-Süd in 2005 afliep, heeft de EEB de waarde van de dividenden van 2006 aan het district Emsland terugbetaald. |
|
(35) |
De klagers hebben aan de Commissie de volgende tabel toegezonden met alle door de VGE-Süd tot en met 31 december 2005 ontvangen betalingen, die verschilt van de hierboven genoemde cijfers. Tabel 3 Betalingen aan VGE-Süd voor alle diensten
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(36) |
De Duitse autoriteiten hebben uitgelegd dat het verschil tussen het bedrag dat de VGE-Süd volgens de klagers had ontvangen en de som van de kolommen 2 en 3 voortvloeide uit het feit dat de VGE-Süd niet alleen geïntegreerd schoolvervoer zoals opgenomen in de kolommen 2 en 3 heeft verzorgd, maar af en toe ook gratis schoolvervoer verrichtte, dat eveneens door het district Emsland via de EEB is betaald. |
3.3. „VERGOEDING VAN DE KOSTEN VOOR HET SCHOOLVERVOER” (KOLOM 4)
|
(37) |
De in de begrotingsramingen en -correcties van het district Emsland onder post 67.510 „Vergoeding van de kosten voor het schoolvervoer” vermelde subsidie was bestemd om de onkosten van de EEB voor de organisatie van het schoolvervoer in Emsland Mitte en Emsland Nord (19) evenals, na beëindiging van de overeenkomst met de VGE-Süd op 31 december 2005, in Emsland Süd te vergoeden. Deze onkosten betroffen zowel het schoolvervoer in geïntegreerde als in niet-geïntegreerde vorm. |
|
(38) |
Bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure had de Commissie generlei gegevens waarmee kon worden vastgesteld of de van de EEB verkregen financiële middelen voor de betaling aan de busondernemingen voor de uitvoering van dit schoolvervoer ook overeenkwamen met de daadwerkelijke betalingen die door de EEB aan deze ondernemingen werden verricht. |
|
(39) |
De Duitse autoriteiten hebben aanvullende verklaringen en stukken toegezonden waaruit blijkt dat de EEB voor het geïntegreerde schoolvervoer, dat onder kolom 4 valt, van de busondernemingen vervoersbewijzen kocht voor scholieren die de normale busverbindingen gebruikten. Door jaarlijkse afrekeningen met het district werd gegarandeerd dat de aan de EEB betaalde bedragen overeenkwamen met de bedragen die door de EEB aan de busondernemingen waren overgemaakt. De betalingen werden verricht via een afwikkelingsrekening. Het district Emsland stelde de nodige bedragen beschikbaar en de EEB zond die in naam van het district verder. De afwikkelingsrekening werd jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijke accountant om vast te stellen of de inkomsten en uitgaven met elkaar in evenwicht waren. |
|
(40) |
De Duitse autoriteiten hebben bovendien verder duidelijk gemaakt dat het economisch resultaat van de EEB bestond uit inkomsten uit geïntegreerd schoolvervoer dat door derden op lijnen werd uitgevoerd waarvoor de EEB over de vergunningen beschikte, en uit inkomsten uit niet-geïntegreerd schoolvervoer. Het evenwicht tussen de inkomsten en uitgaven in verband met deze financiële boekingen werden ook jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijke accountant in het kader van het jaarverslag van de EEB. |
|
(41) |
De Duitse autoriteiten overlegden bovendien een geactualiseerd en gecorrigeerd overzicht van de jaarlijkse betalingen aan de EEB voor de coördinatie van het schoolvervoer. Tabel 4 Overzicht van de werkelijke betalingen voor het schoolvervoer
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
3.4. FINANCIËLE STEUN VOOR ADMINISTRATIEVE KOSTEN VAN HET LOKAAL OPENBAAR VERVOER UIT FEDERALE MIDDELEN VOLGENS § 7, LID 4, NNVG (KOLOM 5)
|
(42) |
De in de begrotingsramingen en -correcties van het district Emsland onder post 71.510 „Subsidies aan Emsländische Eisenbahn uit het aandeel van de administratieve kosten van de deelstaat” genoemde financiële steun was bedoeld als vergoeding voor de kosten die voor de EEB zijn ontstaan voor de behartiging van de aan haar door het district Emsland overgedragen openbare dienstverleningstaak. |
|
(43) |
Tot deze diensten behoort de opstelling van het LVP (20). De uitgaven voor het LVP, dat elke vijf jaar wordt opgesteld, bedroegen in 1997 11 248,42 EUR, in 2002 25 000,00 EURO en in 2003 8 793,00 EUR. |
|
(44) |
Bij het inleidingsbesluit had de Commissie twijfels ten aanzien van de vraag of het gehele bedrag onder kolom 5 voor kosten in verband met de opstelling van het LVP is opgebruikt, dan wel of de betalingen niet ook voor de financiering van andere (economische) activiteiten zijn gebruikt, en of de vergoeding voor de administratieve kosten voor de inrichting en het gebruik van de mobiliteitscentrale Emsland (MCE) eveneens onder kolom 5 viel. |
|
(45) |
De Duitse autoriteiten maakten duidelijk dat de onder kolom 5 genoemde uitgaven kosten betroffen voor personeel en materieel voor de planning van het lokale openbaar vervoer, voor de MCE (tot einde 2004) en voor de coördinatie van het schoolvervoer. |
|
(46) |
Tot einde 2004 werd de financiering van de MCE niet gescheiden van de overige kosten, die onder kolom 5 vallen. Vanaf 2005 werd na wijziging van de NNVG een scheiding aangebracht en de voor de MCE bestemde bedragen werden overgebracht naar het onder kolom 6 opgenomen nieuwe begrotingsonderdeel „subsidies volgens NNVG”. |
|
(47) |
De MCE bood kosteloos inlichtingen over het lokale openbaar vervoer. Het aanbod was een onafhankelijk van de exploitanten verleende dienst met betrekking tot de bus- en treindiensten in het district Emsland. De MCE werd in juli 1995 door het districtsbestuur opgezet. Destijds had het district de afwezigheid van inlichtingen over het openbaarvervoersaanbod als een ernstig tekort in het openbaarvervoersbeleid erkend. |
|
(48) |
Bij de oprichting van de EEB in 1997 bracht het district de activiteiten van de MCE onder bij de EEB. In § 3 van de statuten werd het beheer van de MCE overgedragen aan de EEB als onderdeel van haar taak met betrekking tot de organisatie en coördinatie van het vervoer. Burgers kunnen bij de MCE telefonisch reisinformatie opvragen en sinds 1999 heeft de MCE een loket op het station Meppen naast het loket van Deutsche Bahn AG. |
|
(49) |
De in 1998 tussen de EEB en het district overeengekomen forfaitaire betaling van 3 558,65 EUR voor de organisatie en de financiële afrekening van het schoolvervoer werd eveneens onder kolom 5 ondergebracht. Deze jaarlijkse forfaitaire betaling diende als compensatie voor de boekhoudkosten in verband met de betalingen aan Deutsche Bahn AG en de busondernemingen in Emsland Nord en Emsland Mitte. |
3.5. FINANCIËLE STEUN VOOR HET LOKALE OPENBAAR VERVOER UIT FEDERALE MIDDELEN VOLGENS § 7, LID 5, NNVG (KOLOM 6)
|
(50) |
De in de begrotingsramingen en -correcties van het district Emsland onder post 71.500 „Subsidies volgens de NNVG” (21) vermelde financiële steun was verleend na de laatste wijziging van de NNVG die op 1 januari 2005 in werking trad om rekening te houden met een wijziging op nationaal niveau van de financiering van het openbaar vervoer. Het per hoofd van de bevolking toegekende bedrag werd iets verlaagd, wat echter door financiële middelen voor regionalisering gedeeltelijk werd gecompenseerd om het functioneren van het openbaar vervoer te verbeteren, hetgeen in kolom 6 wordt weergegeven. |
|
(51) |
De middelen onder kolom 6 werden gebruikt voor de exploitatie van de MCE en voor de aankoop van voertuigen in het kader van een belbussysteem. Tot de onder kolom 6 vermelde betalingen behoorden ook andere kosten, waarvan de Commissie in het inleidingsbesluit geconcludeerd had dat deze geen staatssteun vormden (22). |
|
(52) |
Zoals hierboven beschreven werd de MCE tot 2004 onder kolom 5 en vanaf 2005 onder kolom 6 gefinancierd. De Duitse autoriteiten verklaarden dat de bedragen die de EEB voor de MCE onder kolom 6 ontving, 85 000,00 EUR in 2005, 98 000,00 EUR in 2006 en 93 460,87 EUR in 2007 bedroegen. |
|
(53) |
Het district Emsland besloot bovendien een deel van de middelen onder kolom 6, die bestemd waren voor de bevordering van het openbaar vervoer, te gebruiken voor de uitbreiding van zijn belbussysteem. Bij dit belbussysteem rijdt een bus alleen dan een bepaalde route wanneer potentiële passagiers aan de mobiliteitscentrale Emsland eerder telefonisch gemeld hebben dat ze op een bepaalde tijd van de bus gebruik willen maken. De invoering van belbussen had ten doel om de verbinding tussen de treinstations en de verschillende wijken op efficiënte wijze te verbeteren en om lege ritten te vermijden. |
|
(54) |
De Duitse autoriteiten hebben verklaard dat het district Emsland de aanschaf van vijf nieuwe bussen door de EEB voor een totaalbedrag van 685 513,46 EUR gefinancierd heeft (520 989,05 EUR voor vier bussen in 2006 en 164 524,42 EUR voor een vijfde bus in 2007). |
|
(55) |
De EEB bood de belbussen aan de busondernemingen onder dezelfde voorwaarden aan als die welke door het district Emsland waren bepaald. De bussen werden geleased op basis van een standaardovereenkomst waarin was bepaald dat de busondernemingen de kosten van de exploitatie en het onderhoud van de voertuigen op zich moesten nemen, maar geen leasevergoedingen betaalden. De bussen werden door onderaannemers op de routes van de EEB en door andere busondernemingen op hun eigen routes ingezet. De bussen bleven eigendom van de EEB zodat het district Emsland de zeggenschap erover kon behouden. |
3.6. REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE
|
(56) |
In het inleidingsbesluit werd vastgesteld dat het bestaan van steun met betrekking tot de volgende maatregelen niet kan worden uitgesloten (zie ook tabel 1 van dit besluit):
|
|
(57) |
Ingeval deze maatregelen als staatssteun zouden moeten worden aangemerkt, werden in het inleidingsbesluit twijfels geuit met betrekking tot de verenigbaarheid met de interne markt. |
3.6.1. AANWEZIGHEID VAN STEUN
|
(58) |
In het inleidingsbesluit werd vastgesteld dat alle middelen van het district Emsland rechtstreeks aan de EEB waren verstrekt en dat de EEB op zijn minst gedeeltelijk een onderneming is die economische activiteiten uitoefent. Bovendien stond in het besluit dat er met betrekking tot de overdracht van aandelen, de financiële steun voor belbussen en de MCE geen sprake was van een tegenprestatie van de zijde van de EEB. Met betrekking tot het schoolvervoer werden in het inleidingsbesluit twijfels geuit over de vraag of de betalingen volledig in overeenstemming waren met de bij de EEB ontstane kosten. Met name met betrekking tot de forfaitaire financiële steun kon een overcompensatie niet worden uitgesloten. Bovendien werd vastgesteld dat op zijn minst het gevaar van vervalsing van de mededinging bestond. |
3.6.2. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN
|
(59) |
In het inleidingsbesluit werd uiteengezet dat er onvoldoende informatie voorhanden is om te kunnen bepalen of de betreffende maatregelen als openbare dienstverlening of als een bijdrage aan de coördinatie van het vervoer kunnen worden beschouwd, en of artikel 93 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „het VWEU” genoemd) (indertijd artikel 73 EG-Verdrag) de juridische basis vormt voor het onderzoek naar de verenigbaarheid. In onderhavig geval had de verenigbaarheid met Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad (23) of Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (24) onderzocht moeten worden. Anders had de verenigbaarheid met artikel 107, lid 2 of 3, VWEU (destijds artikel 87, EG-Verdrag) onderzocht moeten worden. |
|
(60) |
Met betrekking tot de overdracht van de aandelen werden in het inleidingsbesluit met name twijfels geuit over de stimulerende werking en de geschiktheid ervan. |
|
(61) |
Met betrekking tot de financiële steun voor het schoolvervoer was niet bekend of de middelen in volle omvang werden doorgegeven aan andere exploitanten voor de uitgevoerde schoolvervoersdiensten, dan wel of een deel van de middelen door de EEB werd ingehouden. In geval van een gedeeltelijke inhouding van de middelen door de EEB rijst de vraag of deze middelen werden gebruikt voor activiteiten van economische of niet-economische aard en of de EEB wellicht een overcompensatie voor de door haar verrichte schoolvervoersdiensten ontving. |
|
(62) |
Met betrekking tot het beheer van het lokaal openbaar vervoer (LVP en MCE) kon de Commissie overcompensatie niet uitsluiten. |
|
(63) |
Ten aanzien van de belbussen rijst naar het oordeel van de Commissie de vraag of deze door de EEB werden gebruikt op hun eigen commercieel geëxploiteerde routes, waarvoor volgens het EG-Verdrag geen rechtvaardiging bestaat. |
4. OPMERKINGEN VAN DUITSLAND
4.1. DOTATIEKAPITAAL EN OVERDRACHT VAN AANDELEN (KOLOM 1)
|
(64) |
De Duitse autoriteiten hebben aangetoond dat bij de oprichting van de EEB alle activa van het voormalige nutsbedrijf EE werden overgedragen aan de EEB. Daartoe behoorde het dotatiekapitaal ter hoogte van ongeveer 410 000 EUR, evenals 280 310 RWE-aandelen. Duitsland stelde dat noch het dotatiekapitaal, noch de aandelen als staatssteun konden worden aangemerkt. Daarnaast tekenden de Duitse autoriteiten aan dat het dotatiekapitaal en de eerste overdracht van de RWE-aandelen vóór 13 maart 1997 plaatsvonden en dus niet konden worden teruggevorderd. |
|
(65) |
Ten aanzien van de 37 630 RWE-aandelen die in 1998 werden overgedragen, verklaarden de Duitse autoriteiten dat de overdracht had plaatsgevonden na een verandering van het stemrecht met betrekking tot de RWE-aandelen, waarna bepaalde betalingen vervielen. Zij bevestigden ook dat deze aandelen nog steeds eigendom zijn van de EEB. |
|
(66) |
Duitsland voerde aan dat het district Emsland handelde als een marktdeelnemer in een markteconomie die zijn fiscale structuur tracht te optimaliseren en dat er voor het district Emsland geen inkomstenderving ontstaan was omdat de EEB tot en met 2005 alle dividenden voor de betaling van het schoolvervoer moest gebruiken en na 2005 de dividenden aan het district Emsland moest afstaan. |
4.2. FINANCIËLE STEUN VOOR HET SCHOOLVERVOER (KOLOM 2, 3 EN 4)
|
(67) |
De Duitse autoriteiten voerden aan dat de EEB volgens § 3 van haar statuten verantwoordelijk is voor de organisatie van het schoolvervoer in het district Emsland (zie ook overweging 14) en dat de EEB de betalingen van het district aan de ondernemingen die de schoolvervoersdiensten uitvoeren, doorgegeven heeft. Volgens de Duitse autoriteiten vormde deze overdracht dan ook geen staatssteun aan de EEB, zoals aangegeven in overweging 137 van het inleidingsbesluit. |
|
(68) |
De EEB ontving van alle scholen lijsten van scholieren en stelde vast welke scholieren recht hadden op openbaar schoolvervoer. Voor elke scholier die niet kon worden vervoerd met de reguliere busdienst (geïntegreerd schoolvervoer) organiseerde de EEB apart schoolvervoer. Zowel voor het geïntegreerd schoolvervoer als voor het niet-geïntegreerde schoolvervoer ontvingen de busondernemingen, waaronder de klagers, maandelijkse betalingen van de EEB. De Duitse autoriteiten voerden aan dat de EEB in dit verband het volledige bedrag dat door het district Emsland voor het schoolvervoer verstrekt was, had uitgegeven. Zoals beschreven in de overwegingen 39 en 40, werden de afwikkelingsrekening en de rekening van de EEB jaarlijks door accountants gecontroleerd om ervoor te zorgen dat de inkomsten en uitgaven met elkaar in evenwicht waren. |
|
(69) |
Met betrekking tot de kolommen 2, 3 en 4 verklaarden de Duitse autoriteiten dat in deze kolommen het hele schoolvervoer in Emsland (in geïntegreerd en niet-geïntegreerd vervoer) opgenomen is. |
|
(70) |
Voor de kolommen 2 en 3 verstrekten de Duitse autoriteiten ontbrekende cijfers en verklaarden zij dat deze middelen gebruikt waren om aan VGE-Süd een forfaitair bedrag te betalen voor de diensten die ze tot en met 2005 in Emsland Süd uitgevoerd had (zie ook overweging 29 e.v.). |
|
(71) |
Op de vragen van de Commissie over het met 3 934 481,47 EUR aangegeven forfaitair bedrag voor het niet-geïntegreerd schoolvervoer in 1997 (25) verklaarden de Duitse autoriteiten dat aan het begin van elk jaar een raming wordt uitgevoerd op basis waarvan de maandelijkse betalingen overgemaakt worden. Aan het einde van elk jaar worden dan de daadwerkelijke kosten doorgegeven en vinden de desbetreffende verrekeningen plaats. De EEB had slechts de betalingen van het district aan de busondernemingen doorgestuurd. Incidenteel verhoogde betalingen werden als schuld voor het district Emsland geboekt en afgetrokken van de financiële compensatie van het volgende jaar. De aan het eind van 1997 overgemaakte daadwerkelijke kosten bedroegen 3 755 618,14 EUR. |
|
(72) |
De Duitse autoriteiten legden uit dat de in kolom 4 beschreven betalingen ook betalingen voor de aankoop van vervoersbewijzen van Deutsche Bahn AG voor scholieren inhielden. |
|
(73) |
De Duitse autoriteiten verklaarden dat de stijgende bedragen onder kolom 4 te wijten waren aan de tariefverhogingen van de busondernemingen zelf, alsook aan het feit dat het district de busondernemingen, waaronder de klagers, voor het niet-geïntegreerde schoolververvoer in 2000 een verhoging van tussen 6 en 10 % heeft verleend. |
4.3. BEHEER VAN HET LOKAAL OPENBAAR VERVOER (KOLOM 5)
|
(74) |
De Duitse autoriteiten gaven aan dat de mobiliteitscentrale Emsland door het district Emsland op 31 juli 1995 werd opgezet, dat wil zeggen vóór de oprichting van EEB. De MCE verstrekt inlichtingen over dienstregelingen van alle busondernemingen en Deutsche Bahn AG. Het actualiseert de dienstregelingen in het openbare informatiesysteem en geeft passagiers van maandag tot en met zaterdag inlichtingen aan het informatieloket. |
|
(75) |
De Duitse autoriteiten voerden aan dat de MCE geen economische activiteit inhield, omdat een commerciële onderneming geen enkele reden zou hebben om een mobiliteitscentrale op te zetten waar kosteloos inlichtingen namens de busondernemingen en Deutsche Bahn AG worden verstrekt. De MCE moet volgens hen als een openbaredienstverleningstaak van het district Emsland gezien worden, en de EEB zou enkel zijn belast met het beheer ervan. |
|
(76) |
Volgens de verklaringen in overweging 46 viel de financiering van de MCE tot 2004 onder het in kolom 5 weergegeven begrotingsonderdeel en werd zij vervolgens gefinancierd door het in kolom 6 aangegeven nieuwe begrotingsonderdeel. |
|
(77) |
Volgens de Duitse autoriteiten werden de volgende drie taken uitgevoerd door vier medewerkers: organisatie van het LOV in de regio (met inbegrip van de opstelling van het LVP), het schoolvervoer en de exploitatie van de MCE. Uit een vergelijking met de standaardsalarissen voor de betreffende salarisklassen (beschikbaar gesteld door de gemeentelijke instantie — „kommunale Gemeinschaftsstelle”) blijkt dat de EEB voor de uitgaven aan personeel en materieel 169 312,26 EUR in plaats van 138 015,11 EUR had kunnen verlangen. De Duitse autoriteiten voerden ook aan dat alleen de materiële en personeelskosten werden gedekt en dat er geen winstmarge werd toegevoegd. |
4.4. FINANCIËLE STEUN VOOR HET LOKALE OPENBAAR VERVOER UIT FEDERALE MIDDELEN VOLGENS § 7, LID 5, NNVG (KOLOM 6)
|
(78) |
Kolom 6 bevat betalingen aan de mobiliteitscentrale Emsland en de financiering van voertuigen voor het belbussysteem, zoals uiteengezet in de overwegingen 50 e.v. De Duitse autoriteiten wezen erop dat de betalingen overeenkwamen met de daadwerkelijke kosten voor de EEB in verband met de uitoefening van de overheidstaken. |
|
(79) |
Ten aanzien van het belbussysteem verklaarden de Duitse autoriteiten dat het district Emsland in november 2005 de busondernemingen verzocht had voorstellen in te dienen voor de uitbreiding van het belbussysteem. |
|
(80) |
In opdracht van het district schafte de EEB in het voorjaar van 2006 vier belbussen aan. Deze bussen werden aan alle ondernemingen op basis van de volgende voorwaarden beschikbaar gesteld:
|
|
(81) |
In het najaar van 2007 werd een extra bus aangeschaft die onder gelijke voorwaarden ter beschikking werd gesteld aan de busonderneming Wessels in Geeste. |
|
(82) |
De Duitse autoriteiten voerden aan dat de EEB met het belbussysteem generlei winst kan genereren en zonden de Commissie een kopie van een brief van 16 februari 2007 gericht aan de in het district actieve busondernemingen waaruit bleek dat al deze ondernemingen onder dezelfde voorwaarden over de belbussen konden beschikken. |
5. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
5.1. DE KLAGERS
5.1.1. FINANCIËLE STEUN VOOR HET SCHOOLVERVOER (KOLOMMEN 3 EN 4)
|
(83) |
De klagers ontkenden dat de EEB slechts de van het district ontvangen bedragen doorzond aan de ondernemingen die het schoolvervoer verzorgden. Zij waren van mening dat de EEB een forfaitaire som ontving en het schoolvervoer zo organiseert dat zij haar eigen winst maximaliseert. |
|
(84) |
De klagers bestreden dat de EEB bij de organisatie van het schoolvervoer taken van openbare dienst vervult en voerden aan dat de EEB op eigen titel en niet namens het district Emsland handelde. Wanneer bepaalde activiteiten van de EEB als taken van openbare dienst worden beschouwd, dan moet over deze taken een afzonderlijke rekening aangehouden worden. Zij voerden aan dat de EEB haar economische en niet-economische activiteiten vermengde. |
|
(85) |
Ten aanzien van het schoolvervoer in Emsland Süd voerden de klagers aan dat de overeenkomsten tussen VGE-Süd en de EEB altijd resultaatgericht waren geweest en overlegden zij een tabel waarin de van VGE-Süd ontvangen betalingen genoteerd stonden (zie ook overweging 29 e.v.). |
|
(86) |
De klagers voerden aan dat wanneer de som uit kolom 3 en 4 het totaal van de betalingen aan de ondernemingen voor het schoolvervoer voorstelt, de plotselinge daling tussen 2005 en 2006 op een eerder bestaande overcompensatie zou duiden. |
|
(87) |
Volgens de klagers waren de kosten voor het schoolvervoer door VGE-Süd tussen 1997 en 2007 slechts weinig veranderd (ongeveer 6 %). Ze hadden geen verklaring voor de verdubbeling van de onder kolom 4 over dezelfde periode vermelde bedragen. De klagers voerden aan dat er tussen 1997 en 2006 geen tariefverhogingen van meer dan 10 % waren geweest. |
5.1.2. OPSTELLING VAN HET LVP (KOLOM 5)
|
(88) |
De klagers voerden aan dat de EEB het LVP had opgesteld met het oog op hun eigen belangen en dat dit de EEB met betrekking tot de verdeling van de vergunningen voor de lijndiensten een voordeel heeft verschaft. Bovendien werd bij de opstelling van het LVP geen rekening gehouden met hun standpunten, hoewel ze erbij betrokken waren geworden. |
|
(89) |
De klagers bestreden ook de conclusie van de Commissie in het inleidingsbesluit dat de opstelling van het LVP geen economische activiteit was. Het enige openbare besluit dat naar hun opvatting in dit verband genomen was, was de beoordeling en goedkeuring van het LVP door het district. De door de EEB uitgevoerde voorbereiding vormde een economische activiteit die ook door een adviesbureau had kunnen worden uitgevoerd. De klagers voerden aan dat zij ook over de nodige knowhow beschikten voor de uitvoering van deze taak. |
|
(90) |
De klagers voerden aan dat de aankoop van de DIVA-software niet specifiek verband houdt met de opstelling van het LVP, maar dat de software ook voor andere doeleinden kan worden gebruikt, zoals voor de optimalisering van het vervoersaanbod door een busonderneming. EEB heeft naar mening van de klagers een economisch voordeel ontvangen door de kosteloze levering van de DIVA-software. |
5.1.3. FINANCIERING VAN VOERTUIGEN VOOR EEN BELBUSSYSTEEM (ONDER KOLOM 6)
|
(91) |
Met betrekking tot de belbussen spraken de klagers tegen dat de bussen aan alle in het district Emsland actieve busondernemingen waren aangeboden. De EEB heeft de bussen alleen aangeboden aan die ondernemingen die hun ritten via de mobiliteitscentrale Emsland aanmeldden. De klagers voerden aan dat de busondernemingen daardoor gedwongen werden om hun commercieel gevoelige gegevens met betrekking tot het passagiersvervoer aan hun mededingster de EEB door te geven. Bovendien heeft de EEB volgens de klagers de bussen niet alleen op de belbusroutes maar ook op de lijndiensten ingezet (bijv. op de route Haselünne-Meppen). |
|
(92) |
De klagers brachten naar voren dat geen van hen een belbus ter beschikking heeft gekregen. Met name de klagers Albers en Elbert voerden aan dat zij een nadeel geleden hadden bij de mededinging om de vergunningen, omdat zij naar verluidt geen toegang tot het belbussysteem hadden. |
5.2. NAHVERKEHRSBERATUNG SÜDWEST
|
(93) |
Nahverkehrsberatung Südwest) bestreed de conclusie van de Commissie in het inleidingsbesluit dat de betalingen overeenkomstig § 45a PBefG (Duitse wet op personenvervoer) een compensatie voor openbare dienstverplichtingen zijn en voldoen aan de Altmark-criteria. Nahverkehrsberatung Südwest voerde aan dat in § 45a PBefG het begrip „openbaredienstverplichtingen” niet is gedefinieerd, dat er geen controle is om overcompensatie te voorkomen en dat de vergelijking met een representatieve en commercieel en efficiënt werkende onderneming onjuist is. |
5.3. ANONIEME OPMERKING
|
(94) |
Een anoniem reagerende partij betwijfelde of de bovenvermelde bedragen onder kolom 3 van de tabel overeenstemden met de betalingen voor het schoolvervoer. Zij was van mening dat het hierbij om directe subsidies voor busondernemingen ging om andere voordelen te verkrijgen (invloed op de dienstregeling, aansluiting van EEB bij VGE-Süd, een betere dienstregeling voor andere passagiers dan scholieren, onderaanneming voor ondernemingen die oorspronkelijk actief waren in het niet-geïntegreerde schoolvervoer). |
6. REACTIE VAN DE DUITSE AUTORITEITEN OP DE OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
6.1. FINANCIËLE STEUN VOOR HET SCHOOLVERVOER (KOLOMMEN 3 EN 4)
|
(95) |
De Duitse autoriteiten betoogden dat de afnemende betalingen voor het schoolvervoer (kolommen 3 en 4) tussen 2005 en 2006 niet wezen op een overcompensatie van 2006, zoals beweerd door de klagers. Zij verklaarden de vermindering als volgt:
|
|
(96) |
Met betrekking tot de verhoging van de totale kosten tussen 1997 en 2006 waarschuwden de Duitse autoriteiten dat kolom 4 geen juist beeld geeft van de daadwerkelijke kosten, omdat de cijfers van de afzonderlijke jaren ook voorschotten voor de volgende jaren bevatten. |
|
(97) |
In 2007 stegen de kosten duidelijk door de aanzienlijke tariefstijgingen voor vervoersbewijzen voor scholieren op de reguliere buslijnen van VGE-Süd. De autoriteiten verstrekten cijfers over de tariefontwikkeling in het door VGE-Süd bediende gebied, waaruit verhogingen van tot 45 % bleken. Zij verklaarden bovendien dat het aantal voor schoolvervoer in aanmerking komende scholieren tussen 1997 en 2003 met ongeveer 20 % was toegenomen (van 15 429 tot 18 454). Rekening houdend met deze toename kan in feite over het geheel genomen een kostendaling voor schoolvervoer vastgesteld worden, voornamelijk als gevolg van de integratie van het schoolvervoer in het lijndienstvervoer. |
|
(98) |
De Duitse autoriteiten betwistten niet dat de EEB economische activiteiten uitvoerde, maar bleven erbij dat de EEB met betrekking tot de betalingen voor het schoolvervoer, die in de kolommen 3 en 4 zijn samengevat, niet als onderneming handelde, maar taken van openbare dienst overeenkomstig § 3 van de statuten vervulde (zie ook overweging 14). De EEB heeft de van het district Emsland ontvangen betalingen slechts doorgestuurd naar de busondernemingen ten behoeve van het schoolvervoer. Er werd met regelmatige tussenpozen verrekend om ervoor te zorgen dat de onderneming geen te hoge of te lage compensatie ontving. |
6.2. OPSTELLING VAN HET LVP (KOLOM 5)
|
(99) |
Volgens de Duitse autoriteiten is de bewering dat de klagers onvoldoende zouden zijn geraadpleegd bij de opstelling van het LVP en dat het LVP in het voordeel van de EEB zou zijn aangepast, onjuist. In 1996 werden de busondernemingen uitgenodigd om deel te nemen aan een werkgroep om het LVP te bespreken. De busondernemingen namen deel aan deze werkgroep. In 2002 wezen de ondernemingen Kalmer, Bittner, Elbert, Wessels, Fischer en Richers-Reisen deelname aan een soortgelijke werkgroep af en dienden zij schriftelijke opmerkingen in. Deze opmerkingen werden samengevat en in de commissies van het district Emsland besproken. Desbetreffende stukken werden naar de Commissie verzonden. |
|
(100) |
De Duitse autoriteiten verklaarden verder dat het LVP geen concrete informatie bevat over de frequentie van de afzonderlijke lijnen of over de route van de lijnen (een kopie van het LVP is naar de Commissie verzonden). Het was de Duitse autoriteiten niet duidelijk in welke mate de opstelling van het LVP een concurrentienadeel voor de busondernemingen zou kunnen veroorzaken. |
|
(101) |
De Duitse autoriteiten betwistten bovendien de bewering van de klagers dat een deel van de opstelling van het LVP een economische activiteit vormde. Zij bevestigden dat het LVP deel uitmaakt van de taken van openbare dienst van het district Emsland. De statuten legden de EEB uitdrukkelijk de verplichting op om het LPV op te stellen. |
6.3. FINANCIERING VAN VOERTUIGEN VOOR EEN BELBUSSYSTEEM (ONDER KOLOM 6)
|
(102) |
Met betrekking tot het belbussysteem wezen de Duitse autoriteiten op het feit dat de bussen aan alle ondernemingen onder dezelfde voorwaarden waren aangeboden, zoals een aanvullende brief van 16 februari 2007 aan de busondernemingen bewijst. Voor de Duitse autoriteiten was het niet duidelijk hoe de bindende oproep via de mobiliteitscentrale Emsland tot het vrijgeven van commercieel gevoelige gegevens zou kunnen leiden. |
|
(103) |
De autoriteiten ontkenden dat de ondernemingen Albers en Elbert geen toegang tot deze bussen werd verleend. Zij brachten naar voren dat tijdens vergaderingen met de onderneming Elbert duidelijk was dat de onderneming niet akkoord ging met de gebruiksvoorwaarden van de bussen. |
|
(104) |
Ten aanzien van de belbussen zijn de Duitse autoriteiten van mening dat de EEB taken van openbare dienst heeft vervuld. Naar aanleiding van het besluit van 8 februari 2006 heeft de districtsvergadering van het district Emsland de EEB opdracht gegeven om de bussen aan te schaffen en het belbussysteem te ontwikkelen. Door de bussen in eigendom van de EEB te houden, wilde het district ervoor zorgen de zeggenschap over de bussen te behouden. |
|
(105) |
De Duitse autoriteiten verklaarden dat het gebruik van een belbus aan andere geïnteresseerde ondernemingen wordt aangeboden wanneer een onderneming geen belangstelling meer heeft. Wanneer geen geïnteresseerde partij gevonden wordt, beslist het district Emsland over het gebruik van de bussen. De exploitatie van een van deze vijf belbussen werd in mei 2012 beëindigd en de Duitse autoriteiten verklaarden dat deze bus zou worden verkocht en de verkoopopbrengst aan het district Emsland zou worden afgedragen. Dit toont aan dat het district de zeggenschap over de bussen heeft behouden. Hetzelfde zou gebeuren als andere bussen niet langer operationeel zouden zijn. |
|
(106) |
De Duitse autoriteiten bevestigden dat de bussen deels werden gebruikt buiten het belbussysteem, met name voor het schoolvervoer. Volgens de Duitse autoriteiten gebeurde dit in overleg met het district Emsland. De dochterondernemingen van de EEB en derden gebruikten de belbussen voor 3,9 % tot 24,1 % van de tijd voor schoolvervoer. |
7. BEOORDELING VAN DE MAATREGELEN
7.1. REIKWIJDTE VAN HET BESLUIT
7.1.1. TOEPASSINGSGEBIED VOLGENS HET INLEIDINGSBESLUIT
|
(107) |
In het inleidingsbesluit werd vastgesteld dat de EEB in de periode van 1997 tot en met 2007 mogelijk een aantal keren staatssteun ontvangen heeft, zoals vermeld onder kolom 1 tot en met 6 in tabel 1 van onderhavig besluit. |
|
(108) |
De Commissie kwam in het inleidingsbesluit bovendien tot de conclusie dat bepaalde in deze kolommen opgenomen maatregelen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, inhielden. Deze maatregelen maken geen deel uit van onderhavig besluit, aangezien de Commissie hieromtrent reeds een definitief standpunt heeft ingenomen. |
|
(109) |
De opmerkingen van Nahverkehrsberatung Südwest hebben betrekking op betalingen overeenkomstig § 45a PBefG, ten aanzien waarvan de Commissie had vastgesteld dat ze geen staatssteun vormden. Deze vaststelling werd niet aangevochten voor de rechtelijke instanties van de Unie en is daarom definitief geworden. De Commissie zal deze opmerkingen dan ook niet verder onderzoeken. |
|
(110) |
Een deel van de opmerkingen van de klagers heeft betrekking op enkele van de onder kolom 6 opgenomen betalingen, ten aanzien waarvan de Commissie reeds had vastgesteld dat deze geen staatssteun vormden, namelijk betalingen voor de aankoop van de software DIVA-Geo, het opzetten van een bushalteregister, voor bushaltes en voor software voor de planning van het lokaal openbaar vervoer. Deze vaststelling werd niet aangevochten voor de rechtelijke instanties van de Unie en is daarom definitief geworden. De Commissie zal deze opmerkingen dan ook niet verder onderzoeken. |
7.1.2. MAATREGELEN WAARVOOR GEEN TERUGVORDERING VAN ONRECHTMATIGE EN ONVERENIGBARE STAATSSTEUN WORDT VERLANGD
|
(111) |
De Commissie stelt met betrekking tot kolom 1 vast dat het aanvangsdotatiekapitaal en het grootste deel van de RWE-aandelen (26) van de onderneming reeds in het op 1 januari 1997 overgenomen nutsbedrijf (EE) ter beschikking stonden. Zoals door de Duitse autoriteiten is uiteengezet, vonden de kapitaalverschaffing en de overdracht plaats meer dan 10 jaar vóór de dag waarop het eerste verzoek om inlichtingen betreffende deze overdrachten aan Duitsland werd gericht (27). Daarom kan voor deze maatregelen geen onrechtmatige en onverenigbare staatssteun meer worden teruggevorderd op grond van artikel 17 van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (28). In het licht van de in punt 7.2.1 aangevoerde redenen worden deze maatregelen als staatssteun aangemerkt. Er wordt evenwel van uitgegaan dat het bij deze staatssteun om een reeds bestaande steunmaatregel overeenkomstig artikel 1, onder b), iv, van Verordening (EU) nr. 2015/1589 (29) gaat. |
|
(112) |
Een kleiner deel van de RWE-aandelen (30) werd pas op 12 oktober 1998 overgedragen (hierna „de aandelen van 1998” genoemd), minder dan tien jaar vóór de datum waarop het eerste verzoek om inlichtingen aan Duitsland met betrekking tot deze overdracht werd gericht. De overdracht van de aandelen van 1998 vormt daarom een nieuwe steunmaatregel. |
|
(113) |
Het onderhavige besluit behandelt daarom niet de verenigbaarheid van de kapitalisatie en het grootste deel van de RWE-aandelen, maar beperkt zich tot de in 1998 overgedragen aandelen. |
7.1.3. CONCLUSIES INZAKE HET TOEPASSINGSGEBIED VAN HET BESLUIT
|
(114) |
In het licht van de voorgaande vaststellingen wordt in het kader van dit besluit onderzocht of de EEB staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, heeft ontvangen, en zo ja, of deze staatssteun met betrekking tot de volgende maatregelen als verenigbaar kan worden beschouwd:
|
7.2. AANWEZIGHEID VAN STEUN
|
(115) |
Volgens artikel 107, lid 1, VWEU, zijn staatssteun of steun met staatsmiddelen bekostigd in welke vorm ook, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien. |
|
(116) |
Aan alle in artikel 107, lid 1, VWEU, vastgelegde criteria moet worden voldaan. Om te bepalen of het bij de betrokken maatregel om staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU gaat, moet aan alle onderstaande voorwaarden zijn voldaan. De financiële steun moet met name:
|
7.2.1. DE RWE-AANDELEN VAN 1998 EN DE BIJBEHORENDE DIVIDENDEN
7.2.1.1. Selectieve economische voordelen voor een onderneming
|
(117) |
Allereerst moet onderzocht worden of de EEB in het licht van de overdracht van de aandelen van 1998 en de bijbehorende dividenden als onderneming kan worden aangemerkt. |
|
(118) |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dient een onderneming te worden omschreven als „elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd” (31). De indeling van een bepaalde eenheid als onderneming hangt derhalve volledig af van de aard van haar werkzaamheden. Zoals beschreven in de overwegingen 12 tot en met 16, oefent de EEB een breed scala aan activiteiten uit. Op sommige gebieden handelt de EEB in overheidsopdracht en stuurt zij enkel in naam van het district Emsland betalingen door naar marktdeelnemers; op andere gebieden oefent de EEB activiteiten uit die binnen de openbaredienstverleningstaak vallen. De EEB oefent bovendien economische activiteiten uit; ze beschikt over vergunningen die op basis van mededinging vergund worden en levert diensten op het gebied van het goederenvervoer per spoor. |
|
(119) |
De indeling van een eenheid als onderneming gebeurt altijd op basis van een bepaalde activiteit. Een eenheid die zowel economische als niet-economische activiteiten verricht, dient alleen ten aanzien van de economische activiteiten als onderneming te worden aangemerkt (32). De Commissie stelt in dit verband vast dat het district de overdracht van aandelen niet aan voorwaarden had gekoppeld. Ze werden veeleer als een geschenk zonder tegenprestatie in ontvangst genomen. |
|
(120) |
Met betrekking tot de dividenden stelt de Commissie echter vast dat Duitsland heeft aangetoond dat het totale bedrag van de dividenden, die de EEB van de overgedragen aandelen ontving, tot 2005 werd gebruikt voor de financiering van het schoolvervoer en vanaf 2006 werd terugbetaald aan het district Emsland (zie ook overweging 29 e.v.). Duitsland heeft derhalve aangetoond dat de dividenden gedurende de onderzoeksperiode niet voor andere activiteiten van de EEB gebruikt hadden kunnen worden, ook niet voor economische activiteiten. |
|
(121) |
De Commissie komt dan ook tot de conclusie dat Duitsland de EEB begunstigd heeft door de overdracht van de RWE-aandelen van 1998, aangezien de activa van de EEB werden verhoogd zonder enige vergoeding of tegenprestatie. |
|
(122) |
Daarenboven kon de EEB de aandelen voor de verbetering van haar financiële situatie en in het bijzonder als zekerheid voor haar economische activiteiten inzetten. |
|
(123) |
De situatie met de dividenden van de aandelen die niet werden gebruikt voor economische activiteiten, is verschillend. Met uitzondering van de desbetreffende dividenden wordt de EEB met betrekking tot de RWE-aandelen van 1998 daarom als een onderneming beschouwd. |
|
(124) |
Aangezien de EEB met betrekking tot de RWE-aandelen van 1998 (met uitzondering van de dividenden) een onderneming is, moet worden onderzocht of de overdracht van de aandelen een voordeel zou hebben kunnen betekend. Een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is een economisch voordeel ongeacht van welke aard, dat een onderneming onder normale marktvoorwaarden, d.w.z. zonder tussenkomst van de Staat, niet zou hebben verkregen (33). |
|
(125) |
Economische transacties die worden aangegaan door overheidsinstanties (met inbegrip van overheidsbedrijven), verlenen geen voordeel aan de tegenpartij van die transactie — en vormen dus geen steun — voor zover ze marktconform verlopen (34). In dit verband hebben de rechterlijke instanties van de Unie het „beginsel van de investeerder in een markteconomie” opgesteld. Om te bepalen of de economische transactie door het openbaar lichaam als staatssteun kan worden aangemerkt, dient onderzocht te worden of een particuliere investeerder van een vergelijkbare omvang, die onder normale omstandigheden in een markteconomie opereert, in vergelijkbare omstandigheden ertoe overgehaald had kunnen worden de omstreden investering te doen (35). |
|
(126) |
Zoals uiteengezet in overweging 66 bracht Duitsland naar voren dat het district Emsland als een investeerder in een markteconomie heeft gehandeld. In het onderhavige geval droeg het district de aandelen kosteloos over, zonder expliciet een ontvanger te bepalen, hetgeen onder normale marktvoorwaarden niet zou gebeuren. Duitsland heeft geen bewijs geleverd dat de voordelen van fiscale optimalisatie, die het district naar verluidt beoogde, groter waren dan de marktwaarde van de aandelen van 1998. Het uit de fiscale optimalisatie voortgekomen voordeel zou in ieder geval niet het district, maar wel de EEB een voordeel verschaft hebben. |
|
(127) |
Het district droeg 37 630 RWE-aandelen ter waarde van ongeveer 1 689 264,40 EUR over en verwachtte dat dit bij een dividenduitkering van 1,60 DM (ongeveer 0,80 EUR) per aandeel een jaarlijks rendement van ongeveer 34 000 DM (ongeveer 17 000 EUR) zou genereren. |
|
(128) |
Het district heeft zich bij deze overdracht van activa niet gebaseerd op een ondernemingsplan waarmee een investeerder in een markteconomie een behoorlijk rendement had kunnen verwachten (36). De aandelen zijn veeleer kosteloos overgedragen. |
|
(129) |
De Commissie concludeert derhalve dat de overdracht van de RWE-aandelen van 1998 niet volgens de normale marktvoorwaarden is uitgevoerd en derhalve niet overeenstemde met het „beginsel van de investeerder in een markteconomie”. |
|
(130) |
Daarom is de overdracht als een voordeel aan te merken. De loutere eigendom van aandelen kan bijdragen tot de verbetering van de financiële situatie van de EEB (de aandelen kunnen worden verkocht of worden gebruikt als zekerheden). |
|
(131) |
Door de overdracht van de RWE-aandelen van 1998 heeft het district daadwerkelijk afgezien van potentiële inkomsten die uit de verkoop van de aandelen of het gebruik ervan als zekerheden ontstaan zouden zijn, en droeg deze over aan de EEB (hoewel die gedurende de onderzochte periode geen dividenden van deze aandelen ontvangen heeft). Omdat de aandelen van 1998 in de balans van de EEB als activa opgenomen zijn, kan de EEB hier vrij over beschikken of ze als zekerheid inzetten. De Commissie wijst er in dit verband op dat het district geen uitdrukkelijke voorwaarden aan de overdracht van de aandelen had verbonden, bijvoorbeeld dat de aandelen niet mochten worden verkocht of als zekerheden worden gebruikt. |
|
(132) |
Omdat de overdracht en de eigendom van de aandelen van 1998 de economische activiteiten van de EEB ten goede kunnen komen, concludeert de Commissie dat daardoor voor de EEB als onderneming in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, behalve wat de dividenden betreft, een selectief voordeel ontstond. |
7.2.1.2. Staatsmiddelen en toerekenbaarheid van de maatregel aan de Staat
|
(133) |
Bij de aandelen van 1998 betrof het activa waarover het district, dat als regionaal publiekrechtelijk lichaam onder overheidsdienst valt, volledig kon beschikken. Zij vormen derhalve staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. De overdracht ervan aan de EEB was het gevolg van een beslissing van het district en is daarmee in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU toe te rekenen aan de Staat. |
7.2.1.3. Verstoring van de mededinging en gevolgen voor het handelsverkeer tussen lidstaten
|
(134) |
Sinds 1995 zijn verschillende lidstaten unilateraal begonnen met het openstellen van bepaalde vervoersmarkten voor mededinging door ondernemingen die in andere lidstaten zijn gevestigd, met als gevolg dat er al diverse ondernemingen hun stads-, voorstads- en streekvervoersdiensten aanbieden in andere lidstaten dan hun staat van herkomst (37). Zoals toegelicht in overweging 18 worden vergunningen volgens de Duitse wetgeving op basis van mededinging vergund, en de EEB beschikt over dergelijke vergunningen. Door de eigendom van RWE-aandelen van 1998 kan de mededinging bij de levering van personenvervoersdiensten met bussen verstoord worden, omdat de algemene financiële positie van de EEB daardoor wordt versterkt. |
|
(135) |
Bovendien wordt er normaal gesproken van uitgegaan dat een voordeel dat wordt verleend aan een onderneming die actief is op een markt die is opengesteld voor mededinging, het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Immers, „wanneer financiële steun van een staat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer [versterkt], […] moet dit handelsverkeer worden geacht door de steun te worden beïnvloed” (38). De overdracht van de aandelen van 1998 moet dus gezien worden als een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen de lidstaten omdat zij de marktpositie van de EEB versterkte, omdat deze zodoende betere kansen had om de vergunningen binnen te halen. |
|
(136) |
De overdracht van de aandelen van 1998 heeft dus waarschijnlijk geleid tot een verstoring van de mededinging en heeft de handel tussen de lidstaten, gezien de economische activiteiten van EEB, ongunstig beïnvloed. |
7.2.1.4. Conclusie
|
(137) |
Op basis van bovenstaande concludeert de Commissie dat de overdracht van de aandelen van 1998 aan de EEB als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt. Daarom moet de Commissie onderzoeken of deze maatregel als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd. |
|
(138) |
De dividenden van de aan de EEB overgedragen RWE-aandelen vormen daarentegen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
7.2.2. SCHOOLVERVOER (KOLOMMEN 3 EN 4)
|
(139) |
Allereerst dient te worden onderzocht of de EEB in het kader van de organisatie van het schoolvervoer in het district Emsland als een onderneming kan worden beschouwd. Zoals reeds aangevoerd in overweging 119, dient een onderneming volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie te worden omschreven als „elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd” (39). De indeling van een bepaalde eenheid als onderneming hangt derhalve volledig af van de aard van haar werkzaamheden. |
|
(140) |
Indien een eenheid meerdere verschillende activiteiten uitoefent, die gedeeltelijk als economisch en gedeeltelijk als niet-economisch dienen te worden beschouwd, moet — indien de werkzaamheden van elkaar kunnen worden gescheiden — elke activiteit afzonderlijk worden beoordeeld (40). Het feit dat een onderneming een economische activiteit uitoefent, betekent niet noodzakelijkerwijs dat ze ten aanzien van al haar activiteiten als een onderneming moet worden beschouwd. |
|
(141) |
De Duitse autoriteiten hebben uitgelegd dat de EEB de bedragen die zij van het district Emsland ontving, slechts heeft doorgestuurd naar de busondernemingen die zowel geïntegreerd als niet-geïntegreerd schoolvervoer verzorgden. Uit het totaalbeeld van de jaarlijkse betalingen van het district aan de EEB en de betalingen door de EEB, en uit een door Duitsland overlegd schrijven van een accountant, blijkt inderdaad dat de rekeningen van de EEB gecontroleerd werden en de inkomende en uitgaande betalingen voor schooltransport met elkaar in evenwicht waren. De EEB voerde dus geen economische activiteit uit, maar fungeerde slechts administratief als bemiddelende instantie respectievelijk als een verlengde arm van de Staat. |
|
(142) |
De Commissie concludeert dan ook dat de EEB met betrekking tot de organisatie van het schoolvervoer in het district Emsland niet handelde als een onderneming in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Aangezien aan alle in artikel 107, lid 1, VWEU, vastgelegde criteria moet worden voldaan, concludeert de Commissie dat de onder de kolommen 3 en 4 vermelde financiering van de organisatie van het schoolvervoer geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt. |
7.2.3. FINANCIËLE STEUN VOOR DE OPSTELLING VAN HET LVP (KOLOM 5)
|
(143) |
In haar besluit tot inleiding van de onderzoeksprocedure kwam de Commissie reeds tot de conclusie dat de oprichting van het LVP door de EEB naar mening van de districtsvergadering geen economische activiteit vormt. |
|
(144) |
De door de klagers verstrekte aanvullende informatie heeft geen enkele invloed op deze conclusie. In feite gaat het volgens § 2, lid 2, en § 6 NNVG bij het aanbieden van openbare vervoersdiensten om een taak van openbare dienst. De wijze van uitvoering van deze taak van openbare dienst dient in een LVP te worden vastgelegd. Het LVP is dan ook een essentieel onderdeel van de beleidstaken van het district, die aan de EEB werden overgedragen. |
|
(145) |
In het inleidingsbesluit werden ook twijfels geuit over de vraag of een vergoeding conform de voorschriften is betaald voor de kosten in verband met het LVP. Uit de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat de bedragen die door het district waren overgedragen voor de financiering van het LVP, beperkt waren tot de vergoeding van de gemaakte materiële kosten (zie ook overweging 43) en dat dit een van de taken van het personeel van de EEB was en geen extra personeelskosten werden vergoed. |
|
(146) |
De Commissie bevestigt derhalve dat de EEB met betrekking tot het opstellen van het LVP niet handelde als een onderneming in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Aangezien aan alle in artikel 107, lid 1, VWEU, vastgestelde criteria moet worden voldaan, concludeert de Commissie dat de onder kolom 5 vermelde maatregelen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen. |
7.2.4. FINANCIERING VAN DE MOBILITEITSCENTRALE EMSLAND (OPGENOMEN IN DE KOLOMMEN 5 EN 6)
7.2.4.1. Selectief economisch voordeel voor een onderneming
|
(147) |
Allereerst dient te worden onderzocht of de EEB met betrekking tot de financiering van de MCE als een onderneming kan worden beschouwd. Zoals reeds vermeld in overweging 119 dient een onderneming volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie te worden omschreven als „elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd” (41). De indeling van een bepaalde eenheid als onderneming hangt derhalve volledig af van de aard van haar werkzaamheden. |
|
(148) |
Op het tijdstip van het inleidingsbesluit was niet duidelijk of de MCE lang vóór de oprichting van de EEB was opgezet en of de deelstaat Nedersaksen deze informatiedienst in het kader van haar taak op het gebied van openbaar vervoer beschikbaar had gesteld. Het district besloot op 31 juli 1995 een mobiliteitscentrale op te zetten om het publiek een informatiedienst voor het openbaar vervoer aan te bieden. Het district droeg deze taak slechts over aan de EEB toen deze op 1 januari 1997 werd opgericht. Dit is uitdrukkelijk vastgelegd in de statuten van de EEB. |
|
(149) |
Uit § 2, lid 2, en § 6 NNVG blijkt dat het aanbieden van openbare vervoersdiensten een taak van openbare dienst is. De wijze van uitvoering van deze taak van openbare dienst dient in een LVP te worden vastgelegd. In het LVP van het district Emsland wordt van het standpunt uitgegaan dat de beschikbaarheid van uitgebreide en actuele inlichtingen over openbare vervoersdiensten, die door de MCE worden geleverd, een essentieel en integraal onderdeel van deze taak van openbare dienst vormt. |
|
(150) |
Zoals hierboven uiteengezet (zie overweging 47), wijst de Commissie erop dat de MCE kosteloos inlichtingen aanbood en dat alleen de ontstane materiële en personeelskosten werden vergoed, die zij vooraf moest financieren. Er was geen winstmarge voorzien. De Commissie stelt vast dat een investeerder in een markteconomie de informatiediensten waarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou aanbieden zoals de mobiliteitscentrale dat doet. |
|
(151) |
De Commissie wijst er verder op dat gebleken is dat de situatie van de MCE verschillend is van die in zaak N 604/05, district Wittenberg K(2005) 1847 def., die in het inleidingsbesluit werd genoemd. In de zaak Wittenberg waren de busondernemingen de ontvangers van openbare middelen die bestemd waren voor een mobiliteitscentrale op districtsniveau. De busondernemingen betaalden voor een mobiliteitscentrale in het district Wittenberg. De overheidsfinanciering stelde de busondernemingen zodoende vrij van kosten die zij normaliter hadden moeten dragen en verschafte zodoende een voordeel voor de busondernemingen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. In dit geval valt de MCE onder de financiële verantwoordelijkheid van de EEB als eenheid die taken van openbare dienst waarneemt die voorheen intern in het kader van het openbaar bestuur werden uitgevoerd. |
|
(152) |
Op basis van de aard van de werkzaamheden van de MCE kan echter niet volledig worden uitgesloten dat deze activiteit althans niet in beginsel door een marktpartij kan worden uitgevoerd. |
|
(153) |
De Commissie is niet in staat om op basis van informatie die door Duitsland en derden na het inleidingsbesluit verstrekt werd, te beoordelen of de exploitatie van de MCE in dit geval een economische activiteit vormt en EEB derhalve bij het aanbieden van deze diensten als onderneming in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU heeft gehandeld. |
|
(154) |
Indien de EEB als ondernemer zou hebben gehandeld, dan zou zij door de voor deze dienstverlening beschikbaar gestelde openbare middelen een voordeel verkregen hebben wanneer de deelstaat zich niet als een marktdeelnemer in een markteconomie gedragen had, wat onwaarschijnlijk lijkt. |
7.2.4.2. Staatsmiddelen en toerekenbaarheid van de maatregel aan de Staat
|
(155) |
Er is vastgesteld dat het district tot de financiering van de MCE heeft besloten. De MCE wordt door de EEB derhalve uit openbare middelen gefinancierd en het desbetreffende besluit is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan de Staat toe te rekenen. |
7.2.4.3. Verstoring van de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten
|
(156) |
Indien de MCE daadwerkelijk een economische activiteit uitoefende, zou de EEB actief zijn op de markt van informatieaanbod over openbare vervoersdiensten in de regio, die in principe openstaat voor reclameactiviteiten. Op basis van de beschikbare informatie en gezien het lokale karakter van de dienstverlening door de MCE kan de Commissie niet vaststellen of de financiering van de MCE de handel tussen lidstaten in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU ongunstig kan beïnvloeden. |
7.2.4.4. Conclusie
|
(157) |
Om deze redenen is de Commissie van oordeel dat op basis van het onderzoek geen duidelijke conclusie mogelijk is over de vraag of de financiering van de MCE als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt. Om de volgende redenen is de Commissie echter in elk geval van oordeel dat, indien de financiering van de MCE staatsteun vormt, deze verenigbaar zou zijn met de interne markt. |
7.2.5. FINANCIERING VAN DE AANKOOP VAN VOERTUIGEN (ONDER KOLOM 6 OPGENOMEN)
7.2.5.1. Selectief economisch voordeel voor een onderneming
|
(158) |
Allereerst dient te worden onderzocht of de EEB met betrekking tot de financiering van de aankoop van voertuigen als een onderneming kan worden beschouwd (zie overweging 117 hierboven). In dit verband stelt de Commissie vast dat de EEB de voertuigen in opdracht van het district kocht en wel in het kader van het besluit van het district om in Emsland een belbusdienst te introduceren. De EEB stelde deze bussen beschikbaar op grond van overeenkomsten en onder transparante voorwaarden, die door het district Emsland waren bepaald. De bussen werden door derden en niet door de EEB zelf ingezet. De EEB trad derhalve administratief op als bemiddelende instantie voor een openbaar vervoersdienst. Ze coördineerde de belbusdienst in het kader van de in haar statuten vastgelegde verplichtingen op het gebied van openbaar vervoer (zie overweging 14). |
|
(159) |
Daarom kon worden geconcludeerd dat de EEB geen economische activiteit uitoefende en in dit verband geen onderneming was. Het district Emsland heeft de EEB echter kosteloos activa verstrekt en niets verhindert de EEB expliciet om deze activa voor haar economische activiteiten te gebruiken. De EEB schafte vijf bussen met een marktwaarde van 685 513,46 EUR aan zonder daarvoor de kosten te hoeven dragen. Deze bussen staan in de balans van de EEB als activa aangegeven en kunnen in beginsel door de EEB vrij worden ingezet voor haar economische activiteiten. Hoewel het district de EEB de opdracht had gegeven de bussen voor een specifiek doel aan te schaffen, namelijk de uitbreiding van het belbussysteem, gold voor de EEB geen uitdrukkelijke beperking met betrekking tot het exclusieve gebruik van de bussen binnen het kader van het belbussysteem. |
|
(160) |
De eigendom van de bussen had de economische activiteiten van EEB ten goede kunnen komen, omdat daardoor de financiële situatie van de EEB verbeterd werd. De Commissie concludeert dat niet kan worden uitgesloten dat de financiering van deze aankoop voor de EEB als onderneming in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU een selectief voordeel verschafte. |
7.2.5.2. Staatsmiddelen en toerekenbaarheid van de maatregel aan de Staat
|
(161) |
De aankoop werd gefinancierd uit de middelen van het district, dat als regionaal publiekrechtelijk lichaam onder het openbaar bestuur valt. De aankoop werd bijgevolg uit staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU gefinancierd. De financiering van de aankoop was duidelijk een beslissing van het district en is derhalve in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan de Staat toe te rekenen. |
7.2.5.3. Verstoring van de mededinging en gevolgen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten
|
(162) |
Zoals reeds vermeld, werd aan de EEB door de financiering van de aankoop van de vijf bussen een selectief voordeel verschaft, voor zover dit de economische activiteiten van de EEB ten goede kon komen. Afgezien van haar taken van openbare dienst voert de EEB ook economische activiteiten uit (zie ook overweging 118). |
|
(163) |
Door de verbetering van haar algemene financiële situatie kon de EEB met het bezit van de voertuigen de mededinging vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden voor wat betreft de economische activiteiten van de EEB, die open staan voor concurrentie tussen lidstaten. |
7.2.5.4. Conclusie
|
(164) |
Om deze redenen is de Commissie van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de financiering van de aankoop van vijf bussen door de EEB staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormt. Daarom moet de Commissie onderzoeken of deze maatregel als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd. |
7.2.6. CONCLUSIE TEN AANZIEN VAN DE AANWEZIGHEID VAN STEUN EN DE RECHTMATIGHEID ERVAN
|
(165) |
In het licht van het bovenstaande kan niet worden uitgesloten dat de in 1998 overgedragen RWE-aandelen en de financiering voor de MCE en de belbussen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen. |
|
(166) |
Volgens artikel 108, lid 3, VWEU, moeten de lidstaten de Commissie op de hoogte brengen van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen en mogen zij de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid, behalve wanneer de steun in kwestie van de verplichting tot kennisgeving is uitgesloten. De Commissie stelt zoals in eerdere gevallen vast dat het lokale en regionale vervoer met bussen door Duitsland is uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EEG) nr. 1191/69, waarbij gebruik wordt gemaakt van een optie van deze verordening (42) en artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1107/70 van toepassing wordt. Aangezien Verordening (EEG) nr. 1191/69 niet van toepassing is, konden de betrokken maatregelen niet op grond van die verordening worden vrijgesteld. |
|
(167) |
Voor zover de bovenstaande maatregelen staatssteun vormen, is de Commissie van oordeel dat Duitsland niet aan de vereisten van artikel 108, lid 3, VWEU heeft voldaan (43). |
7.3. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN
|
(168) |
Aangezien het bij de in 1998 overgedragen RWE-aandelen om staatssteun gaat en niet kan worden uitgesloten dat de voor de MCE en de belbussen beschikbaar gestelde steun als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan worden aangemerkt, moet de Commissie in een volgende stap vaststellen of de steun in kwestie op basis van de in de overeenkomst voorziene uitzonderingen als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd. Aangenomen wordt dat alle onderzochte maatregelen in kwestie een vergoeding vormen van bepaalde met het begrip openbare dienstverlening verband houdende diensten, die voldoen aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer. |
|
(169) |
In artikel 93 VWEU is het volgende bepaald: „Steun die voldoet aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of de vergoeding van bepaalde met het begrip openbare dienstverlening samenhangende diensten is verenigbaar met de overeenkomsten”. Dit artikel is een lex specialis met betrekking tot de artikelen 106 en 107 VWEU. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie (44) kan steun voor vervoer over land alleen in zeer specifieke gevallen en alleen dan wanneer ze niet nadelig zijn voor het algemeen belang van de Unie, op grond van artikel 93 VWEU als verenigbaar worden verklaard. |
|
(170) |
Duitsland heeft geen gronden voor de verenigbaarheid aangevoerd, omdat het van mening is dat geen van de maatregelen staatssteun inhoudt. In het inleidingsbesluit werden twijfels geuit met betrekking tot de verenigbaarheid op grond van Verordening (EEG) nr. 1107/70, Verordening (EEG) nr. 1191/69 en artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. Omdat de maatregelen in kwestie een vergoeding van bepaalde met het begrip openbare dienstverlening samenhangende diensten betreffen die voldoen aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer, vallen ze onder Verordening (EEG) nr. 1107/70. Artikel 3, lid 2, van de verordening voorziet in het onderzoek van de vergoeding voor bepaalde met het begrip van openbare dienstverlening samenhangende diensten die voldoen aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer aan een vervoersonderneming of met betrekking tot activiteiten waarvoor Verordening (EEG) nr. 1191/69 niet geldt. Zowel Verordening (EEG) nr. 1191/69 als Verordening (EEG) nr. 1107/70 werd bij Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad (45) ingetrokken. Terwijl steun die voorheen onder Verordening nr. 1191/69 viel, nu in het kader van Verordening (EG) nr. 1370/2007 onderzocht wordt, kan steun of de verenigbaarheid van steun voor bepaalde met het begrip van openbare dienstverlening samenhangende diensten die voldoen aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer, nu direct in het kader van artikel 93 VWEU onderzocht worden. |
|
(171) |
Ter wille van de volledigheid wordt onderzocht of de maatregelen in kwestie verenigbaar zijn met de voorschriften die op het moment van het besluit en op het moment van de uitbetaling van de middelen van toepassing waren. Om deze reden wordt de verenigbaarheid volgens artikel 93 VWEU en artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1107/70 onderzocht, zoals toegelicht in de overwegingen 172 e.v. en 212 e.v. |
7.3.1. CONTROLE VAN DE VERENIGBAARHEID MET ARTIKEL 93 VWEU
|
(172) |
Volgens het Hof van Justitie wordt in artikel 93 steun voor vervoer uitsluitend in duidelijk omschreven gevallen, waarin de algemene belangen van de Unie niet worden geschaad, met de VWEU verenigbaar verklaard. Het in artikel 93 VWEU gehanteerde begrip „coördinatie van het vervoer” heeft een ruimere betekenis dan het bevorderen van de ontwikkeling van een economische activiteit. Het impliceert dat de overheid met het oog op het gemeenschappelijk belang maatregelen neemt om de ontwikkeling van de vervoerssector te sturen. |
|
(173) |
In de vervoerssector kunnen economische problemen bij de „coördinatie” optreden, bijvoorbeeld bij de aansluiting van de verschillende vervoersnetwerken. De Commissie heeft reeds op basis hiervan staatssteun overeenkomstig artikel 93 VWEU goedgekeurd (46). |
|
(174) |
In het onderhavige geval werden de RWE-aandelen aan de EEB overgedragen zodat deze de taken van openbare dienst in verband met de planning en coördinatie van het openbaar vervoer kon uitvoeren. Tot deze taken, die in artikel 3 van de statuten van de EEB (zie ook overweging 14) zijn opgenomen, behoren de opstelling van het LVP voor het district Emsland, de exploitatie van de MCE en de organisatie van het schoolvervoer. Al deze diensten dragen bij aan de coördinatie van het vervoer. |
|
(175) |
Voor zover de financiering van de MCE als staatssteun beschouwd wordt, is de Commissie van oordeel dat het doel van de maatregel bestaat in de coördinatie van de informatie met betrekking tot het openbaar vervoer. |
|
(176) |
Met betrekking tot de belbussen stelt de Commissie vast dat de maatregelen in kwestie betrekking hebben op de aankoop van voertuigen, en wel met het doel deze beschikbaar te stellen aan de feitelijke uitvoerders van de vervoersdiensten. De EEB heeft een vervoersdienst opgezet en gecoördineerd en de vervoersdienst niet zelf uitgeoefend. |
|
(177) |
De Commissie stelt vast dat al deze maatregelen tot doel hadden de EEB in staat te stellen bepaalde taken op het gebied van openbaar vervoer uit te voeren die eerder door het districtsbestuur werden uitgevoerd. Het doel van een maatregel is voor het onderzoek van de aanwezigheid van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1 (wanneer het effect van de maatregel bepalend is) weliswaar niet relevant, maar bij het onderzoek moet rekening worden gehouden met de verenigbaarheid van deze maatregelen met de interne markt. |
|
(178) |
Overeenkomstig de gangbare besluitvormingpraktijk wordt steun voor de coördinatie van het vervoer zoals bedoeld in artikel 93 VWEU beschouwd als verenigbaar met de interne markt wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
7.3.1.1. Duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang
7.3.1.1.1. De aandelen van het jaar 1998
|
(179) |
Zoals hierboven beschreven werden de RWE-aandelen in het kader van het besluit van het district om het bedrijf EE over te nemen, overgedragen aan de EEB. Het bedrijf EE had voorheen in opdracht van het districtsbestuur de taken van openbare dienst op het gebied van planning en coördinatie van het lokaal openbaar personenvervoer waargenomen. De EEB moest worden voorzien van een openingsbalans om operationeel te kunnen worden. De taak van de EEB omvat volgens § 3 van haar statuten onder meer de opstelling van het LVP voor het district Emsland, de exploitatie van de MCE en de organisatie van het schoolvervoer. Al deze taken kunnen als een bijdrage aan de ontwikkeling van het lokaal openbaar vervoer en bijgevolg als noodzakelijk voor de coördinatie van het vervoer worden beschouwd. |
|
(180) |
De Commissie wijst in haar conclusie echter op het feit dat de overdracht en de eigendom van de aandelen van 1998 juridisch geen verband houden met deze activiteiten. De Bondsrepubliek Duitsland heeft aangetoond dat de aandelen feitelijk tot dusverre niet voor andere activiteiten werden gebruikt. |
|
(181) |
Er bestaat echter een risico dat de EEB deze aandelen verkoopt en uit de verkoopopbrengst of door het gebruik van de aandelen als zekerheid in dit verband economische activiteiten op andere gebieden financiert. |
|
(182) |
Aangezien de EEB nog steeds in het bezit is van de aandelen, kan worden uitgesloten dat de verkoopopbrengst tijdens het onderzoektijdvak voor de toepassing van economische activiteiten is gebruikt. |
|
(183) |
Mocht de EEB de aandelen van 1998 in de toekomst voor dergelijke doeleinden inzetten, dan kan worden aangevoerd dat de overdracht van deze aandelen niet langer uitsluitend een bijdrage aan de coördinatie van het vervoer vormt. Aan de eerste voorwaarde voor de verenigbaarheid van de steun op grond van artikel 93 VWEU wordt derhalve slechts voldaan wanneer EEB de aandelen van 1998 niet gebruikt voor de financiering van economische activiteiten buiten haar taken van openbare dienst. De Commissie moet daarom als voorbehoud voor de verenigbaarheid van de overdracht van de aandelen van 1998 met de interne markt voorwaarden verbinden aan het gebruik van deze aandelen (zie hieronder). |
7.3.1.1.2. Mobiliteitscentrale Emsland
|
(184) |
Zoals reeds uiteengezet in overweging 47 besloot het district op 31 juli 1995 een mobiliteitscentrale op te zetten om het publiek een informatiedienst voor het openbaar vervoer aan te bieden. Het district droeg deze taak over aan de EEB toen deze op 1 januari 1997 werd opgericht. De exploitatie van de MCE is een van de taken in verband met de planning en coördinatie van het lokale openbaar vervoer die de EEB in het kader van haar statuten uitdrukkelijk kreeg toegewezen. |
|
(185) |
Volgens § 2, lid 2, en § 6 NNVG is het aanbieden van openbare vervoersdiensten een taak van openbare dienst. De wijze van uitvoering van deze taak van openbare dienst dient in een LVP te worden vastgelegd. In het LVP van het district Emsland wordt van het standpunt uitgegaan dat de beschikbaarheid van uitgebreide en actuele inlichtingen over openbare vervoersdiensten, die door de MCE worden geleverd, een essentieel en integraal onderdeel vormt van deze taak van openbare dienst. |
|
(186) |
De exploitatie van de MCE draagt bij aan een vlotte en efficiënte beschikbaarstelling van openbare vervoersmiddelen en levert aldus een bijdrage aan een doel van gemeenschappelijk belang. |
7.3.1.1.3. Belbussen
|
(187) |
Het district Emsland besloot tot uitbreiding van het belbussysteem in het district om twee verschillende redenen (47):
|
|
(188) |
De belbussen worden in de daluren op routes van het openbaar vervoer ingezet om het openbaarvervoersaanbod op deze tijden te verbeteren. De belbussen zijn toegankelijk voor rolstoelen en kinderwagens. |
|
(189) |
De Commissie heeft de afgelopen jaren in een reeks beleidsdocumenten altijd het belang van betere intermodale verbindingen benadrukt. De in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad (48) voorziene richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnetwerk in 2013 leggen de optimale integratie en onderlinge verbindingen van alle vervoersmiddelen als een van hun belangrijkste doelstellingen vast. Ook de intermodale aansluiting binnen de steden en dorpen leidt tot een efficiënter vervoerssysteem. Een hogere frequentie van een potentieel beschikbaar, overkoepelend aanbod aan openbaar vervoer is in het belang van de bevolking van het district Emsland, met name omdat het hierbij om een van de minder dichtbevolkte gebieden van Duitsland gaat. De coördinatie van de uitbreiding van het belbussysteem kan daarom als een bijdrage aan een doel van gemeenschappelijk belang worden beschouwd. |
|
(190) |
Voor de eigendom van de belbussen geldt hetzelfde als voor de aandelen van 1998, namelijk dat wanneer deze de EEB met betrekking tot haar economische activiteiten een voordeel kon verschaffen, de financiering van deze bussen niet meer uitsluitend een bijdrage aan het doel van de coördinatie van het vervoer zou inhouden. Aan de eerste voorwaarde voor de verenigbaarheid van steun op grond van artikel 93 VWEU wordt derhalve slechts voldaan wanneer de EEB de belbussen niet inzet voor haar economische activiteiten. In zijn opmerking van 5 november 2012 heeft Duitsland bevestigd dat de belbussen tijdens het onderzoektijdvak voornamelijk werden gebruikt voor de belbusdienst en dat de EEB de verkoopopbrengst van één van de bussen aan het district had overgedragen. De Duitse autoriteiten hebben bevestigd dat dezelfde principes voor de toekomst zouden gelden. Op grond van deze toezegging door Duitsland stelt de Commissie vast dat de financiering van de belbussen alleen het doel van de coördinatie van het vervoer diende. |
7.3.1.2. Noodzaak van steun en stimulerend effect
7.3.1.2.1. De aandelen van 1998
|
(191) |
Zonder de overdracht van de aandelen van 1998 (samen met andere maatregelen, zoals de oorspronkelijke kapitaalinbreng, die niet onder dit besluit valt) was het bestaan van de EEB niet mogelijk geweest. Zonder deze maatregel zou de EEB niet in staat zijn geweest haar taken van openbare dienst op het gebied van de planning en coördinatie van het openbaar vervoer uit te voeren. De steun in de vorm van overdracht van de aandelen van 1998 is daarom noodzakelijk om het hierboven beschreven doel van gemeenschappelijk belang te verwerkelijken, en heeft een stimulerend effect. |
7.3.1.2.2. Mobiliteitscentrale Emsland
|
(192) |
De districtscommissie had bij de oprichting van de MCE in juli 1995 vastgesteld dat het ontbreken van goed toegankelijke informatie over de reismogelijkheden een van de grootste tekortkomingen in het openbaar vervoer in het district Emsland vormde. In het district Emsland bestond een dergelijke uitgebreide dienstverlening niet op de markt. De burgers hoefden bij de MCE niets te betalen voor de inlichtingen, zodat de EEB ook geen inkomsten uit deze activiteit genereerde waarmee zij de beheerskosten hadden kunnen dekken. De Commissie concludeert derhalve dat de steun voor de exploitatie van de MCE noodzakelijk was en een stimulerend effect had. |
7.3.1.2.3. Belbussen
|
(193) |
Bij het onderzoek van de noodzaak en het stimulerend effect van de steun houdt de Commissie rekening met het feit dat het project zonder de beschikking over belbussen financieel niet draagkrachtig zou zijn geweest. Tijdens de raadsvergadering van 8 februari 2006 werd uitdrukkelijk gesteld dat de uitbreiding van het belbussysteem geen afbreuk mocht doen aan de reeds bestaande belbussystemen. Het belbussysteem mocht alleen in gebieden worden ingevoerd waar andere systemen niet rendabel waren. |
|
(194) |
De EEB schafte deze bussen namens het district aan en stelde deze aan derden ter beschikking op grond van overeenkomsten en onder transparante voorwaarden die door het district Emsland waren bepaald. Derden konden kosteloos gebruikmaken van de bussen en de EEB ontving geen huuropbrengsten of andere geldelijke voordelen voor de beschikbaarstelling van de bussen waarmee ze de aanschaf van de bussen hadden kunnen financieren. De bussen werden door onderaannemers en derden, maar niet door de EEB zelf, ingezet. De EEB boekte dus geen inkomsten uit het economische gebruik van de belbussen. De EEB trad administratief op als bemiddelende instantie voor een openbare vervoersdienst. Ze coördineerde de belbusdienst in het kader van de in haar statuten vastgelegde verplichtingen op het gebied van openbaar vervoer (zie overweging 14). De Commissie is derhalve van oordeel dat de steun voor de EEB voor de ontwikkeling van het belbussysteem noodzakelijk was en een stimulerend effect had. |
7.3.1.3. Evenredigheid van de steun
7.3.1.3.1. De aandelen van 1998
|
(195) |
De Commissie wijst erop dat de dividenden die voortvloeiden uit de eigendom van de aandelen van 1998 niet door EEB werden vastgehouden. Ze werden ofwel gebruikt om de kosten van het schoolvervoer te vereffenen (en werden zodoende gebruikt in plaats van middelen van het district), of ze werden overgedragen aan het district. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de marktwaarde van de aandelen van 1998 is gedaald, zolang de verplichting tot betaling van de dividenden aan het district blijft bestaan, omdat de economische waarde van deze aandelen door deze verplichting daalt. |
|
(196) |
De Commissie is derhalve van oordeel dat de steun in de vorm van overdracht van de aandelen van 1998 beperkt was tot een minimum dat noodzakelijk was om de EEB in staat te stellen haar openbaredienstopdrachten uit te voeren op het gebied van de coördinatie van het vervoer, en dat dit daarom in een redelijke verhouding staat tot het met de maatregel beoogde doel. |
7.3.1.3.2. Mobiliteitscentrale Emsland
|
(197) |
Zoals reeds uiteengezet (zie overweging 77) vergoedde het district de daadwerkelijke kosten van de EEB met betrekking tot de exploitatie van de MCE en was er geen sprake van een winstmarge. De Commissie is derhalve van oordeel dat de ingevolge de aangemelde steunmaatregel toegekende steun evenredig is. |
7.3.1.3.3. Belbussen
|
(198) |
Bij het onderzoek naar de evenredigheid van de steun houdt de Commissie rekening met de volgende aspecten:
|
|
(199) |
Op basis van deze aspecten is de Commissie van oordeel dat de steun voor de financiering van de belbussen evenredig is. |
7.3.1.4. De steun of de gesteunde activiteit staat voor alle gebruikers ter beschikking op niet-discriminerende basis.
7.3.1.4.1. De aandelen van 1998
|
(200) |
Bij de dienstverlening door de EEB op het gebied van de coördinatie van het vervoer gaat het om taken van openbare dienst, en deze activiteiten staan per definitie open voor iedereen op niet-discriminerende basis. |
7.3.1.4.2. Mobiliteitscentrale Emsland
|
(201) |
De MCE biedt alle geïnteresseerde burgers gratis inlichtingen. Ook verzamelt het gegevens van alle aanbieders van openbare vervoersdiensten die deze gegevens beschikbaar willen stellen. De aanbieders van de openbare vervoersdiensten hoeven de MCE niets te betalen voor het beschikbaar stellen van inlichtingen over de door hen geleverde diensten. |
|
(202) |
Hieruit blijkt dat de toegang tot de dienst in kwestie voor alle gebruikers openstaat op niet-discriminerende basis. |
7.3.1.4.3. Belbussen
|
(203) |
De EEB bood de belbussen aan alle busondernemingen in het district die openbare vervoersdiensten exploiteren, aan onder dezelfde voorwaarden. Deze voorwaarden werden door het district Emsland bepaald. Het district richtte een schrijven (met daarin de voorwaarden) aan de busondernemingen die de belbussen aangeboden kregen, en verzocht hen hun eventuele belangstelling kenbaar te maken. |
|
(204) |
Ze werden verhuurd op basis van een standaardovereenkomst (zie ook overweging 80), waarin bepaald werd dat de vervoersondernemingen de exploitatie- en onderhoudskosten droegen, maar geen huur hoefden te betalen. De bussen werden door onderaannemers op de routes van de EEB en door andere busondernemingen op hun eigen routes ingezet. |
|
(205) |
In overleg met het district werden de bussen deels ook in het kader van het schoolvervoer ingezet. Dit geldt voor alle vijf de belbussen. |
|
(206) |
Hieruit blijkt dat de infrastructuur in kwestie voor alle gebruikers toegankelijk was op niet-dicriminerende basis. |
7.3.1.5. De steun leidt niet tot vervalsingen van de mededinging die in strijd zijn met het gemeenschappelijk belang.
7.3.1.5.1. De aandelen van 1998
|
(207) |
De overdracht van de aandelen van 1998 maakten — in financieel opzicht — slechts de oprichting mogelijk van de onderneming EEB, die taken in openbare dienst op het gebied van coördinatie van het vervoer waarneemt. De maatregel leidt derhalve niet tot vervalsingen van de mededinging die in strijd zijn met het gemeenschappelijk belang. |
7.3.1.5.2. Mobiliteitscentrale Emsland
|
(208) |
Zoals reeds vermeld, verzamelt de MCE onder gelijke voorwaarden gegevens van alle in het district Emsland actieve vervoersondernemingen en stelt die gegevens kosteloos ter beschikking van de burgers. Deze steun leidt derhalve niet tot vervalsingen van de mededinging die in strijd zijn met het gemeenschappelijk belang. |
7.3.1.5.3. Belbussen
|
(209) |
Zoals reeds vermeld, gelastte het district Emsland de uitbreiding van het belbussysteem onder de voorwaarde dat die niet van invloed is op de reeds bestaande belbussystemen en niet plaatsvindt op routes die niet rendabel zouden zijn. Omdat deze aan alle belangstellenden onder dezelfde voorwaarden beschikbaar werden gesteld, valt niet te verwachten dat de invoering van deze extra routes tot vervalsingen van de mededinging geleid heeft die het gemeenschappelijk belang schaden. |
7.3.1.6. Conclusie en voorwaarde
|
(210) |
Om de bovengenoemde redenen is de Commissie van oordeel dat de in de vorm van aandelen van 1998 ontvangen steun, evenals de belbussen en de MCE, bijdragen aan de verwezenlijking van een doel van gemeenschappelijk belang, dat zij noodzakelijk zijn en evenredig zijn aan dat doel, en dat de handel tussen de lidstaten niet dermate ongunstig beïnvloed wordt dat dit het gemeenschappelijk belang schaadt. |
|
(211) |
Zoals vermeld in overweging 178 e.v. kan de overdracht van de aandelen van 1998 niet worden beschouwd als een exclusieve bijdrage aan het doel van de coördinatie van het vervoer, omdat er voor de EEB uit de eigendom van deze aandelen en de mogelijkheid om hier vrij over te beschikken, een potentieel voordeel ten aanzien van haar economische activiteiten ontstaat, die niet noodzakelijk de coördinatie van het vervoer dienen. Om de maatregel aan de eerste verenigbaarheidsvoorwaarde te laten voldoen, mag de EEB geen dividenden of opbrengsten uit een eventuele verkoop van de aandelen van 1998 vasthouden, noch deze aandelen als zekerheid gebruiken om van derden financiële middelen voor economische activiteiten te verkrijgen. De Commissie zal dit als voorwaarde stellen voor de verenigbaarheid van de overdracht van de aandelen van 1998 met de interne markt. |
|
(212) |
Op basis van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat deze maatregelen verenigbaar zijn met artikel 93 VWEU, behoudens de voorwaarde met betrekking tot het gebruik van de aandelen van 1998. |
7.3.2. ONDERZOEK VAN DE VERENIGBAARHEID MET VERORDENING (EEG) NR. 1107/70
|
(213) |
Artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1107/70 maakt een onderzoek mogelijk naar de vergoeding voor bepaalde met het begrip van openbare dienstverlening samenhangende diensten die voldoen aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer aan een vervoersonderneming of met betrekking tot activiteiten waarvoor Verordening (EEG) nr. 1191/69 niet geldt. |
|
(214) |
Er wordt, zoals in eerdere gevallen, uitgegaan van het feit dat het lokale en regionale vervoer met bussen is uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EEG) nr. 1191/69 (49) en artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1107/70 van toepassing is. Op grond van deze verordening kunnen de betalingen van het district Emsland verenigbaar met de interne markt verklaard worden wanneer zij niet meer dan de kosten voor de uitvoering van de vastgelegde taken van openbare dienst door de EEB dekken. Derhalve zal hierna worden onderzocht of de EEB een evenredige compensatie heeft ontvangen voor de uitvoering van haar taken. |
7.3.2.1. De aandelen van 1998
|
(215) |
Zoals hierboven beschreven werden de RWE-aandelen in het kader van het besluit van het district om het bedrijf EE over te nemen, overgedragen aan de EEB. Dit bedrijf had voorheen in opdracht van het districtsbestuur de taken van openbare dienst op het gebied van de planning en coördinatie van het lokaal openbaar personenvervoer waargenomen. De EEB moest worden voorzien van een openingsbalans om operationeel te kunnen worden. De taak van de EEB omvat volgens § 3 van haar statuten onder meer de opstelling van het LVP voor het district Emsland, de exploitatie van de MCE en de organisatie van het schoolvervoer. Al deze taken kunnen worden beschouwd als een bijdrage aan de ontwikkeling van het lokale openbaar vervoer in het district. |
|
(216) |
Zonder de inkomsten van de dividenden vermindert de marktwaarde van de aandelen van 1998 tot de economische waarde van deze aandelen in de balans van de EEB. De Commissie is derhalve van oordeel dat de steun in de vorm van de overdracht van de aandelen van 1998 beperkt was tot een minimum dat noodzakelijk was om de EEB in staat te stellen haar openbaredienstopdrachten uit te voeren, en er derhalve geen sprake is van overcompensatie. |
7.3.2.2. Mobiliteitscentrale Emsland
|
(217) |
Zoals reeds uiteengezet in overweging 47, besloot het district op 31 juli 1995 een mobiliteitscentrale op te zetten om het publiek een informatiedienst voor het openbaar vervoer aan te bieden. Het district droeg deze taak over aan de EEB toen deze op 1 januari 1997 werd opgericht. De exploitatie van de MCE is een van de taken die in het kader van de statuten uitdrukkelijk aan de EEB werd toegewezen. |
|
(218) |
Zoals reeds uiteengezet (zie overweging 77) vergoedde het district de daadwerkelijke kosten van de EEB met betrekking tot het beheer van de MCE en was er geen sprake van een winstmarge. De Commissie is derhalve van oordeel dat de ingevolge van de aangemelde maatregel toegekende steun er niet toe leidt dat de EEB een overcompensatie ontvangt. |
7.3.2.3. Belbussen
|
(219) |
Zoals reeds uiteengezet besloot het district Emsland tot uitbreiding van het belbussysteem in het district om twee verschillende redenen (50):
|
|
(220) |
De belbussen worden in de daluren op routes van het openbaar vervoer ingezet om het openbaar vervoersaanbod op deze tijden te verbeteren. De belbussen zijn toegankelijk voor rolstoelen en kinderwagens. |
|
(221) |
Duitsland heeft bevestigd dat de belbussen in de eerste plaats voor de belbusdienst kunnen worden ingezet. Bij een eventuele verkoop van de bussen is de EEB verplicht de verkoopopbrengst aan het district over te dragen (zoals reeds in een geval is gebeurd). |
|
(222) |
De Commissie is om de volgende redenen van oordeel dat er geen sprake is van overcompensatie:
|
7.3.2.4. Conclusie en voorbehoud
|
(223) |
Gelet op deze overwegingen is de Commissie van oordeel dat de in de vorm van aandelen van 1998 verleende steun, evenals de belbussen en de MCE geen overcompensatie vormen voor de uitvoering van de taken van openbare dienst die de EEB voor het district Emsland op zich neemt. |
|
(224) |
Zoals hierboven vermeld in overweging 117 e.v. kan de overdracht van de aandelen van 1998 niet worden beschouwd als een exclusieve bijdrage aan de niet-economische activiteiten van de EEB, omdat zij uit de eigendom van deze aandelen en de mogelijkheid hier vrij over te beschikken, een potentieel voordeel ten aanzien van haar economische activiteiten verkrijgt. Om de maatregel aan de eerste verenigbaarheidsvoorwaarde te laten voldoen, mag de EEB geen dividenden of opbrengsten uit een eventuele verkoop van de aandelen van 1998 vasthouden, noch deze aandelen als zekerheid gebruiken om van derden financiële middelen voor economische activiteiten te verkrijgen. De Commissie zal dit als voorwaarde stellen voor de verenigbaarheid van de overdracht van de aandelen van 1998 met de interne markt. |
|
(225) |
Op basis van de voorgaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat deze maatregelen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1107/70 verenigbaar zijn met de interne markt, behoudens de voorwaarde met betrekking tot het gebruik van de aandelen van 1998. |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het aanvangsdotatiekapitaal en de 280 310 aandelen van het energiebedrijf RWE vormen bestaande steun in de zin van artikel 108, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 1, onder b), iv, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (51).
Artikel 2
De dividenden die de Emsländische Eisenbahn GmbH uit de aandelen ontving, alsmede de vergoeding voor de coördinatie van het schoolvervoer en de opstelling van het lokale vervoersplan, vormen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 3
De vergoeding die de Emsländische Eisenbahn GmbH ontving voor de exploitatie van de mobiliteitscentrale is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 93 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1107/70.
Artikel 4
1. Voor zover de aan de Emsländischen Eisenbahnen GmbH overgedragen bussen staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is deze steun in de zin van artikel 93 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1107/70 verenigbaar met de interne markt, mits Duitsland de verplichting in lid 2 nakomt.
2. De belbussen worden gebruikt voor de belbusdienst. Mocht de EEB een van de bussen verkopen, dan is zij verplicht de opbrengst ervan aan het district Emsland over te dragen.
Artikel 5
De steun die Duitsland aan de Emsländischen Eisenbahn GmbH heeft verleend door de overdracht van 37 630 RWE-aandelen in 1998, is verenigbaar met de interne markt, voor zover aan de in artikel 6 genoemde voorwaarden is voldaan.
Artikel 6
1. De aandelen mogen niet worden verkocht of als zekerheid worden gebruikt, tenzij aan de in lid 2 bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
2. Binnen twee maanden na de vaststelling van dit besluit ondertekent de Emsländische Eisenbahn GmbH een overeenkomst met het district Emsland met betrekking tot de RWE-aandelen. In de overeenkomst moet het volgende worden vastgelegd:
|
— |
de RWE-aandelen mogen niet worden gebruikt als zekerheid of in enige andere vorm die de economische activiteiten van de EEB zou begunstigen, |
|
— |
de EEB staat alle dividenden uit de RWE-aandelen af aan het district Emsland, |
|
— |
alle mogelijke opbrengsten die de EEB uit de verkoop van RWE-aandelen ontvangt, worden aan het District Emsland afgestaan. |
Artikel 7
Duitsland deelt de Commissie binnen twee maanden na de kennisgeving van dit besluit mee welke maatregelen zijn getroffen om hieraan te voldoen.
Artikel 8
Dit besluit is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.
Gedaan te Brussel, 30 september 2016.
Voor de Commissie
Margrethe VESTAGER
Lid van de Commissie
(1) PB C 174 van 9.7.2008, blz. 13.
(2) Op 3 oktober 2006, 27 november 2006 en 13 maart 2007.
(3) Op 24 oktober 2006, 26 januari 2007 en 19 juni 2007.
(4) Zie voetnoot [1].
(5) http://www.eeb-online.de/
(6) Nds. GVBl. 1998, blz. 137, laatstelijk gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 12 juli 2007, Nds. GVBl nr. 22/2007, blz. 339 — VORIS 22410 01.
(7) Overeenkomstig de Duitse wet op het personenvervoer van 21 maart 1961 (hierna „PBefG” genoemd).
(8) § 3, lid 2, nr. 3 PBefG.
(9) Zie voetnoot. [1].
(10) Alle bedragen zijn in euro (EUR). Voor de periode 1997 tot en met 2001 werden de voor de Duitse mark (DM) geldende begrotingsramingen en -correcties in EUR weergegeven, gebaseerd op een wisselkoers van 1:1,9558 (EUR:DM). Kleine verschillen tussen de betalingen zoals opgegeven in de begrotingsramingen en -correcties en de door Duitsland verstrekte cijfers kunnen aan de omrekening worden toegeschreven; de Commissie baseert haar beoordeling op de door Duitsland verstrekte cijfers. „—” staat voor „geen gegevens” en „0” betekent dat er geen financiële steun werd verleend.
(11) Deze cijfers zijn ontleend aan de begrotingsramingen en -correcties van het district Emsland onder nr. 67.500 „Verliescompensatie voor de diensten van het lokaal openbaar vervoer”.
(12) De NNVG (Nedersaksische wet op lokaal openbaar vervoer) van 28 juni 1995, gewijzigd op 16 december 2004, werd aangenomen op basis van de regionaliseringswet van de federale overheid op 27 december 1993.
(13) Bij de wijziging van de NNVG op 16 december 2004, die op 1 januari 2005 in werking is getreden, werd rekening gehouden met het feit dat de financiering van het openbaar vervoer op federaal niveau was veranderd. Het per hoofd van de bevolking toegekende bedrag werd iets verlaagd, maar daarbij kwamen financiële middelen voor regionalisering om het functioneren van het openbaar vervoer te verbeteren, zoals kolom 6 toont.
(14) In het bedrag is het oorspronkelijk maatschappelijk kapitaal ten bedrage van 410 000,00 EUR vermeerderd met de overgedragen aandelen aan twee naamloze vennootschappen ter waarde van 11 248 593,93 EUR inbegrepen.
(15) Dit bedrag omvat de volgende categorieën: bevordering van de marketing en het verbeteren van passagiersgegevens, met inbegrip van de lopende kosten van de mobiliteitscentrale Emsland (116 876,09 EUR), de aankoop van de software DIVA-Geo als cartografische basis voor de mobiliteitscentrale (17 402,90 EUR), het opstellen van een bushalteregister (28 815,34 EUR), voertuigen (belbus) (520 989,05 EUR), bushaltes (59 376,46 EUR) en software voor de planning van het lokaal openbaar vervoer (37 000,00 EUR).
(16) RWE is een vooraanstaand Duits energiebedrijf.
(17) Dividenden en „verliescompensatie voor LOV-diensten.”
(18) De Duitse autoriteiten gaven voor deze cel oorspronkelijk het bedrag 3 160 667,25 EUR op. Later verklaarden de Duitse autoriteiten dat kolom 3 voor het jaar 1997 niet alleen de betalingen aan de VGE-Süd bevatte, maar ook de betalingen aan andere ondernemingen. Pas vanaf 1998 werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de betalingen aan VGE-Süd (kolom 3) en de betalingen voor het schoolvervoer buiten de normale lijndiensten, voor de Deutsche Bahn AG en voor ander geïntegreerd schoolvervoer (kolom 4). Indien 1997 zoals de volgende jaren zou zijn berekend, dan zou kolom 3 een bedrag van 1 508 790,29 EUR en kolom 4 een bedrag van 5 936 951,31 EUR laten zien (verplaatsing van 1 651 876,97 EUR van kolom 3 naar kolom 4, hetgeen overeenkomt met het bedrag dat aan de busondernemingen in Emsland Nord en Emsland Mitte is betaald). De som van de twee kolommen geeft het totale bedrag weer dat voor het schoolvervoer in het district Emsland is uitbetaald.
(19) Aan de VGE-Süd werden in het kader van dit begrotingsonderdeel ook de kosten vergoed.
(20) In overweging 53 van het inleidingsbesluit had de Commissie geconcludeerd dat de opstelling van het LVP een taak is die binnen de openbare dienstverleningstaak valt.
(21) Duitsland heeft de Commissie ervan in kennis gesteld dat de beschrijving van categorie nr. 71.500 in de begrotingsraming voor 2006 „Subsidies aan de Emsländische Eisenbahn volgens de NNVG” onjuist was, omdat het vermelde bedrag aan subsidies niet alleen aan de EEB was verleend. De categorie werd daarom in de begrotingsraming voor 2007 in de wat de ontvanger betreft neutrale beschrijving „Subsidies volgens de NNVG” hernoemd.
(22) In overweging 107 van het inleidingsbesluit concludeerde de Commissie dat de aankoop van de software DIVA-Geo, de opstelling van een bushalteregister en de aankoop van software voor de planning van het lokale openbaar vervoer allemaal samenhingen met de uitvoering van het LVP en dus overheidstaken waren.
(23) Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad van 26 juni 1969 betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 156 van 28.6.1969, blz. 1).
(24) Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad van 4 juni 1970 betreffende de steunmaatregelen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren (PB L 130 van 15.6.1970, blz. 1).
(25) Zie overweging 50 van het inleidingsbesluit.
(26) 280 310 RWE-aandelen met een marktwaarde van ongeveer 9 686 523,78 EUR (zie overweging 27).
(27) De Europese Commissie heeft dit verzoek om inlichtingen op 13 maart 2007 verzonden.
(28) Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van bijzondere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9). Dit is in overeenstemming met de conclusies van de Commissie in overweging 143 van het inleidingsbesluit.
(29) Zie ook overweging 148 van het inleidingsbesluit.
(30) 37 630 aandelen met een marktwaarde van ongeveer 1 689 264,40 EUR.
(31) Arrest van 12 september 2000, Pavel Pavlov e.a., gevoegde zaken C-180/98 t/m C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, punt 74; arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze SpA e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punt 107.
(32) Arrest van 12 december 2000, Aéroports de Paris/Commissie, T-128/98, ECLI:EU:T:2000:290, punt 108.
(33) Arrest van 11 juli 1996, SFEI u. a., C-39/94, ECLI:EU:C:1996:285, punt 60; arrest van 29 april 1999, Spanje/Commissie, C-342/96, ECLI:EU:C:1999:210, punt 41;
(34) Arrest van 11 juli 1996, SFEI u. a., zie voetnoot 27, ECLI:EU:C:1996:285, punt 60 en 61.
(35) Zie bijvoorbeeld het arrest van 21 maart 1990, België/Commissie („Tubemeuse”), C-142/87, ECLI:EU:C:1990:125, punt 29; arrest van 21 maart 1991, Italië/Commissie (ALFA Romeo) C-305/89, ECLI:EU:C:1991:142, punten 18 en 19; arrest van 30 april 1998, Cityflyer Express/Commissie, T-16/96, ECLI:EU:T:1998:78, punt 51; arrest van 21 januari 1999, Neue Maxhütte Stahlwerke und Lech-Stahlwerke/Commissie, gevoegde zaken T-129/95, T-2/96 en T-97/96, ECLI:EU:T:1999:7, punt 104; arrest van 6 maart 2003, Westdeutsche Landesbank Girozentrale en deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen/Commissie, gevoegde zaken T-228/99 en T-233/99, ECLI:EU:T:2003:57, punt 245.
(36) Zie overweging 89 van het inleidingsbesluit.
(37) Arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg/Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH, C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415.
(38) Arrest van 4 april 2001, Friuli-Venezia Giulia, T-288/97, ECLI:EU:T:2001:115, punt 41;
(39) Arrest van 12 september 2000, Pavel Pavlov e.a., gevoegde zaken C-180/98 t/m C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, punt 74; arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze SpA e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punt 107;
(40) Arrest van 19 januari 1994, SAT Fluggesellschaft mbH/Europäische Organisation für die Sicherheit der Luftfahrt (Eurocontrol), C-364/92, ECLI:EU:C:1994:7, punt 19 e.v.; arrest Aéroports de Paris/Commissie, aangehaald in voetnoot 32, ECLI:EU:T:2000:290, punt 112 e.v.
(41) Arrest van 12 september 2000, Pavel Pavlov e.a., gevoegde zaken C-180/98 t/m C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, punt 74; arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze SpA e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punt 107;
(42) Zie het besluit van de Commissie in de zaak betreffende steun nr. 604/2005 — openbare busdiensten in het district Wittenberg, overwegingen 72 tot en met 77.
(43) Arrest van 14 januari 2004, Fleuren Compost/Commissie, T-109/01, ECLI:EU:T:2004:4.
(44) Arrest van 12 oktober 1978, Commissie/België, 156/77, ECLI:EU:C:1978:180, punt 10.
(45) Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).
(46) Zie bijvoorbeeld het besluit van de Commissie van 20 januari 2010 in zaak N 490/2010, Vlaamse regeling voor publiek-private samenwerking voor de bouw van laad- en losinstallaties (PB C 122 van 20.4.2011, blz. 2); zie in dit verband ook het besluit van de Commissie van 20 juli 2010 in zaak C-17/2010, Firmin Srl (PB C 278 van 15.10.2010, blz. 28).
(47) Besluit van de districtsvergadering Emsland van 20 februari 2006.
(48) Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
(49) Zie voetnoot 36.
(50) Zie voetnoot 41.
(51) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het EG-Verdrag (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1).