4.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 31/29


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/198 VAN DE COMMISSIE

van 2 februari 2017

betreffende maatregelen ter voorkoming van de insleep en verspreiding in de Unie van Pseudomonas syringae pv. actinidiae Takikawa, Serizawa, Ichikawa, Tsuyumu & Goto

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 460)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, derde zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsbesluit 2012/756/EU van de Commissie (2) zijn maatregelen vastgesteld ter voorkoming van de insleep en verspreiding in de Unie van Pseudomonas syringae pv. actinidiae Takikawa, Serizawa, Ichikawa, Tsuyumu & Goto, hierna „het nader omschreven organisme” genoemd, dat de veroorzaker van bacteriekanker bij kiwi is. Dat uitvoeringsbesluit was van toepassing tot en met 31 maart 2016.

(2)

Verscheidene lidstaten hebben verzocht om verlenging van de toepassing van de maatregelen van Uitvoeringsbesluit 2012/756/EU vanwege het fytosanitaire risico dat het nader omschreven organisme blijft vormen. Daarom moeten dezelfde maatregelen als die in dat uitvoeringsbesluit zijn opgenomen, worden vastgesteld ten aanzien van het binnenbrengen en het vervoer in de Unie van voor opplant bestemde planten van Actinidia Lindl. uit derde landen (hierna „de nader omschreven planten” genoemd).

(3)

Bovendien wijst de ervaring met de toepassing van Uitvoeringsbesluit 2012/756/EU uit dat, als gelijkwaardig alternatief voor visuele inspecties, de vernietiging van alle nader omschreven planten of afzonderlijke tests daarvan ook passende maatregelen zijn ter voorkoming van de verspreiding van het nader omschreven organisme in bepaalde gebieden, en dat die maatregelen een even doeltreffende reactie zijn op een uitbraak van het nader omschreven organisme; die maatregelen moeten bijgevolg eveneens worden toegestaan voor nader omschreven planten van oorsprong uit de Unie of derde landen. De ervaring leert tevens dat een gebied met een breedte van 100 m, in plaats van 500 m, rond een productieplaats of -locatie die vrij van schadelijke organismen is, dat op dusdanige wijze van het buitenmilieu geïsoleerd en beschermd is dat het nader omschreven organisme doeltreffend buitengesloten is, volstaat om de doeleinden van dit besluit te verwezenlijken.

(4)

De lidstaten moeten zo nodig hun wetgeving aanpassen om aan dit besluit te voldoen.

(5)

Dit besluit moet tot en met 31 maart 2020 van toepassing zijn zodat er voldoende tijd is om na te gaan hoe de situatie zich ontwikkelt.

(6)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Verbod betreffende het schadelijke organisme Pseudomonas syringae pv. actinidiae Takikawa, Serizawa, Ichikawa, Tsuyumu & Goto

Pseudomonas syringae pv. actinidiae Takikawa, Serizawa, Ichikawa, Tsuyumu & Goto (hierna „het nader omschreven organisme” genoemd) mag niet in de Unie worden binnengebracht of verspreid.

Artikel 2

Binnenbrengen van Actinidia Lindl. in de Unie

Levende pollen en voor opplant bestemde planten, met uitzondering van zaden, van Actinidia Lindl. (hierna „de nader omschreven planten” genoemd), van oorsprong uit derde landen, mogen alleen in de Unie worden binnengebracht als zij voldoen aan de in bijlage I opgenomen specifieke voorschriften voor het binnenbrengen.

Artikel 3

Vervoer van de nader omschreven planten binnen de Unie

De nader omschreven planten mogen binnen de Unie alleen worden vervoerd als zij voldoen aan de in bijlage II opgenomen voorschriften.

Artikel 4

Onderzoeken en kennisgevingen van het nader omschreven organisme

1.   De lidstaten voeren officiële jaarlijkse onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme op de nader omschreven planten.

De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 31 januari van het jaar dat volgt op dat van het onderzoek, in kennis van de resultaten daarvan.

2.   Wanneer een professionele exploitant vermoedt of er kennis van neemt dat het nader omschreven organisme aanwezig is in door hem beheerde planten, plantaardige producten en andere materialen, in een gebied waar de aanwezigheid van dat organisme eerder onbekend was, stelt hij de verantwoordelijke officiële instantie daarvan onmiddellijk in kennis om die instantie in staat te stellen de passende maatregelen te treffen. Indien passend treft de professionele exploitant ook onmiddellijk voorzorgsmaatregelen om de vestiging en verspreiding van het nader omschreven organisme te voorkomen.

Artikel 5

Naleving

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van de maatregelen die zij hebben genomen om aan dit besluit te voldoen.

Artikel 6

Toepassing

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 maart 2020.

Artikel 7

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 februari 2017.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2012/756/EU van de Commissie van 5 december 2012 betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Pseudomonas syringae pv. actinidiae Takikawa, Serizawa, Ichikawa, Tsuyumu & Goto te voorkomen (PB L 335 van 7.12.2012, blz. 49).


BIJLAGE I

Specifieke voorschriften voor het binnenbrengen in de Unie, als bedoeld in artikel 2

AFDELING I

Fytosanitair certificaat

1)

Nader omschreven planten van oorsprong uit derde landen gaan vergezeld van een fytosanitair certificaat als bedoeld in artikel 13, lid 1, punt ii), eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG (hierna „het certificaat” genoemd), dat onder de rubriek „Aanvullende verklaring” de in de punten 2 en 3 bedoelde informatie bevat.

2)

In het certificaat staat vermeld dat aan een van de volgende punten is voldaan:

a)

de nader omschreven planten zijn permanent geteeld in een land waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er niet voorkomt;

b)

de nader omschreven planten zijn permanent geteeld in een gebied dat vrij van schadelijke organismen is, zoals voor het nader omschreven organisme door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong is vastgesteld overeenkomstig de internationale norm voor fytosanitaire maatregelen (International Standard for Phytosanitary Measures, ISPM) nr. 4 van de FAO (1);

c)

de nader omschreven planten zijn geproduceerd op een productieplaats of -locatie die vrij van schadelijke organismen is, zoals voor het nader omschreven organisme door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong is vastgesteld overeenkomstig ISPM nr. 10 van de FAO (2). De nader omschreven planten zijn geteeld in een voorziening die op dusdanige wijze van het buitenmilieu geïsoleerd en beschermd is dat het nader omschreven organisme doeltreffend buitengesloten is. De nader omschreven planten zijn op die plaats of locatie tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór uitvoer tweemaal officieel geïnspecteerd op de meest geschikte tijdstippen voor het opsporen van symptomen van besmetting, waarbij zij vrij van het nader omschreven organisme bevonden zijn.

Die productieplaats of -locatie is omgeven door een gebied met een straal van ten minste 100 m, waarin aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de officiële inspecties zijn tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór uitvoer tweemaal uitgevoerd op de meest geschikte tijdstippen voor het opsporen van symptomen van besmetting, waarbij nader omschreven planten die tijdens die inspecties symptomen van besmetting bleken te vertonen, onmiddellijk zijn vernietigd;

ii)

alle nader omschreven planten zijn onmiddellijk vernietigd;

iii)

elke nader omschreven plant is regelmatig getest op de meest geschikte tijdstippen en vrij bevonden van het nader omschreven organisme;

d)

de nader omschreven planten zijn geproduceerd in een productieplaats die vrij van schadelijke organismen is, zoals voor het nader omschreven organisme door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong is vastgesteld overeenkomstig ISPM nr. 10 van de FAO. De nader omschreven planten zijn daar tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór uitvoer tweemaal officieel geïnspecteerd, bemonsterd en getest op de meest geschikte tijdstippen, waarbij zij vrij van het nader omschreven organisme bevonden zijn.

Die productieplaats is omgeven door een gebied met een straal van 4 500 m, waarin aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

in dat hele gebied zijn tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór uitvoer tweemaal officiële inspecties, bemonsteringen en tests uitgevoerd op de meest geschikte tijdstippen. Bij die officiële inspecties, bemonsteringen en tests is het nader omschreven organisme niet aangetroffen;

ii)

alle nader omschreven planten binnen een straal van 500 m vanaf die productieplaats zijn onmiddellijk vernietigd;

iii)

elke nader omschreven plant binnen een straal van 500 m vanaf die productieplaats is regelmatig getest op de meest geschikte tijdstippen en vrij bevonden van het nader omschreven organisme.

In het geval van de punten ii) en iii) zijn alle nader omschreven planten binnen dat gebied op een afstand van 500 m tot 4 500 m vanaf de productieplaats vernietigd of getest volgens een bemonsteringsschema waarmee met een betrouwbaarheid van 99 % kan worden vastgesteld dat het nader omschreven organisme in minder dan 0,1 % van de nader omschreven planten voorkomt.

3)

Indien de in punt 2, onder c) of d), bedoelde informatie wordt verstrekt, wordt in het certificaat bovendien vermeld dat aan een van de volgende punten is voldaan:

a)

de nader omschreven planten komen rechtstreeks voort uit moederplanten die zijn geteeld onder omstandigheden die voldoen aan punt 2, onder a), b) of c);

b)

de nader omschreven planten komen rechtstreeks voort uit moederplanten die van tevoren afzonderlijk zijn getest, waarbij is gebleken dat zij vrij zijn van het nader omschreven organisme;

c)

de nader omschreven planten zijn getest volgens een bemonsteringsschema waarmee met een betrouwbaarheid van 99 % kan worden vastgesteld dat het nader omschreven organisme in minder dan 0,1 % van de nader omschreven planten voorkomt.

4)

Indien de in punt 2, onder b), bedoelde informatie wordt verstrekt, wordt de naam van het gebied dat vrij van schadelijke organismen is, ingevuld in de rubriek „Plaats van oorsprong” van het certificaat.

AFDELING II

Inspectie

Nader omschreven planten die in de Unie worden binnengebracht en vergezeld gaan van een fytosanitair certificaat overeenkomstig afdeling I, worden op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming, zoals vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie (3), grondig geïnspecteerd en in voorkomend geval getest op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme.

Indien de nader omschreven planten in de Unie worden binnengebracht via een andere lidstaat dan de lidstaat van bestemming van die planten, stelt de verantwoordelijke officiële instantie van de lidstaat van binnenkomst de verantwoordelijke officiële instantie van de lidstaat van bestemming in kennis.


(1)  Requirements for the establishment of pest free areas. ISPM nr. 4 (1995), FAO 2016.

(2)  Requirements for the establishment of pest free places of production and pest free production sites. ISPM nr. 10 (1999), FAO 2016.

(3)  Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit en de fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen, die kunnen worden uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot vaststelling van de eisen met betrekking tot deze controles (PB L 313 van 12.10.2004, blz. 16).


BIJLAGE II

Voorschriften voor het vervoer binnen de Unie, als bedoeld in artikel 3

1)

Nader omschreven planten van oorsprong uit de Unie mogen binnen de Unie alleen worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (1), en voldoen aan de voorschriften van punt 2.

2)

De nader omschreven planten voldoen aan een van de volgende punten:

a)

de nader omschreven planten zijn permanent geteeld in een lidstaat waarvan niet bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt;

b)

de nader omschreven planten zijn permanent geteeld in een beschermd gebied dat voor het nader omschreven organisme als zodanig is erkend overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2000/29/EG;

c)

de nader omschreven planten zijn permanent geteeld in een gebied dat vrij van schadelijke organismen is, zoals voor het nader omschreven organisme door de verantwoordelijke officiële instantie van een lidstaat is vastgesteld overeenkomstig ISPM nr. 4 van de FAO (2);

d)

de nader omschreven planten zijn geproduceerd op een productieplaats of -locatie die vrij van schadelijke organismen is, zoals voor het nader omschreven organisme door de verantwoordelijke officiële instantie van de lidstaat van oorsprong is vastgesteld overeenkomstig ISPM nr. 10 van de FAO (3). De nader omschreven planten zijn geteeld in een voorziening die op dusdanige wijze van het buitenmilieu geïsoleerd en beschermd is dat het nader omschreven organisme doeltreffend buitengesloten is. De nader omschreven planten zijn op die plaats of locatie tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór het vervoer tweemaal officieel geïnspecteerd op de meest geschikte tijdstippen voor het opsporen van symptomen van besmetting, waarbij zij vrij van het nader omschreven organisme bevonden zijn.

Die productieplaats of -locatie is omgeven door een gebied met een straal van ten minste 100 m, waarin aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de officiële inspecties zijn tweemaal uitgevoerd op de meest geschikte tijdstippen voor het opsporen van symptomen van besmetting tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór het vervoer, waarbij nader omschreven planten die tijdens die inspecties symptomen van besmetting bleken te vertonen, onmiddellijk zijn vernietigd;

ii)

alle nader omschreven planten zijn onmiddellijk vernietigd;

iii)

elke nader omschreven plant is regelmatig getest op de meest geschikte tijdstippen en vrij bevonden van het nader omschreven organisme;

e)

de nader omschreven planten zijn geproduceerd in een productieplaats die vrij van schadelijke organismen is, zoals voor het nader omschreven organisme door de verantwoordelijke officiële instantie van de lidstaat van oorsprong is vastgesteld overeenkomstig ISPM nr. 10 van de FAO. De nader omschreven planten zijn daar tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór het vervoer tweemaal officieel geïnspecteerd, bemonsterd en getest op de meest geschikte tijdstippen, waarbij zij vrij van het nader omschreven organisme bevonden zijn.

Die productieplaats is omgeven door een gebied met een straal van 500 m, hierna „het omliggende gebied” genoemd, waarin aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

in het hele omliggende gebied zijn tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór het vervoer tweemaal officiële inspecties, bemonsteringen en tests uitgevoerd op de meest geschikte tijdstippen. Bij die officiële inspecties, bemonsteringen en tests is het nader omschreven organisme niet aangetroffen;

ii)

alle nader omschreven planten binnen het omliggende gebied zijn onmiddellijk vernietigd;

iii)

elke nader omschreven plant binnen het omliggende gebied is regelmatig getest op de meest geschikte tijdstippen en vrij bevonden van het nader omschreven organisme;

Het omliggende gebied is omringd door een gebied met een breedte van 4 km, waarin aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

in het hele gebied zijn tijdens de laatste volledige vegetatiecyclus vóór het vervoer tweemaal officiële inspecties, bemonsteringen en tests uitgevoerd op de meest geschikte tijdstippen voor het opsporen van symptomen van besmetting, en telkens als het nader omschreven organisme op de nader omschreven planten werd aangetroffen, zijn uitroeiingsmaatregelen genomen. Deze maatregelen bestonden in de onmiddellijke vernietiging van de besmette nader omschreven planten;

ii)

alle nader omschreven planten binnen dat gebied zijn vernietigd;

iii)

alle nader omschreven planten binnen dat gebied zijn getest volgens een bemonsteringsschema waarmee met een betrouwbaarheid van 99 % kan worden vastgesteld dat het nader omschreven organisme in minder dan 0,1 % van de nader omschreven planten voorkomt.

3)

Indien aan de voorschriften van punt 2, onder d) of e), wordt voldaan, voldoen de nader omschreven planten bovendien aan een van de volgende voorschriften:

a)

de nader omschreven planten komen rechtstreeks voort uit moederplanten die zijn geteeld onder omstandigheden die voldoen aan punt 2, onder a), b), c) of d);

b)

de nader omschreven planten komen rechtstreeks voort uit moederplanten die van tevoren afzonderlijk zijn getest, waarbij is gebleken dat zij vrij zijn van het nader omschreven organisme;

c)

de nader omschreven planten zijn getest volgens een bemonsteringsschema waarmee met een betrouwbaarheid van 99 % kan worden vastgesteld dat het nader omschreven organisme in minder dan 0,1 % van de nader omschreven planten voorkomt.

4)

Nader omschreven planten die overeenkomstig bijlage I uit derde landen in de Unie zijn binnengebracht, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij vergezeld gaan van het in punt 1 bedoelde plantenpaspoort.


(1)  Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie van 3 december 1992 tot een zekere mate van standaardisering van plantenpaspoorten voor het verkeer van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in de Gemeenschap, en tot vaststelling van nadere regels voor de afgifte van deze paspoorten en van de voorwaarden en nadere regels voor de vervanging ervan (PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22).

(2)  Requirements for the establishment of pest free areas, ISPM nr. 4 (1995), FAO 2016.

(3)  Requirements for the establishment of pest free places of production and pest free production sites, ISPM nr. 10 (1999), FAO 2016.