|
4.5.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 118/16 |
AANBEVELING (EU) 2016/688 VAN DE COMMISSIE
van 2 mei 2016
betreffende de controle op en het beheer van de aanwezigheid van dioxinen en pcb's in vis en visserijproducten uit het Oostzeegebied
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (1) zijn maximumgehalten vastgesteld voor dioxinen, voor de som van dioxinen en dioxineachtige pcb's en voor niet-dioxineachtige pcb's in vis en visserijproducten. In die verordening zijn voor Finland, Zweden en Letland afwijkingen van de maximumgehalten voorzien voor op hun binnenlandse markt voor consumptie op hun grondgebied in de handel te brengen in het wild gevangen zalm, in het wild gevangen Oostzeeharing met een lengte van meer dan 17 cm, in het wild gevangen meerforel, in het wild gevangen rivierprik, in het wild gevangen forel en van deze vissoorten afgeleide producten afkomstig uit de Oostzeegebied. |
|
(2) |
Bepaalde soorten vis en visserijproducten uit het Oostzeegebied overschrijden regelmatig de maximumgehalten. Het is niet mogelijk om elke afzonderlijke partij vis en visserijproducten te controleren op naleving van de maximumgehalten. Om er dus voor te zorgen dat alleen vis en visserijproducten die aan de EU-wetgeving voldoen in de handel worden gebracht, is een lijst opgesteld van vis uit het Oostzeegebied die naar verwachting niet zal voldoen. Deze lijst is opgesteld op basis van de beschikbare gegevens en moet regelmatig worden bijgewerkt. Voor vis en visserijproducten uit het Oostzeegebied waarvoor het niet mogelijk is de naleving op basis van beschikbare gegevens over de aangetroffen hoeveelheden vast te stellen, zijn specifieke risicobeheersmaatregelen vastgesteld om ervoor te zorgen dat alleen vis en visserijproducten die voldoen aan de EU-wetgeving in de handel worden gebracht. |
|
(3) |
Het is nodig om te blijven controleren op de aanwezigheid van dioxinen en pcb's in vis en visserijproducten uit het Oostzeegebied. Het is wenselijk om een aanbeveling te doen voor een minimumaantal monsters van vis en visserijproducten dat in een gecoördineerde aanpak moet worden geanalyseerd, gebaseerd op de vangstgrootte, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
|
1. |
Denemarken, Duitsland, Polen, Letland, Estland, Litouwen, Finland en Zweden dienen met de actieve betrokkenheid van de exploitanten van levensmiddelenbedrijven en in overeenstemming met bijlage I bij deze aanbeveling vis en visserijproducten zoals lever uit het Oostzeegebied te controleren op de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's. |
|
2. |
Om ervoor te zorgen dat de monsters representatief zijn voor de bemonsterde partij, dienen de lidstaten en de exploitanten van levensmiddelenbedrijven de bemonsteringsprocedures te volgen die zijn vastgelegd in Verordening (EU) nr. 589/2014 van de Commissie (2). |
|
3. |
De analysemethode die wordt gebruikt om te controleren op de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's, moet voldoen aan de in Verordening (EU) nr. 589/2014 vastgelegde criteria. |
|
4. |
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de analyseresultaten op gezette tijden (om de zes maanden) aan de EFSA worden verstrekt in het door de EFSA gevraagde formaat voor de indiening van gegevens en in overeenstemming met de richtsnoeren van de EFSA betreffende de standaardmonsterbeschrijving (Standard Sample Description — SSD) voor levensmiddelen en diervoeders (3) en de aanvullende specifieke rapportagevereisten van de EFSA.
Voor Oostzeeharing, zalm, (zee)forel en sprot zijn specifieke aanvullende rapportagevereisten van toepassing (indien nog niet expliciet in de gebruikelijke verslagleggingssjabloon voorzien):
|
|
5. |
Beschikbare gegevens over vanaf 2009 genomen monsters die nog niet bij de EFSA zijn ingediend, moeten voor zover mogelijk in het door de EFSA gevraagde formaat voor de indiening van gegevens aan de EFSA worden verstrekt. |
|
6. |
Zie bijlage II voor op de momenteel beschikbare gegevens gebaseerde informatie over de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's in bepaalde vissoorten vanaf een bepaalde leeftijd en grootte en uit een bepaalde geografische regio (ICES-zone), met name wat betreft de naleving van het in Verordening (EG) nr. 1881/2006 vastgestelde maximumgehalte. |
|
7. |
Om ervoor te zorgen dat alleen vis en visserijproducten die voldoen aan de EU-wetgeving in de EU in de handel worden gebracht, wordt ten aanzien van vis uit het Oostzeegebied de toepassing aanbevolen van de risicobeperkende maatregelen als bedoeld in bijlage III. De in punt 1 genoemde lidstaten mogen nationale maatregelen nemen ter uitvoering van de in bijlage III aanbevolen risicobeheersmaatregelen. |
Gedaan te Brussel, 2 mei 2016.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).
(2) Verordening (EU) nr. 589/2014 van de Commissie van 2 juni 2014 tot vaststelling van bemonsterings- en analysemethoden voor de controle op het gehalte aan dioxinen en dioxineachtige en niet-dioxineachtige pcb's in bepaalde levensmiddelen en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 252/2012 (PB L 164 van 3.6.2014, blz. 18).
(3) http://www.efsa.europa.eu/en/datex/datexsubmitdata.htm
(4) Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).
BIJLAGE I
1)
Aanbevolen minimumaantal in 2016 te nemen monsters Oostzeeharing (Clupea harengus membras) voor analyse op de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's, bij voorkeur in de ICES-zones 28-1, 28-2, 29, 30, 31 en 32.|
|
DE |
DK |
EE |
FIN |
LT |
LV |
PL |
SE |
Totaal |
|
Haring |
7 |
5 |
7 |
20 |
4 |
4 |
9 |
14 |
70 |
2)
Aanbevolen minimumaantal in 2017 te nemen monsters Europese sprot (Sprattus sprattus) voor analyse op de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's, bij voorkeur in de ICES-zones 29, 30, 31 en 32.|
|
DE |
DK |
EE |
FIN |
LT |
LV |
PL |
SE |
Totaal |
|
Sprot |
5 |
8 |
8 |
5 |
5 |
9 |
18 |
12 |
70 |
3)
Aanbevolen minimumaantal in 2018 te nemen monsters zalm (Salmo salar) en forel (Salmo trutta, Oncorhynchus mykiss) voor analyse op de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's.|
|
DE |
DK |
EE |
FIN |
LT |
LV |
PL |
SE |
Totaal |
|
Zalm/forel |
5 |
12 |
5 |
15 |
5 |
5 |
11 |
12 |
70 |
4)
Aanbevolen minimumaantal jaarlijks te nemen monsters van 2016 tot en met 2018 voor de analyse op de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's.|
|
DE |
DK |
EE |
FIN |
LT |
LV |
PL |
SE |
Totaal |
|
Verschillende vissoorten (*1) |
10 |
10 |
10 |
10 |
10 |
10 |
10 |
10 |
80 |
(*1) Kabeljauw (Gadus morhua), schol (Pleuronectes platessa), rivierprik (Lampetra fluviatilis), zalmforel (Salvelinus sp.) witte brasem (Blicca bjoerkna), paling (Anguilla anguilla), brasem (Abramis brama), bot (Platichthys flesus), baars (Perca fluviatilis), snoek (Esox lucius), snoekbaars (Sander lucioperca), blankvoorn (Rutilus rutilus), kleine marene (Coregonus Albula), geep (Belone belone), spiering (Osmerus eperlanus), tarbot (Psetta maxima), blauwneus (Vimba vimba), houting (Coregonus sp.) en wijting (Merlangius merlangus).
BIJLAGE II
Informatie over de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's in bepaalde vissoorten van een bepaalde leeftijd en grootte en uit een bepaalde geografische regio (ICES-zone), met name wat betreft de naleving van de in Verordening (EG) nr. 1881/2006 vastgestelde maximumgehalten
1. Grootte van de vis
De in deze bijlage genoemde vissen worden gemeten van de punt van de snuit tot het uiteinde van de staartvin, zoals aangegeven in onderstaande figuur.
2. Omwille van de duurzaamheid vastgestelde minimummaten van bepaalde in het Oostzeegebied gevangen vissoorten (Verordening (EG) nr. 2187/2005)
|
— |
Zalm (Salmo salar) (hele Oostzeegebied behalve ICES-zone 31): minimummaat is 60 cm (vissen van minder dan 2 kg mogen dus niet worden gevangen); |
|
— |
zalm (Salmo salar) (ICES-zone 31): minimummaat is 50 cm (vissen van minder dan 2 kg mogen dus niet worden gevangen); |
|
— |
zeeforel (Salmo trutta) (ICES-zones 22, 23, 24 en 25 en ICES-zones 29, 30, 31 en 32): minimummaat is 40 cm (vissen van minder dan 2 kg mogen dus niet worden gevangen); |
|
— |
zeeforel (Salmo trutta) (ICES-zones 26, 27 en 28): minimummaat is 50 cm (vissen van minder dan 2 kg mogen dus niet worden gevangen). |
3. Informatie over de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's in bepaalde vissoorten van een bepaalde leeftijd en grootte en uit een bepaald geografisch gebied (ICES-zone)
3.1.
In ICES-zones 22, 23, 24, 25, 26 en 27: van Oostzeeharing wordt ongeacht de grootte aangenomen dat deze voldoet aan de maxima.
In ICES-zones 28-1, 29, 30, 31 en 32: van Oostzeeharing ≤ 17 cm wordt conformiteit aangenomen; Oostzeeharing > 17 cm is vermoedelijk niet conform.
In ICES-zone 28-2: van Oostzeeharing ≤ 21 cm wordt conformiteit aangenomen; Oostzeeharing > 21 cm is vermoedelijk niet conform.
3.2.
Zalm van de ICES-zones 22 en 23 is afkomstig uit het noorden van de Atlantische Oceaan en niet uit het Oostzeegebied en maakt derhalve geen deel uit van deze conclusies wat betreft de aanwezigheid van dioxinen en pcb's en gemeenschappelijke risicobeheersmaatregelen.
Van zalm < 2 kg wordt conformiteit aangenomen (maar deze vissen mogen volgens Verordening (EG) nr. 2187/2005 omwille van de duurzaamheid niet worden gevangen; minimumgrootte 60 cm en 50 cm voor ICES-zone 31).
In ICES-zones 24, 25, 26:
|
— |
zalm van meer dan 2 kg tot en met 5,5 kg: na het schoonsnijden conform (schoonsnijden resulteert in een vermindering van ongeveer 30 % van de inhoud aan dioxinen en dioxineachtige pcb's — ervaring alleen in 24, 25 en 26); |
|
— |
kleinere zalm (2-4 kg) niet schoongesneden: non-conformiteit wordt vermoed, maar het merendeel van de zalm is wel conform; |
|
— |
grotere zalm (4-5,5 kg): het merendeel van de zalm is vermoedelijk non-conform; |
|
— |
schoongesneden zalm < 5,5 kg: conform; |
|
— |
schoongesneden zalm waarvan de ingewanden zijn verwijderd, < 7,9 kg: conform. |
In ICES-zones 27, 28, 29, 30, 31 en 32:
|
— |
zalm > 2 kg (groter dan 60 cm): vermoedelijk non-conform. |
3.3.
Van (zee)forel < 2 kg wordt conformiteit aangenomen (maar deze vissen mogen volgens Verordening (EG) nr. 2187/2005 omwille van de duurzaamheid niet worden gevangen; minimumgrootte 40 cm voor ICES-zones 22, 23, 24, 25, 29, 30, 31 en 32 en 50 cm voor ICES-zones 26, 27 en 28).
In ICES-zones 22, 23, 24, 25, 26:
|
— |
(zee)forel van meer dan 2 kg tot en met 4,5 kg: conform na schoonsnijden en verwijdering ingewanden; |
|
— |
kleinere (zee)forel (2-4 kg): non-conformiteit wordt vermoed, maar het merendeel van de (zee)forel is wel conform; |
|
— |
grotere (zee)forel: het merendeel van de (zee)forel is vermoedelijk non-conform. |
In ICES-zones 27, 28, 29, 30, 31 en 32:
|
— |
alle (zee)forel > 2 kg (groter dan 40/50 cm) vermoedelijk non-conform. |
3.4.
In ICES-zones 22, 23, 24, 25, 26, 27 en 28: conformiteit wordt aangenomen.
In ICES-zones 29, 30, 31 en 32: sprot die kleiner is dan 12,5 cm en minder dan 5 jaar oud wordt geacht te voldoen. Indien groter dan 12,5 cm, dan vermoedelijk non-conform.
3.5.
Vermoedelijk non-conform.
3.6.
In ICES-zone 28: vermoedelijk non-conform.
In ICES-zone 32: conformiteit wordt aangenomen.
3.7.
Zalmforel wordt niet verhandeld en lokale vangsten vallen onder een afwijking (Zweden/Finland).
Van andere vissoorten wordt conformiteit aangenomen.
BIJLAGE III
Door de bevoegde autoriteiten te nemen aanbevolen risicobeheersmaatregelen om ervoor te zorgen dat in de EU in de handel gebrachte vis uit het Oostzeegebied voldoet aan de bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 vastgestelde maximumgehalten
1. Aanbevolen algemene risicobeheersmaatregelen
|
— |
Traceerbaarheid is van zeer groot belang. |
|
— |
Voor het verhandelen van haring, zalm, zeeforel en sprot met andere lidstaten van de Europese Unie of voor de binnenlandse handel die niet onder een afwijking valt, dient de ICES-zone waar de vis is gevangen op de begeleidende documenten te worden vermeld. Waar nodig dient duidelijk te worden vermeld dat de partij overeenkomstig de EU-wetgeving voor dioxinen en voor de som van dioxinen en dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's is bemonsterd en geanalyseerd en conform de EU-wetgeving is bevonden. Het analytisch verslag kan worden bijgevoegd en dient op aanvraag beschikbaar te worden gesteld. |
|
— |
Indien het niet mogelijk is precieze informatie te geven over de ICES-zone waar de vis is gevangen, moeten alle partijen haring > 17 cm, zalm, zeeforel en sprot > 12,5 cm die niet onder een afwijking vallen en bestemd zijn om op de binnenlandse markt of met andere EU-lidstaten te worden verhandeld, altijd overeenkomstig de EU-wetgeving worden bemonsterd en geanalyseerd voor dioxinen en voor de som van dioxinen en dioxineachtige pcb's en niet-dioxineachtige pcb's om vast te stellen of zij conform met de EU-wetgeving zijn. Dit moet duidelijk worden vermeld in de begeleidende documenten. Het analytisch verslag mag worden bijgevoegd maar dient in ieder geval op aanvraag beschikbaar te worden gesteld. |
|
— |
De autoriteit van de loshaven is verantwoordelijk voor de uitvoering van de nodige controles om de naleving te waarborgen. |
|
— |
Het lot van vis die niet voor menselijke consumptie in de handel mag worden gebracht, dient te worden gedocumenteerd en te kunnen worden ingezien. |
2. Aanbevolen specifieke risicobeheersmaatregelen
2.1.
|
— |
Oostzeeharing uit ICES-zones 22, 23, 24, 25, 26 en 27: mag voor menselijke consumptie worden verhandeld. |
|
— |
Oostzeeharing uit ICES-zones 28-1, 29, 30, 31, 32:
|
|
— |
Oostzeeharing uit ICES-zone 28-2:
|
2.2.
|
— |
Zalm uit ICES-zones 24, 25 en 26:
|
|
— |
Zalm uit ICES-zones 27, 28, 29, 30, 31 en 32:
|
2.3.
|
— |
(Zee)forel uit ICES-zones 22, 23, 24, 25 en 26:
|
|
— |
(Zee)forel uit ICES-zones 27, 28, 29, 30, 31 en 32:
|
2.4.
|
— |
Sprot uit ICES-zones 22, 23, 24, 25, 26, 27 en 28 mag voor menselijke consumptie worden verhandeld. |
|
— |
Sprot uit ICES-zones 29, 30, 31 en 32:
|
2.5.
Levers van in de Oostzeeregio gevangen kabeljauw zijn vermoedelijk niet conform en derhalve moet elke partij op conformiteit worden geanalyseerd alvorens in de EU in de handel te worden gebracht.