6.4.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 89/20


AANBEVELING (Euratom) 2016/538 VAN DE COMMISSIE

van 4 april 2016

betreffende de toepassing van artikel 103 van het Euratom-Verdrag

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 1168)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 103, juncto artikel 106 bis met verwijzing naar artikel 292 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een van de taken van de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 2, onder h), van het Verdrag, bestaat erin met andere landen en internationale organisaties alle betrekkingen tot stand te brengen, welke de vooruitgang in het vreedzame gebruik van de kernenergie kunnen bevorderen. Om deze taak te vervullen, zijn aan de Gemeenschap, krachtens titel II, hoofdstuk 10, van het Verdrag, bevoegdheden op het gebied van externe betrekkingen verleend.

(2)

Overeenkomstig artikel 101 van het Verdrag kan de Gemeenschap, binnen de grenzen van haar bevoegdheid, verplichtingen aangaan door het sluiten van akkoorden of overeenkomsten met een derde staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde staat. Overeenkomstig deze bepaling zijn Euratom-akkoorden gesloten met de voornaamste toeleveringslanden van de Gemeenschap.

(3)

Artikel 102 daarentegen stelt de Gemeenschap in staat akkoorden te sluiten waarbij behalve de Gemeenschap, ook de lidstaten partij zijn. Dergelijke akkoorden kunnen wat betreft de Gemeenschap enkel worden uitgevoerd door middel van een nauwe samenwerking tussen de Gemeenschapsinstellingen en de lidstaten, zowel in de fase van onderhandeling en sluiting als bij de uitvoering van de aangegane verbintenissen.

(4)

Overeenkomstig het Verdrag behouden de lidstaten, volgens de in het Verdrag neergelegde voorwaarden, hun bevoegdheid tot het sluiten van verdragen als actoren op het internationale toneel en hebben zij bijgevolg het recht om te allen tijde met derde landen bilaterale overeenkomsten te sluiten betreffende aangelegenheden die verband houden met de werkingssfeer van het Euratom-Verdrag.

(5)

Artikel 103 speelt een sleutelrol waar het erom gaat de noodzaak om de eenheid en het primaat van het Euratom-recht te waarborgen, met de vrijheid van handelen van de lidstaten inzake externe betrekkingen op nucleair gebied te verenigen. Krachtens dit artikel moeten de lidstaten aan de Commissie mededeling doen van hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten met een derde staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde staat, voor zover deze akkoorden of overeenkomsten verband houden met de werkingssfeer van het Verdrag. Wanneer een ontwerpakkoord of ontwerpovereenkomst bepalingen bevat welke een beletsel vormen voor de toepassing van het Verdrag, richt de Commissie haar opmerkingen tot de betrokken lidstaat binnen een termijn van een maand na de ontvangst van de mededeling welke haar is gedaan. Een lidstaat kan het ontworpen akkoord of de ontworpen overeenkomst niet sluiten dan na de bezwaren van de Commissie te hebben opgeheven of zich te hebben geschikt naar de uitspraak die het Hof van Justitie van de Europese Unie op zijn verzoek onverwijld heeft gedaan ten aanzien van de verenigbaarheid van de ontworpen clausules met de bepalingen van het Verdrag.

(6)

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn uitspraak 1/78 van 14 november 1978 geoordeeld dat de doelstelling van artikel 103 erin bestaat te voorkomen dat de verdragsbepalingen worden ontdoken door akkoorden of overeenkomsten tussen derde landen en de lidstaten (1).

(7)

Een beoordeling uit hoofde van artikel 103 betreft de verenigbaarheid van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst met de bepalingen van het Euratom-Verdrag en de handelingen van afgeleid recht die op basis daarvan zijn vastgesteld. Het heeft geen betrekking op de verenigbaarheid van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst met de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(8)

Er is aanzienlijke ervaring opgedaan met de toepassing van artikel 103. Die ervaring heeft geleerd dat bepaalde aspecten van het Euratom-acquis directe relevantie hebben in de context van de externe betrekkingen van de lidstaten. De Commissie heeft herhaaldelijk de aandacht moeten vestigen op specifieke bepalingen van het Euratom-recht in haar opmerkingen aan de lidstaten naar aanleiding van beoordelingen uit hoofde van artikel 103. Daarom zijn richtsnoeren voor de toepassing van artikel 103 nodig. Doel van deze aanbeveling is de belangrijkste bepalingen die relevant zijn in dit verband, in herinnering te brengen en de lidstaten meer duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden wanneer zij onderhandelingen over hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten voeren.

(9)

De termijn van een maand als bedoeld in artikel 103, tweede alinea, begint te lopen vanaf de datum waarop de Commissie de mededeling heeft ontvangen. De ontvangst wordt slechts geacht te hebben plaatsgevonden wanneer de Commissie het volledige mededelingsdossier in haar bezit heeft.

(10)

Besluit nr. 994/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad (2) biedt de lidstaten de mogelijkheid de Commissie te verzoeken hen bij te staan tijdens de onderhandelingen over internationale overeenkomsten die onder het toepassingsgebied van dat besluit vallen. Diezelfde mogelijkheid zou voor de lidstaten moeten openstaan bij onderhandelingen over binnen de werkingssfeer van het Euratom-Verdrag vallende akkoorden of overeenkomsten.

(11)

Nucleair onderzoek houdt verband met de werkingssfeer van het Euratom-Verdrag, zoals is bepaald in titel II, hoofdstuk 1 inzake „Ontwikkeling van het onderzoek”. Deze aanbeveling van de Commissie heeft derhalve ook betrekking op internationale onderzoeksakkoorden, ongeacht de benaming ervan, op het gebied van onderzoek naar kernsplijting en kernfusie.

(12)

De uit hoofde van titel II, hoofdstuk 3, van het Verdrag vastgestelde basisnormen, en met name Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (3), Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad (4) en Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad (5), zijn erop gericht de gezondheid van de bevolking en de werknemers te beschermen tegen de gevaren van ioniserende straling, ongeacht de bron van die straling. Zij vormen de kern van het bij het Verdrag vastgestelde rechtsstelsel en zijn derhalve van cruciaal belang in de context van de beoordelingen uit hoofde van artikel 103.

(13)

Bij titel II, hoofdstuk 6, van het Verdrag wordt het Voorzieningsagentschap van Euratom opgericht dat het uitsluitend recht heeft om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, afkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap. In het geval dat een ontwerpakkoord of ontwerpovereenkomst waarop deze aanbeveling betrekking heeft, ook bepalingen inzake voorzieningsaangelegenheden bevat, moet de beoordeling door de Commissie uit hoofde van artikel 103 het uitsluitend recht van het agentschap om leveringscontracten te sluiten, onverlet laten; anderzijds laat de gezamenlijke ondertekening van leveringscontracten door het agentschap de beoordeling door de Commissie van de verenigbaarheid van de ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten van de lidstaten met de bepalingen van het Verdrag en met het afgeleid recht dat op basis daarvan is vastgesteld, onverlet.

(14)

Een van de belangrijkste pijlers van de Europese strategie voor energiezekerheid is diversificatie van de externe energievoorziening en de daarmee verband houdende infrastructuur. De Commissie en de lidstaten worden opgeroepen samen te werken op de markt voor uranium en splijtstof om de voorziening van splijtstof waar nodig te diversifiëren. Bij de beoordeling van nieuwe investeringen in kernenergie en nieuwe ontwerpovereenkomsten of -contracten met derde landen verbindt de Commissie zich ertoe systematisch rekening te houden met de diversificatie van de splijtstofvoorziening. Het Voorzieningsagentschap van Euratom moet er zijnerzijds voor zorgen dat nieuwe investeringen de mogelijkheid tot diversificatie van de splijtstofvoorziening niet afsnijden. Deze aanbeveling draagt bij tot de verwezenlijking van deze doelstellingen.

(15)

Overeenkomstig artikel 104, tweede alinea, van het Verdrag moeten de lidstaten aan de Commissie, op haar verzoek, mededeling doen van alle inlichtingen betreffende de akkoorden of overeenkomsten die binnen de werkingssfeer van het Verdrag door enige persoon of onderneming zijn gesloten met een derde staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde staat,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.

Onder „ontwerpakkoord of ontwerpovereenkomst” in de zin van artikel 103 van het Verdrag wordt verstaan elke overeenkomst, ongeacht haar benaming, die verband houdt met de werkingssfeer van het Verdrag en waarover door een lidstaat onderhandelingen zijn gevoerd (6). Ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten tot wijziging van bestaande akkoorden of overeenkomsten tussen een of meer lidstaten en een derde staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde staat die verband houden met de werkingssfeer van het Verdrag vallen ook binnen de werkingssfeer van artikel 103. Over de ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten betreffende de voorziening of de verwerking, omzetting of vorming van ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen die worden gesloten tussen ondernemingen en bij het Voorzieningsagentschap van Euratom moeten worden aangemeld of ingediend met het oog op de sluiting ervan overeenkomstig titel II, hoofdstuk 6, van het Verdrag, hoeft geen mededeling aan de Commissie te worden gedaan uit hoofde van artikel 103.

DEEL I

Fase van voorafgaande kennisgeving

2.

Wanneer een lidstaat voornemens is onderhandelingen aan te knopen met een derde staat, een internationale organisatie of een onderdaan van een derde staat met betrekking tot een ontwerpakkoord of een ontwerpovereenkomst, kan die lidstaat de Commissie schriftelijk in kennis stellen van zijn voornemen. Indien de betrokken lidstaat aan de Commissie een dergelijke kennisgeving over de onderhandelingen doet, wordt hij aangemoedigd de Commissie regelmatig van de voortgang van de onderhandelingen op de hoogte te houden. De lidstaat kan de Commissie ook verzoeken om advies over hoe kan worden voorkomen dat het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst onverenigbaar is met het Verdrag.

Indien de lidstaten dat noodzakelijk achten, kunnen zij verzoeken dat de Commissie als waarnemer aan de onderhandelingen deelneemt.

3.

De lidstaten worden aangemoedigd om een mededeling uit hoofde van artikel 103 in te dienen nadat door de partijen ad referendum overeenstemming over alle belangrijkste elementen van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst is bereikt, maar voordat het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst wordt gesloten.

4.

De lidstaten worden aangemoedigd om de Commissie, langs elektronische weg, een voorlopige versie van de kennisgeving, met inbegrip van alle daarbij gevoegde documenten, toe te zenden (7). Een elektronische verzending moet echter worden gevolgd door de kennisgeving van het volledige dossier op papier.

DEEL II

Inhoud van de kennisgeving

5.

De kennisgeving dient, voor zover van toepassing, de volgende elementen te bevatten:

a)

de tekst van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst;

b)

eventuele bijlagen bij het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst;

c)

eventuele andere akkoorden of overeenkomsten, in de thans geldende versie, waarnaar wordt verwezen in het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst waarvan kennis wordt gegeven.

DEEL III

Verenigbaarheid van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst met het Verdrag

6.

De lidstaten worden aangemoedigd in hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten een expliciete verwijzing naar hun lidmaatschap van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en naar de uit dat lidmaatschap voortvloeiende verplichtingen op te nemen. Voorgesteld wordt dat zij eraan herinneren dat in het geval van strijdigheid tussen de bepalingen van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst en de bepalingen van het Euratom-recht, deze laatste prevaleren. Bij de onderhandelingen over hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten moeten de lidstaten terdege rekening houden met de eigen bevoegdheden van de Commissie, alsook met de beginselen en fundamentele vrijheden die in het Verdrag zijn neergelegd in verband met de gemeenschappelijke markt op het gebied van kernenergie en met vereisten die voortvloeien uit overeenkomstig het Verdrag door de lidstaten vastgestelde handelingen.

7.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten geen bepalingen bevatten die strijdig zijn met de krachtens titel II, hoofdstuk 3, van het Verdrag vastgestelde basisnormen. Het gaat met name om:

i)

het beginsel van de eindverantwoordelijkheid van de lidstaat voor het beheer van verbruikte splijtstof en het op zijn grondgebied gegenereerde radioactief afval;

ii)

het beginsel van de eindverantwoordelijkheid van de lidstaat of het derde land van waaruit radioactief afval of verbruikte splijtstof wordt overgebracht voor de veilige en verantwoorde berging van die materialen;

iii)

de vereiste dat radioactief afval wordt geborgen in de lidstaat waar het is gegenereerd, tenzij is voldaan aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de overeenkomstig het Verdrag aangenomen afgeleide wetgeving.

8.

Bij het onderhandelen over ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten, moeten de lidstaten ten zeerste rekening houden met de vereisten van het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid uit hoofde van titel II, hoofdstuk 6, van het Verdrag, en met name met de noodzaak om, onder voorbehoud van het recht van het Voorzieningsagentschap van Euratom om voorzieningscontracten te sluiten, ervoor te zorgen dat alle gebruikers in de Gemeenschap op regelmatige en billijke wijze worden voorzien van ertsen, grondstoffen, of bijzondere splijtstoffen. De lidstaten moeten met name vermijden dat er bepalingen worden opgenomen die ertoe leiden dat gebruikers op hun grondgebied te afhankelijk worden van een enkele voorzieningsbron of een enkele aanbieder van diensten of uitrusting of technologie voor de splijtstofcyclus. Evenzo mogen de lidstaten geen bepalingen opnemen die tot doel of tot gevolg hebben dat de markt wordt afgesloten voor andere leveranciers of aanbieders of dat de opkomst van andere leveranciers of aanbieders bovenmatig wordt bemoeilijkt.

9.

Aanbevolen wordt dat de lidstaten in hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten in herinnering brengen dat elk nucleair materiaal dat op grond van die ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten wordt uitgewisseld, gedurende alle fasen van de aanwezigheid ervan op het grondgebied van de Gemeenschap onderworpen is aan de vereisten inzake veiligheidscontrole uit hoofde van titel II, hoofdstuk 7, van het Verdrag. De lidstaten worden tevens aangemoedigd een verwijzing op te nemen naar het tussen de Gemeenschap, de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en de betrokken lidstaat geldende akkoord inzake de toepassing van veiligheidscontroles, alsook alle aanvullende protocollen daarbij.

10.

De lidstaten mogen in hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten geen bepalingen opnemen die tot gevolg hebben dat aan de andere partij of de andere partijen bij het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst, de eigendom wordt overgedragen van bijzondere splijtstoffen die overeenkomstig titel II, hoofdstuk 8, van het Verdrag eigendom van de Gemeenschap zijn.

11.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun ontwerpakkoorden of ontwerpovereenkomsten geen bepalingen omvatten die, om welke reden dan ook, de overdracht binnen de Gemeenschap van een van de in bijlage IV bij het Verdrag vermelde goederen of producten, onderwerpen aan voorafgaande toestemming van de andere partij of de andere partijen bij het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst, of waardoor niet aan de regels van de gemeenschappelijke markt op het gebied van kernenergie kan worden voldaan.

12.

Bij de onderhandelingen over een ontwerpakkoord of een ontwerpovereenkomst, moeten de lidstaten, waar van toepassing, rekening houden met akkoorden die zijn gesloten tussen de Gemeenschap en de andere partij of de andere partijen bij het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst. Zij worden aangemoedigd een expliciete verwijzing naar het desbetreffende Euratom-akkoord op te nemen in de tekst van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst waarvan mededeling moet worden gedaan aan de Commissie.

DEEL IV

Beoordeling van de kennisgeving door de Commissie

13.

Bij de afronding van haar beoordeling richt de Commissie haar opmerkingen tot de betrokken lidstaat. In die opmerkingen moet worden aangegeven welke bepalingen van het ontwerpakkoord of de ontwerpovereenkomst een beletsel vormen voor de toepassing van het Verdrag in de zin van artikel 103 van het Verdrag en moet, waar van toepassing, naar specifieke hoofdstukken van het Verdrag zoals vastgesteld in deel III van deze aanbeveling worden verwezen.

DEEL V

Follow-up van de beoordeling van de Commissie

14.

De lidstaten worden aangemoedigd, na de sluiting van een ontwerpakkoord of een ontwerpovereenkomst waarvan mededeling is gedaan overeenkomstig artikel 103, aan de Commissie de definitieve tekst van dat akkoord of die overeenkomst mee te delen, alsook elke latere verklaring of elk later akkoord, in welke vorm dan ook, van een of beide partijen in verband met de uitlegging of de uitvoering daarvan.

15.

Het feit dat de Commissie na overeenkomstig artikel 103 in kennis te zijn gesteld van een ontwerpakkoord of een ontwerpovereenkomst, geen elementen vindt die een beletsel zouden vormen voor de toepassing van het Verdrag, sluit niet uit dat de uitvoering van dat akkoord of die overeenkomst aanleiding zou kunnen geven tot een inbreuk op het Euratom-recht.

16.

Aanbevolen wordt dat de lidstaten aan de Commissie, op haar verzoek, inlichtingen verstrekken betreffende de uitvoering of uitlegging van akkoorden of overeenkomsten die verband houden met de werkingssfeer van het Verdrag en die van kracht zijn tussen hen en derde staten, internationale organisaties of onderdanen van een derde staat.

Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 april 2016.

Voor de Commissie

Miguel ARIAS CAÑETE

Lid van de Commissie


(1)  Jurispr. 1978, blz. 02151.

(2)  Besluit nr. 994/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied (PB L 299 van 27.10.2012, blz. 13).

(3)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).

(4)  Richtlijn 2011/70/Euratom van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48).

(5)  Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz. 1).

(6)  Onder een „overeenkomst” in de zin van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 2011/70/Euratom moet evenwel worden verstaan een overeenkomst die specifiek betrekking heeft op het gebruik van een bergingsfaciliteit als bedoeld in dat artikel.

(7)  Toe te zenden aan: ENER-LUX-Euratom-ARTICLE-103@ec.europea.eu