7.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 272/72


BESLUIT (EU) 2016/1780 VAN DE RAAD

van 29 september 2016

tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het gemengd comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de versoepeling van de afgifte van visa, betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de uitvoering van die overeenkomst

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a), juncto artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij artikel 12 van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de versoepeling van de afgifte van visa (1) (hierna de „overeenkomst” genoemd) is een gemengd comité opgericht. Dat artikel bepaalt met name dat het gemengd comité moet toezien op de uitvoering van de overeenkomst.

(2)

In Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) zijn de procedures en voorwaarden vastgelegd voor de afgifte van visa voor de doorreis over of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.

(3)

Er moeten gemeenschappelijke richtsnoeren worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten de overeenkomst op volledig geharmoniseerde wijze uitvoeren en om de verhouding te verduidelijken tussen enerzijds de bepalingen van de overeenkomst en anderzijds de bepalingen van de wetgeving van de partijen bij de overeenkomst die van toepassing blijven op visumkwesties die niet onder de overeenkomst vallen.

(4)

Het is passend het standpunt vast te stellen dat in het gemengd comité namens de Unie moet worden ingenomen met betrekking tot de vaststelling van de gemeenschappelijke richtsnoeren voor de uitvoering van de overeenkomst.

(5)

Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (3). Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en het besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(6)

Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (4). Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit en het besluit is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(7)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is het besluit niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het gemengd comité dat is opgericht bij artikel 12 van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de versoepeling van de afgifte van visa, met betrekking tot de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de uitvoering van die overeenkomst, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het gemengd comité.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 29 september 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

P. ŽIGA


(1)   PB L 52 van 25.2.2011, blz. 34.

(2)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).

(3)  Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).

(4)  Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).


ONTWERP

BESLUIT Nr. …/… VAN HET GEMENGD COMITÉ DAT IS OPGERICHT BIJ DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN GEORGIË INZAKE DE VERSOEPELING VAN DE AFGIFTE VAN VISA

van

betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren voor de uitvoering van die overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de versoepeling van de afgifte van visa (1) (de „overeenkomst”), en met name artikel 12,

Overwegende dat de overeenkomst op 1 maart 2011 in werking is getreden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De gemeenschappelijke richtsnoeren voor de uitvoering van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de versoepeling van de afgifte van visa zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te …,

Voor de Europese Unie

Voor Georgië


(1)   PB L 52 van 25.2.2011, blz. 34.

BIJLAGE

GEMEENSCHAPPELIJKE RICHTSNOEREN VOOR DE UITVOERING VAN DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN GEORGIË INZAKE DE VERSOEPELING VAN DE AFGIFTE VAN VISA

De overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de versoepeling van de afgifte van visa (de „overeenkomst”), die op 1 maart 2011 in werking is getreden, is bedoeld om op basis van wederkerigheid de procedures voor de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen aan burgers van Georgië te versoepelen.

De overeenkomst brengt op basis van wederkerigheid juridisch bindende rechten en verplichtingen tot stand voor de versoepeling van de procedures voor de afgifte van visa aan de burgers van Georgië.

Deze richtsnoeren, vastgesteld door het bij artikel 12 van de overeenkomst opgerichte gemengd comité (het „gemengd comité”), moeten ervoor zorgen dat de diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten de bepalingen van de overeenkomst op geharmoniseerde wijze uitvoeren. De richtsnoeren maken geen deel uit van de overeenkomst en zijn derhalve niet juridisch bindend. Het wordt echter ten zeerste aanbevolen dat het diplomatiek en consulair personeel bij de uitvoering van de bepalingen van de overeenkomst de richtsnoeren consequent volgt.

Het is de bedoeling dat deze richtsnoeren onder de verantwoordelijkheid van het gemengd comité worden aangepast in het licht van de ervaring verworven bij de uitvoering van de overeenkomst.

Om de duurzame en geharmoniseerde uitvoering van de overeenkomst te garanderen en overeenkomstig het reglement van orde van het gemengd comité visumversoepeling zijn de partijen overeengekomen om in de perioden tussen de formele vergaderingen van het gemengd comité informele contacten te onderhouden om dringende aangelegenheden te behandelen. Op de eerstvolgende vergadering van het gemengd comité visumversoepeling wordt nauwkeurig verslag gedaan van deze kwesties en de informele contacten.

I.   ALGEMENE ASPECTEN

1.1.   Doel en toepassingsgebied

Artikel 1, lid 1, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   Deze overeenkomst is bedoeld om de afgifte van visa voor een voorgenomen verblijf van ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen aan burgers van Georgië te versoepelen.”.

De overeenkomst is van toepassing op alle burgers van Georgië die een visum voor kort verblijf aanvragen, ongeacht hun land van verblijf.

De overeenkomst is niet van toepassing op staatloze personen die beschikken over een door Georgië afgegeven verblijfsvergunning. Op die categorie personen zijn de normale regels van het EU-acquis inzake visa van toepassing.

Artikel 1, lid 2, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„2.   Indien Georgië de visumplicht voor de burgers van alle lidstaten of voor bepaalde categorieën burgers van alle lidstaten weer invoert, gelden op basis van wederkerigheid voor de betrokken burgers van de Unie automatisch dezelfde versoepelingen als die welke krachtens deze overeenkomst gelden voor de burgers van Georgië.”.

Sinds 1 juni 2006 zijn alle burgers van de Unie en staatloze personen die beschikken over een door een lidstaat afgegeven verblijfsvergunning vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij voor maximaal 90 dagen per periode van 180 dagen naar Georgië reizen of op doorreis over het grondgebied van Georgië reizen.

Om discriminerende behandeling door Georgië van burgers van een of meer lidstaten of van bepaalde categorieën burgers van een of meer lidstaten te vermijden, heeft de Unie in een aan de overeenkomst gehechte verklaring aangekondigd dat zij de toepassing van de overeenkomst zal opschorten indien Georgië de visumplicht weer invoert voor de burgers van een of meer lidstaten of voor bepaalde categorieën burgers van een of meer lidstaten.

1.2.   Toepassingsgebied van de overeenkomst

Artikel 2 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   De bij deze overeenkomst geregelde soepeler afgifte van visa geldt voor burgers van Georgië voor zover zij niet zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond van de wet- en regelgeving van de Unie of de lidstaten, deze overeenkomst of andere internationale overeenkomsten.

2.   Op kwesties die niet onder deze overeenkomst vallen, zoals de weigering om een visum af te geven, de erkenning van reisdocumenten, het bewijs van voldoende bestaansmiddelen, inreisverbod en uitzettingsmaatregelen, is de nationale wetgeving van Georgië, de nationale wetgeving van de lidstaten of het recht van de Unie van toepassing.”.

Onverminderd artikel 10, heeft de overeenkomst geen gevolgen voor de bestaande regels inzake visumverplichtingen en -vrijstellingen. Aan de mogelijkheid voor de lidstaten om op grond van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad (1) bepaalde categorieën personen, zoals civiele vliegtuig- en scheepsbemanningsleden, van de visumplicht vrij te stellen, wordt bijvoorbeeld niet geraakt. Sinds de vankrachtwording van de associatie van Zwitserland en Liechtenstein met het Schengengebied op respectievelijk 13 december 2008 en 7 maart 2011 worden verblijfsvergunningen die zijn afgegeven door Zwitserland of door Liechtenstein erkend als gelijkwaardig aan Schengenvisa, zowel voor doorreis als voor kort verblijf.

Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) („Visumcode”) is van toepassing op alle kwesties die niet onder de overeenkomst vallen, zoals het bepalen van de Schengenlidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de visumaanvraag, de motivering van de weigering van visumafgifte, het recht van beroep tegen een negatieve beslissing en de algemene regels inzake het persoonlijk onderhoud met de visumaanvrager. Bovendien blijven de Schengenregels en, waar nodig, het nationaal recht van toepassing op kwesties die niet onder de overeenkomst vallen, zoals de erkenning van reisdocumenten, het bewijs van voldoende bestaansmiddelen, de weigering van toegang tot het grondgebied van de lidstaten en uitzettingsmaatregelen. In dat verband moet precieze informatie over deze kwesties worden verstrekt (3).

Zelfs indien aan de voorwaarden van de overeenkomst is voldaan, bijvoorbeeld wanneer een visumaanvrager van een in artikel 4 genoemde categorie de nodige bewijsstukken betreffende het doel van de reis heeft voorgelegd, kan afgifte van een visum toch nog worden geweigerd wanneer niet aan de in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (4) („Schengengrenscode”) vastgelegde voorwaarden is voldaan, met name wanneer de persoon niet over een geldig reisdocument beschikt, hij gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem (SIS) of als een bedreiging voor de openbare orde of binnenlandse veiligheid wordt beschouwd, enz.

De andere in de Visumcode vastgelegde mogelijkheden voor flexibiliteit bij de afgifte van visa blijven van toepassing. Meervoudige visa met een lange geldigheidsduur — tot vijf jaar — kunnen bijvoorbeeld worden afgegeven aan andere categorieën personen dan die welke zijn vermeld in artikel 5 van de overeenkomst, indien aan de voorwaarden van artikel 24 van de Visumcode is voldaan. Evenzo blijven de bepalingen van artikel 16, leden 5 en 6, van de Visumcode met betrekking tot ontheffing en vermindering van de visumleges van toepassing.

1.3.   Soorten visa die tot het toepassingsgebied van de overeenkomst behoren

In artikel 3, onder d), wordt „visum” als volgt gedefinieerd: „een machtiging die door een lidstaat wordt afgegeven voor een doorreis over of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, gerekend vanaf de datum van de eerste binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten;”.

De versoepelingen waarin de overeenkomst voorziet, zijn van toepassing op zowel eenvormige visa als visa met een beperkte territoriale geldigheid die zijn afgegeven voor doorreis of een kort verblijf.

1.4.   Berekening van de toegestane verblijfsduur en in het bijzonder van de periode van zes maanden

Bij Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) is het begrip „kort verblijf” opnieuw gedefinieerd. De nieuwe definitie van kort verblijf luidt als volgt: „ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.”. Die definitie is op 18 oktober 2013 in werking getreden en is vervat in de Schengengrenscode.

Als datum van binnenkomst geldt de eerste dag van het verblijf op het grondgebied van de lidstaten en als datum van uitreis geldt de laatste dag van het verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Er wordt uitgegaan van een dynamische referentieperiode van 180 dagen; op elke dag van het verblijf wordt achterwaarts gekeken naar de aan die dag voorafgaande periode van 180 dagen om na te gaan of nog steeds aan de voorwaarde van 90 dagen per 180 dagen wordt voldaan. Dat betekent dat een ononderbroken afwezigheid van 90 dagen recht geeft op een nieuw verblijf van maximaal 90 dagen.

Voorbeeld van berekening van de verblijfsduur op basis van de nieuwe definitie:

Iemand heeft een meervoudig visum met een geldigheidsduur van één jaar (18.4.2010 — 18.4.2011) en komt voor het eerst de lidstaten binnen op 19.4.2010 en blijft drie dagen. Daarna komt hij op 18.6.2010 opnieuw binnen op het grondgebied van de lidstaten en blijft 86 dagen. Wat is de situatie op bepaalde specifieke data? Wanneer wordt deze persoon opnieuw tot het grondgebied van de lidstaten toegelaten?

Op 11.9.2010: in de afgelopen 180 dagen (16.3.2010 — 11.9.2010) heeft het verblijf van de betrokkene drie dagen (19.4.2010 — 21.4.2010) plus 86 dagen (18.6.2010 — 11.9.2010) geduurd = 89 dagen: verblijfsduur niet overschreden. De betrokkene mag nog één dag blijven.

Vanaf 16.10.2010: de betrokkene mag na binnenkomst drie dagen blijven (op 16.10.2010 is het verblijf van 19.4.2010 niet meer relevant (buiten de periode van 180 dagen); op 17.10.2010 is het verblijf van 20.4.2010 niet meer relevant (buiten de periode van 180 dagen enz.)

Vanaf 15.12.2010: de betrokkene mag na binnenkomst 86 dagen blijven (op 15.12.2010 is het verblijf van 18.6.2010 niet meer relevant (buiten de periode van 180 dagen), op 16.12.2010 is het verblijf van 19.6.2010 niet meer relevant enz.)

1.5.   De situatie met betrekking tot de lidstaten die in 2004 en 2007 tot de Unie zijn toegetreden en nog niet volledig in het Schengengebied zijn geïntegreerd, de lidstaten die niet deelnemen aan het gemeenschappelijk visumbeleid van de Unie en de geassocieerde landen

Enkel Bulgarije, Kroatië, Cyprus en Roemenië passen het Schengenacquis nog niet volledig toe. Zij zullen nationale visa blijven afgeven die enkel geldig zijn voor hun grondgebied. Zodra deze lidstaten het Schengenacquis volledig uitvoeren, zullen zij de overeenkomst verder toepassen.

In afwachting van de volledige uitvoering van het Schengenacquis door die lidstaten blijft op de aangelegenheden die niet onder de overeenkomst vallen het nationaal recht van toepassing. Vanaf de datum van volledige uitvoering van het Schengenacquis zijn de Schengenvoorschriften en/of het nationaal recht van toepassing op kwesties die niet onder de overeenkomst vallen.

Bulgarije, Kroatië, Cyprus en Roemenië zijn gemachtigd om door de Schengenlidstaten en geassocieerde landen afgegeven verblijfstitels, D-visa en visa voor kort verblijf te aanvaarden voor kort verblijf op hun grondgebied (6).

Overeenkomstig artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (7) moeten alle Schengenlidstaten de door elkaar afgegeven visa voor verblijf van langere duur en verblijfstitels aanvaarden voor verblijf van korte duur op elkaars grondgebied. De Schengenstaten aanvaarden de door geassocieerde landen afgegeven verblijfstitels, D-visa en visa voor kort verblijf voor binnenkomst en kort verblijf op hun grondgebied en vice versa.

De overeenkomst is niet van toepassing op Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, maar omvat gezamenlijke verklaringen waarin wordt aangegeven dat het wenselijk is dat deze lidstaten met Georgië bilaterale overeenkomsten over visumversoepeling sluiten.

Hoewel IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland geassocieerd zijn met Schengen, is de overeenkomst niet van toepassing op deze landen.

1.6.   Verhouding tussen de overeenkomst en bilaterale overeenkomsten

Artikel 13 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„Zodra deze overeenkomst in werking treedt, heeft zij voorrang op de bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die zijn gesloten tussen afzonderlijke lidstaten en Georgië, voor zover de bepalingen daarvan betrekking hebben op aangelegenheden die bij deze overeenkomst worden geregeld.”.

Sinds de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst zijn de bepalingen van de bilaterale overeenkomsten tussen de lidstaten en Georgië inzake de aangelegenheden die onder de overeenkomst vallen, niet langer van toepassing. Overeenkomstig het recht van de Unie moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om de onverenigbaarheden tussen hun bilaterale overeenkomsten en de overeenkomst weg te nemen.

Indien een lidstaat met Georgië een bilaterale overeenkomst of regeling heeft gesloten over aangelegenheden die niet onder de overeenkomst vallen, bijvoorbeeld de vrijstelling van de visumplicht voor houders van dienstpaspoorten, blijft die vrijstelling ook na de inwerkingtreding van de overeenkomst van toepassing.

De volgende lidstaten hebben bilaterale overeenkomsten gesloten met Georgië op grond waarvan houders van een dienstpaspoort zijn vrijgesteld van de visumplicht: Bulgarije, Cyprus, Letland, Hongarije, Roemenië en Slowakije.

De visumvrijstelling die een lidstaat verleent aan houders van dienstpaspoorten is enkel van toepassing voor het reizen op het grondgebied van die lidstaat, en niet voor het reizen naar andere Schengenstaten.

1.7.   Gemeenschappelijke verklaring betreffende de harmonisatie van informatie over procedures voor de afgifte van visa voor kort verblijf en over de documenten die moeten worden overgelegd bij het aanvragen van een visum voor kort verblijf

In een aan de overeenkomst gehechte gezamenlijke verklaring hebben de partijen zich ertoe verbonden burgers van Georgië coherente en uniforme informatie te verstrekken over de toegang tot de diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten, de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa en de geldigheid van de afgegeven visa. Deze informatie is te vinden op de website van de delegatie van de Europese Unie in Georgië: http://www.eeas.europa.eu/delegations/georgia/travel_eu/visa/index_en.htm.

Artikel 47 van de Visumcode verplicht de centrale autoriteiten en consulaten van de lidstaten ertoe de bevolking alle relevante informatie met betrekking tot het aanvragen van een visum te verstrekken.

De diplomatieke en consulaire posten wordt verzocht die informatie op grote schaal te verspreiden (o.a. via informatieborden van de consulaten, brochures en websites) en tevens gedetailleerde informatie te verstrekken over de voorwaarden voor afgifte van een visum, de vertegenwoordiging van de lidstaten in Georgië en hun lijst van vereiste bewijsstukken.

1.8.   Informatieverstrekking door de Georgische autoriteiten over de overeenkomst

Om de burgers van Goergië correct te informeren over de voordelen van de overeenkomst en de diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten waar visumaanvragen kunnen worden ingediend, heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken van Georgië een speciale link gemaakt die toegang biedt tot die informatie:

http://mfa.gov.ge/index.php?lang_id=GEO&sec_id=95&info_id=13448

II.   RICHTSNOEREN OVER SPECIFIEKE BEPALINGEN

2.1.   Regels die voor alle visumaanvragers gelden

Er zij aan herinnerd dat de onderstaande versoepelingen met betrekking tot de visumleges, de duur van de behandeling van een visumaanvraag en de verlenging van visa in buitengewone omstandigheden van toepassing zijn op alle visumaanvragers, toeristen inbegrepen.

2.1.1.   Visumleges

Artikel 6, lid 1, eerste alinea, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   Voor het behandelen van een visumaanvraag van burgers van Georgië wordt 35 EUR in rekening gebracht.”.

Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de overeenkomst bedragen de leges voor de behandeling van een visumaanvraag 35 EUR. Dat legesbedrag geldt voor alle Georgische visumaanvragers (ook voor toeristen) die een visum voor kort verblijf aanvragen, ongeacht het aantal binnenkomsten.

Artikel 6, lid 2, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„2.   Wanneer de lidstaten gebruikmaken van een externe dienstverlener mogen extra kosten in rekening worden gebracht. De dienstverleningskosten staan in verhouding tot de kosten die de externe dienstverlener moet maken voor het uitvoeren van zijn taken en mogen ten hoogste 30 EUR bedragen. De betrokken lidstaten behouden voor alle aanvragers de mogelijkheid rechtstreeks een aanvraag in te dienen bij hun consulaat.”.

Artikel 43 van de Visumcode bevat precieze informatie met betrekking tot de taken van de externe dienstverleners waarmee wordt samengewerkt.

Artikel 6, lid 3, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„3.   Aan de volgende categorieën burgers worden geen kosten in rekening gebracht voor de behandeling van een visumaanvraag:

a)

gepensioneerden;” (NB: om te worden vrijgesteld van betaling van de leges moeten visumaanvragers van deze categorie bewijs overleggen van de status van gepensioneerde. De vrijstelling is niet gerechtvaardigd wanneer het doel van de reis erin bestaat een bezoldigde bezigheid te verrichten.);

„b)

kinderen jonger dan 12 jaar;” (NB: om te worden vrijgesteld van betaling van de leges moeten visumaanvragers van deze categorie bewijs van leeftijd overleggen.);

„c)

leden van nationale en regionale regeringen en van constitutionele hoven en hoogste rechterlijke instanties, indien zij bij deze overeenkomst niet zijn vrijgesteld van de visumplicht;” (NB: om te worden vrijgesteld van betaling van de leges moeten visumaanvragers van deze categorie bewijs van de Georgische autoriteiten overleggen dat hun positie bevestigt);

„d)

gehandicapten en personen die hen indien nodig begeleiden;” (NB: om te worden vrijgesteld van betaling van de leges moet bewijs worden overgelegd dat de beide aanvragers tot deze categorie behoren).

Om te worden vrijgesteld van betaling van de leges moeten visumaanvragers van deze categorie een Georgisch certificaat voor gehandicapten (eerste of tweede graad) overleggen dat door het Georgische ministerie van Gezondheid, Werkgelegenheid en Sociale Zaken is afgegeven of een certificaat dat is afgegeven door openbare of particuliere ziekenhuizen of klinieken. Wanneer de handicap van de verzoekers duidelijk zichtbaar is (bv. bij blinden of personen met één been) volstaat een visuele vaststelling door de consulaire dienst. Van de begeleidende personen worden in beginsel geen aanvullende documenten verlangd.

In gerechtvaardigde gevallen kan de aanvraag worden ingediend door een vertegenwoordiger of de voogd van de gehandicapte.

„e)

naaste familieleden — echtgenoten, kinderen (inclusief adoptiekinderen), ouders (inclusief voogden), grootouders en kleinkinderen — die op bezoek gaan bij burgers van Georgië die legaal in de lidstaten verblijven;”.

Artikel 6, lid 3,onder e), van de overeenkomst regelt de situatie van Georgische naaste familieleden die naar de lidstaten reizen om een bezoek te brengen aan legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijvende burgers van Georgië.

„f)

leden van officiële delegaties van Georgië die op officiële uitnodiging zullen deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties op het grondgebied van de lidstaten worden gehouden;

g)

scholieren, studenten, postdoctoraal studenten en begeleidende docenten die reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, zoals uitwisselingsprogramma's en andere schoolgerelateerde activiteiten;

h)

journalisten en geaccrediteerde personen die hen beroepsmatig vergezellen;” (NB: om te worden vrijgesteld van betaling van de leges moeten visumaanvragers van deze categorie bewijs overleggen dat bevestigt dat zij leden zijn van journalistieke of mediaorganisaties.);

„i)

deelnemers aan internationale sportevenementen en personen die hen beroepshalve begeleiden;” (NB: supporters worden niet als begeleiders beschouwd.);

„j)

vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die reizen in verband met een opleiding, studiebijeenkomsten of conferenties, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's;

k)

deelnemers aan wetenschappelijke, culturele en artistieke activiteiten, inclusief universitaire en andere uitwisselingsprogramma's;

l)

personen die documenten hebben overgelegd waaruit blijkt dat hun reis om humanitaire redenen noodzakelijk is, bijvoorbeeld om een dringende medische behandeling te ondergaan, in welk geval de vrijstelling ook geldt voor degene die de betrokkene begeleidt, of om een begrafenis van een naast familielid bij te wonen of een ernstig ziek naast familielid te bezoeken.”.

De bovenstaande categorieën worden vrijgesteld van de leges. Bovendien is er ook vrijstelling van betaling van leges overeenkomstig artikel 16, lid 4, van de Visumcode.

Artikel 16, lid 6, van de Visumcode bepaalt het volgende: „In individuele gevallen kan het te betalen bedrag aan visumleges worden kwijtgescholden of verminderd wanneer daarmee culturele of sportieve belangen alsmede belangen op het gebied van buitenlands beleid, ontwikkelingsbeleid en andere vitale openbare belangen of humanitaire redenen gediend zijn.”.

Voorts wordt in artikel 16, lid 7, van de Visumcode bepaald dat de visumleges moeten worden geheven in euro, in de nationale munt van het derde land waar de aanvraag wordt ingediend of in de munt die doorgaans in dat land wordt gebruikt, en dat de visumleges niet worden terugbetaald, behalve in geval van een niet-ontvankelijke aanvraag of wanneer het consulaat niet bevoegd is.

Indien de visumleges in een andere munt dan de euro worden geheven, wordt het bedrag ervan vastgesteld en regelmatig opnieuw bezien aan de hand van de door de Europese Centrale Bank vastgestelde wisselkoersen. Het geheven bedrag mag worden afgerond en de consulaten zorgen er in het kader van plaatselijke Schengensamenwerking voor dat zij gelijke leges heffen.

Om te vermijden dat er discrepanties zijn die leiden tot visumshoppen, moeten de diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten in Georgië ervoor zorgen dat alle Georgische visumaanvragers vergelijkbare visumleges betalen wanneer die in een buitenlandse valuta worden geheven.

Georgische visumaanvragers ontvangen voor de betaalde visumleges een kwitantie overeenkomstig artikel 16, lid 8, van de Visumcode.

2.1.2.   Duur van de behandeling van een visumaanvraag

Artikel 7 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten nemen binnen tien kalenderdagen na ontvangst van de visumaanvraag en de benodigde bewijsstukken een beslissing over de visumaanvraag.

2.   De periode voor het nemen van een beslissing over een visumaanvraag kan in individuele gevallen worden verlengd tot 30 kalenderdagen, met name wanneer nader onderzoek van de aanvraag nodig is.

3.   De periode voor het nemen van een beslissing over een visumaanvraag kan in dringende gevallen worden beperkt tot twee werkdagen of minder.”.

In beginsel zal binnen tien kalenderdagen vanaf de datum van indiening van de ontvankelijke visumaanvraag een beslissing worden genomen over de visumaanvraag.

Die periode kan worden verlengd tot 30 kalenderdagen wanneer nader onderzoek nodig is, bijvoorbeeld wanneer de centrale autoriteiten moeten worden geraadpleegd.

Die termijnen beginnen pas te lopen vanaf het moment dat de aanvraag volledig is, d.w.z. vanaf het tijdstip van ontvangst van de visumaanvraag en de bewijsstukken.

Bij diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten die een afsprakensysteem hanteren, wordt de termijn voor het krijgen van een afspraak niet bij de behandelingstijd gerekend. Met betrekking tot deze kwestie en andere praktische voorschriften voor het indienen van een visumaanvraag, zijn de algemene voorschriften in artikel 9 van de Visumcode van toepassing. Indien een afspraak moet worden gemaakt voor het indienen van een visumaanvraag, bedraagt de wachttijd tot de afspraak met name in de regel ten hoogste twee weken, gerekend vanaf de datum waarop om de afspraak werd verzocht.

Bij het maken van een afspraak moet rekening worden gehouden met de eventuele door de visumaanvrager ingeroepen urgentie. De beslissing om een visumaanvraag sneller te behandelen overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de overeenkomst wordt door het consulaat genomen.

Overeenkomstig de handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa (deel 2, punt 3.2.2) moet de capaciteit van de consulaten van de lidstaten in Georgië wat de behandeling van visumaanvragen betreft worden aangepast, zodat de in de Visumcode vastgelegde termijn van twee weken voor een afspraak kan worden nageleefd, ook in het hoogseizoen.

In gemotiveerde spoedeisende gevallen (situaties waarin om redenen die door de visumaanvrager niet waren te voorzien, niet eerder een visum had kunnen worden aangevraagd), moet de afspraak (overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de Visumcode) onmiddellijk plaatsvinden of moet direct toegang worden verleend voor het indienen van een aanvraag.

Bovendien kan een consulaat besluiten voor bepaalde categorieën aanvragers een versnelde procedure voor visumaanvragen in te stellen.

2.1.3.   Verlenging van het visum in buitengewone omstandigheden

Artikel 9 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„De geldigheidsduur van en/of de duur van het verblijf met een afgegeven visum wordt voor burgers van Georgië verlengd indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat oordeelt dat de visumhouder heeft aangetoond dat hij wegens overmacht of om humanitaire redenen niet in staat was het grondgebied van de lidstaat vóór het verstrijken van de geldigheidsduur of het einde van de toegestane verblijfsduur te verlaten. Deze verlenging is gratis.”.

Met betrekking tot de mogelijkheid de geldigheid van het visum te verlengen om gemotiveerde persoonlijke redenen, zijn, wanneer de houder van een visum door overmacht niet in staat is het grondgebied van de lidstaat binnen de op de visumsticker vermelde termijn te verlaten, de bepalingen van artikel 33 van de Visumcode van toepassing voor zover deze in overeenstemming zijn met de overeenkomst. Op grond van de overeenkomst zijn aan de verlenging van het visum in geval van overmacht of om humanitaire redenen geen kosten verbonden.

2.2.   Regels die van toepassing zijn op bepaalde categorieën visumaanvragers

2.2.1.   Bewijsstukken betreffende het doel van de reis

De in artikel 4, lid 1, van de overeenkomst genoemde categorieën burgers dienen wat het doel van de reis betreft, enkel de in dat artikel vermelde bewijsstukken over te leggen. Zoals artikel 4, lid 3, van de overeenkomst bepaalt, zijn geen andere vormen van motivering, uitnodiging of validering betreffende het doel van de reis nodig. Dit houdt echter geen vrijstelling in van de algemene vereiste om persoonlijk te verschijnen om een visumaanvraag in te dienen en om bewijsstukken te overleggen betreffende de bestaansmiddelen, die ongewijzigd blijft bestaan.

Als er in individuele gevallen twijfel blijft bestaan over de echtheid van het document tot staving van het doel van de reis, kan de visumaanvrager door de ambassade/het consulaat worden uitgenodigd voor een aanvullend diepgaand gesprek over het werkelijke doel van het bezoek of het voornemen van de aanvrager om terug te keren (overeenkomstig artikel 21, lid 8, van de Visumcode). In dergelijke gevallen kan de visumaanvrager aanvullende bewijsstukken overleggen of kan de consulaire vertegenwoordiger bij uitzondering om aanvullende bewijsstukken verzoeken. Het gemengd comité zal nauwlettend toezien op deze kwestie.

Op de categorieën die niet in artikel 4, lid 1, van de overeenkomst worden vermeld (bijvoorbeeld toeristen), blijven wat betreft de bewijsstukken inzake het doel van de reis de algemene regels van toepassing. Hetzelfde geldt voor documenten voor ouderlijke toestemming voor kinderen jonger dan 18 jaar.

Op aangelegenheden die niet onder de overeenkomst vallen, zoals de erkenning van reisdocumenten en waarborgen betreffende terugkeer en voldoende bestaansmiddelen, zijn de Schengenregels en het nationaal recht van toepassing.

In beginsel moeten bij de visumaanvraag het origineel van de uitnodiging, het certificaat, het document of de brief die op grond van artikel 4, lid 1, van de overeenkomst vereist is, worden overgelegd. Het consulaat kan de visumaanvraag echter al in behandeling nemen met een duplicaat of kopie van de uitnodiging, het certificaat, het document of de brief. Het consulaat kan echter om het originele document verzoeken in geval van een eerste aanvraag en zal om het originele document verzoeken wanneer er in individuele gevallen twijfels bestaan.

Artikel 4, lid 1, van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   Voor de hieronder genoemde categorieën burgers van Georgië volstaan de volgende documenten als rechtvaardiging van het doel van de reis naar de andere partij:

a)

voor naaste familieleden — echtgenoten, kinderen (inclusief adoptiekinderen), ouders (inclusief voogden), grootouders en kleinkinderen — die op bezoek gaan bij burgers van Georgië die legaal in de lidstaten verblijven:

een schriftelijke uitnodiging van de gastheer of -vrouw;”.

Punt a) van artikel 4, lid 1, van de overeenkomst heeft betrekking op de situatie van Georgische naaste familieleden die naar een lidstaat reizen om een bezoek te brengen aan legaal in die lidstaat verblijvende burgers van Georgië. Deze mogelijkheid geldt niet voor burgers van de Unie die in de Unie wonen en Georgische familieleden uitnodigen.

De echtheid van de handtekening van de uitnodiger moet worden bevestigd door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving van het land van verblijf.

Ook moet bewijs worden geleverd van het legaal verblijf van de uitnodiger en van de familieband; bij de schriftelijke uitnodiging van de gastheer of -vrouw kunnen bijvoorbeeld kopieën van documenten worden gevoegd die zijn of haar status aantonen, zoals een kopie van de verblijfstitel en een document waaruit de familieband blijkt.

Deze bepaling is ook van toepassing op familieleden van personeel van diplomatieke en consulaire posten die voor een periode van hoogstens 90 dagen naar het grondgebied van de lidstaten reizen om er familie te bezoeken; in dergelijke gevallen hoeft echter geen bewijs te worden verstrekt van legaal verblijf en van de familieband.

„b)

voor leden van officiële delegaties die op officiële aan Georgië gerichte uitnodiging deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties op het grondgebied van de lidstaten worden gehouden:

een brief van een Georgische instantie waarin wordt bevestigd dat de aanvrager lid is van de Georgische delegatie die naar de andere partij afreist om deel te nemen aan een hierboven bedoeld evenement, en een kopie van de officiële uitnodiging;”.

De brief van de bevoegde autoriteit moet de naam van de betrokkene vermelden en bevestigen dat hij lid is van een delegatie die naar het grondgebied van een andere partij reist om er deel te nemen aan een officiële ontmoeting. De naam van de aanvrager hoeft niet noodzakelijk ook op de officiële uitnodiging voor de ontmoeting te worden vermeld, behoudens wanneer de officiële uitnodiging aan een specifieke persoon is gericht.

Deze bepaling is van toepassing op leden van officiële delegaties, ongeacht het soort paspoort dat ze hebben (dienstpaspoort of gewoon paspoort).

„c)

voor scholieren, studenten, postdoctoraal studenten en begeleidende docenten die reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's, en andere schoolgerelateerde activiteiten:

een schriftelijke uitnodiging of een inschrijvingsbewijs van de gastuniversiteit, het gastcollege of de gastschool, of een studentenkaart of inschrijvingsbewijs van de te volgen cursussen;”.

Een studentenkaart wordt alleen als bewijs van het doel van de reis aanvaard als zij is afgegeven door de universiteit, het college of de school waar de studie of opleiding zal plaatsvinden.

„d)

voor personen die om medische redenen naar de lidstaten reizen en hun noodzakelijke begeleiders:

een officieel document van de medische instelling waaruit blijkt dat medische behandeling in deze instelling noodzakelijk is en dat de betrokkene onder begeleiding moet reizen, en bewijs van voldoende financiële middelen om de behandeling te betalen;”.

Het document van de medische instelling waaruit de drie elementen blijken (dat medische behandeling in deze instelling noodzakelijk is, dat de betrokkene onder begeleiding moet reizen, en bewijs van voldoende financiële middelen om de behandeling te betalen) moet worden overgelegd.

„e)

voor journalisten en geaccrediteerde personen die hen beroepsmatig vergezellen:

een certificaat of ander document van een beroepsorganisatie waaruit blijkt dat de betrokken persoon een gekwalificeerd journalist is of beroepsmatig een journalist vergezelt, en een document van de werkgever van de betrokkene waarin staat vermeld dat de reis is bedoeld om journalistiek werk te verrichten of daarbij te assisteren;”.

Freelancejournalisten en hun assistenten behoren niet tot deze categorie.

Het certificaat of document waaruit blijkt dat de aanvrager een professioneel journalist is of een geaccrediteerde persoon die beroepsmatig een journalist vergezelt en het originele document van de werkgever van de betrokkene waarin staat vermeld dat de reis is bedoeld om journalistiek werk te verrichten of daarbij te assisteren, worden overgelegd.

Op dit ogenblik bestaan er in Georgië geen professionele mediaverenigingen, -centra, -instellingen, -bonden of soortgelijke organisaties, die de belangen van een groep journalisten of geaccrediteerde personen die hen beroepsmatig vergezellen, vertegenwoordigen en certificaten zouden kunnen afgeven waaruit blijkt dat de betrokkene een professionele journalist is of een geaccrediteerde persoon die hem beroepshalve vergezelt op een specifiek domein. Totdat dergelijke organisaties worden opgericht, kunnen de consulaten een certificaat van de werkgever en een persaccreditatie bij een van de lidstaten aanvaarden.

„f)

voor deelnemers aan internationale sportevenementen en personen die hen beroepshalve begeleiden:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie, de bevoegde instanties, de nationale sportfederatie of het nationale olympisch comité van een van de lidstaten;”.

Op de lijst van begeleiders bij internationale sportevenementen worden enkel personen opgenomen die de sporters beroepshalve begeleiden: trainers, masseurs, managers, medisch personeel en het hoofd van de sportclub. Supporters worden dus niet als begeleiders beschouwd.

„g)

voor zakenlieden en vertegenwoordigers van bedrijfsorganisaties:

een schriftelijke uitnodiging van een in het gastland gevestigde rechtspersoon of onderneming of organisatie, of een bureau of filiaal daarvan, van nationale of lokale autoriteiten van de lidstaten of van organisatiecomités van handels- en industrietentoonstellingen, -conferenties en -symposia die worden gehouden op het grondgebied van de lidstaten en de instemming genieten van de Nationale Kamer van Koophandel van Georgië;”.

Het nationaal bureau voor openbare registratie zal een document afgeven als bevestiging van het bestaan van de bedrijfsorganisaties.

„h)

voor beoefenaars van vrije beroepen die deelnemen aan internationale tentoonstellingen, conferenties, symposia, studiebijeenkomsten of vergelijkbare evenementen die op het grondgebied van de lidstaten worden gehouden:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie waaruit blijkt dat de betrokkene deelneemt aan het evenement;

i)

voor vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die reizen in verband met een opleiding, studiebijeenkomsten of conferenties, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie, een bevestiging dat de betrokkene de maatschappelijke organisatie vertegenwoordigt en het oprichtingsdocument van de organisatie uit het desbetreffende register, afgegeven door een nationale instantie overeenkomstig de nationale wetgeving;”.

Er moet een document van de maatschappelijke organisatie worden overgelegd waarin wordt bevestigd dat de aanvrager deze organisatie vertegenwoordigt.

De bevoegde Georgische autoriteit die het oprichtingsdocument van de maatschappelijke organisatie afgeeft, is het nationale bureau voor openbare registratie.

Het register waarin de oprichtingsdocumenten van maatschappelijke organisaties worden ingeschreven, is het nationale bureau voor openbare registratie. Het ministerie van Justitie en het nationale bureau voor openbare registratie werken samen met lokale overheden aan de ontwikkeling van een elektronische databank van ngo's, die na voltooiing beschikbaar zou worden gesteld via de website van het ministerie van Justitie: https://enreg.reestri.gov.ge/main.php.

Individuele leden van de maatschappelijke organisaties vallen niet onder de overeenkomst.

„j)

voor deelnemers aan wetenschappelijke, culturele en artistieke activiteiten, inclusief universitaire en andere uitwisselingsprogramma's:

een schriftelijke uitnodiging van de gastorganisatie om deel te nemen aan deze activiteiten;

k)

voor chauffeurs die internationaal goederen- en personenvervoer verzorgen naar de lidstaten met voertuigen die zijn geregistreerd in Georgië:

een schriftelijke uitnodiging van de nationale onderneming of vereniging van vervoerders van Georgië die internationaal vervoer over de weg verzorgen, waarin het doel, de duur en de frequentie van de reizen staan vermeld;”.

Op dit moment bestaan er in Georgië twee nationale verenigingen van Georgische vervoerders die bevoegd zijn om een schriftelijke uitnodiging af te geven aan beroepschauffeurs: de Georgian International Road Carriers Association (GIRCA) en de Georgian Association of Carriers of Passengers by Road (GACPR). Vervoerders die geen lid zijn van een van de bovenstaande verenigingen, kunnen een uitnodiging overleggen die is afgegeven door het agentschap voor vervoer over de weg van het Georgische ministerie van Economische zaken en duurzame ontwikkeling; in het geval van bekende vervoerondernemingen kunnen de consulaten ook een schriftelijke uitnodiging aanvaarden van de Georgische vervoerder/transportonderneming die de chauffeur in dienst heeft. In de uitnodiging worden het doel, de duur en de frequentie van de reizen vermeld.

„l)

voor deelnemers aan officiële uitwisselingsprogramma's van zustersteden:

een schriftelijke uitnodiging van het hoofd van het stadsbestuur/de burgemeester van deze steden of gemeentelijke autoriteiten;”.

Het is het hoofd van het stadsbestuur/de burgemeester van de stad of gemeente waar de uitwisseling zal plaatsvinden dat/die bevoegd is om een schriftelijke uitnodiging af te geven. Enkel officiële uitwisselingen vallen onder deze categorie.

„m)

voor bezoekers van militaire of civiele begraafplaatsen:

een officieel document waaruit blijkt dat het graf bestaat en blijft voortbestaan, en dat er sprake is van een familierelatie of een andere relatie tussen de visumaanvrager en de begraven persoon;”.

In de overeenkomst is niet vastgelegd of het bovengenoemd officieel document moet worden afgegeven door de autoriteiten van het land waar de begraafplaats zich bevindt of door de autoriteiten van het land van verblijf van de persoon die de begraafplaats wenst te bezoeken. Officiële documenten van beide landen dienen te worden aanvaard.

Het bovengenoemd officieel document waaruit blijkt dat het graf bestaat en blijft voortbestaan moet worden overgelegd samen met de bevestiging dat er sprake is van een familierelatie of een andere relatie tussen de visumaanvrager en de overledene.

Belangrijk: de overeenkomst doet geen nieuwe aansprakelijkheidsregels ontstaan voor de natuurlijke of rechtspersonen die de schriftelijke uitnodiging afgeven. Op valse uitnodigingen is het desbetreffende Unierecht/nationaal recht van toepassing.

2.2.2.   Afgifte van meervoudige visa

Wanneer de visumaanvrager frequent naar het grondgebied van de lidstaten moet reizen, kunnen visa voor kort verblijf voor meerdere bezoeken worden afgegeven; de totale duur van de bezoeken mag evenwel niet langer zijn dan 90 dagen per periode van 180 dagen.

Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten verstrekken meervoudige visa met een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar aan de volgende categorieën personen:

a)

echtgenoten en kinderen (inclusief adoptiekinderen) die jonger zijn dan 21 jaar of ten laste komen van de aanvrager, alsmede ouders die op bezoek gaan bij Georgische burgers die legaal in de lidstaten verblijven; de geldigheidsduur blijft beperkt tot de looptijd van de verblijfsvergunning;

b)

leden van nationale en regionale regeringen en van constitutionele hoven en hoogste rechterlijke instanties in de uitoefening van hun functie, indien zij bij deze overeenkomst niet zijn vrijgesteld van de visumplicht; de geldigheidsduur blijft beperkt tot hun ambtstermijn, indien deze minder dan vijf jaar beloopt;

c)

permanente leden van officiële delegaties van Georgië die op officiële uitnodiging gericht tot Georgië regelmatig moeten deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele programma's op het grondgebied van de lidstaten worden gehouden.”.

Gelet op de beroepsstatus van deze categorieën personen of hun familieband met een burger van Georgië die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijft, is het gerechtvaardigd een meervoudig visum af te geven met een geldigheidsduur van vijf jaar of met een beperkte geldigheidsduur die overeenstemt met de mandaatsperiode of de duur van het legaal verblijf indien die korter is dan vijf jaar.

Personen die onder artikel 5, lid 1, onder a), van de overeenkomst vallen, moeten bewijs van legaal verblijf van de uitnodiger overleggen.

Voor personen die onder artikel 5, lid 1, onder b), van de overeenkomst vallen, moet bewijs worden overgelegd van hun beroepsstatus en de duur van hun mandaat.

Dat geldt echter niet als de personen die onder artikel 5, lid 1, onder b), vallen, op grond van de overeenkomst zijn vrijgesteld van de visumplicht, d.w.z. voor houders van een diplomatiek paspoort.

Personen die onder artikel 5, lid 1, onder c), van de overeenkomst vallen, moeten bewijzen dat zij permanent lid zijn van de officiële delegatie en regelmatig aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's moeten deelnemen.

„2.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten verstrekken meervoudige visa met een geldigheidsduur van maximaal één jaar aan de volgende categorieën burgers, mits deze in het voorafgaande jaar ten minste één visum hebben verkregen waarvan zij gebruik hebben gemaakt overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de bezochte lidstaat en er redenen zijn om een meervoudig visum aan te vragen:

a)

leden van officiële delegaties van Georgië die op officiële uitnodiging regelmatig moeten deelnemen aan bijeenkomsten, overlegrondes, onderhandelingen of uitwisselingsprogramma's of aan evenementen die door intergouvernementele organisaties op het grondgebied van de lidstaten worden gehouden;

b)

vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties die regelmatig naar de lidstaten reizen in verband met een opleiding, studiebijeenkomsten of conferenties, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's;

c)

beoefenaars van vrije beroepen die deelnemen aan internationale tentoonstellingen, conferenties, symposia, studiebijeenkomsten of vergelijkbare evenementen die regelmatig naar de lidstaten reizen;

d)

deelnemers aan wetenschappelijke, culturele en artistieke activiteiten, inclusief universitaire en andere uitwisselingsprogramma's, die regelmatig naar de lidstaten reizen;

e)

studenten en postdoctoraal studenten die regelmatig reizen voor studie- of opleidingsdoeleinden, bijvoorbeeld in het kader van uitwisselingsprogramma's;

f)

deelnemers aan officiële uitwisselingsprogramma's van zustersteden of gemeentelijke autorititeiten;

g)

personen die om medische redenen regelmatig naar de lidstaten moeten reizen en hun noodzakelijke begeleiders;

h)

journalisten en geaccrediteerde personen die hen beroepshalve vergezellen;

i)

zakenlieden en vertegenwoordigers van bedrijfsorganisaties die regelmatig naar de lidstaten reizen;

j)

deelnemers aan internationale sportevenementen en personen die hen beroepshalve begeleiden;

k)

chauffeurs die internationaal goederen- en personenvervoer verzorgen naar de lidstaten met voertuigen die zijn geregistreerd in Georgië.

3.   De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten verstrekken de in lid 2 bedoelde personen meervoudige visa met een geldigheidsduur van ten minste twee en ten hoogste vijf jaar, mits deze personen in de voorafgaande twee jaar overeenkomstig de wetgeving inzake inreis en verblijf in de gastlidstaat gebruik hebben gemaakt van het meervoudig visum voor één jaar en de redenen om een meervoudig visum aan te vragen nog steeds gelden.

4.   De in de leden 1 tot en met 3 bedoelde personen mogen in totaal ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen op het grondgebied van de lidstaten verblijven.”.

Aan personen van de bovengenoemde categorieën worden in beginsel meervoudige visa met een geldigheidsduur van een jaar afgegeven, mits deze in het voorafgaande jaar (twaalf maanden) ten minste één Schengenvisum hebben verkregen waarvan zij gebruik hebben gemaakt overeenkomstig de wetgeving inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied van de bezochte lidstaat of lidstaten (de betrokkene is bijvoorbeeld niet langer gebleven dan toegestaan) en er redenen zijn om een meervoudig visum aan te vragen. Wanneer het niet gerechtvaardigd is een visum van één jaar af te geven (bv. wanneer de duur van het uitwisselingsprogramma minder dan een jaar bedraagt of de persoon niet gedurende een volledig jaar hoeft te reizen) wordt een visum met een geldigheidsduur van minder dan een jaar afgegeven, mits aan alle andere voorwaarden voor afgifte is voldaan.

Aan personen van de in artikel 5, lid 2, vermelde categorieën worden meervoudige visa met een geldigheidsduur van ten minste twee en ten hoogste vijf jaar afgegeven, mits deze personen in de voorafgaande twee jaar (24 maanden) gebruik hebben gemaakt van de twee meervoudige visa voor één jaar overeenkomstig de wetgeving inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied van de bezochte lidstaat of lidstaten en de redenen om een meervoudig visum aan te vragen nog steeds geldig zijn. Er wordt slechts een visum met een geldigheid van twee tot vijf jaar afgegeven indien aan de visumaanvrager in de voorgaande twee jaar twee visa met een geldigheidsduur van — ten minste — één jaar zijn afgegeven en hij van deze visa gebruik heeft gemaakt overeenkomstig de wetgeving inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied van de bezochte lidstaat of lidstaten. De diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten beslissen op basis van een individuele beoordeling van iedere visumaanvraag over de geldigheidsduur van het visum, die ten minste twee en ten hoogste vijf jaar kan bedragen.

Wat betreft de definitie van de criteria in artikel 5, lid 2, van de overeenkomst: „mits … er redenen zijn om een meervoudig visum aan te vragen”, en artikel 5, lid 3, van de overeenkomst: „mits … de redenen om een meervoudig visum aan te vragen nog steeds gelden”, gelden de criteria van de Visumcode voor de afgifte van meervoudige visa: dat wil zeggen dat de betrokkene moet bewijzen genoodzaakt te zijn frequent naar een of meer lidstaten te reizen, bijvoorbeeld voor zakelijke doeleinden.

Er hoeft geen meervoudig visum te worden afgegeven indien de visumaanvrager geen gebruik heeft gemaakt van een eerder afgegeven visum.

2.2.3.   Houders van diplomatieke paspoorten

Artikel 10 van de overeenkomst bepaalt het volgende:

„1.   Burgers van Georgië die houder zijn van een geldig diplomatiek paspoort hebben geen visum nodig voor een inreis in, een uitreis uit of een doorreis over het grondgebied van de lidstaten.

2.   De in lid 1 bedoelde personen mogen ten hoogste 90 dagen per periode van 180 dagen op het grondgebied van de lidstaten verblijven.”.

De procedures voor het uitzenden van diplomaten naar de lidstaten worden niet door de overeenkomst geregeld. Daarop is de normale accreditatieprocedure van toepassing.

III.   SAMENWERKING INZAKE DOCUMENTBEVEILIGING

In een aan de overeenkomst gehechte gezamenlijke verklaring komen de partijen overeen dat het gemengd comité een beoordeling moet uitvoeren van het effect van het beveiligingsniveau van de respectieve reisdocumenten op de werking van de overeenkomst. Daartoe zijn de partijen overeengekomen elkaar regelmatig op de hoogte te houden van de maatregelen om de wildgroei van reisdocumenten tegen te gaan, de technische aspecten van reisdocumentenbeveiliging te ontwikkelen en de afgifte van reisdocumenten verder te personaliseren.

IV.   STATISTIEKEN

Opdat het gemengd comité effectief toezicht zou kunnen houden op de overeenkomst, dienen de diplomatieke en consulaire posten van de lidstaten bij de Commissie elke zes maanden statistieken in, indien mogelijk uitgesplitst per maand, met betrekking tot:

het aantal afgegeven meervoudige visa,

het aantal visa dat zonder betaling van legeskosten is afgegeven.

V.   VERKLARING VAN DE EUROPESE UNIE OVER VERSOEPELING VAN DE AFGIFTE VAN VISA AAN FAMILIELEDEN

Hoewel de overeenkomst geen juridisch bindende rechten en verplichtingen bevat ter bevordering van het verkeer van een grotere groep burgers van Georgië met familiebanden met burgers van Georgië die legaal in de lidstaten verblijven, neemt de Europese Unie nota van het voorstel van Georgië om de categorie familieleden op wie de visumversoepeling van toepassing is, ruimer te definiëren en van het belang dat Georgië hecht aan vereenvoudiging van het verkeer van deze categorie personen.

Daarom wordt, ter bevordering van de mobiliteit van een grotere groep personen met familiebanden met burgers van Georgië die legaal in de lidstaten verblijven (met name zussen en broers en hun kinderen), de consulaire posten van de lidstaten in een bij de overeenkomst gevoegde verklaring verzocht ten volle gebruik te maken van de in het acquis bestaande mogelijkheden om de afgifte van visa aan deze categorie personen te vereenvoudigen, met name door middel van vereenvoudigingen ten aanzien van de vereiste bewijsstukken, vrijstelling van leges en zo mogelijk de afgifte van meervoudige visa.


(1)  Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).

(3)  Zie ook punt 1.7.

(4)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, Verordeningen (EG) nr. 1683/95 en (EG) nr. 539/2001 van de Raad en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 1).

(6)  Besluit nr. 565/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door Bulgarije, Kroatië, Cyprus en Roemenië van bepaalde documenten als gelijkwaardig met hun nationale visa voor de doorreis over hun grondgebied of een voorgenomen verblijf op hun grondgebied van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen en tot intrekking van de Beschikkingen nr. 895/2006/EG en nr. 582/2008/EG (PB L 157 van 27.5.2014, blz. 23).

(7)   PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.