|
13.5.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 120/10 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/763 VAN DE COMMISSIE
van 12 mei 2015
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van bepaalde gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Japan, de Republiek Korea, de Russische Federatie en de Verenigde Staten van Amerika
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 7, lid 4,
In overleg met de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Inleiding
|
(1) |
Op 14 augustus 2014 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot invoer in de Unie van gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal (grain oriented electrical sheets, „GOES”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”), Japan, de Republiek Korea („Korea”), de Russische Federatie („Rusland”) en de Verenigde Staten van Amerika („de VS”) (tezamen „de betrokken landen”) op grond van artikel 5 de basisverordening. Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) („bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 30 juni 2014 door de European Steel Association („EUROFER” of „de klager”) werd ingediend namens producenten die samen meer dan 25 % van de totale productie van GOES in de Unie voor hun rekening nemen. In deze zak vormden alle bekende producenten in de Unie tijdens het OT als zodanig de „bedrijfstak van de Unie”. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal over dumping van het betrokken product en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om het onderzoek te openen. |
|
(3) |
Op 16 februari 2015 heeft de klager verzocht om registratie van de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening met het oog op de mogelijke inning van rechten met terugwerkende kracht op grond van artikel 10, lid 4, van de basisverordening. Een aantal belanghebbenden voerde aan dat in dit geval niet aan de voorwaarden voor registratie was voldaan en dat de inning van rechten met terugwerkende kracht ernstig afbreuk zou doen aan de belangen van de transformatorproducenten in de EU, en de bedrijfstak van de Unie niet ten goede zou komen. Op 14 april 2015 heeft de indiener van de klacht de Commissie meegedeeld dat hij zijn verzoek om registratie zal intrekken. |
1.2. Belanghebbenden
|
(4) |
De Commissie heeft de klager, de haar bekende producenten-exporteurs en de autoriteiten van de betrokken landen, de haar bekende importeurs, leveranciers en gebruikers, handelaren, alsmede verenigingen die bij haar weten belang hebben bij de opening van het onderzoek, geïnformeerd over de opening van het onderzoek. In het bericht van opening deelde de Commissie de belanghebbenden mee dat zij voorlopig Korea als derde land met een markteconomie („referentieland”) in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening had gekozen en, en verzocht zij om opmerkingen over deze keuze. |
|
(5) |
De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. |
1.3. Steekproef
|
(6) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de niet-verbonden importeurs en producenten-exporteurs zal samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. |
|
(7) |
Een steekproef was niet noodzakelijk voor de producenten in de Unie, aangezien de (zes) bekende producenten in de Unie goed zijn voor 100 % van de totale productie in de Unie van het soortgelijke product. |
a) Steekproef van importeurs
|
(8) |
De Commissie heeft de niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, een steekproef samen te stellen. |
|
(9) |
Twee niet-verbonden importeurs leverden de gevraagde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het beperkte aantal medewerkende importeurs besloot de Commissie dat een steekproef niet noodzakelijk was. |
b) Steekproef van producenten-exporteurs
|
(10) |
De Commissie heeft alle producenten-exporteurs in de betrokken landen verzocht de in het bericht van opening vermelde informatie te verstrekken om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, een steekproef samen te stellen. Daarnaast heeft de Commissie de autoriteiten van de betrokken landen verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek aan te wijzen en/of contact met hen op te nemen. |
|
(11) |
Zeven producenten-exporteurs of groepen producenten-exporteurs, waaronder niet meer dan twee ondernemingen uit elk van de betrokken landen, verstrekten de verlangde informatie en stemden ermee in te worden opgenomen in de steekproef. Gezien het lage aantal medewerkende producenten-exporteurs besloot de Commissie dat voor geen van de betrokken landen een steekproef noodzakelijk was. |
1.4. Aanvraagformulieren voor behandeling als marktgerichte onderneming
|
(12) |
Voor de toepassing van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening heeft de Commissie aanvraagformulieren voor behandeling als marktgerichte onderneming toegezonden aan de autoriteiten en aan de medewerkende producenten-exporteurs in de VRC. Geen van de medewerkende producenten-exporteurs heeft verzocht om een behandeling als marktgericht bedrijf. |
1.5. Ingevulde vragenlijsten
|
(13) |
De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar alle haar bekende belanghebbenden en naar alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijnen hadden gemeld. De vragenlijst is beantwoord door alle (zes) bekende producenten in de Unie, tien gebruikers en twee importeurs die geen banden hebben met een producent-exporteur in de betrokken landen. Ook twee producenten-exporteurs in de VRC, één producent-exporteur in Korea, twee producenten-exporteurs in Japan, een groep van producenten-exporteurs in Rusland en een producent-exporteur in de VS hebben de vragenlijst beantwoord teruggestuurd. |
1.6. Controlebezoeken
|
(14) |
De Commissie heeft een controlebezoek op grond van artikel 16 van de basisverordening gebracht aan de volgende ondernemingen:
|
1.7. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(15) |
Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”). |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(16) |
Bij het betrokken product gaat het om gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal met een dikte van meer dan 0,16 mm van oorsprong uit de VRC, Japan, Korea, Rusland en de VS, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7225 11 00 en ex 7226 11 00 („het betrokken product”). |
|
(17) |
GOES worden vervaardigd uit warmgewalste coils van met silicium gelegeerd staal van verschillende dikten waarin alle korrelstructuren in één richting zijn georiënteerd zodat het product zeer goed een magnetisch veld kan geleiden. Verminderingen van deze magnetische geleidbaarheid worden „kernverliezen” genoemd; zij vormen de belangrijkste indicator van de kwaliteit van het product, die wordt uitgedrukt in W/kg. GOES kunnen worden geproduceerd met een hoge permeabiliteit of met een standaardpermeabiliteit. Bij soorten met een hoge permeabiliteit zijn de kernverliezen bij alle plaatdikten geringer. Bovendien kunnen soorten met een hoge permeabiliteit worden geproduceerd in de kwaliteit „domain refined” (DR) die zelfs nog geringere kernverliezen hebben omdat er dunne lijnen in het oppervlak van het staal zijn gekerfd. |
|
(18) |
Ondanks de verschillen in magnetische geleidbaarheid, dikte en breedte hebben alle soorten van het product in wezen dezelfde fysische en technische basiskenmerken en dezelfde basistoepassingen. |
|
(19) |
GOES worden hoofdzakelijk gebruikt in elektrische apparatuur waarin het magnetische flux kan worden ingeperkt om zich te richten naar de „georiënteerde” richting, zoals wanneer elektrische energie wordt overgebracht over grote afstanden. Het betrokken product wordt dan ook toegepast als kernmateriaal in stroom- en distributietransformatoren. |
|
(20) |
GOES worden ook toegepast in compensatiespoelen, die worden gebruikt in hoogspanningsenergietransmissiesystemen om bij wisselende belasting de spanning te stabiliseren. Het betrokken product kan ook worden gebruikt in apparatuur met kleinere transformatoren, zoals toestellen en luchtvaart-, ruimtevaart- en elektronische apparatuur. GOES kunnen ook worden gebruikt in grote, geavanceerde generatoren wanneer deze zodanig zijn ontworpen dat de gerichte magnetische eigenschappen doelmatig kunnen worden gebruikt. |
|
(21) |
GOES met een dikte van 0,16 mm of minder maken geen deel uit van het betrokken product. Deze dunne GOES worden doorgaans toegepast in de luchtvaartindustrie en in medische apparatuur. Dunne GOES worden vervaardigd uit gewone GOES-platen: de walserijdeklaag wordt verwijderd en de platen worden opnieuw gewalst, gegloeid en van een deklaag voorzien. Volgens de klagers is waarschijnlijk slechts een zeer kleine hoeveelheid dunne GOES vanuit de betrokken landen in de Unie ingevoerd. |
2.2. Soortgelijk product
|
(22) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysieke basiskenmerken en dezelfde basistoepassingen hebben:
|
|
(23) |
De Commissie heeft daarom voorlopig geconcludeerd dat deze producten soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.3. Argumenten en verduidelijkingen betreffende de productomschrijving
|
(24) |
Twee producenten-exporteurs verzochten om uitsluiting van in vorm gesneden GOES-platen die zijn bestemd voor toepassing in transformatoren, in de branche bekend als „gelamineerde producten”, van de productomschrijving. Zij voerden aan dat het betrokken product wordt geproduceerd (en verkocht) in coils (rollen) of in rechte stroken, volgens de wensen van de afnemers, maar dat dit niet geldt voor gelamineerde producten. |
|
(25) |
De Commissie was het ermee eens dat gelamineerde producten niet onder de productomschrijving vallen, omdat zij reeds kenmerken hebben waardoor zij identificeerbaar zijn als een deel van een transformator, zoals specifieke vormen, maten en gaten. Als zodanig zijn het geen eenvoudige gewalste platte producten meer. Deze gelamineerde producten vallen ook onder een andere GN-code. |
|
(26) |
Drie producenten-exporteurs en één gebruiker betoogden dat productsoorten met een hoge permeabiliteit en/of in de DR-kwaliteit met een kernverlies van 0,90 W/kg of minder buiten de reikwijdte van het onderzoek zouden moeten vallen. Zij voerden aan dat de productsoorten met de laagste kernverliezen wezenlijk andere eigenschappen en gebruiksdoelen hebben, en derhalve niet door dezelfde afnemers worden gekocht en niet concurreren met andere soorten van het betrokken product. Daarom moeten volgens hen twee afzonderlijke analyses van de schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie worden uitgevoerd. |
|
(27) |
Niettemin is het betrokken product, ongeacht de kernverliezen, vervaardigd van hetzelfde basismateriaal en heeft het dezelfde basiskenmerken en vergelijkbare gebruiksdoelen. Gebruikers in de Unie kopen tegelijkertijd het betrokken product met een kernverlies van 0,90 W/kg of minder en het betrokken product met een kernverlies van meer dan 0,90 W/kg. Daarom zijn deze argumenten voorlopig verworpen, onder voorbehoud van nader onderzoek van de vraag of bepaalde bijzonder hoogwaardige soorten met een hoge permeabiliteit en/of in de DR-kwaliteit in aanmerking komen voor een afzonderlijke analyse in het definitieve stadium, op basis van aanvullende informatie die nog moet worden ingediend. |
|
(28) |
Eén producent-exporteur voerde aan dat het betrokken product met een breedte van meer dan 1 150 mm van de productomschrijving moesten worden uitgesloten, omdat de bedrijfstak van de Unie niet in staat was het soortgelijke product te produceren met een breedte van meer dan 1 150 mm, terwijl hij dit wel kon. Bij sommige afnemers is er een specifieke vraag naar deze brede producten, omdat zij tot minder materiaalverlies leiden bij het slitten (snijden) van de rollen op de door de afnemers gevraagde lengte. |
|
(29) |
Dit verzoek om uitsluiting van een product werd niet aanvaard. Het feit dat het betrokken product mogelijkerwijs de breedte van 1 150 mm in geringe mate overschrijdt, maakt dit niet tot een afzonderlijk product dat buiten de reikwijdte van het onderzoek valt. Alle soorten van het betrokken product hebben dezelfde fysische en technische basiskenmerken en dezelfde basistoepassingen, ondanks de verschillen in breedte. Bovendien zou een beperking van de reikwijdte van het onderzoek tot bepaalde breedten de producenten-exporteurs de gelegenheid bieden om de geldende antidumpingmaatregelen te ontwijken. |
|
(30) |
Tot slot betoogden één producent-exporteur en de permanente vertegenwoordiging van de Russische Federatie bij de Unie dat enerzijds hun uitgevoerde GOES van eerste keuze (met een betere vlakheid, minder lasnaden) en anderzijds hun uitgevoerde GOES van tweede en de derde keuze (met meer oneffenheden en naden en minder vlakheid) in de Russische industrie in de praktijk volstrekt niet onderling uitwisselbaar zijn (in geen van beide richtingen) en verschillende producten vormen. Ze voerden daarom aan dat materiaal van tweede en derde keuze moet worden uitgesloten van de productomschrijving. |
|
(31) |
De huidige omschrijving en de GN-code van het betrokken product kunnen een grote verscheidenheid aan soorten omvatten wat de kwaliteit betreft. De productie van een lagere kwaliteit van het product door de Unie en door de producenten-exporteurs is inherent aan het productieproces, en soorten van lagere kwaliteit worden vervaardigd van hetzelfde basismateriaal en met dezelfde productie-installaties. Deze soorten van een relatief lagere kwaliteit worden ook verkocht voor gebruik in transformatoren, en voldoen volledig aan de definitie van het betrokken product. Daarom heeft de Commissie ook dit verzoek voorlopig verworpen. |
3. DUMPING
3.1. Algemene werkwijze
|
(32) |
In de overwegingen 33 tot en met 43 beschrijft de Commissie de algemene methode die zij heeft gebruikt voor de berekening van de dumping. Waar dat gerechtvaardigd is, worden land- of bedrijfsspecifieke factoren die relevant zijn voor deze berekeningen behandeld in de onderstaande landspecifieke hoofdstukken. |
3.1.1. Normale waarde
|
(33) |
De Commissie heeft eerst onderzocht of de totale omvang van de binnenlandse verkoop van iedere medewerkende producent-exporteur representatief was, in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop is representatief als de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt per producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak ten minste 5 % vertegenwoordigde van diens totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie. |
|
(34) |
Vervolgens is de Commissie nagegaan welke van de op de binnenlandse markt verkochte productsoorten identiek of vergelijkbaar waren met de productsoorten die naar de Unie zijn uitgevoerd, en heeft zij onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke medewerkende producent-exporteur voor elke productsoort representatief was, overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een productsoort is representatief als de totale omvang van de binnenlandse verkoop van die productsoort aan onafhankelijke afnemers in het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedraagt van de totale omvang van de uitvoer naar de Unie van de identieke of vergelijkbare productsoort. |
|
(35) |
Verder heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak bepaald om uit te maken of zij de werkelijke binnenlandse verkoop kon gebruiken voor de berekening van de normale waarde. |
|
(36) |
De normale waarde wordt gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort, ongeacht of die verkoop winstgevend is, indien:
|
|
(37) |
In dit geval is de normale waarde het gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkopen van die productsoort gedurende het onderzoektijdvak. |
|
(38) |
De normale waarde is gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs per productsoort van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkopen van de productsoorten in het onderzoektijdvak, indien:
|
|
(39) |
Wanneer er geen verkoop van een productsoort van het soortgelijk product in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden of een productsoort niet in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt was afgezet, berekende de Commissie de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(40) |
De normale waarde werd vastgesteld door de gemiddelde productiekosten van het soortgelijke product van de medewerkende producent-exporteur tijdens het onderzoektijdvak te vermeerderen met:
|
3.1.2. Uitvoerprijs
|
(41) |
De uitvoer naar de Unie door de producenten-exporteurs vond plaats hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers, hetzij via verbonden ondernemingen die optraden als importeur. |
|
(42) |
Wanneer de exporteur het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie had uitgevoerd, al van niet via handelaren, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de voor het betrokken product bij uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijzen. |
|
(43) |
Wanneer de producent-exporteur het betrokken product via een als importeur optredende verbonden onderneming naar de Unie uitvoerde, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. De uitvoerprijs werd, overeenkomstig dat artikel, ook berekend wanneer het betrokken product niet werd doorverkocht in de staat waarin het was ingevoerd. In dergelijke gevallen zijn correcties toegepast voor alle tussen invoer en doorverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”), en voor winst. |
3.1.3. Vergelijking
|
(44) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de producenten-exporteurs vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(45) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.2. Republiek Korea
|
(46) |
De enige producent-exporteur uit Korea, POSCO, heeft volledig meegewerkt aan het onderzoek van de Commissie. POSCO maakte gebruik van een complex netwerk van distributiekanalen om het betrokken product in de EU en op de binnenlandse markt te verkopen. |
3.2.1. Normale waarde
|
(47) |
De normale waarde voor de enige producent-exporteur werd vastgesteld volgens de algemene werkwijze die is uiteengezet in punt 3.1.1. Daarom werd de normale waarde voor het merendeel van de naar de Unie uitgevoerde productsoorten gebaseerd op de binnenlandse prijs. De normale waarde voor de overige soorten werd berekend. |
3.2.2. Uitvoerprijs
|
(48) |
De enige producent-exporteur voerde rechtstreeks uit naar de Unie; via handelsmaatschappijen in Korea; en via verbonden ondernemingen die optraden als in de Unie gevestigde importeurs. Voor die uitvoer via importeurs in de Unie werd de uitvoerprijs berekend op basis van artikel 2, lid 9, van de basisverordening. |
|
(49) |
In de andere gevallen werd de uitvoerprijs vastgesteld aan de hand van de algemene werkwijze die is uiteengezet in punt 3.1.2. |
|
(50) |
De producent-exporteur voerde aan dat hij één economische eenheid vormde met de handelsondernemingen en de verbonden ondernemingen in de Unie en dat daarom voor de bepaling van de uitvoerprijs geen correctie overeenkomstig artikel 2, lid 9, nodig was. |
|
(51) |
Wanneer er sprake is van een associatie tussen de producent-exporteur en de verbonden importeurs, wordt overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening de uitvoerprijs onbetrouwbaar geacht. Er is geen bepaling in artikel 2, lid 9, van de basisverordening die:
|
|
(52) |
Het is dan ook duidelijk dat de vorm van associatie geen enkele invloed kan hebben op de toepasselijkheid van de correcties die tot doel hebben de uitvoerprijs betrouwbaar te maken. Dergelijke aanpassingen zijn verplicht zodra de prijs moet worden berekend. |
|
(53) |
De Commissie heeft gecontroleerd of POSCO Duitsland en POSCO Italië alle functies verrichtten die gewoonlijk door een verbonden importeur in de Unie werden verricht. Niet betwist wordt dat POSCO Duitsland en POSCO Italië optraden als verbonden importeurs voor de Koreaanse producent-exporteur. |
|
(54) |
De Commissie is derhalve tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een associatie tussen de producent-exporteur en de importeurs en heeft de voorgeschreven correcties toegepast voor alle tussen invoer en doorverkoop gemaakte kosten en voor een redelijke winst, teneinde een betrouwbare uitvoerprijs vast te stellen. Het argument werd daarom verworpen. |
3.2.3. Vergelijking
|
(55) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de enige producent-exporteur vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(56) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er zijn correcties toegepast voor vervoer, op- en overslag, verpakking, kredietkosten en bankkosten. |
|
(57) |
De producent-exporteur diende een verzoek krachtens artikel 2, lid 10, onder d), i), van de basisverordening in om een correctie voor verschillen in handelsstadium, met als argument dat al zijn binnenlandse verkoop plaatsvond aan eindgebruikers, terwijl al zijn uitvoer naar de Unie was bestemd voor verbonden of niet-verbonden handelaren. |
|
(58) |
De producent-exporteur kon echter niet aantonen dat er permanente en duidelijke prijsverschillen zijn in de verschillende handelsstadia op de binnenlandse of de exportmarkt. Dit argument kon daarom niet worden aanvaard. |
|
(59) |
Vervolgens verzocht de producent-exporteur om een correctie op grond van artikel 2, lid 10, onder d), ii), van de basisverordening. De Commissie kan dit argument evenmin aanvaarden, omdat de uitvoer naar de Unie via verbonden ondernemingen verliep en vervolgens naar onafhankelijke eindgebruikers ging, en dat het handelsstadium van de uitvoer en van de verkoop op de binnenlandse markt daarom hetzelfde was. |
3.2.4. Dumpingmarge
|
(60) |
Voor de enige medewerkende producent-exporteur heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(61) |
De mate van medewerking vanuit Korea was hoog, aangezien de invoer van de medewerkende producent-exporteur goed was voor ongeveer 100 % van de totale uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Op grond hiervan heeft de Commissie de voor het gehele land geldende dumpingmarge vastgesteld op hetzelfde niveau als die voor de enige producent-exporteur. |
|
(62) |
Onderstaande tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.3. Volksrepubliek China
|
(63) |
Twee producenten-exporteurs, Baosteel en WISCO, hebben aan het onderzoek meegewerkt; en zij vertegenwoordigen ongeveer 100 % van de totale uitvoer naar de EU. Beide ondernemingen voerden uit naar de EU via verbonden importeurs in de Unie. |
|
(64) |
Geen van de medewerkende producenten-exporteurs in de VRC heeft verzocht om een behandeling als marktgericht bedrijf. Daarom is de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een derde land met markteconomie („referentieland”). |
3.3.1. Referentieland
|
(65) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie de belanghebbenden meegedeeld dat zij Korea voorstelde als geschikt referentieland en heeft zij de belanghebbenden uitgenodigd opmerkingen in te dienen. Een partij betoogde dat Korea geen geschikt referentieland was en stelde in plaats daarvan Rusland voor. |
|
(66) |
De Russische binnenlandse markt is relatief gesloten en wordt gedomineerd door één productiegroep. Het marktaandeel van de invoer is zeer gering (minder dan 5 % in 2013) en heeft Rusland heft invoerrechten op GOES (5 %). Bovendien is de soort/kwaliteit van de Russische GOES niet vergelijkbaar is met die van de door de VRC naar de Unie uitgevoerde GOES. Rusland werd derhalve niet beschouwd als een geschikt referentieland. |
|
(67) |
Zoals vermeld in het bericht van opening, heeft de Commissie ook onderzocht of een van de andere betrokken landen, of enig ander derde land met een markteconomie waar GOES worden geproduceerd, zou kunnen worden aangemerkt als geschikt referentieland. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, zijn Brazilië en India de enige andere landen dan de betrokken landen die GOES produceren. |
|
(68) |
Zowel Brazilië als India hebben slechts één GOES-producent en beiden vervaardigen productsoorten die niet vergelijkbaar zijn met de soorten die door de medewerkende producenten-exporteurs in de VRC worden geproduceerd en uitgevoerd. Bovendien heffen beide landen invoerrechten op GOES, en is met name India vooral een invoerend land met een verwaarloosbare binnenlandse productie. Daarom werden Brazilië noch India als geschikt referentieland aangemerkt. |
|
(69) |
Wat Japan en de VS betreft, bleek uit het onderzoek dat beide markten worden gedomineerd door twee binnenlandse producenten en slechts kleine hoeveelheden invoeren. De Japanse en de Amerikaanse binnenlandse markt zijn daarom aan te merken als relatief gesloten voor concurrentie. |
|
(70) |
In Korea is de binnenlandse markt voor GOES relatief open, waarbij de invoer een aanzienlijk marktaandeel heeft (meer dan 20 % in 2013). De Koreaanse producent is een grote producent die grote hoeveelheden op de binnenlandse markt verkoopt en uitvoert. Hij produceert vergelijkbare soorten van het betrokken product als die welke die door de Chinese producenten naar de Unie werden uitgevoerd. Er worden geen douanerechten geheven op de invoer van GOES uit de Unie, de VRC en Japan. |
|
(71) |
De Commissie heeft in dit stadium van de procedure geconcludeerd dat de Korea het meest geschikte referentieland is in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. |
3.3.2. Normale waarde
|
(72) |
Zoals in overweging 64 vermeld, werd de normale waarde voor de twee producenten-exporteurs in de VRC vastgesteld op basis van de prijs of de door berekening vastgestelde normale waarde in het referentieland, in dit geval Korea overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. |
3.3.3. Uitvoerprijs
|
(73) |
De producenten-exporteurs voerden producten naar de Unie uit via handelaars en importeurs die zowel in de VRC als in de Unie gevestigd waren. |
|
(74) |
De uitvoerprijs werd daarom vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van de prijs waartegen het ingevoerde product eerst werd doorverkocht aan de onafhankelijke afnemers in de Unie. In dit geval zijn correcties toegepast voor alle tussen invoer en doorverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor winst van een niet-verbonden importeur. |
3.3.4. Vergelijking
|
(75) |
De Commissie vergeleek de normale waarde zoals vastgesteld in het referentieland met de uitvoerprijs van de producenten-exporteurs in de VRC op basis van de prijs af fabriek. |
|
(76) |
Van één producent-exporteur kon één productsoort niet worden vergeleken met de door de Koreaanse producent vervaardigde productsoorten. Dit was het gevolg van het kernverlies van die specifieke productsoort. In dit geval werd de uitvoerprijs vergeleken met de normale waarde van de meest gelijkende productsoort, die voldeed aan alle kenmerken maar met een zo gelijk mogelijk kernverlies. |
|
(77) |
Wanneer dit werd gerechtvaardigd door de noodzaak om te zorgen voor een billijke vergelijking overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, paste de Commissie de normale waarde en/of de uitvoerprijs aan voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er zijn correcties toegepast voor vervoerkosten, kredietkosten, kosten voor lading, overlading en verpakking en voor bankkosten. |
|
(78) |
De normale waarde is gecorrigeerd zodat deze even zwaar belast wordt als de uitvoerprijs, aangezien een deel van de btw op de uitvoer van GOES uit de VRC niet aan de betrokken ondernemingen werd terugbetaald tijdens het OT. |
3.3.5. Dumpingmarges
|
(79) |
Voor alle medewerkende producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product in het referentieland vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige betrokken productsoort, overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(80) |
Op basis van hun antwoorden op de vragenlijst stelde de Commissie vast dat de twee ondernemingen verbonden waren door een gemeenschappelijke eigenaar. |
|
(81) |
Daarom werd één enkele dumpingmarge vastgesteld voor de twee ondernemingen op basis van het gewogen gemiddelde van hun individuele dumpingmarges. |
|
(82) |
De mate van medewerking is hoog, aangezien de invoer van de medewerkende producenten-exporteurs goed was voor ongeveer 100 % van de totale uitvoer van de VRC naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Op deze basis heeft de Commissie de voor het gehele land geldende dumpingmarge vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge die voor de twee medewerkende producenten-exporteurs is vastgesteld. Onderstaande tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.4. Japan
|
(83) |
Tijdens het onderzoektijdvak waren er in Japan twee producenten-exporteurs, namelijk JFE Steel Corporation en Nippon Steel & Sumitomo Metal One Corporation. Beide producenten-exporteurs hebben aan het onderzoek meegewerkt. De verkoop op de markt van de Unie door één van de producenten-exporteurs gebeurde via een handelaar in Japan. De andere producent-exporteur voerde naar de Unie vooral onverwerkte (niet-geslitte) coils uit, die verder werden verwerkt (geslit) door zijn verbonden onderneming in de Unie. Dezelfde producent-exporteur voerde het betrokken product ook in via een verbonden importeur in de Unie. Op de binnenlandse markt verkochten beide producenten-exporteurs het betrokken product zowel rechtstreeks als via verbonden en niet-verbonden handelaars. |
3.4.1. Normale waarde
|
(84) |
Op basis van de in punt 3.1.1 beschreven algemene methode heeft de Commissie vastgesteld dat voor een van de producenten-exporteurs geen van de op de binnenlandse markt verkochte productsoorten representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. Voor deze producent-exporteur werd daarom van alle productsoorten de normale waarde berekend. |
|
(85) |
Ten aanzien van de andere producent-exporteur heeft de Commissie vastgesteld dat meer dan de helft van de voor uitvoer naar de Unie verkochte productsoorten was te vergelijken met de representatieve verkoop op de binnenlandse markt van deze productsoorten. Daarom werd voor deze productsoorten de werkelijke binnenlandse verkoopprijs gebruikt voor de berekening van de normale waarde, in overeenstemming met de algemene methode. Van de overige productsoorten werd de normale waarde berekend. |
3.4.2. Uitvoerprijs
|
(86) |
Een van de producenten-exporteurs verkocht het betrokken product voor uitvoer naar de Unie via een niet-verbonden handelaar in Japan. Daarom werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen. De gecontroleerde gegevens van deze niet-verbonden handelaar zijn gebruikt om de cif-waarde van de uitvoer vast te stellen. |
|
(87) |
De andere producent-exporteur verkocht het betrokken product via verbonden handelaars in de Unie. De meeste productsoorten werden echter niet doorverkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, aangezien zij verder werden verwerkt (geslit) door een verbonden partij. Bijgevolg heeft de Commissie de uitvoerprijs van de onbewerkte (niet-geslitte) coils overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht, gecorrigeerd voor alle tussen invoer en doorverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van de verwerkingskosten in de Unie, zo nodig gecorrigeerd voor materiaalverlies door het slittingproces, VAA-kosten en winst, teneinde de prijs te herleiden naar de prijs van onbewerkte (niet-geslitte) coils. Bij gebrek aan een andere redelijke benchmark werd daarvoor de winstmarge van een niet-verbonden importeur gebruikt. |
|
(88) |
Voor de productsoorten die werden verkocht in de staat waarin zij via een verbonden importeur werden ingevoerd — dat wil zeggen zonder verdere verwerking in de Unie — werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer werden doorverkocht, gecorrigeerd voor alle tussen invoer en doorverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst van een onafhankelijke importeur. |
3.4.3. Vergelijking
|
(89) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de producenten-exporteurs vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(90) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er werden correcties toegepast voor commissielonen, vrachtkosten, kredietkosten, bankkosten, opslag- en laadkosten en verpakkingskosten. |
|
(91) |
De producent-exporteur heeft krachtens artikel 2, lid 10, onder d), i), van de basisverordening een verzoek om correctie voor verschillen in handelsstadium ingediend, met als argument dat bijna al zijn binnenlandse verkoop naar eindgebruikers ging, terwijl de helft van zijn uitvoer naar de Unie bestemd was voor verbonden of niet-verbonden handelsondernemingen. |
|
(92) |
De Commissie was van oordeel dat de vordering niet voldoende was gemotiveerd. Dit verzoek werd dan ook verworpen. |
3.4.4. Dumpingmarges
|
(93) |
Voor de medewerkende producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(94) |
De mate van medewerking is in dit geval hoog, aangezien de invoer van de medewerkende producenten-exporteurs goed was voor meer dan 100 % van de totale uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak. De Commissie besliste op deze basis om de voor het hele land geldende dumpingmarge vast te stellen op het niveau van de medewerkende onderneming met de hoogste dumpingmarge. |
|
(95) |
Onderstaande tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.5. Russische Federatie
|
(96) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de NLMK-groep de enige producent van het betrokken product in Rusland was. De twee producenten-exporteurs in de groep, OJSC Novolipetsk Steel en VIZ Steel, hebben aan het onderzoek meegewerkt. De hele verkoop op de markt van de Unie vond plaats via een verbonden handelaar in Zwitserland. De verkoop op de binnenlandse markt gebeurde rechtstreeks naar onafhankelijke partijen. |
|
(97) |
Aangezien de informatie afzonderlijk werd verstrekt voor de bovenvermelde producenten-exporteurs, zijn er dumpingberekeningen gemaakt voor elk bedrijf en is er vervolgens een gewogen gemiddelde marge berekend voor de groep als geheel. |
3.5.1. Normale waarde
|
(98) |
De Commissie heeft vastgesteld dat de grootste voor uitvoer naar de Unie verkocht productsoort kon worden vergeleken met een representatieve binnenlandse verkoop van deze productsoort, en dat deze binnenlandse verkoop plaatsvond in het kader van normale handelstransacties. Daarom werd voor deze productsoort de werkelijke binnenlandse verkoopprijs gebruikt voor de berekening van de normale waarde, overeenkomstig de in punt 3.1.1 beschreven algemene methode. Van de overige productsoorten werd de normale waarde berekend. |
|
(99) |
De Russische producenten zijn geïntegreerde ondernemingen, en wel in die mate dat ondernemingen van de groep ijzererts en andere grondstoffen wonnen en leverden aan de GOES-producerende ondernemingen van de groep. De producent-exporteur betoogde dat artikel 2, lid 5, van de basisverordening niet mocht worden toegepast om de productiekosten te corrigeren, omdat de binnenlandse verkoop van deze grondstoffen gebeurde tegen marktprijzen. Voorlopig werd vastgesteld dat er geen correcties moesten worden toegepast, omdat deze grondstoffen binnen de groep tegen dezelfde prijzen werden verkocht als aan derden. |
3.5.2. Uitvoerprijs
|
(100) |
Aangezien beide producenten-exporteurs het betrokken product via een als importeur optredende verbonden onderneming naar de Unie uitvoerde, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. In dit geval werden correcties toegepast voor alle tussen de invoer en de doorverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor winst van een niet-verbonden importeur. |
3.5.3. Vergelijking
|
(101) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de twee verbonden producenten-exporteurs vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(102) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er vonden correcties plaats voor vervoerkosten, verzekeringskosten, kredietkosten en commissielonen. |
3.5.4. Dumpingmarges
|
(103) |
Voor de twee verbonden producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. In dit stadium werden de dumpingmarges van de twee verbonden producenten-exporteurs geconsolideerd voor de berekening van een gewogen gemiddelde marge voor de NLMK-groep. |
|
(104) |
De mate van medewerking van Rusland is hoog, aangezien de invoer van de medewerkende producenten-exporteurs goed was voor 100 % van de totale uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Op grond hiervan heeft de Commissie besloten om de voor het gehele land geldende dumpingmarge te baseren op het niveau van NLMK groep. |
|
(105) |
Onderstaande tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
3.6. Verenigde Staten van Amerika
|
(106) |
De enige medewerkende producent-exporteur verkocht het betrokken product naar de markt van de Unie via een verbonden importeur in Nederland. De verkoop op de binnenlandse markt gebeurde rechtstreeks naar onafhankelijke partijen. |
3.6.1. Normale waarde
|
(107) |
Op basis van de algemene methode als beschreven in punt 3.1.1 heeft de Commissie vastgesteld dat de meeste productsoorten die door de medewerkende producent-exporteur in de VS op de binnenlandse markt werden verkocht, niet identiek of vergelijkbaar waren met die welke werden uitgevoerd,en derhalve niet representatief waren in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. Voor deze productsoorten werd de normale waarde berekend volgens de algemene methode. Voor de overige productsoorten werd de normale waarde vastgesteld op basis van de binnenlandse prijzen. |
3.6.2. Uitvoerprijs
|
(108) |
De enige medewerkende producent-exporteur voerde uit naar de Unie via een verbonden importeur in de EU. |
|
(109) |
Een klein deel van de productsoorten wordt niet doorverkocht in de staat waarin deze soorten worden ingevoerd, aangezien zij verder worden verwerkt (geslit) in de EU. Aangezien de cif-waarde van de uitvoer die aan de grens van de Unie voor deze verkopen wordt gedeclareerd, de waarde van de onverwerkte (niet-geslitte) rollen is, stelde de Commissie de uitvoerprijs van de onverwerkte (niet-geslitte) rollen van de uitvoer vast in overeenstemming met artikel 2, lid 9, van de basisverordening. |
|
(110) |
Dit werd gedaan door de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst werd doorverkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie te corrigeren voor alle tussen invoer en doorverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van de verwerkingskosten in de Unie, zo nodig gecorrigeerd voor gewichtsverlies, VAA-kosten en winst, teneinde de prijs te herleiden tot de prijs van onbewerkte (niet-geslitte) rollen. Bij gebrek aan een andere redelijke benchmark werd daarvoor de winstmarge van een niet-verbonden importeur gebruikt. |
|
(111) |
Voor de verkopen die niet verder werden verwerkt, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening door de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst werd doorverkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie te corrigeren voor alle tussen invoer en doorverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor winst van een niet-verbonden importeur. |
3.6.3. Vergelijking
|
(112) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de enige producent-exporteur vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(113) |
Waar dat met het oog op een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er zijn correcties toegepast voor de kosten van vervoer, op- en overslag, verpakking, krediet, en servicekosten. |
3.6.4. Dumpingmarge
|
(114) |
Voor de enige medewerkende producent-exporteur heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(115) |
Het niveau van medewerking was hoog. Daarom heeft de Commissie besloten om de voor het gehele land geldende dumpingmarge te baseren op het niveau van de enige producent exporteur. |
|
(116) |
Onderstaande tabel bevat de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
4. SCHADE
4.1. Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(117) |
In de Unie zijn er zes producenten die het betrokken product vervaardigen. Op basis van de beschikbare informatie uit de klacht, zijn er geen andere producenten van het betrokken product in de Unie. Daarom vormen deze zes producenten de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(118) |
De totale productie in de Unie in het onderzoektijdvak werd bepaald op ongeveer 340 000 ton. De Commissie baseerde dit cijfer op alle informatie die over de bedrijfstak van de Unie beschikbaar was, zoals de informatie afkomstig van de klager en van alle bekende producenten in de Unie. De zes in de steekproef opgenomen producenten vertegenwoordigen 100 % van de totale productie van het soortgelijke product in de Unie. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(119) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van de verkoop op de markt van de Unie van a) alle bekende producenten in de Unie en b) de invoer in de EU uit alle derde landen volgens Eurostat, tevens rekening houdend met de gegevens die zijn overgelegd door de medewerkende producenten in de betrokken landen. |
|
(120) |
Wat Japan betreft, moet worden opgemerkt dat tijdens de beoordelingsperiode een groot deel van de invoer van het betrokken product in Nederland werd gerapporteerd onder een vertrouwelijke GN-code (4). Daarom worden in onderstaande tabel over het verbruik in de Unie en in de andere desbetreffende tabellen over de omvang en waarde van de invoer marges vermeld. |
|
(121) |
Het aldus berekende verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt:
|
|||||||||||||||||||||||||
|
(122) |
De Commissie heeft gegevens verkregen voor de gehele activiteit van het betrokken product en bepaald of de productie bestemd was voor intern gebruik of voor de vrije markt. De Commissie heeft vastgesteld dat slechts een klein deel (ongeveer 0,4 % van het totale verbruik) van de productie van de producenten in de Unie voor intern gebruik was bestemd. Dit deel werd vaak eenvoudigweg overgedragen en/of geleverd voor interne verrekenprijzen binnen dezelfde onderneming of groep ondernemingen voor verdere verwerking. Gezien de omvang van de markt voor intern gebruik verstoord deze het beeld van de schade niet. |
|
(123) |
Vanaf begin 2003 was er een ongekende toename van de vraag naar transformatoren, zodat de vraag naar het betrokken product toenam en de prijzen stegen. Dit leidde vanaf 2003/2004 tot een aanzienlijk stijgende capaciteit bij de producenten van transformatoren en GOES. Met een lichte vertraging, maar zeker vanaf het jaar 2011, maakte de markt echter wereldwijd ( met inbegrip van de Unie) een aanzienlijke daling van het verbruik door, die ook de producenten van transformatoren raakte. |
|
(124) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam het verbruik in de Unie af met ongeveer 11 %. De daling van het verbruik is voornamelijk toe te schrijven aan een daling van de vraag bij de verwerkende bedrijven, in dit geval de producenten van transformatoren. |
4.3. Invoer uit de betrokken landen
4.3.1. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen
|
(125) |
De Commissie heeft onderzocht of de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening cumulatief moest worden beoordeeld. |
|
(126) |
De dumpingmarges die werden vastgesteld ten aanzien van de invoer uit de VRC, Japan, Korea, Rusland en de VS lagen alle boven de de-minimisdrempel die in artikel 9, lid 3, van de basisverordening is vastgelegd. |
|
(127) |
De invoer uit elk van de betrokken landen was niet te verwaarlozen in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. |
|
(128) |
De concurrentievoorwaarden tussen de met dumping ingevoerde producten uit de betrokken landen en het soortgelijke product waren vergelijkbaar. |
|
(129) |
De ingevoerde producten concurreerden met elkaar en met het in de Unie geproduceerde betrokken product, aangezien zij worden verkocht aan dezelfde categorieën van eindgebruikers. |
|
(130) |
Aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening werd dus voldaan en de invoer uit de betrokken landen werd voor de schadevaststelling cumulatief beoordeeld. |
|
(131) |
Producenten-exporteurs uit de VS en Japan betwistten de toepassing van een cumulatieve beoordeling. Beide betoogden dat hun invoer in de beoordelingsperiode is afgenomen en dat zij de prijzen van de producenten in de Unie niet onderboden. |
|
(132) |
Ondanks de daling van de invoer uit Japan en de VS in de beoordelingsperiode heeft deze invoer met dumping ook bijgedragen aan de zware prijsdruk op het betrokken product op de markt van de Unie. Hun invoer geschiedt met dumping en hun producten zijn duidelijk in rechtstreekse concurrentie met EU-producten en met producten afkomstig van andere producenten-exporteurs. Er wordt nog altijd voldaan aan de voorwaarden voor een cumulatieve beoordeling van de effecten van de invoer uit de vijf betrokken landen. Alle soorten GOES, met inbegrip van de door de Japanse en Amerikaanse producenten-exporteurs verkochte soorten, worden verkocht voor toepassing bij de productie van transformatorkernen en zij worden verkocht aan dezelfde, relatief beperkte, groep van afnemers. Daarom heeft de Commissie deze argumenten voorlopig verworpen. |
4.3.2. Omvang en marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen
|
(133) |
De Commissie heeft de omvang van de invoer vastgesteld op basis van Eurostat-gegevens en van de gegevens die zijn ingediend door de medewerkende producenten in de betrokken landen. Het marktaandeel van de ingevoerde producten werd op basis van Eurostat-gegevens vastgesteld. |
|
(134) |
Zoals reeds vermeld, is gedurende de beoordelingsperiode een groot deel van de invoer van het betrokken product uit Japan in Nederland vermeld onder een vertrouwelijke GN-code. Daarom worden in onderstaande tabel over de invoer uit de betrokken landen marges vermeld. |
|
(135) |
De invoer in de Unie uit de betrokken landen heeft zich als volgt ontwikkeld:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(136) |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de invoer uit de betrokken landen in absolute cijfers tijdens de beoordelingsperiode enigszins is afgenomen. Het totale marktaandeel van de invoer met dumping in de Unie steeg tijdens de beoordelingsperiode echter met ongeveer drie procentpunten. |
4.3.3. Prijzen van de ingevoerde producten uit de betrokken landen en prijsonderbieding
|
(137) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van Eurostat-gegevens en van de gegevens die zijn ingediend door de medewerkende producenten in de betrokken landen. |
|
(138) |
De gewogen gemiddelde prijzen van de invoer in de Unie uit de betrokken landen hebben zich als volgt ontwikkeld:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(139) |
De gemiddelde prijzen van de invoer met dumping daalden van 1 813 EUR/ton in 2011 tot 1 263 EUR/ton in het onderzoektijdvak. Tijdens de beoordelingsperiode bedroeg de daling van de gemiddelde prijs per eenheid van de invoer met dumping ongeveer 30 %. |
|
(140) |
De Commissie stelde de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vast aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(141) |
De prijzen werden per productsoort vergeleken na aftrek van rabatten en verminderingen, voor transacties op hetzelfde handelsniveau en ze zijn, indien nodig, gecorrigeerd. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt in procenten van de omzet van de producenten in de Unie tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(142) |
Ondanks de daling van de gemiddelde prijzen hebben de producenten-exporteurs de prijzen van de bedrijfstak van de Unie niet onderboden. In het algemeen waren de prijzen van de bedrijfstak van de Unie gelijk of lagen zij nauwelijks hoger. Uit de vergelijking bleek in het algemeen, dat er geen sprake was van onderbieding. Slechts één Japanse producent-exporteur bleek de prijzen van de bedrijfstak van de Unie te onderbieden met 0,50 %. |
|
(143) |
Dat er geen sprake is van onderbieding, betekent echter niet dat de uitvoerprijzen geen schade kunnen hebben veroorzaakt. De prijzen van de bedrijfstak van de Unie waren het gevolg van de sterke prijsdruk als gevolg van de goedkope invoer met dumping. Door de overcapaciteit op de wereldmarkt als gevolg van de groei van de markt in de jaren 2003-2010, is er tijdens de beoordelingsperiode een hevige prijsconcurrentie tussen de Unie en de producenten-exporteurs ontstaan. |
|
(144) |
Agressieve prijsstrategieën werden vooral op de markt van de Unie toegepast, en zij waren voor de producenten-exporteurs gemakkelijker vol te houden dan voor de producenten in de Unie, en wel om de volgende redenen: Ten eerste is het marktaandeel van de producenten-exporteurs op hun binnenlandse markt veel groter dan het marktaandeel van de producenten van de Unie in de Unie. De markt van de Unie is een open markt, terwijl de binnenlandse markten van de producenten-exporteurs uit de betrokken landen — zoals vermeld in punt 3.3.1 Referentieland — niet gemakkelijk toegankelijk zijn voor andere concurrenten, inclusief producenten in de Unie. In de tweede plaats realiseren de meeste producenten-exporteurs op hun thuismarkt hoge winsten, zodat zij een ruime marge hebben om tegen dumpingprijzen, en zelfs met verlies, op de markt van de Unie kunnen verkopen. Met name de Japanse en Amerikaanse producenten-exporteurs verkopen met verlies op de markt van de Unie. Tijdens de beoordelingsperiode maakten de producenten in de Unie zowel op de markt van de EU als buiten de EU verlies. |
|
(145) |
In deze omstandigheden is de vraag of de verkoopprijzen van producenten-exporteurs al dan niet onder de reeds tot verlies lijdende prijzen van de bedrijfstak van de Unie liggen, niet doorslaggevend. De doorslaggevende factor voor de vaststelling van de schade is eerder dat de producenten in de Unie geen andere keuze hadden dan onder de kostprijs te verkopen om — gezien de sterke prijsdruk op hun verkoopprijzen — hun marktaandeel te verdedigen en een economisch productieniveau te handhaven. |
|
(146) |
De Russische producent-exporteur voerde aan dat een correctie moest worden toegepast voor de kwaliteitsverschillen tussen het betrokken product dat door deze producent-exporteur wordt geproduceerd en verkocht en het soortgelijke product dat door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd. De kwaliteit van het door hem geproduceerde product zou per soort aanzienlijk namelijk aanzienlijk lager zijn dan de kwaliteit van het EU-product. |
|
(147) |
Deze bewering werd niet met bewijzen gestaafd en er was in het dossier geen bewijs voorhanden dat er per productsoort een kwaliteitsverschil is tussen de Russische uitvoer en de productie in de Unie. Het argument is daarom voorlopig verworpen. In het belang van een billijke vergelijking van productsoorten werd echter voorlopig aanvaard dat de Russische producten van de „tweede en derde keuze” niet mogen worden vergeleken met producten van de bedrijfstak van de Unie van de „eerste en tweede keuze”. |
|
(148) |
Een ander bezwaar betrof het handelsstadium. Er werd betoogd dat een correctie voor een verschil in handelsstadium gerechtvaardigd was, aangezien NLMK uitsluitend via een handelaar verkoopt, terwijl de ondernemingen van de EU ook rechtstreeks aan eindgebruikers verkopen. Dit argument werd echter voorlopig verworpen, omdat uit het onderzoek niet was gebleken dat dit verschil in handelsstadium gevolgen had voor de prijzen. Met name is niet aangetoond dat er sprake is van permanente en duidelijke prijsverschillen tussen deze handelsstadia. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.4.1. Algemene opmerkingen
|
(149) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. Voor de vaststelling van de schade maakte de Commissie geen onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren, omdat alle bekende producenten in de Unie de „bedrijfstak van de Unie” vormen in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. Bij het beoordelen van de schade-indicatoren ging de Commissie uit van de gegevens die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in hun antwoorden op de vragenlijst hadden verstrekt en gegevens afkomstig van de klager. |
4.4.1.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(150) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(151) |
In de totale beoordelingsperiode daalde de productie van de bedrijfstak van de Unie met 17,2 %. |
|
(152) |
De opgegeven capaciteitscijfers betreffen de technische capaciteit, hetgeen inhoudt dat correcties, beschouwd als de normen van de bedrijfstak, voor opstarttijden, onderhoud, knelpunten en andere normale onderbrekingen, in aanmerking zijn genomen. De capaciteit daalde licht in de loop van de beoordelingsperiode. |
|
(153) |
Een aantal producenten in de Unie heeft tijdens de beoordelingsperiode geïnvesteerd in de modernisering van de bestaande productieapparatuur om in verhouding meer soorten met een hoge permeabiliteit dan conventionele soorten te kunnen produceren. Dit had echter geen invloed op de productiecapaciteit in de beoordelingsperiode. |
|
(154) |
De daling van de bezettingsgraad was het gevolg van een lichte stijging van de productiecapaciteit in combinatie met een afname van de productie. Tijdens de beoordelingsperiode bedroeg de daling 15 procentpunten. |
4.4.1.2. Verkoopvolume en marktaandeel
|
(155) |
Wat Japan betreft, moet worden opgemerkt dat tijdens de beoordelingsperiode een groot deel van de invoer van het betrokken product in Nederland werd gerapporteerd onder een vertrouwelijke GN-code. Daarom worden in onderstaande tabel over het verkoopvolume en het marktaandeel marges vermeld. |
|
(156) |
Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(157) |
De omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie daalde in de beoordelingsperiode met 11,4 %, van ongeveer 189 000-204 000 ton in 2011 tot 167 000-182 000 ton tijdens het OT. Deze daling begon reeds vóór de beoordelingsperiode, aangezien in 2010 het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie 210 693 ton bedroeg. |
|
(158) |
Tijdens de beoordelingsperiode nam het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie licht af van 51,7 %-58,4 % tot 51,1 %-57,6 %). Ook hier begon de daling reeds vóór de beoordelingsperiode, aangezien de bedrijfstak van de Unie in 2010 nog een marktaandeel had van 60,6 %. Deze afname van het marktaandeel viel samen met de afname van het verbruik, maar de afname van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie overtrof de afname van het verbruik. Bovendien werd de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de voortdurende druk op de prijzen door de producenten-exporteurs gedwongen zijn verkoopprijzen te verlagen, om een verdere inkrimping van zijn marktaandeel te voorkomen. |
4.4.1.3. Groei
|
(159) |
Het verbruik in de Unie nam tijdens de beoordelingsperiode af met ongeveer 11 %, terwijl de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie daalde met 11,4 %. De bedrijfstak van de Unie heeft dus iets aan marktaandeel verloren, in tegenstelling tot het marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen, dat in de beoordelingsperiode licht is gestegen. |
4.4.1.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(160) |
De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(161) |
De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie is in de beoordelingsperiode aanzienlijk gedaald als gevolg van de genomen besluiten om de productie te verminderen. Dit heeft geleid tot een vermindering van het aantal werknemers met 9 % tijdens de beoordelingsperiode. De productiviteit van de arbeidskrachten van de bedrijfstak van de Unie, uitgedrukt in productie per werknemer per jaar, daalde in een lager tempo dan de daling van de werkelijke productie. Laatstgenoemde indicator is echter geen relevante indicator om te bepalen of de bedrijfstak van de Unie efficiënt is, met name omdat de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode relatief meer soorten met een hoge permeabiliteit heeft geproduceerd. De productie van soorten met een hoge permeabiliteit van het betrokken product vergt dunner materiaal en dus minder tonnage, ondanks de hogere kosten om deze soorten van het betrokken product te produceren. |
4.4.1.5. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(162) |
Alle dumpingmarges lagen significant boven het minimale niveau. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke hoge dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren niet te verwaarlozen, gezien de omvang en de prijzen van de invoer uit de betrokken landen. |
|
(163) |
Er zijn maatregelen tegen Rusland genomen van 2005-2008 en tegen de VS van 2005-2010, maar momenteel zijn er geen handelsbeschermende maatregelen tegen dit product in de EU. Daarom waren er geen recente gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen. |
4.4.1.6. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(164) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de producenten in de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie hebben zich in de boordelingsperiode als volgt ontwikkeld:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(165) |
Bovenstaande tabel laat de ontwikkeling zien van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie per eenheid in vergelijking met de productiekosten, die hoofdzakelijk bestaan uit grondstoffen, dat wil zeggen warmgewalste coils, die gemiddeld ongeveer 50 % tot 58 % uitmaken van de totale productiekosten tijdens de beoordelingsperiode. Dit geeft blijk van een aanzienlijke druk op de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie. Tijdens de beoordelingsperiode daalden de verkoopprijzen gemiddeld sterker dan de productiekosten. Bovendien lagen de verkoopprijzen tijdens de beoordelingsperiode gemiddeld lager dan de productiekosten per eenheid, met uitzondering van 2011. Dit heeft geleid tot aanzienlijke verliezen voor de producenten in de Unie, en deze situatie deed zich voor in een periode waarin de gemiddelde verkoopprijzen van de invoer met dumping aanzienlijk zijn gedaald, waardoor de producenten in de Unie voortdurend onder druk werden gezet. De producenten in de Unie waren gedwongen hun verkoopprijzen te verlagen om hun marktaandeel te behouden. |
4.4.1.7. Loonkosten
|
(166) |
De gemiddelde loonkosten van de producenten in de Unie ontwikkelden zich in de boordelingsperiode als volgt:
|
|||||||||||||||||||||||||
|
(167) |
Tijdens de beoordelingsperiode is het gemiddelde loon per werknemer licht gestegen, maar was de stijging nog steeds lager dan de totale stijging van de lonen in de Unie. In elk geval is de werkgelegenheid, zoals reeds vermeld in overweging 161, gedaald. |
4.4.1.8. Voorraden
|
(168) |
De voorraden van de producenten in de Unie ontwikkelden zich tijdens de boordelingsperiode als volgt:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(169) |
Tijdens de beoordelingsperiode is het niveau van de voorraden relatief stabiel gebleven. De meeste soorten van het soortgelijke product worden door de bedrijfstak van de Unie geproduceerd op basis van specifieke bestellingen van de gebruikers. Dit betekent dat de voorraden niet kunnen worden beschouwd als een belangrijke schade-indicator voor deze bedrijfstak. |
4.4.1.9. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(170) |
De winstgevendheid, kasstroom, investeringen en het rendement van investeringen van de producenten in de Unie lieten tijdens de beoordelingsperiode de volgende ontwikkeling zien:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(171) |
De Commissie stelde de winstgevendheid van de producenten in de Unie vast door het nettoverlies vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de desbetreffende omzet. Zoals blijkt uit de tabel in overweging 164, is de verkoopprijs per eenheid aan niet-verbonden afnemers in de Unie gedaald met 26,5 %, als gevolg van de zware prijsdruk door de invoer met dumping. Bovendien werkten de producenten in de Unie in 2011 nog dicht bij het break-evenpoint, maar in 2012 en 2013 zijn de verliezen aanzienlijk gestegen en bedroegen zij uiteindelijk, ondanks de inspanningen van de bedrijfstak van de Unie om de kosten — onder meer door personeelsinkrimpingen en tijdelijke arbeidscontracten — te optimaliseren, rond – 22 % in het onderzoektijdvak. |
|
(172) |
De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De tendens in de nettokasstroom vertoonde dezelfde neerwaartse tendens als de winstgevendheid en werd negatief, om niet te zeggen onhoudbaar. |
|
(173) |
Ondanks de tijdens de beoordelingsperiode opgelopen verliezen bleven de investeringen in deze hele periode op een niveau van meer dan 23 miljoen EUR per jaar. Deze investeringen waren vooral bestemd voor de modernisering van het machinepark voor de vervaardiging van soorten met een hoge permeabiliteit van het betrokken product. |
|
(174) |
Het rendement van investeringen is in principe de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. Als gevolg van de geleden verliezen was het rendement van de investeringen in de beoordelingsperiode negatief. Het vertoonde dezelfde neerwaartse trend als de winstgevendheid. Het vermogen om kapitaal aan te trekken werd geschaad door de verliezen tijdens de beoordelingsperiode. Zo heeft een producent in de Unie een grote investering in de ontwikkeling van GOES-soorten met een hoge permeabiliteit uitgesteld tot 2015. |
4.5. Conclusie over schade
|
(175) |
Ondanks de concrete maatregelen van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode om de efficiëntie te verbeteren door kosten te besparen en de productiekosten goed in de hand te houden, onder meer door personeelsinkrimpingen en tijdelijke werkregelingen, is de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk verslechterd: de verliezen ontwikkelden zich van – 0,8 % in 2011 tot – 22,3 % tijdens het OT. In vergelijking met 2010 is de daling van de winst nog drastischer, aangezien de bedrijfstak van de Unie gedurende het jaar 2010 nog een winst van 14 % wist te bereiken. |
|
(176) |
Bovendien is het volume van de verkoop op de markt van de Unie gedaald met 11,4 %, de verkoopprijzen per eenheid met 26,5 %, de productie met 17,2 % en de bezettingsgraad met ongeveer 15 %. Verder is de werkgelegenheid verminderd met 9 %. Bijgevolg hebben de verliezen een onhoudbaar niveau bereikt. |
|
(177) |
In de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval — waarin producenten-exporteurs in het algemeen de prijzen van de bedrijfstak van de Unie niet onderboden — is de beslissende factor voor de vaststelling van de schade dat de producenten in de Unie gedwongen waren om onder de kostprijs te verkopen omdat een aanzienlijk deel van de producenten-exporteurs niet alleen verkocht tegen dumpingprijzen, maar zelfs met verlies, en daarmee de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie zwaar onder druk zetten. |
|
(178) |
Als gevolg van de verliezen gedurende de beoordelingsperiode als gevolg van de hierboven beschreven factoren, vertoonden de andere indicatoren zoals de kasstroom en het rendement op investeringen dezelfde neerwaartse tendens als de winstgevendheid. |
|
(179) |
Rekening houdend met het bovenstaande heeft de Commissie in dit stadium van het onderzoek geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden, die blijkt uit alle grote schade-indicatoren in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
|
(180) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie ook onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren aanmerkelijke schade had kunnen lijden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit de betrokken landen, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Deze factoren zijn: De economische crisis en de daling van de vraag, de producenten in de Unie die niet voldoende concurrerend zijn, de invoer uit derde landen, de uitvoer van de prestaties van de producenten in de Unie, en de „aangevoerde overcapaciteit” van de Europese staalindustrie. |
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(181) |
De verkoopprijzen van de producenten-exporteurs zijn gemiddeld gedaald van 1 813 EUR per ton in 2011 tot 1 263 EUR per ton in het OT. Door hun verkoopprijs per eenheid tijdens de beoordelingsperiode voortdurend te verlagen, slaagden de producenten uit de betrokken landen erin hun marktaandeel te vergroten (van 40,2 %-46,9 % in 2011 tot 41,8 %-48,3 % in het OT). Door deze prijsdaling ontstond tijdens de beoordelingsperiode een hevige prijsconcurrentie tussen de producenten in de Unie en de producenten-exporteurs. |
|
(182) |
De sterke daling van de prijzen van de producenten-exporteurs uit de betrokken landen tijdens de beoordelingsperiode, vaak met verlies, veroorzaakte schade aan de bedrijfstak van de Unie: de producenten in de Unie waren gedwongen hun prijzen te verlagen, en de verkopen met verlies om een zeker verkoopvolume en marktaandeel te behouden. Dit had evenwel nadelige gevolgen voor de winstgevendheid, die negatief werd en tijdens het OT het onhoudbare niveau van – 22,3 % bereikte. Het is duidelijk dat indien de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet had verlaagd tot onder de productiekosten, hij zijn marktaandeel zeer snel zou hebben verloren en gedwongen zou zijn om de productie te verminderen en de productiefaciliteiten te sluiten. |
|
(183) |
Gezien het duidelijk vastgestelde tijdsverband tussen enerzijds de omvang van de invoer met dumping tegen steeds lagere prijzen en anderzijds de verliezen van de bedrijfstak van de Unie van het verkoopvolume en de prijsdaling die resulteerden in een verlieslijdende situatie, wordt geconcludeerd dat de invoer met dumping de oorzaak was van de schade voor de bedrijfstak van de Unie. Zelfs al worden de prijzen niet voortdurend onderboden, er is sprake van een agressieve prijsstelling, voornamelijk op de markt van de Unie, die op lange termijn alleen houdbaar is voor de producenten-exporteurs. Dit is het geval omdat zij, anders dan de producenten in de Unie, in beginsel zeer goede winsten boeken op de binnenlandse markt, waar zij zeer hoge marktaandelen hebben. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
5.2.1. De economische crisis
|
(184) |
De economische crisis heeft in de beoordelingsperiode geleid tot een daling van de vraag in de EU, gevolgd door dalende verkoopprijzen. Terwijl de crisis de GOES-markten op de hele wereld raakte, is het echter opmerkelijk dat de producenten-exporteurs op hun binnenlandse markten niet zulke schade leden. Ter illustratie kan worden opgemerkt dat de USTR (5) (publicatie 4491 van september 2014, deel VII, Conclusie, blz. 36) tot de conclusie kwam dat de bedrijfstak van de VS op dat moment geen aanmerkelijke schade leed. Ook verkochten de Japanse, Russische en Koreaanse producenten hun producten tegen een soms aanzienlijke winst op hun respectieve thuismarkten. |
|
(185) |
Voorlopig kan worden geconcludeerd dat de economische crisis niet de belangrijkste oorzaak van de schade voor de bedrijfstak van de EU is en het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade voor de bedrijfstak van de Unie niet verbreekt. |
5.2.2. De producenten in de Unie zijn niet voldoende concurrerend
|
(186) |
Sommige belanghebbende partijen hebben aangevoerd dat de producenten in de Unie niet voldoende concurrerend zijn als gevolg van verhoudingsgewijs hogere kosten van grondstoffen, energie (met name elektriciteit) en arbeid. |
|
(187) |
Mogelijkerwijs hebben de producenten van de Unie een comparatief nadeel wanneer hun kosten voor grondstoffen en elektriciteit worden vergeleken met die van bepaalde producenten-exporteurs, zoals in Rusland en de VS. |
|
(188) |
Deze argumenten kunnen echter niet voldoende verklaren waarom de bedrijfstak van de Unie winstgevend was in de jaren vóór de beoordelingsperiode, aangezien dit mogelijke comparatieve nadeel hoogstwaarschijnlijk ook bestond in de voorgaande periode. Bovendien heeft de bedrijfstak van de Unie vanaf 2011 kostenbesparingen gerealiseerd, die tot een vermindering van de arbeidskosten en de productiekosten per eenheid hebben geleid. Dit argument is daarom voorlopig verworpen. |
5.2.3. Invoer uit derde landen
|
(189) |
De invoer uit andere derde landen heeft zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(190) |
De invoer uit de betrokken landen vormt de overgrote meerderheid van alle invoer in de Unie. De andere invoer is tijdens de beoordelingsperiode met 63,8 % gedaald. Gezien de geringe omvang van de invoer (1 891 ton) en het kleine marktaandeel (0,6 %) aan het eind van het OT, is er duidelijk geen aanwijzing waaruit blijkt dat andere invoer schadelijke gevolgen had voor de bedrijfstak van de Unie. |
5.2.4. Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie
|
(191) |
De uitvoer van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie heeft zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(192) |
De uitgevoerde hoeveelheid van de producenten in de Unie voor verkoop aan niet-verbonden afnemers nam tijdens de beoordelingsperiode met 22,7 % af. Om te kunnen blijven concurreren met de andere producenten op de markten van derde landen, waren de producenten in de EU gedwongen hun uitvoerprijs te verlagen. Toch bedroeg de omvang van de uitvoer 45,6 % van de totale productie aan het einde van het OT, tegenover 48,9 % in 2011, wat neerkomt op een verlies van 3,3 percentpunten in een relatief korte periode. |
|
(193) |
De uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie hebben dan ook bijgedragen aan de schade, maar niet in die mate dat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade werd verbroken, en wel om de volgende redenen. In de eerste plaats moet de lagere verkoopprijs per eenheid (1 139 EUR per ton op de exportmarkten) die door de producenten in de Unie in rekening worden gebracht in vergelijking met die op de EU-markt (1 235 EUR per ton) moet worden gezien in het licht van het feit dat deze verkoop ook een groot deel van de GOES van de tweede kwaliteit van de producenten in de EU omvat, die hoofdzakelijk worden uitgevoerd en die tegen een lagere prijs worden verkocht dan hun GOES van de eerste kwaliteit. In de tweede plaats maakt de verkoop binnen de EU (172 410 ton) in vergelijking met de omvang van de uitvoer (155 239 ton) het merendeel van de verkoop van de producenten in de Unie uit. In de derde plaats houdt de verslechterende uitvoerprestatie verband met het feit dat de markten in de betrokken landen, die belangrijke handelspartners van de Unie zijn, relatief gesloten en moeilijk toegankelijk zijn. In dit verband wordt geconcludeerd dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie op een hoog niveau zijn gebleven. Indien de uitvoer niet was gehandhaafd op een dergelijk niveau in een situatie die wordt gekenmerkt door een sterke prijsdruk door de invoer met dumping, vaak met verlies, dan waren de verloren gegane schaalvoordelen en de impact op de productiekosten per eenheid van de bedrijfstak van de Unie zelfs nog hoger zijn geweest. |
5.2.5. De overcapaciteit van de Europese staalindustrie
|
(194) |
Sommige belanghebbenden voerden aan dat niet de invoer uit de betrokken landen, maar de structurele problemen van de staalsector van de Unie, zoals overcapaciteit, de oorzaak waren van de schade aan de bedrijfstak van de Unie, die bestaat uit verticaal geïntegreerde staalproducenten. |
|
(195) |
Het negatieve effect van deze factor kan echter niet worden toegeschreven aan de GOES-producenten in de EU. Zoals blijkt uit de analyse van de schade, hebben de producenten in de Unie concrete stappen ondernomen om de efficiëntie te verbeteren; zo werd bijvoorbeeld de geproduceerde hoeveelheid verlaagd met 70 482 ton (– 17,2 %), daalde het aantal werknemers met 251 VTE (– 9 %) en daalden de kosten per eenheid met 11 %. |
|
(196) |
Bovendien is er geen significante overcapaciteit voor conventionele soorten van het betrokken product op de markt van de Unie. Aangezien de producenten in de Unie bovendien overschakelen naar een productmix met lagere kernverliezen, zal de gebruikte capaciteit voor de productie van conventionele soorten van het betrokken product blijven dalen. |
|
(197) |
Tot dusver is uit het onderzoek niets gebleken van structurele problemen in de Unie die konden worden aangewezen als oorzaak van de schade. Het probleem voor de producenten van de Unie is eerder, dat zij als gevolg van de invoer met dumping uit Japan, Korea, de VS en de VRC, bij steeds dalende prijzen niet meer in staat zijn om meer soorten van het betrokken product met een met een hoge permeabiliteit te produceren (en te verkopen). Bij de conventionele soorten van het betrokken product worden de producenten van de Unie geconfronteerd met een te hoog aanbod door de invoer met dumping uit Rusland, die de prijzen van deze soorten van het betrokken product onder druk zet. De aangevoerde overcapaciteit, zo hiervan al sprake is, is eerder het gevolg van de invoer met dumping dan een oorzaak van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
5.2.6. De invoer uit Rusland betreft de conventionele soorten
|
(198) |
De Russische exportgroep voerde aan dat de schade uitsluitend optrad bij de hoge kwaliteit en niet bij de conventionele GOES-producten, waarvan de productie en de verkoop volgens hen houdbaar was. Daarom was de uitvoer uit Rusland volgens hen in de onderhavige zaak niet aan te merken als oorzaak van de schade. |
|
(199) |
Alle producenten in de Unie, ook diegenen die uitsluitend conventionele soorten GOES produceren, hebben aanmerkelijke schade geleden in termen van productievolume, verkoopvolume, marktaandeel, verkoopprijzen en winst. Hieruit blijkt duidelijk dat dit argument niet gegrond was. |
5.3. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(200) |
Er was een voorlopig oorzakelijk verband vastgesteld tussen de door de producenten in de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de betrokken landen. Er is een duidelijke samenhang tussen de sterke daling van, met name, de prijzen van de invoer met dumping en de daling van de prestaties van de Unie. De bedrijfstak van de Unie heeft getracht zijn prijsniveau te handhaven in 2011, maar had vervolgens geen andere keuze dan zich aan te passen aan het prijsniveau van de invoer met dumping, teneinde zijn marktaandeel vast te houden of ten minste een verdere inkrimping te vermijden. Dit leidde tot een verlieslijdende situatie die niet houdbaar is. |
|
(201) |
De Commissie heeft de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie gescheiden van de negatieve gevolgen van de invoer met dumping en heeft deze twee elementen afzonderlijk bekeken. Van de andere geïdentificeerde factoren, zoals de economische crisis, de bewering dat de bedrijfstak van de Unie niet voldoende concurrerend is, de invoer uit derde landen, de uitvoerprestaties van de producenten in de Unie en de overcapaciteit van de bedrijfstak van de Unie, werd voorlopig vastgesteld zij het hierboven vastgestelde oorzakelijke verband niet verbreken, zelfs niet indien zij tezamen worden genomen. De daling van het verbruik en de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie kunnen enigszins hebben bijgedragen aan de schade, maar als de prijzen van de invoer met dumping niet voortdurend zouden dalen, was de situatie van de bedrijfstak van de Unie ongetwijfeld niet zo sterk aangetast. Met name zouden de verkoopprijzen niet tot een dermate laag niveau zijn gedaald. |
|
(202) |
Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, werd veroorzaakt door de invoer met dumping uit de betrokken landen en dat de andere factoren, individueel of tezamen, het oorzakelijk verband niet hebben verbroken. |
6. BELANG VAN DE UNIE
|
(203) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of duidelijk kon worden geconcludeerd dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen te nemen, ondanks de vaststelling van schade veroorzakende dumping. Het belang van de Unie werd vastgesteld aan de hand van een afweging van alle belangen van de betrokkenen, met inbegrip van die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers, en de belangen van het overheidsbeleid met betrekking tot het betrokken product zoals die zijn vervat in Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) („richtlijn inzake ecologisch ontwerp”). |
6.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(204) |
De bedrijfstak van de Unie bevindt zich in verschillende lidstaten (VK, Frankrijk, Duitsland, Tsjechië, Polen en Zweden), en meer dan 2 500 werknemers zijn rechtstreeks werkzaam in verband met het betrokken product. |
|
(205) |
Alle bekende producenten in de Unie hebben aan het onderzoek meegewerkt. Geen van de bekende producenten had bezwaar tegen het instellen van het onderzoek. Zoals in het bovenstaande is aangetoond bij het analyseren van de schade-indicatoren, verslechterde de situatie van de gehele bedrijfstak van de Unie en werd de bedrijfstak geconfronteerd met de negatieve gevolgen van de invoer met dumping. |
|
(206) |
Verwacht wordt dat de instelling van voorlopige antidumpingrechten tot een herstel van eerlijke handelsvoorwaarden op de markt van de Unie zal leiden, en zo een einde zal maken aan de neerwaartse prijsdruk en de bedrijfstak van de Unie in staat zal stellen te herstellen. Dit zou leiden tot een verbetering van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie naar een niveau dat noodzakelijk wordt geacht voor deze kapitaalintensieve industrie. De bedrijfstak van de Unie heeft aanmerkelijke schade geleden als gevolg van de invoer met dumping vanuit de betrokken landen. Er zij aan herinnerd dat alle schade-indicatoren gedurende de beoordelingsperiode een negatieve trend lieten zien. In het bijzonder ondervonden de schade-indicatoren met betrekking tot de financiële prestaties van alle bekende producenten in de Unie, zoals de winstgevendheid en de kasstroom, zeer negatieve gevolgen. Het is daarom belangrijk dat de prijzen tot een niveau worden opgetrokken waarbij de dumping- of schademarge wordt geneutraliseerd en dat de concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie weer billijk worden. Als er geen maatregelen worden genomen, lijkt een verdere verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie zeer waarschijnlijk. |
|
(207) |
Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de instelling van antidumpingrechten in het belang van de bedrijfstak van de Unie is. De instelling van antidumpingmaatregelen zou de bedrijfstak van de Unie in staat stellen te herstellen van de gevolgen van de vastgestelde schadelijke dumping. |
6.2. Belang van de niet-verbonden importeurs
|
(208) |
Voor de niet-verbonden importeurs was geen steekproef noodzakelijk, aangezien slechts twee niet-verbonden importeurs zich hadden gemeld en volledig medewerkten aan het onderzoek door de vragenlijst te beantwoorden. |
|
(209) |
De activiteiten in verband met het betrokken product waren goed voor bijna 100 % van de totale omzet van de eerste onafhankelijke importeur, terwijl zij slechts een zeer klein gedeelte van de totale omzet van de tweede uitmaakten. Zij maakten beide bezwaar tegen het eventueel instellen van antidumpingmaatregelen, daar zij van oordeel waren dat dit kon leiden tot het stilvallen van de invoer van het betrokken product. |
|
(210) |
De eerste niet-verbonden importeur heeft zijn activiteiten gestaakt na het OT. Deze niet-verbonden importeur verhandelde niet alleen hele coils rechtstreeks met klanten in de Unie, maar sneed en slitte ook rollen alvorens ze aan de afnemers in de Unie te verzenden. |
|
(211) |
De andere importeur voerde slechts kleine hoeveelheden van het betrokken product in, dat slechts een klein deel van zijn omzet uitmaakte. Op grond daarvan wordt voorlopig geconcludeerd dat, gezien het geringe aandeel van het betrokken product in de totale activiteiten van deze importeur, de instelling van maatregelen geen ernstige negatieve gevolgen voor het belang van deze importeur in de Unie zal hebben. |
|
(212) |
Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de instelling van voorlopige maatregelen geen significante negatieve gevolgen zal hebben voor het belang van de importeurs van de Unie. |
6.3. Belang van de gebruikers
6.3.1. Inleiding
|
(213) |
Het betrokken product wordt voornamelijk toegepast als kernmateriaal voor de vervaardiging van stroom- en distributietransformatoren. Transformatorproducenten in Europa zijn een sinds lang gevestigde bedrijfstak die van oudsher aan grote energieleveranciers levert. Zij maken in het algemeen deel uit van grote industriële groeperingen die wereldwijd actief zijn. Er zijn echter ook enkele kleinere onafhankelijke ondernemingen op de markt en sommige van hen zijn actief in specifieke nichemarkten zoals core cutting. |
|
(214) |
Het betrokken product wordt beschouwd als een belangrijke kostenpost voor de gebruikers. Op basis van de verzamelde gegevens maakt het betrokken product als grondstof gemiddeld ongeveer 6 % tot 13 % van de totale productiekosten van transformatoren uit. Dit percentage kan hoger zijn in bepaalde uitzonderlijke gevallen, voor een beperkt aantal bedrijven die geplaatst zijn tussen de producenten van het betrokken product en de producenten van transformatoren. De activiteiten van deze tussenbedrijven zijn beperkt tot het overlangs slitten van stroken en het snijden van gelamineerde producten op basis van de specificaties van de transformatorproducenten van de rollen en/of het assembleren van kernen voor de transformatoren. |
|
(215) |
Sommige gebruikers beweerden dat de producten van de producenten-exporteurs kwalitatief beter zijn wat kernverliezen en geluidsniveaus betreft. Zij betoogden ook dat als maatregelen worden ingesteld, de bedrijfstak van de Unie niet over voldoende capaciteit zou beschikken om de verwerkende bedrijven te bevoorraden, met name met de soorten met een hoge permeabiliteit, hetgeen zou leiden tot een ontoereikend aanbod. |
|
(216) |
Ook werd aangevoerd dat de invoer uit de betrokken landen nodig was om een betere onderhandelingspositie te verschaffen aan ondernemingen die GOES-producten invoeren en gebruiken. Zij voerden dus aan dat de instelling van maatregelen zou leiden tot een vermindering van de hun concurrentievermogen ten opzichte van de transformatorproducenten die buiten de Unie zijn gevestigd, ook omdat de instelling van maatregelen zou leiden tot een aanzienlijke prijsstijging. Een dergelijke prijsstijging zou leiden tot een verlies van orders en een verkleining van het marktaandeel in de Unie en tot een eventueel besluit tot verplaatsing van de productie naar buiten de Unie. |
|
(217) |
Om deze twee hoofdargumenten te kunnen beoordelen, heeft de Commissie rekening gehouden met de volgende marktstructuur. Wereldwijd zijn er slechts 16 grote producenten van het betrokken product. Er zijn twee producenten in Japan en de VS, één in Rusland en Korea, vier in de VRC en zes in de Unie (namelijk vijf staalbedrijven en één slittingbedrijf). De markt in de Europese Unie telt dus het hoogste aantal producenten. De Japanse en de Amerikaanse producenten hebben in de Europese Unie een bijzonder goed georganiseerd distributienetwerk, want zij beschikken over hun eigen dienstverlenende bedrijven voor de staalindustrie en/of verbonden importeurs in de Europese Unie. Bovendien blijkt dat niet alle 16 producenten in staat zijn om bepaalde soorten met een hoge permeabiliteit van het betrokken product te leveren. De producenten van het betrokken product met een hoge permeabiliteit zijn gevestigd in de Unie, de VS, Japan, Korea en de VRC. |
|
(218) |
Wat het standpunt van de gebruikers betreft, bleek uit het onderzoek dat de medewerkende gebruikers, die goed waren voor ongeveer 40 % van alle invoer van GOES uit de betrokken landen, in het onderzoektijdvak respectievelijk 48 % van de producenten uit de betrokken landen en 52 % van de producenten in de Unie afnamen. |
6.3.2. Ontoereikend aanbod en verschillen in kwaliteit
|
(219) |
Ten aanzien van de bewering dat de maatregelen zouden leiden tot een ontoereikend aanbod van het betrokken product, merkt de Commissie op dat antidumpingrechten niet tot doel hebben de markt van de Unie af te sluiten voor ingevoerde producten, maar om de billijke handelsvoorwaarden te herstellen door de gevolgen van schade veroorzakende dumping te beëindigen. Derhalve wordt niet verwacht dat de invoer uit de betrokken landen zal worden stopgezet, maar dat zij tegen prijzen zal worden voortgezet die geen dumpingprijzen zijn en of die ten minste geen schade veroorzaken. |
|
(220) |
Wat de kwaliteit van het betrokken product betreft, moet worden opgemerkt dat het product van een Japanse producent wordt beschouwd als de benchmark voor kwaliteit in de GOES-industrie en in de transformatorenindustrie. Niettemin wordt van twee producenten in de Unie algemeen erkend dat zij bepaalde kwaliteitssoorten van het betrokken product met lage kernverliezen kunnen produceren. Bovendien maken andere producenten in de Unie nu een inhaalslag, en hebben zij besloten om verhoudingsgewijs meer soorten met een hoge permeabiliteit dan conventionele soorten van het betrokken product te produceren, ook als gevolg van de eerste uitvoeringsfase van Verordening (EU) nr. 548/2014 van de Commissie (7) (verordening inzake ecologisch ontwerp) (zie verder). |
|
(221) |
Als er geen antidumpingmaatregelen zouden worden ingesteld, zou het onzeker zijn of de bedrijfstak van de Unie zou kunnen voortgaan met de ontwikkeling van zijn GOES-soorten met een hoge permeabiliteit, die nodig zijn voor de uitvoering van fase 1 van Verordening (EU) nr. 548/2014, rekening houdend met de geaccumuleerde verliezen sinds 2011. |
|
(222) |
Gezien de onbenutte productiecapaciteit van de producenten in de Unie en hun permanente strategie om in de nabije toekomst verhoudingsgewijs meer soorten met een hoge permeabiliteit dan conventionele soorten van het betrokken product te produceren, wordt het niet aannemelijk geacht dat de bedrijfstak van de Unie niet over voldoende capaciteit beschikt om de verwerkende bedrijven te bevoorraden, in het bijzonder met bepaalde soorten met een hoge permeabiliteit. In dit verband zijn de producenten in de Unie van mening dat zij in staat zouden zijn om 144 000 ton aan GOES-soorten met een hoge permeabiliteit te produceren in de loop van het jaar 2015. |
|
(223) |
Deze ramingen worden bestreden door een gebruiker, die stelde dat de bedrijfstak van de Unie in de loop van het jaar 2015 hooguit slechts 90 000 ton aan soorten met een hoge permeabiliteit zou kunnen produceren. Bij gebrek aan verdere onderbouwing van deze bewering, was de Commissie in dit stadium niet in staat de juistheid ervan te controleren. Maar zelfs als de raming van de gebruiker juist zou blijken, dus dat de capaciteit van de producenten in de Unie niet voldoende is om in de toekomst aan de vraag in de Unie te voldoen, zou dat op zichzelf niet doorslaggevend zijn. Het belang van de Unie vereist niet dat de vraag in de Unie volledig moeten worden gedekt door de productie in de Unie. In alle gevallen is het doel van het antidumpingrecht om gelijke concurrentievoorwaarden te herstellen op de markt van de Unie. Daarom zal naar verwachting de invoer uit de betrokken landen de markt van de Unie blijven bevoorraden, maar tegen eerlijke prijzen. Daarom heeft de Commissie voorlopig geconcludeerd dat niet is onderbouwd dat het waarschijnlijk is dat de instelling van maatregelen zou leiden tot een ontoereikend aanbod van GOES-soorten met een hoge permeabiliteit. |
|
(224) |
Deze vaststelling is onder voorbehoud van nader onderzoek van de vraag of bepaalde bijzonder hoogwaardige soorten met een hoge permeabiliteit en/of in de DR-kwaliteit in aanmerking komen voor een afzonderlijke analyse in het definitieve stadium, op basis van aanvullende informatie die nog moet worden ingediend. |
6.3.3. Concurrentievermogen van de gebruikers in de Unie
|
(225) |
Omdat de invoer uit de betrokken landen naar verwachting zal worden voortgezet, zij het in beperkte mate, en het betrokken product nog bij andere leveranciers kan worden aangekocht, is het argument dat antidumpingrechten tot een monopolie voor de bedrijfstak in de Unie zullen leiden, ongegrond. De bedrijfstak van de Unie bestaat uit meer dan één producent, en tot dusverre hebben zij actief met elkaar geconcurreerd. |
|
(226) |
Sommige partijen voerden aan dat het monopolie van de bedrijfstak van de Unie betrekking had op bepaalde soorten, namelijk soorten met een hoge permeabiliteit, die wereldwijd slechts door weinig producenten kunnen worden vervaardigd. In dat verband wordt opgemerkt dat in het kader van de onderhavige antidumpingprocedure alle soorten van het betrokken product als een enkel product moeten worden beschouwd. Het onderzoek — inclusief het onderzoek naar het belang van de Unie — moest derhalve worden verricht voor het betrokken product als geheel en bepaalde soorten mochten niet afzonderlijk worden behandeld. |
|
(227) |
Onverminderd het bovenstaande, werden sommige soorten van het betrokken product met een hoge permeabiliteit inderdaad alleen geproduceerd door een beperkt aantal producenten in de Unie, de VS, Japan, Korea en de VRC. Deze producenten blijven naar verwachting na de instelling van de maatregelen echter beschikbaar, met inbegrip van die uit de betrokken landen, zij het tegen prijzen die geen dumpingprijzen zijn of die ten minste geen schade veroorzaken. Derhalve kan worden verwacht dat er ook voor deze specifieke producttypen voldoende concurrentie zal blijven. |
|
(228) |
Bovendien zullen de maatregelen naar verwachting slechts beperkte gevolgen hebben, en wel om de volgende redenen. Het verwachte effect van de voorgestelde maatregelen werd geraamd op basis van het gegeven dat het betrokken product als grondstof gemiddeld ongeveer 6 % tot 13 % van de totale productiekosten van transformatoren uitmaakt. Een stijging van 30 % van de GOES-prijs zou een stijging van hooguit 3 % van de kosten van een transformator kunnen veroorzaken. Dit is echter het meest pessimistische scenario, waarbij ervan wordt uitgegaan dat niet alleen de invoerprijzen, maar ook de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met 30 % zullen stijgen. Het is echter waarschijnlijker dat de gevolgen veel minder ingrijpend zijn, aangezien mag worden verwacht dat producenten in de Unie willen profiteren van een geringe prijsverhoging in combinatie met toegenomen schaalvoordelen. Daardoor heeft de instelling van de maatregelen van het voorgestelde niveau waarschijnlijk slechts een beperkt effect op de prijzen van transformatoren en de werkgelegenheid in de verwerkende industrie. |
|
(229) |
Bovendien zal de invoer tegen billijke prijzen de gebruikers niet onevenredig benadelen, aangezien de prijzen tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn gedaald. Zelfs verhoogd met rechten van 30 % zullen de prijzen over het algemeen nog altijd rond het prijspeil van 2011 liggen. Ook moet in aanmerking worden genomen dat, volgens de verzamelde gegevens, over het geheel genomen de meerderheid van de medewerkende gebruikers winst maakten met het betrokken product. |
|
(230) |
Tot slot betrekken de gebruikers een aanzienlijk deel van de verkoop van GOES, met inbegrip van de soorten met een hoge permeabiliteit, bij de bedrijfstak van de Unie. De aanhoudende prijsdruk als gevolg van de invoer met dumping kan leiden tot bedrijfssluitingen in de Unie. Indien geen antidumpingmaatregelen worden genomen, kan niet worden uitgesloten dat de verwerkende bedrijven uitsluitend op invoer zullen zijn aangewezen, vooral voor de soorten met een hoge permeabiliteit, hetgeen voor de concurrentie en voor de verwerkende bedrijven zeker nadelig zou zijn. |
6.3.4. Conclusie over het belang van de gebruikers
|
(231) |
Gezien het bovenstaande luidt de voorlopige conclusie dat het instellen van maatregelen niet tegen het belang van de gebruikers zou ingaan. De Commissie kon in dit stadium echter niet instemmen met het argument dat de instelling van maatregelen zou leiden tot een ontoereikend aanbod van GOES-soorten met een hoge permeabiliteit. Ook concludeerde zij dat het concurrentievermogen van de verwerkende bedrijven zou worden aangetast door de instelling, zij het met geringere gevolgen voor de kosten en de werkgelegenheid dan wordt beweerd. |
6.4. Andere factoren
|
(232) |
Een aantal belanghebbenden heeft gewezen op de richtlijn inzake ecologisch ontwerp, die voorziet in een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten, door de invoering van verplichte minimumvereisten voor de energie-efficiëntie van deze producten. De richtlijn beoogt het terugdringen van het energieverbruik in de Unie door een betere energie-efficiëntie van elektrische apparaten. |
|
(233) |
De richtlijn inzake ecologisch ontwerp wordt ten uitvoer gelegd door middel van productspecifieke regelgeving die rechtstreeks van toepassing is in alle EU-landen. De verordening inzake ecologisch ontwerp betreft de nieuwe eisen inzake ecologisch ontwerp voor kleine, middelgrote en grote vermogenstransformatoren. In artikel 1 van de verordening inzake ecologisch ontwerp wordt het toepassingsgebied vastgesteld (geldig voor het op de markt introduceren of de ingebruikneming van vermogenstransformatoren met een minimumvermogen van 1kVA die in 50 Hz-hoogspannings- en distributienetwerken of voor industriële toepassingen worden gebruikt. De verordening inzake ecologisch ontwerp is alleen van toepassing op transformatoren die na de inwerkingtreding van de verordening zijn aangekocht. Reeks 1 van deze verordening zou van toepassing zijn vanaf 1 juli 2015. In het algemeen wordt aangenomen dat de verordening inzake ecologisch ontwerp zal leiden tot de productie en verkoop van verhoudingsgewijs meer soorten met een relatief hoge permeabiliteit van het betrokken product. De productie van transformatoren met conventionele soorten van het betrokken product zou worden voortgezet, zij het op kleinere schaal. |
|
(234) |
Daarom stellen juridisch bindende normen de doelstelling vast om te zorgen voor een toereikende aanvoer, ongeacht de oorsprong ervan, van GOES van hoge kwaliteit voor de productie en het in de handel brengen van transformatoren in Europa. Weliswaar staat vast dat de vraag naar soorten met een hoge permeabiliteit zal stijgen, maar de omvang van deze vraag in de toekomst is vooralsnog niet duidelijk, aangezien de belanghebbende partijen tot dusver geen relevante, op feiten gebaseerde prognoses hebben ingediend. Toch heeft de Commissie, zoals reeds aangegeven, voorlopig geconcludeerd dat er het op basis van feiten niet waarschijnlijkheid is dat de instelling van maatregelen zou leiden tot een ontoereikend aanbod van GOES-soorten met een hoge permeabiliteit, dat zou afdoen aan de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de genoemde richtlijn. |
6.5. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(235) |
In het licht van het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de instelling van maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat zou stellen weer winstgevend te worden en de nodige toekomstige investeringen te doen om de kwaliteitscategorieën te vervaardigen en te ontwikkelen die nodig zijn om te voldoen aan de effeciëntiedoelstellingen van de verordening inzake ecologisch ontwerp voor 2021 (de zogenaamde tweede fase van de verordening inzake ecologisch ontwerp). |
|
(236) |
Zonder de invoering van maatregelen zou het niet zeker zijn of de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productcategorieën met een hoge permeabiliteit verder te ontwikkelen en uiteindelijk te overleven, ook gezien de sinds 2011 geleden geaccumuleerde verliezen en het negatieve rendement van de investeringen. |
|
(237) |
Wat het belang van de gebruikers betreft, heeft de instelling van de maatregelen op het voorgestelde niveau slechts een beperkt effect op de prijzen van transformatoren en de werkgelegenheid in de verwerkende industrie. |
|
(238) |
Met betrekking tot de doelstelling van de verordening inzake ecologisch ontwerp om te zorgen voor een toereikende aanvoer van GOES met een hoge permeabiliteit op de markt van de Unie om redenen van energie-efficiëntie, is niet aangetoond dat deze doelstelling in deze fase zou worden ondermijnd door de oplegging van de maatregelen. |
|
(239) |
Gezien het bovenstaande is de Commissie in dit stadium van het onderzoek per saldo tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen zijn om te besluiten dat het niet in het belang van de Unie is om maatregelen in te stellen op de invoer van GOES uit de betrokken landen. Deze vaststelling is onder voorbehoud van nader onderzoek van de vraag of bepaalde bijzonder hoogwaardige soorten met een hoge permeabiliteit en/of in de DR-kwaliteit in aanmerking komen voor een afzonderlijke analyse in het definitieve stadium, op basis van aanvullende informatie die nog moet worden ingediend. |
7. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(240) |
Gelet op de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie, moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
7.1. Schadeopheffend prijsniveau (schademarge)
|
(241) |
Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie eerst de hoogte van het recht vastgesteld, die nodig is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen. |
|
(242) |
De schade zou worden opgeheven als de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productiekosten te dekken en op de verkoop van het soortgelijke product op de markt van de Unie een winst vóór belasting te behalen, die redelijkerwijs door een bedrijfstak van dit type in de sector bij normale concurrentie, dat wil zeggen zonder dat er sprake is van invoer met dumping, kan worden bereikt. Gedurende de gehele beoordelingsperiode, dus van 2011 tot eind 2013 en gedurende het OT, was de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie negatief. De klager verzocht de Commissie om 14 % van de omzet toe te passen; dit was de gemiddelde winst vóór belasting op de verkoop die in 2010 door de producenten in de Unie werd gerealiseerd. Deze gemiddelde winstmarge in 2010 werd echter als uitzonderlijk hoog beschouwd, ook rekening houdend met de geleden verliezen vanaf 2011 en de exploderende prijzen, zelfs in 2010, voor het betrokken product op de wereldmarkt. Daarom kan een winst van 14 % niet worden geacht te zijn gerealiseerd in normale marktomstandigheden. |
|
(243) |
Op basis van de beschikbare gegevens werd voorlopig vastgesteld dat een winstmarge van 5 % op de omzet kon worden beschouwd als een passende winst die kan worden bereikt wanneer er geen sprake is van invoer met dumping. Dit percentage werd ook gebruikt tijdens het vorige onderzoek (8), toen de verkoop van de bedrijfstak van de Unie winstgevend werd, mede gezien de stijgende vraag van de verwerkende bedrijven en een bevredigend prijsniveau. Deze winst behaalde de bedrijfstak van de Unie in 2001. De volgende jaren konden niet in aanmerking worden genomen, aangezien de markt werd aangetast door invoer met dumping. |
|
(244) |
Voorts verwijst de Commissie naar overweging 157 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/110 van de Commissie (9) waarbij ook een winstmarge van 5 % werd gebruikt. In dit verband zijn er ten minste twee gemeenschappelijke kenmerken op dit geval van toepassing: ten eerste zijn beide producten geproduceerd in dezelfde bedrijfstak, en ten tweede maken in beide gevallen warmgewalste coils het grootste deel van de productiekosten uit. |
|
(245) |
Op basis hiervan heeft de Commissie voor het soortgelijke product een geen schadeveroorzakende prijs berekend voor de bedrijfstak van de Unie door bovengenoemde winstmarge van 5 % toe te voegen aan de productiekosten van de bekende producenten in de Unie. |
|
(246) |
De Commissie heeft vervolgens het schadeopheffende prijsniveau op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs van de medewerkende producenten-exporteurs in de betrokken landen, zo nodig gecorrigeerd voor invoerkosten en douanerechten, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schadeveroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de bekende producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Als uit deze vergelijking een verschil naar voren kwam, werd dit uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer. |
7.2. Voorlopige maatregelen
|
(247) |
Voorlopige antidumpingmaatregelen voor de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen moeten worden ingesteld, in overeenstemming met de regel van het laagste recht in artikel 7, lid 2, van de basisverordening. De Commissie heeft de schademarges en de dumpingmarges vergeleken. Het bedrag van de rechten moet worden vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de schademarge indien deze lager is. |
|
(248) |
Gelet op het voorgaande zijn de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt:
|
|
(249) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen dan ook de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Op het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor „alle andere ondernemingen” geldt. Zij mogen niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(250) |
Een bedrijf kan om de toepassing van deze individuele antidumpingrechten verzoeken indien het de naam van zijn entiteit verandert of een nieuwe productie- of verkoopentiteit vestigt. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (10). Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten, waaronder: wijziging van de activiteiten van de onderneming met betrekking tot productie, verkoop in binnen- en buitenland in verband met, bijvoorbeeld, de naamsverandering of de verandering in de productie-en verkoopentiteiten. De Commissie zal de lijst van bedrijven met individuele antidumpingrechten bijwerken, indien dit gerechtvaardigd is. |
|
(251) |
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het voor alle andere ondernemingen vastgestelde antidumpingrecht niet alleen gelden voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd. |
8. SLOTBEPALINGEN
|
(252) |
Met het oog op een behoorlijk bestuur nodigt de Commissie de belanghebbenden uit schriftelijk te reageren en/of binnen een vaste termijn een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen. |
|
(253) |
De bevindingen betreffende de instelling van voorlopige rechten zijn voorlopig en kunnen in het definitieve stadium van het onderzoek worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal met een dikte van meer dan 0,16 mm, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7225 11 00 en ex 7226 11 00 (Taric-codes 7225 11 00 10, 7226 11 00 11 en 7226 11 00 91), van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Japan, de Republiek Korea, de Russische Federatie en de Verenigde Staten van Amerika.
2. Het voorlopige antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Land |
Onderneming |
Voorlopig antidumpingrecht |
Aanvullende Taric-code |
|
Volksrepubliek China |
Baoshan Iron & Steel Co., Ltd, Shanghai; Wuhan Iron & Steel Co., Ltd, Wuhan |
28,7 % |
C039 |
|
Alle andere ondernemingen |
28,7 % |
C999 |
|
|
Japan |
JFE Steel Corporation, Tokyo |
34,2 % |
C040 |
|
Nippon Steel & Sumitomo Metal Corporation, Tokyo, Japan |
35,9 % |
C041 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
35,9 % |
C999 |
|
|
Republiek Korea |
POSCO, Seoul |
22,8 % |
C042 |
|
Alle andere ondernemingen |
22,8 % |
C999 |
|
|
Russische Federatie |
OJSC Novolipetsk Steel, Lipetsk; VIZ Steel, Ekaterinburg |
21,6 % |
C043 |
|
Alle andere ondernemingen |
21,6 % |
C999 |
|
|
Verenigde Staten van Amerika |
AK Steel Corporation, Ohio |
22,0 % |
C044 |
|
Alle andere ondernemingen |
22,0 % |
C999 |
3. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Binnen 25 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening kunnen belanghebbenden:
|
— |
verzoeken om mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld; |
|
— |
hun schriftelijke opmerkingen indienen bij de Commissie; en |
|
— |
een hoorzitting aanvragen met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
2. Binnen de 25 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening kunnen de partijen als bedoeld in artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 opmerkingen doen toekomen over de toepassing van de voorlopige maatregelen.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1 is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 12 mei 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Japan, de Republiek Korea, Rusland en de Verenigde Staten van Amerika (PB C 267 van 14.8.2014, blz. 6).
(3) De zesde bekende producent in de Unie, Surahammars Bruks AB, is gevestigd in Zweden, en is een volledige dochteronderneming van Tata Steel UK Limited. Informatie van de eerstgenoemde onderneming is opgenomen in de onderstaande gegevens over de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie.
(4) Om in dit geval de aard van de in Nederland ingevoerde goederen te verbloemen, hebben deze goederen overeenkomstig de praktijk van Eurostat een vertrouwelijke productcode gekregen (zie http://ec.europa.eu/eurostat/documents/64445/4439642/FAQ-XT-WEB-EN-final-January2012.pdf/2c387c03-5064-45bc-a949-2d3c75567973).
(5) United States Trade Representative.
(6) Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).
(7) Verordening (EU) nr. 548/2014 van de Commissie van 21 mei 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot kleine, middelgrote en grote vermogenstransformatoren (PB L 152 van 22.5.2014, blz. 1).
(8) Verordening (EG) nr. 1371/2005 van de Raad van 19 augustus 2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op gewalste platte producten met georiënteerde korrel van siliciumstaal uit de Verenigde Staten van Amerika en Rusland en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 151/2003 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op plaat met georiënteerde korrel van siliciumstaal uit Rusland (PB L 223 van 27.8.2005, blz. 1).
(9) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/110 van de Commissie van 26 januari 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde gelaste buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Belarus, de Volksrepubliek China en Rusland en tot beëindiging van de procedure betreffende bepaalde gelaste buizen en pijpen van ijzer of van niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 6).
(10) Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, 1049 Brussel, BELGIË.