31.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/31


BESLUIT (EU) 2015/1321 VAN DE COMMISSIE

van 23 juni 2010

betreffende steunmaatregel C 38/07 (ex NN 45/07) door Frankrijk ten uitvoer gelegd ten gunste van Arbel Fauvet Rail SA

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 4112)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea (1),

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben verzocht hun opmerkingen kenbaar te maken (2),

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Procedure voor de Commissie

(1)

Door een klacht kreeg de Commissie kennis van bepaalde steunmaatregelen die Frankrijk ten gunste van Arbel Fauvet Rail SA (hierna „AFR” genoemd) ten uitvoer had gelegd. Op 28 januari 2006, 25 oktober 2006, 30 januari 2007 en 6 juni 2007 heeft Frankrijk aanvullende inlichtingen verschaft.

(2)

Bij schrijven van 12 september 2007 heeft de Commissie Frankrijk in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden ten aanzien van deze steun.

(3)

Frankrijk heeft zijn opmerkingen ingediend op 12 oktober 2007 en op 18 en 19 december 2007.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de formele onderzoekprocedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie (3) bekendgemaakt. De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel te maken.

(5)

De Commissie heeft geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen.

(6)

Op 2 april 2008 heeft de Commissie ten aanzien van de maatregelen in kwestie een negatieve beschikking (4) gegeven met een bevel tot terugvordering (hierna „de oorspronkelijke AFR-beschikking” genoemd).

(7)

Tegen de oorspronkelijke AFR-beschikking werd op 9 juli 2008 beroep ingesteld door de Région Nord-Pas-de-Calais (zaak T-267/08) en op 17 juli 2008 door de Communauté d'Agglomération du Douaisis (zaak T-279/08). Eén van de middelen tot nietigverklaring die door de verzoekende partijen is genoemd, was het feit dat de berekening van het steunelement ontoereikend gemotiveerd was. De verzoekende partijen hebben tevens aangevoerd dat de Commissie een duidelijke beoordelingsfout zou hebben begaan door AFR abusievelijk als onderneming in moeilijkheden aan te merken.

1.2.   Het arrest-Biria

(8)

De berekening van het steunbedrag in de oorspronkelijke AFR-beschikking van 2 april 2008 berustte op een in een eerdere beschikking van de Commissie betreffende steunmaatregel C 38/2005 „Biria-groep” (hierna „de Biria-beschikking” genoemd) (5) ontworpen methode.

(9)

Bij de beroepen (6) van 5 april 2007 (zaak T-102/07) respectievelijk 16 april 2007 (zaak T-120/07) werd tegen de Biria-beschikking beroep tot nietigverklaring ingesteld door de steunverlenende respectievelijk de rechtsopvolger van de begunstigden van de steun. Op 3 maart 2010 (7) werd de Biria-beschikking door het Gerecht nietig verklaard.

(10)

Alhoewel het Gerecht de redenering van de Commissie grotendeels bevestigde, werd de beschikking echter nietig verklaard omdat een specifiek punt ontoereikend gemotiveerd was. Het Hof van Justitie was van oordeel dat de Commissie zich er in haar motivering betreffende de berekening van de risicopremies bij het vaststellen van het bedrag van het steunelement in een lening aan een onderneming in moeilijkheden niet toe kon beperken slechts te verwijzen naar de Mededeling van de Commissie van 1997 over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (8) (hierna „de mededeling van 1997 betreffende de referentiepercentages” genoemd).

1.3.   Intrekking

(11)

De oorspronkelijke AFR-beschikking verwijst uitdrukkelijk naar de overweging in de Biria-beschikking die aanleiding was tot de nietigverklaring van deze beschikking door het Gerecht. De redenering in de Biria-beschikking en die in de oorspronkelijke AFR-beschikking berustten, wat de toe te passen risicopremie betreft, op soortgelijke elementen.

(12)

De Commissie stelt, in het licht van het arrest in de zaak-Biria, dan ook vast dat de oorspronkelijke AFR-beschikking van 2 april 2008 niet rechtens genoegzaam is gemotiveerd wat het niveau van de toe te passen risicopremie betreft. Aangezien deze beschikking niet definitief is geworden, moet zij dan ook worden ingetrokken en moet een nieuw besluit worden vastgesteld.

2.   BESCHRIJVING VAN DE STEUN

2.1.   De begunstigde onderneming

(13)

AFR is een bouwer van spoorwegmateriaal die gespecialiseerd is in goederenwagons en tank- en tankcontainerwagons. Het gaat om een van de grootste producenten op de Europese markt voor rollend materieel. De onderneming is gevestigd in Dowaai (Nord-Pas-de-Calais) en had in 2008 ongeveer 265 werknemers in dienst.

(14)

In 2005 was AFR voor 100 % in handen van Arbel SA (9). AFR had toentertijd ongeveer 330 werknemers in dienst.

(15)

De exploitatie van AFR is al meerdere jaren verliesgevend. Vanaf 2001 namen de financiële problemen van de onderneming toe. Deze trend werd nog versterkt in de periode 2002-2005. Onderstaande tabel geeft enkele kerncijfers voor de prestaties van AFR in de periode vóór de steunverlening.

 

31.12.2004

31.12.2003

31.12.2002

31.12.2001

Omzet (in EUR)

22 700 000

42 700 000

42 000 000

70 000 000

Nettoresultaat (in EUR)

– 11 589 620

– 14 270 634

– 2 083 746

– 10 500 000

Eigen vermogen (in EUR)

– 21 090 000

– 23 000 000

– 8 700 000

– 6 600 000

2.2.   De steunmaatregelen

(16)

Op 4 juli 2005 hebben de Région Nord-Pas-de-Calais en de Communauté d'agglomération du Douaisis elk een terugbetaalbaar voorschot van 1 miljoen EUR aan AFR toegestaan, samen dus 2 miljoen EUR.

(17)

Volgens de door de Franse autoriteiten verschafte inlichtingen waren de voorwaarden voor deze voorschotten als volgt:

het terugbetaalbare voorschot van de Région Nord-Pas-de-Calais werd verleend tegen een rente van 4,08 % per jaar (hetgeen overeenstemt met het communautaire referentiepercentage op het tijdstip van de steunverlening), op voorwaarde dat AFR het financieringsplan waaraan zij werkte, zou „rondkrijgen”. Dit voorschot diende in halfjaarlijkse termijnen te worden terugbetaald over een periode van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari 2006;

het terugbetaalbare voorschot van de Communauté d'agglomération du Douaisis werd verleend tegen een rente van 4,08 % per jaar (hetgeen overeenstemt met het communautaire referentiepercentage op het tijdstip van de steunverlening) op dezelfde voorwaarden voor terugbetaling als voor het voorschot van de Région en mits het bewijs werd geleverd van de onomkeerbare fusie van AFR met Lomafer, een andere onderneming onder de zeggenschap van Arbel SA. Dit voorschot diende eveneens in halfjaarlijkse termijnen te worden terugbetaald over een periode van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari 2006.

3.   REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKPROCEDURE

(18)

In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure was de Commissie van oordeel dat de terugbetaalbare voorschotten staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormden. In dat verband deed de Commissie met name opmerken dat met genoemde voorschotten aan AFR een voordeel werd verleend omdat de onderneming, gelet op haar financiële situatie, op de financiële markt tegen dergelijke gunstige voorwaarden geen middelen had kunnen aantrekken.

(19)

Voorts was de Commissie van oordeel dat AFR een onderneming in moeilijkheden was in de zin van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (hierna „de richtsnoeren” genoemd) (10) en dat de verenigbaarheid van de steun die de onderneming had gekregen bijgevolg aan die richtsnoeren diende te worden getoetst. Volgens de Commissie viel de verenigbaarheid van de betrokken steun met de interne markt te betwijfelen in het licht van de richtsnoeren.

4.   OPMERKINGEN VAN FRANKRIJK

(20)

De Franse autoriteiten hebben aangevoerd dat AFR misschien wel een moeilijke fase doormaakte in de periode waarin de terugbetaalbare voorschotten werden toegekend en uitgekeerd (namelijk juli en het tweede halfjaar 2005), maar dat de onderneming toch steeds het vertrouwen van haar klanten en banken heeft weten te behouden.

(21)

Ter staving daarvan hebben de Franse autoriteiten de volgende elementen aangedragen, die zij als „blijken van vertrouwen” van de klanten en banken ten aanzien van AFR bestempelden:

de bank […] (*1) heeft het voorschot in rekening-courant voor AFR verhoogd met 2 miljoen EUR (gegarandeerd door […]);

AFR heeft van haar klanten 7 miljoen EUR aan voorschotten ontvangen (gegarandeerd door […]), waarbij nog 4 miljoen EUR aan nieuwe voorschotten van januari 2006 moeten worden gerekend;

de onderneming kon in diezelfde periode ook voor 4 miljoen EUR „leveranciers”-garanties genieten bij […].

(22)

De Franse autoriteiten hebben hun opmerkingen gestaafd met documenten die met name aangeven dat:

de rente voor het voorschot in rekening-courant per 1 juli 2005 4,4199 % bedroeg;

het bedrag van de diverse uitstaande garanties (leveranciers, uitvoeringsgaranties, financiële garanties) die door […] aan AFR waren verleend, op 6 mei 2005 29 miljoen EUR beliep.

(23)

De Franse autoriteiten betoogden voorts dat AFR maatregelen had ontworpen „gericht op herstel van de orderportefeuille, de bedrijfsactiviteit, de operationele activiteiten en de winst-en-verliesrekening”. Deze maatregelen, die door de Franse autoriteiten als „herstructureringsplan” werden aangemerkt, waren op drie krachtlijnen gericht: a) een nieuwe verkoopstrategie (gericht op het bereiken van een betere positionering van de producten van AFR); b) inkrimping van het personeelsbestand,en c) een financierings- en herkapitalisatieplan. De tenuitvoerlegging van deze maatregelen vanaf 2004 zou tot positieve resultaten hebben geleid, die met name blijken uit de stijging van de omzet (van 22,6 miljoen EUR in 2004 tot 45 miljoen EUR in 2005) en een verbetering van het nettoresultaat, dat niettemin negatief blijft (daling van het nettoverlies van 11,9 miljoen EUR in 2004 tot 8,1 miljoen EUR in 2005).

(24)

Voorts moet erop worden gewezen dat in de context van de beroepen die tegen de oorspronkelijke AFR-beschikking waren ingesteld, de in overweging 7 genoemde verzoekende partijen betoogden dat AFR op het tijdstip van de steunverlening geen onderneming in moeilijkheden was. In dit opzicht betogen zij dat de Commissie een duidelijke inschattingsfout heeft gemaakt door niet voldoende rekening te houden met de (in overweging 23 genoemde) „herstelmaatregelen” van AFR, waarvan de positieve resultaten (die met name blijken uit een reeks in 2004 en in het eerste halfjaar van 2005 door AFR gesloten leveringsovereenkomsten) de argumenten teniet zouden doen die door de Commissie zijn gehanteerd ter ondersteuning van de conclusie dat AFR een onderneming in moeilijkheden was.

5.   DE STEUN AAN ARTIKEL 107 VAN HET VERDRAG GETOETST

5.1.   De vraag of er sprake is van staatssteun

5.1.1.   Staatsmiddelen

(25)

Ingevolge artikel 107, lid 1, VWEU zijn, behoudens de afwijkingen waarin het Verdrag voorziet, steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(26)

Wat de terugbetaalbare voorschotten betreft, doet de Commissie het volgende opmerken.

(27)

Artikel 107, VWEU ziet niet uitsluitend op steun verleend door de nationale overheden van de lidstaten, maar ook op steun van regionale en lokale overheden, zoals de Région Nord-Pas-de-Calais of de Communauté d'agglomération du Douaisis. De middelen van deze overheden vormen staatsmiddelen en hun besluiten om de betrokken voorschotten aan AFR te verlenen, zijn aan de staat toe te rekenen.

5.1.2.   Steun die bepaalde ondernemingen begunstigt

(28)

De voorschotten werden toegekend toen AFR in een lastige financiële positie verkeerde. In haar besluit tot inleiding van de procedure was de Commissie van oordeel dat AFR, gezien haar financiële positie zoals die in overweging 15 van dit besluit is beschreven, op het tijdstip van de steunverlening een onderneming in moeilijkheden was in de zin van de richtsnoeren. De Commissie deed ook opmerken dat de voorschotten waren toegekend zonder dat enige zekerheid bestond dat deze zouden worden terugbetaald, terwijl de toegepaste rentepercentages worden geacht overeen te komen met het rentepercentage voor leningen „waarvoor de gebruikelijke zekerheden zijn gesteld” (11). Daarom is de Commissie van oordeel dat het uitgesloten is dat AFR, gelet op haar financiële positie, tegen dezelfde gunstige voorwaarden op de kredietmarkt middelen had kunnen aantrekken. Bijgevolg vormen de betrokken voorschotten een voordeel voor AFR.

(29)

In dat verband dient te worden aangetekend dat de Franse autoriteiten hebben verklaard, zich daarbij steunend op de in overweging 24 aangehaalde voorbeelden, dat AFR op het tijdstip van de steunverlening nog het vertrouwen van haar banken en klanten genoot. De Commissie interpreteert deze opmerkingen in die zin dat Frankrijk betwist dat AFR niet in staat zou zijn geweest de middelen op de kredietmarkt tegen vergelijkbare voorwaarden aan te trekken (hetgeen er op neerkomt dat wordt betwist dat met de terugbetaalbare voorschotten aan AFR een voordeel werd verleend) en a fortiori dat AFR op het tijdstip van de steunverlening een onderneming in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren was.

(30)

De opmerkingen van Frankrijk konden echter niets afdoen aan de beoordeling die in het besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure was gemaakt, en wel hierom.

(31)

De voorbeelden van kredieten die de Franse autoriteiten aanvoeren (met name de toestemming voor een voorschot in rekening-courant en de voorschotten van klanten) vallen niet te vergelijken met de hier te onderzoeken terugbetaalbare voorschotten. Een voorschot in rekening-courant is een krediet op zeer korte termijn, terwijl de voorschotten terugbetaalbaar zijn op drie jaar. Voor deze verschillende kredietvormen maken crediteuren dus niet dezelfde risicobeoordeling en op basis van het feit dat een debiteur een kortlopend krediet kan krijgen, vallen diens mogelijkheden om een lening op langere termijn te krijgen (waarvan de terugbetaling van de overlevingskansen van de debiteur afhangt), niet te beoordelen.

(32)

Wat de voorschotten van klanten betreft, doet de Commissie opmerken dat daarvoor een tegengarantie was verleend door […], een onafhankelijke instelling, hetgeen betekent dat de klanten en leveranciers niet de aan de financiële situatie van AFR verbonden risico's liepen en dat ze dus geen redenen hadden om vóór de betaling van de voorschotten een analyse van de financiële soliditeit van de onderneming te maken, zoals een crediteur die had gemaakt welke een lening wilde toekennen waarvoor geen zekerheden waren gesteld.

(33)

Geconcludeerd dient te worden dat op grond van de opmerkingen van Frankrijk niet kan worden uitgemaakt dat AFR in staat was geweest om op de kredietmarkt tegen vergelijkbare voorwaarden middelen aan te trekken.

5.1.3.   Onderneming in moeilijkheden

(34)

Wat betreft de vraag of AFR een onderneming in moeilijkheden in de zin van de richtsnoeren is, doet de Commissie het volgende opmerken.

(35)

Volgens punt 10, onder a), van de richtsnoeren verkeert een onderneming in moeilijkheden wanneer meer dan de helft van het maatschappelijk kapitaal is verdwenen en meer dan een kwart van dit kapitaal tijdens de afgelopen twaalf maanden is verloren gegaan. Deze bepaling is gebaseerd op de aanname dat een onderneming met een massaal verlies aan maatschappelijk kapitaal niet in staat zal zijn de verliezen te stelpen die op korte of middellange termijn vrijwel zeker tot het faillissement van de onderneming zouden leiden. De Commissie is van oordeel dat deze aanname, logischerwijs, a fortiori geldt voor een onderneming die haar volledige maatschappelijke kapitaal is verloren en die een negatief eigen vermogen heeft.

(36)

Zoals blijkt uit de in overweging 15 aangehaalde financiële gegevens (die in het kader van de formele onderzoekprocedure niet door Frankrijk werden betwist), had AFR sinds 2001 een negatief eigen vermogen en was zij op het tijdstip van de steunverlening niet in staat deze trend te stoppen en haar eigen vermogen weer op te bouwen. Onder die omstandigheden is de Commissie van oordeel dat AFR op het tijdstip van de steunverlening een onderneming in moeilijkheden in de zin van punt 10, onder a), van de richtsnoeren was.

(37)

In het arrest-Biria bevestigde het Gerecht bovendien dat een aanzienlijke kapitaalverlaging er inderdaad op wijst dat er moeilijkheden zijn en dat de Commissie terecht tot de conclusie was gekomen dat een onderneming met een negatief eigen vermogen, ongeacht de zeer specifieke bepalingen van de richtsnoeren, een onderneming in moeilijkheden is.

(38)

Subsidiair doet de Commissie opmerken dat AFR op het tijdstip van de steunverlening ook had voldaan aan de definitie van een onderneming in moeilijkheden van punt 11 van de richtsnoeren. Volgens dat punt kan, zelfs wanneer aan geen van de in punt 10 van de richtsnoeren genoemde voorwaarden is voldaan, een onderneming toch als onderneming in moeilijkheden worden beschouwd, met name wanneer de typische symptomen van een onderneming in moeilijkheden aanwezig zijn, zoals toenemende verliezen en een dalende omzet. Volgens punt 11 van de richtsnoeren komt een onderneming in moeilijkheden hoe dan ook slechts voor steun in aanmerking wanneer zij aantoonbaar niet in staat is met haar eigen middelen of met van haar eigenaren/aandeelhouders of op de markt verkregen kapitaal haar herstel te verwezenlijken. In deze bepaling wordt dus herhaald dat bij het beantwoorden van de vraag of een onderneming een onderneming in moeilijkheden is, rekening moet worden gehouden met alle relevante aanwijzingen, maar dat een bepalend gewicht moet worden toegekend aan de mogelijkheden van de onderneming om zich, zonder ingrijpen van de overheid, te herstellen. De Commissie wijst er voorts op dat, overeenkomstig vaste rechtspraak (12), dergelijke „symptomen” cumulatief noch uitputtend zijn en dat er geen minimumaantal indicatoren is dat aanwezig moet zijn om aan dit criterium te voldoen.

(39)

Wat dat betreft, wijst de Commissie er op dat AFR (zoals uit de tabel van overweging 15 blijkt) sinds 2001 haar omzet steeds verder heeft zien afkalven en haar verliezen zag aanhouden. Dit zijn, volgens punt 11 van de richtsnoeren, de typische symptomen van een onderneming in moeilijkheden. In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoekprocedure had de Commissie deze aanwijzingen reeds aangehaald als argumenten voor haar voorlopige conclusie dat AFR een onderneming in moeilijkheden was. Bovendien blijkt de negatieve ontwikkeling van de financiële positie van AFR uit het feit dat de onderneming sinds januari 2004 niet in staat was haar socialezekerheids- en belastingschulden van 4,3 miljoen EUR op tijd te voldoen en dat zij bijgevolg gedwongen was de bevoegde autoriteiten om een moratorium en de opstelling van een afbetalingsregeling voor haar schulden te vragen.

(40)

De belangrijkste door Frankrijk aangevoerde elementen die aanwijzingen van het tegendeel zouden kunnen zijn, zijn de kredieten die AFR verleend kreeg (voorschot in rekening-courant en voorschotten), alsmede het feit dat AFR bepaalde garanties van […] kreeg verleend. De Commissie is van oordeel dat deze aanwijzingen in aanmerking moeten worden genomen bij de door punt 11 van de richtsnoeren vereiste beoordeling van de mogelijkheden van de onderneming zich te herstellen dankzij de middelen die deze op de financiële markt kan aantrekken. In dit verband merkt de Commissie het volgende op:

uit het feit dat het eigen vermogen van AFR negatief was, blijkt dat de onderneming niet in staat was om door middel van haar eigen vermogen uit haar moeilijkheden te geraken;

de Franse autoriteiten hebben aangegeven dat de aandeelhouder van AFR (Arbel SA), ondanks zijn aandeel in de steun voor AFR, niet in staat was om alleen voor het herstel van zijn dochteronderneming te zorgen;

wat de financiële middelen op de markt betreft, dient te worden geconstateerd dat uit de door Frankrijk opgevoerde kredieten en garanties ten hoogste blijkt dat AFR een bepaalde capaciteit behield om voor beperkte bedragen en op korte termijn kredieten te krijgen. Toch kan, gezien de omvang van de moeilijkheden van AFR en met name haar behoefte aan eigen vermogen, op grond van de genoemde kredieten niet worden geconstateerd dat AFR haar moeilijkheden had kunnen verhelpen dankzij op de markt verkregen kapitaal. Overigens moesten de Région en de Communauté om die reden financieel inspringen.

(41)

Wat de herstelmaatregelen betreft die vanaf 2004 door AFR worden uitgevoerd, merkt de Commissie ten eerste op dat de tenuitvoerlegging van herstructureringsmaatregelen een voorwaarde vormt voor de verenigbaarheid van de steun met de richtsnoeren, in zoverre de maatregelen daarmee in overeenstemming zijn. Zij hebben echter niet noodzakelijkerwijs gevolgen voor de kwalificatie als onderneming in moeilijkheden, die wordt beoordeeld op basis van de financiële gezondheid van de begunstigde op het tijdstip waarop de steun wordt verleend. Deze analyse wordt hoofdzakelijk verricht op basis van de meest recente boekhoudgegevens voor de onderneming. In het onderhavige geval zijn de gegevens over het boekjaar 2004 gebruikt, die, om bovengenoemde redenen, tot de conclusie leiden dat AFR op het tijdstip van de steunverlening in moeilijkheden verkeerde.

(42)

De Franse autoriteiten (en de verzoekende partijen die het beroep tegen de oorspronkelijke beschikking hadden ingesteld) hebben betoogd dat de herstelmaatregelen van AFR in de maanden vóór de verlening van de terugbetaalbare voorschotten tot positieve resultaten hebben geleid. De Commissie merkt niettemin op dat de ter ondersteuning van dit argument genoemde resultaten beperkt en wisselvallig waren en op een betrekkelijk korte periode betrekking hadden. Bovendien bleef het nettoresultaat van de onderneming in aanzienlijke mate negatief.

(43)

Vergeleken met de elementen die wijzen op aanzienlijke moeilijkheden welke het overleven van de onderneming op korte of middellange termijn bedreigden, en met name het feit dat AFR sinds 2001 een negatief eigen vermogen had (een zeer duidelijke indicator die gedurende een lange periode bestond), kunnen de door de Franse autoriteiten genoemde trends niet als ernstige aanwijzingen voor een herstel van de financiële situatie van AFR worden beschouwd. Deze trends kunnen derhalve niet de zeer sterke aanwijzingen weerleggen dat AFR wel degelijk een onderneming in moeilijkheden was.

(44)

Bijgevolg dient te worden geconcludeerd dat AFR, op het tijdstip van de steunverlening, in ernstige financiële moeilijkheden verkeerde die haar overlevingskansen op korte of middellange termijn bedreigden, en dat zij niet in staat was deze moeilijkheden een halt toe te roepen, zonder ingrijpen van de overheid.

(45)

De Commissie is dan ook van oordeel dat AFR, gelet op de bovenstaande overwegingen en met name de in de tabel in overweging 15 opgegeven financiële resultaten, op het tijdstip dat de terugbetaalbare voorschotten werden verleend, een onderneming in moeilijkheden was in de zin van punt 10, subsidiair punt 11, van de richtsnoeren. Gelet op de moeilijkheden waarmee AFR te kampen had, is de Commissie van oordeel dat AFR niet in staat was geweest op de kredietmarkt middelen tegen dergelijke gunstige voorwaarden aan te trekken. Met de betrokken voorschotten werd AFR dus een voordeel verleend, waarmee zij zich kon financieren tegen voorwaarden die gunstiger waren dan die welke zij op de kredietmarkt had kunnen krijgen.

5.1.4.   Ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer en verstoring van de mededinging

(46)

Met de terugvorderbare voorschotten wordt AFR begunstigd ten opzichte van andere ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, aangezien deze voorschotten uitsluitend voor haar zijn bestemd.

(47)

De sector van de bouw van rollend materieel wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van diverse Europese spelers en door handelsverkeer binnen de Unie. Het voordeel dat AFR wordt verleend, kan dus de mededinging vervalsen en het interstatelijke handelsverkeer verstoren.

5.1.5.   Conclusie

(48)

Gelet op de voorgaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat de aan AFR toegekende terugbetaalbare voorschotten staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

5.2.   Steunbedrag

(49)

In het geval van steun die in de vorm van kredieten aan ondernemingen in moeilijkheden worden toegekend, wordt het steunbestanddeel gevormd door het saldo van de daadwerkelijk berekende rente en de rente die de begunstigde onderneming voor hetzelfde krediet op de particuliere markt had kunnen krijgen.

(50)

Overeenkomstig de mededeling van 1997 inzake referentiepercentages berekent de Commissie referentiepercentages die het niveau moeten weerspiegelen van de marktrente voor leningen met middellange tot lange looptijd, waarvoor gewone zekerheden zijn gesteld. In de mededeling werd ook onderstreept dat het referentiepercentage een minimumpercentage is dat in omstandigheden die een bijzonder risico inhouden, bijvoorbeeld wanneer een onderneming in moeilijkheden verkeert of wanneer de door de banken verlangde gebruikelijke zekerheden niet aanwezig zijn, kan worden verhoogd. In dergelijke gevallen kan de verhoging oplopen tot 400 basispunten of meer. In de mededeling van l997 inzake referentiepercentages wordt niet aangegeven of verschillende risicopremies kunnen worden gecumuleerd wanneer met verschillende risico's rekening wordt gehouden. Hoewel een cumulering niet wordt uitgesloten, moet de Commissie in haar besluit de methode motiveren die met het oog op de verschillende risicopremies is gebruikt om deze bij elkaar op te tellen door middel van analyse van de praktijk op de financiële markten (13).

(51)

In 2004 voerde accountantskantoor Deloitte & Touche GmbH Wirtschaftsprüfungsgesellschaft in opdracht van de Commissie een studie uit (14) (hierna „de studie” genoemd). Op basis van empirisch onderzoek werd nagegaan welke premies op de markt courant zijn voor verscheidene categorieën aan ondernemingen en transacties verbonden risico's (waarvoor variabele zekerheden worden gesteld). In de studie wordt duidelijk aangetoond dat de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende risicofactoren (solvabiliteit van de kredietnemer, zekerheden) in verscheidene verhogingen resulteerde die aan de basispercentages moesten worden toegevoegd.

(52)

Na deze studie werd de wijze waarop de Commissie bij de berekening van het steunelement in leningen te werk gaat, herzien en verfijnd in haar Mededeling van 2008 over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (15) (hierna „de mededeling van 2008 betreffende de referentiepercentages” genoemd). Deze mededeling weerspiegelt de methode die in de studie wordt bepleit, en voorziet in de toevoeging van verscheidene verhogingen aan basispercentages, afhankelijk zowel van de solvabiliteit van de onderneming als van de gestelde zekerheden.

(53)

Aangetekend dient te worden dat bij het vaststellen van het steunelement in de maatregelen naar het begrip staatssteun moet worden verwezen en dat, zoals de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie aangeeft, „het begrip staatssteun beantwoordt aan een objectieve situatie die wordt beoordeeld op de datum waarop de Commissie haar beschikking vaststelt” (16).

(54)

De Commissie is dan ook van mening dat de gepaste methode voor het bepalen van het steunelement de in de mededeling van 2008 betreffende de referentiepercentages genoemde methode is, en zij is voornemens de maatregelen in kwestie in het licht van die mededeling te onderzoeken.

(55)

In de mededeling van 2008 betreffende de referentiepercentages wordt bepaald dat in het geval van een onderneming in moeilijkheden die geringe zekerheden biedt, bij een verhoging van 1 000 basispunten het bestaan van staatssteun mag worden uitgesloten.

(56)

Zoals in punt 5.1.3 werd aangetoond, is de Commissie van mening dat AFR op het tijdstip waarop de (steun)maatregelen werden toegekend, een onderneming in moeilijkheden was. De Commissie merkt bovendien op dat er geen zekerheid was gesteld ten behoeve van de terugbetaalbare voorschotten en dat het niveau van zekerheid derhalve als gering kan worden beschouwd.

(57)

Het steunelement komt derhalve in beginsel overeen met het verschil tussen het basispercentage, waarop een verhoging met 1 000 basispunten wordt toegepast, en het percentage waartegen de steun is verleend. In haar oorspronkelijke beschikking van 2 april 2008, echter, stelde de Commissie dat de van toepassing zijnde verhoging 800 basispunten bedraagt. Aangezien die beschikking niet door de begunstigde is aangevochten en geen van de concurrenten van de begunstigde de rechtmatigheid van die oorspronkelijke beschikking heeft betwist, en gelet op alle omstandigheden van deze zaak is de Commissie van mening dat er geen reden is om in het onderhavige geval deze opslag te verhogen.

(58)

De Commissie komt tot de slotsom dat het steunelement overeenkomt met het verschil tussen het van toepassing zijnde referentiepercentage, verhoogd met 800 basispunten, en de rente waartegen de steun is verleend.

5.3.   Verenigbaarheid van de steunmaatregel met de interne markt

(59)

Gelet op de financiële toestand van AFR op het tijdstip van de steunverlening, zoals die uit de tabel in overweging 15 blijkt (verliesgevende bedrijfsvoering over meerdere jaren, negatief eigen vermogen, dalende omzet), is de Commissie van oordeel dat AFR op het tijdstip van de steunverlening een onderneming in moeilijkheden was in de zin van de richtsnoeren. Om de in de overwegingen 41 tot en met 44 uiteengezette redenen kunnen de opmerkingen van Frankrijk niets aan deze beoordeling afdoen.

(60)

Het is inderdaad zo dat AFR in 2005 deel uitmaakte van een groep die onder de zeggenschap van de holding Arbel SA stond. Deze groep bestond, naast een aantal ondernemingen in de sector spoorwegmaterieel (met AFR en Lormafer), uit een reeks ondernemingen in de bouwsector, gespecialiseerd in de productie van ramen en deuren voor de bouwsector. Uit de informatie die de Franse autoriteiten in hun correspondentie vóór de inleiding van de formele onderzoekprocedure verschaften, blijkt evenwel dat binnen de groep de moeilijkheden van AFR specifiek waren, aangezien zij geen enkele band had met de bouwdivisie. Voorts tekent de Commissie aan dat de moeilijkheden van AFR te groot lijken te zijn geweest om door de groep zelf te kunnen worden opgelost, gelet op de middelmatige groepsresultaten. De Commissie is dus van oordeel dat punt 13 van de richtsnoeren er niet aan in de weg staat om AFR aan te merken als voor reddings- of herstructureringssteun in aanmerking komend, ook al maakt de onderneming deel uit van een groep.

(61)

De verenigbaarheid van de steun dient dus aan de richtsnoeren te worden getoetst.

(62)

De Commissie constateert dat de verenigbaarheidsvoorwaarden die in de richtsnoeren zijn vastgesteld, niet zijn vervuld, gelet op de volgende elementen.

(63)

De Franse autoriteiten hebben haar geen herstructureringsplan voorgelegd overeenkomstig de punten 34 tot en met 37 van de richtsnoeren. De in overweging 24 genoemde herstelmaatregelen, die door de Franse autoriteiten waren gepresenteerd als een „herstructureringsplan” dat volgens hen vanaf 2004 was uitgevoerd (zie overweging 24) maakten, op het tijdstip waarop de maatregelen zijn genomen, geen deel uit van een uitvoerbaar herstructureringsplan waartoe de lidstaat in kwestie zich verbond (punt 35 van de richtsnoeren). In tegenstelling tot hetgeen in de richtsnoeren wordt bepaald, omvat het vermeende plan geen marktstudie. Zo'n studie is wel vereist om na te gaan wat de kansen op herstel van de levensvatbaarheid zijn en de voorgestelde interne herstructureringsmaatregelen te verifiëren (punt 35 van de richtsnoeren). Bovendien wijst niets erop dat er in juli 2005 een herstructureringsplan bestond dat „de omstandigheden [beschreef] die tot de moeilijkheden van de onderneming hebben geleid” zodat „kan worden nagegaan of de voorgestelde maatregelen passend zijn” (punt 36 van de richtsnoeren). Bovendien leek het zogeheten plan geen enkele compenserende maatregel te bevatten, hetgeen wel in punt 38 van de richtsnoeren wordt vereist.

(64)

Gelet op de in bovenstaande overweging genoemde redenen is de Commissie van oordeel dat geen enkel herstructureringsplan dat met de richtsnoeren in overeenstemming is, bij haar is ingediend.

(65)

De steun lijkt evenmin te voldoen aan de verenigbaarheidsvoorwaarden die in de richtsnoeren zijn vastgesteld, aangezien de terugbetaalbare voorschotten zijn toegekend voor een periode van meer dan zes maanden (zie punt 25 van de richtsnoeren).

(66)

Concluderend moet worden gesteld dat de steun in kwestie onverenigbaar is met de interne markt.

6.   CONCLUSIE

(67)

De Commissie stelt vast dat Frankrijk in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU de betrokken staatssteun op onwettige wijze ten uitvoer heeft gelegd. Aangezien de steun onverenigbaar is met de interne markt, dient Frankrijk deze stop te zetten en de reeds toegekende bedragen van de begunstigde terug te vorderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking C(2008) 1089 definitief van de Commissie van 2 april 2008 in zaak C 38/2007 wordt hierbij ingetrokken.

Artikel 2

De door Frankrijk onrechtmatig en in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU ten gunste van Arbel Fauvet Rail SA ten uitvoer gelegde steun is onverenigbaar met de interne markt.

Artikel 3

1.   Frankrijk vordert de in artikel 2 genoemde steun van de begunstigde terug.

2.   De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop deze de begunstigde ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

3.   De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (17).

4.   Frankrijk schorst alle uitstaande betalingen van de in artikel 2 bedoelde steun vanaf de datum van kennisgeving van dit besluit.

Artikel 4

1.   De terugvordering van de in artikel 2 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.

2.   Frankrijk zorgt ervoor dat het onderhavige besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 5

1.   Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt Frankrijk de volgende informatie aan de Commissie:

a)

het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en rente);

b)

een nadere beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen;

c)

de documenten waaruit blijkt dat de begunstigde gelast werd de steun terug te betalen.

2.   Frankrijk houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die het heeft genomen om dit besluit ten uitvoer te leggen, en dit tot de in artikel 2 bedoelde steun volledig is terugbetaald. Het verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld alle inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Het verstrekt eveneens nadere inlichtingen over de reeds door de begunstigde terugbetaalde steunbedragen en rente.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 23 juni 2010.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Vicevoorzitter


(1)  Vanaf 1 december 2009 zijn de artikelen 87 en 88 VEG artikel 107 respectievelijk artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”) geworden. De bepalingen in beide Verdragen zijn inhoudelijk identiek. In het kader van dit besluit moeten verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU waar nodig worden begrepen als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 87 en 88 VEG.

(2)   PB C 249 van 24.10.2007, blz. 17.

(3)  Zie voetnoot 2.

(4)  Beschikking C(2008) 1089 definitief van de Commissie van 2 april 2008 (PB L 238 van 5.9.2008, blz. 27).

(5)  Beschikking C(2007) 130 definitief van de Commissie van 24 januari 2007 (PB L 183 van 13.7.2007, blz. 27).

(6)  De beide zaken werden gevoegd bij beschikking van de president van het Hof van Justitie van 24 november 2008.

(7)  Arrest van 3 maart 2010, gevoegde zaken T-102/07 en T-120/07, Freistaat Sachsen/Commissie en MB Immobilien Verwaltungs GmbH en MB System GmbH & Co. KG/Commissie („arrest-Biria”), (nog niet bekendgemaakt in de Jurispr.).

(8)   PB C 273 van 9.9.1997, blz. 3.

(9)  Op 29 juni 2007 werd AFR overgenomen door IGF Industries. De naam van de onderneming werd veranderd in „IGF Industries — Arbel Fauvet Rail”.

(10)   PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.

(*1)  Delen van de tekst die zijn vervangen of weggelaten om redenen van vertrouwelijkheid, zijn met vierkante haken aangegeven.

(11)  Zie de Mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 273 van 9.9.1997, blz. 3).

(12)  Zie arrest van 15 juni 2005, zaak T-349/03, Corsica Ferries, Jurispr. 2005, blz. II-2197, punt 191; Beschikking 2003/643/EG van de Commissie van 13 mei 2003 betreffende staatssteun van Duitsland ten gunste van Kahla Porzellan GmbH en Kahla/Thüringen Porzellan GmbH (PB L 227 van 11.9.2003, blz. 12), overweging 117; Beschikking 2005/346/EG van de Commissie van 14 juli 2004 betreffende de door Duitsland toegekende staatssteun ten gunste van MobilCom AG (PB L 116 van 4.5.2005, blz. 55), overwegingen 148 tot en met 164; zie tevens arrest-Biria, reeds aangehaald, punten 133 tot en met 135.

(13)  Zie arrest-Biria, reeds aangehaald, punten 218 tot en met 222.

(14)   „Study by Deloitte & Touche GmbH in relation to the updating of the reference rates of interest applied to State aid control in the EU”, oktober 2004; beschikbaar onder: http://ec.europa.eu/competition/state_aid/studies_reports/full_report.pdf

(15)   PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6.

(16)  Zie het arrest van 1 juli 2008, gevoegde zaken C-341/06 P en C-342/06 P, Chronopost SA en La Poste/Union française de l'express (UFEX) e.a., Jurispr. 2008, blz. I-4777, punt 95.

(17)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).