14.5.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 121/12


BESLUIT (EU) 2015/772 VAN DE RAAD

van 11 mei 2015

tot instelling van het Comité voor de werkgelegenheid en tot intrekking van Besluit 2000/98/EG

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 150,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 5 van het Verdrag bepaalt dat de Unie maatregelen neemt om te zorgen voor de coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, teneinde het doeltreffender te maken door het ontwikkelen van een gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie.

(2)

In het derde deel, titel IX, van het Verdrag zijn de procedures vastgelegd volgens welke de lidstaten en de Unie dienen te streven naar de ontwikkeling van een gecoördineerde strategie voor werkgelegenheid en in het bijzonder voor de bevordering van de scholing, de opleiding en het aanpassingsvermogen van de werknemers en arbeidsmarkten die soepel reageren op economische veranderingen

(3)

Bij het vervullen van zijn taken, waartoe advies geven aan en bijdragen tot de werkzaamheden van de Raad en de Commissie behoren, dient het Comité voor de werkgelegenheid („het Comité”) ertoe bij te dragen dat de Europese werkgelegenheidsstrategie, de coördinatie van het macro-economisch beleid en het economische hervormingsproces zodanig worden bepaald en uitgevoerd dat zij consistent zijn en elkaar wederzijds versterken.

(4)

Het Comité moet nauw samenwerken met de sociale partners en in het bijzonder met de partners die vertegenwoordigd zijn in de tripartiete sociale top voor groei en werkgelegenheid die is ingesteld bij Besluit 2003/174/EG (1).

(5)

In zijn conclusies van 27 en 28 juni 2013 stelde de Europese Raad dat de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie moet worden verstevigd. De sociale en arbeidsmarktsituatie binnen de Economische en Monetaire Unie moeten, als eerste stap, beter worden gevolgd en meegewogen, met name door gebruikmaking van passende sociale indicatoren en werkgelegenheidsindicatoren binnen het Europees semester. Ook dient te worden gezorgd voor betere coördinatie van werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid, waarbij de nationale bevoegdheden ten volle worden geëerbiedigd.

(6)

In zijn conclusies van 24 en 25 oktober 2013 stelde de Europese Raad dat de coördinatie van het economisch, het werkgelegenheids- en het sociaal beleid verder zal worden versterkt volgens de bestaande procedures en met volledige inachtneming van de nationale bevoegdheden. De Europese Raad vond dat te dien einde meer werk moet worden gemaakt van een betere samenwerking tussen de diverse Raadsformaties, teneinde de onderlinge samenhang van deze beleidsterreinen overeenkomstig de gemeenschappelijke doelstellingen te waarborgen.

(7)

Dit besluit moet de ontwikkeling van het Europees semester en de rol die het Comité daarin speelt, weergeven. In Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad (2) staat met name dat het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming in passende gevallen in het kader van het Europees semester worden geraadpleegd. Bovendien staat in Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (3) dat bij de diepgaande evaluatie in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen of verzoeken van de Raad aan de lidstaten. Er staat ook in dat er in een plan met corrigerende maatregelen voor lidstaten waarvoor een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden is ingeleid, rekening zal worden gehouden met de economische en sociale gevolgen van de beleidsmaatregelen en dat het plan in overeenstemming moet zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de richtsnoeren voor werkgelegenheid.

(8)

Het Comité en de organen van de Unie die bij de coördinatie van het economisch en sociaal beleid betrokken zijn, inzonderheid het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek en het Comité voor sociale bescherming, moeten nauw samenwerken. Wanneer het passend is en er onderlinge overeenstemming over bestaat tussen de betrokken comités, kan de samenwerking van het Comité met het Comité voor sociale bescherming, het Economisch en Financieel Comité en het Comité voor de economische politiek onder meer de vorm aannemen van het organiseren van gezamenlijke vergaderingen, met name in de context van de respectieve rollen van de comités binnen het Europees semester.

(9)

De bestuurlijke bepalingen met betrekking tot de werking van het Comité moeten worden herzien om efficiëntie en continuïteit te waarborgen, zodat het Comité zijn opdracht volgens het Verdrag goed kan vervullen en er de nodige flexibiliteit ontstaat voor het aanpassen van het tijdschema van de activiteiten van het Comité, met name binnen het kader van de cyclus van het Europees semester.

(10)

Besluit 2000/98/EG van de Raad (4) moet worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Instellingen en functies

Er wordt een Raadgevend Comité voor de werkgelegenheid ingesteld („het Comité”), teneinde de coördinatie van het werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid van de lidstaten te bevorderen, overeenkomstig het Verdrag en met inachtneming van de bevoegdheden van de instellingen en de organen van de Unie.

Artikel 2

Taak

1.   Het Comité heeft tot taak:

a)

toe te zien op de werkgelegenheidssituatie en het werkgelegenheidsbeleid in de lidstaten en de Unie;

b)

onverminderd artikel 240 van het Verdrag hetzij op verzoek van de Raad of van de Commissie, hetzij op eigen initiatief, adviezen uit te brengen en bij te dragen aan de voorbereiding van de in artikel 148 van dat Verdrag bedoelde werkzaamheden van de Raad.

2.   Voor de toepassing van lid 1 moet het Comité met name streven naar het volgende:

a)

bevorderen dat er bij het bepalen en uitvoeren van het beleid en de activiteiten van de Unie rekening wordt gehouden met de doelstelling van een hoog werkgelegenheidsniveau;

b)

bijdragen tot de procedure die leidt tot de vaststelling van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid teneinde de overeenstemming tussen de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de globale richtsnoeren te verzekeren, en op een onderling ondersteunende manier bijdragen tot de synergie tussen de Europese werkgelegenheidsstrategie, de coördinatie van het macro-economisch beleid en het economische hervormingsproces;

c)

actief deelnemen aan de macro-economische dialoog op Unie-niveau;

d)

bijdragen aan alle aspecten van het Europees semester die binnen zijn opdracht vallen en daarover verslag uitbrengen aan de Raad;

e)

de uitwisseling van informatie en ervaring tussen de lidstaten onderling en met de Commissie bevorderen.

3.   Ieder jaar stelt het Comité een werkprogramma op waarin de beleidsprioriteiten van de Raad en de Commissie zijn verwerkt. Het werkprogramma wordt aan de Raad toegezonden.

4.   Het Comité kan een beroep doen op externe deskundigen indien de agenda daartoe aanleiding geeft.

Artikel 3

Lidmaatschap

1.   Iedere lidstaat en de Commissie benoemen twee leden van het Comité. Zij kunnen ook twee plaatsvervangende leden benoemen.

2.   De leden van het Comité en de plaatsvervangende leden worden gekozen uit hoge ambtenaren of deskundigen met een bijzondere bekwaamheid op het gebied van werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid in de lidstaten.

3.   De lidstaten en de Commissie zullen zich tot het uiterste inspannen om bij de samenstelling van het Comité een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen te bereiken.

Artikel 4

Werkwijze

1.   Het Comité kiest uit de door de lidstaten benoemde leden een voorzitter voor een termijn van twee jaar. De voorzitter kan eenmaal worden herkozen voor een tweede termijn van twee jaar. Het Comité kan, om de efficiëntie en continuïteit van zijn werk te waarborgen, in gerechtvaardigde gevallen besluiten het mandaat van een voorzitter met maximaal acht maanden te verlengen. De voorzitter kan in totaal vier jaar en acht maanden in functie blijven.

2.   De voorzitter wordt bijgestaan door vier ondervoorzitters, van wie er twee door het Comité voor een periode van twee jaar (die eenmaal kan worden verlengd) uit zijn leden worden gekozen. De derde ondervoorzitter is een vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad bekleedt. De vierde ondervoorzitter is een vertegenwoordiger van de lidstaat die het volgende voorzitterschap zal bekleden.

3.   De voorzitter delegeert zijn stemrecht aan zijn plaatsvervanger.

4.   De vergaderingen van het Comité worden door de voorzitter bijeengeroepen, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van een meerderheid van de leden van het Comité.

5.   Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

6.   Uitgaven worden terugbetaald overeenkomstig de vigerende administratieve voorschriften.

7.   De Commissie biedt het Comité adequate analytische en organisatorische steun. De Commissie wijst een van haar ambtenaren aan als secretaris. De secretaris en het ondersteunend personeel handelen in opdracht van het Comité wanneer zij het Comité bijstaan in de uitoefening van zijn taken. De secretaris werkt samen met het secretariaat-generaal van de Raad voor het beleggen van vergaderingen.

8.   Het Comité werkt, waar nodig, samen met andere relevante organen en Comités die actief zijn op het gebied van het sociaal en economisch beleid, zoals het Comité voor sociale bescherming, het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek, het Onderwijscomité en de raad van bestuur van het Europees netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening.

Artikel 5

Werkgroepen

1.   Het Comité kan zijn plaatsvervangende leden belasten met het bestuderen van specifieke vraagstukken of voor dat doel werkgroepen instellen. Het voorzitterschap van een werkgroep wordt bekleed door een ondervoorzitter van het Comité, een lid of plaatsvervangend lid van het Comité, een ambtenaar van de Commissie of een lid van de werkgroep zelf, benoemd door het Comité.

2.   De Commissie biedt de werkgroepen adequate analytische en organisatorische steun.

3.   De werkgroepen kunnen een beroep doen op deskundigen om hen bij te staan.

4.   Het Comité mag ook samen met andere comités of organen gezamenlijke werkgroepen instellen, waarvan de bestuurlijke bepalingen in overleg zullen worden vastgesteld.

Artikel 6

Raadpleging van de sociale partners

Voor het vervullen van zijn opdracht raadpleegt het Comité de sociale partners. In dat verband legt het contacten met de sociale partners die in de tripartiete sociale top voor groei en werkgelegenheid zijn vertegenwoordigd.

Artikel 7

Overgangsmaatregelen

De ambtstermijn van ieder overeenkomstig artikel 3 van Besluit 2000/98/EG gekozen lid duurt tot het eind van die ambtstermijn, als vastgesteld overeenkomstig artikel 4 van onderhavig besluit. Als aanvangsdatum van de ambtstermijn wordt beschouwd de datum van de verkiezing die heeft plaatsgevonden in overeenstemming met artikel 3 van Besluit 2000/98/EG.

Artikel 8

Intrekking

Besluit 2000/98/EG wordt ingetrokken op de datum van de eerste vergadering van het Comité na de inwerkingtreding van dit besluit. Die vergadering vindt uiterlijk vier maanden na de datum van vaststelling van dit besluit plaats.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 11 mei 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. DŪKLAVS


(1)  Besluit 2003/174/EG van de Raad van 6 maart 2003 tot instelling van een tripartiete sociale top voor groei en werkgelegenheid (PB L 70 van 14.3.2003, blz. 31).

(2)  Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(4)  Besluit 2000/98/EG van de Raad van 24 januari 2000 tot instelling van het Comité voor de werkgelegenheid (PB L 29 van 4.2.2000, blz. 21).