|
10.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 33/38 |
BESLUIT (GBVB) 2015/203 VAN DE RAAD
van 9 februari 2015
ter ondersteuning van het voorstel van de Unie voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten als bijdrage aan transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Er worden steeds meer ruimteactiviteiten ondernomen en deze zijn van cruciaal belang. De ruimte is een bron van rijkdommen voor alle staten in de wereld. Staten die nu nog geen ruimteactiviteiten ontplooien, zouden dat in de toekomst mogelijk wèl kunnen doen. De Unie is daarom van oordeel dat een betere beveiliging van ruimteactiviteiten een belangrijk doel is dat de ontwikkeling en de veiligheid van de staten ten goede zal komen. Deze doelstelling past in het ruimtevaartbeleid van de Unie. |
|
(2) |
De Europese Raad heeft op 12 december 2003 de Europese veiligheidsstrategie vastgesteld, waarin de mondiale uitdagingen en dreigingen worden beschreven en waarin wordt gepleit voor een op regels gebaseerde internationale orde met als basis een doeltreffend multilateralisme en goed functionerende internationale instellingen. |
|
(3) |
De Europese veiligheidsstrategie erkent het Handvest van de Verenigde Naties als het basiskader waarbinnen de internationale betrekkingen gestalte moeten krijgen, en zorgt voor de versterking van de Verenigde Naties (VN), en de uitrusting ervan teneinde het mogelijk te maken dat opdrachten worden vervuld en doeltreffend wordt opgetreden. De Unie streeft ernaar dat op alle terreinen van de internationale betrekkingen een hechte samenwerking tot stand komt, om onder meer de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken, conform de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties. |
|
(4) |
De Unie wil transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen ontwikkelen en toepassen als middel om de ruimte veiliger te maken. De Unie is zich voorts in het bijzonder bewust van het feit dat ruimtepuin, ongeacht de herkomst ervan, een gevaar vormt voor huidige en toekomstige activiteiten. |
|
(5) |
De Unie kwam op 18 september 2007, als reactie op Resolutie 61/75 van de Algemene Vergadering van de VN van 6 december 2006, met een voorstel voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten („de gedragscode”) en startte overlegrondes om tot een eerste ontwerp te komen. |
|
(6) |
In zijn conclusies van 8 en 9 december 2008 heeft de Raad van de Europese Unie zijn steun uitgesproken voor het eerste ontwerp van een internationale gedragscode die de staten op vrijwillige basis zouden toepassen en die transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bevatte, als basis voor overleg met belangrijke derde staten die activiteiten in de ruimte ontplooien of belangen hebben in de ruimte, om ervoor te zorgen dat er een tekst komt die voor een zo groot mogelijk aantal staten aanvaardbaar is. |
|
(7) |
Op 27 september 2010, heeft de Raad van de Europese Unie de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) gemachtigd om het overleg voort te zetten en uit te breiden op basis van een herziene ontwerptekst van de gedragscode opgesteld door de Unie naar aanleiding van het overleg met geïnteresseerde staten. |
|
(8) |
Het voorstel van de Unie voor een ontwerp van gedragscode is op 5 juni 2012 in Wenen formeel aan de internationale gemeenschap voorgelegd. Vervolgens is een proces van open overleg over de ontwerptekst gestart, met het doel het proces transparanter en inclusiever te maken. Er zijn drie overlegrondes gehouden, de laatste twee over herziene versies van de gedragscode: op 16 en 17 mei 2013 in Kiev, op 20 tot en met 22 november 2013 in Bangkok, en tot slot op 27 en 28 mei 2014 in Luxemburg. Bij elk van deze bijeenkomsten waren deelnemers uit meer dan 60 staten aanwezig, en voor de hele cyclus deelnemers uit meer dan 80 staten. |
|
(9) |
Aan het einde van het open overleg van 27 en 28 mei 2014 in Luxemburg, concludeerde de voorzitter dat het proces van drie rondes open overleg, dat in 2013-2014 werd georganiseerd door de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), en waar het Instituut voor Ontwapeningsonderzoek van de Verenigde Naties (United Nations Institute for Disarmament Research — UNIDIR) bij werd betrokken, waardevol was geweest omdat de deelnemende staten er een beter begrip van elkaars standpunten en bedenkingen door hebben gekregen. Veel deelnemers in Luxemburg waren er sterk voorstander van om over te gaan van de overlegfase naar de onderhandelingsfase. Daarbij zou de tijdens het open overleg opgestelde ontwerptekst van de gedragscode, waaraan veel staten hebben bijgedragen en die nog verder kan worden gewijzigd, als basis voor toekomstige multilaterale onderhandelingen moeten dienen. Een aantal deelnemers aan het proces van open overleg had gewezen op de noodzaak van een of andere vorm van ondersteuning door de VN. Na het open overleg in Luxemburg nam de Unie het initiatief voor een nieuwe ontwerptekst van de gedragscode en gaf zij te kennen te willen nadenken en overleg te willen plegen over de wijze waarop zij de toekomstige multilaterale onderhandelingen, alsmede het onderschrijven en toepassen van de toekomstige gedragscode verder kan ondersteunen. |
|
(10) |
Besluit 2012/281/GBVB van de Raad (1), uitgevoerd door UNIDIR, heeft een grote rol gespeeld bij de ondersteuning van dit proces. Het heeft gezorgd voor de verspreiding van informatie, de uitwisseling van standpunten en de opbouw van de capaciteiten van de belanghebbenden over de gedragscode, en heeft geleid tot een groter bewustzijn en begrip van die gedragscode. De belangrijkste activiteiten in dat besluit van de Raad waren de regionale studiebijeenkomsten (Kuala Lumpur, december 2012; Addis Abeba, maart 2013; Mexico-Stad, juni 2013; Astana, oktober 2013) en de hierboven vermelde multilaterale bijeenkomsten in Wenen (juni 2012), Kiev (mei 2013), Bangkok (november 2013) en Luxemburg (mei 2014), die hebben gediend als platform voor een internationale presentatie en bespreking van de gedragscode, en die de inzet van de Unie voor een transparant en inclusief proces hebben laten zien. |
|
(11) |
In zijn studie over transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen in de ruimte van 12 juli 2013, heeft de groep van regeringsdeskundigen, die is opgericht door de secretaris-generaal van de VN uit hoofde van Resolutie 65/68 van de Algemene Vergadering van de VN, nota genomen van de presentatie van de gedragscode door de Unie en van het open overleg in Kiev. In de conclusies en aanbevelingen van haar studie steunt de groep van regeringsdeskundigen de inspanningen om tot politieke afspraken te komen, zoals een multilaterale gedragscode ter bevordering van verantwoordelijk optreden in, en een vreedzaam gebruik van, de kosmische ruimte. |
|
(12) |
Op 5 december 2013 heeft de Algemene Vergadering van de VN bij consensus Resolutie A/RES/68/50 inzake transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten aangenomen. De Algemene Vergadering van de VN heeft zich daarbij ingenomen getoond met het rapport van de secretaris-generaal van de VN dat de studie van de groep van regeringsdeskundigen bevat, en nota genomen van de presentatie door de Unie van het ontwerp van een gedragscode. In die Resolutie worden de VN-lidstaten verder aangemoedigd de door de groep van regeringsdeskundigen voorgestelde transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen te evalueren en uit te voeren, en wordt de secretaris-generaal verzocht het rapport toe te zenden aan de betrokken entiteiten en organisaties van de VN opdat zij kunnen bijdragen aan een doeltreffende uitvoering van de conclusies en aanbevelingen in het rapport. De betrokken VN-entiteiten en -organisaties worden verder aangemoedigd tot coördinatie van kwesties in verband met de aanbevelingen in het rapport. |
|
(13) |
Gezien de dynamiek die is opgebouwd in het door de Unie geleide proces van open overleg over het ontwerp van een gedragscode, en gezien de wens van de internationale partners dat de Unie het voortouw blijft nemen voor de definitieve vaststelling van de gedragscode en de middelen voor de uitvoering ter beschikking stelt zodra de gedragscode wordt vastgesteld, moet de steun voor het proces, dat succesvol van start is gegaan in het kader van Besluit 2012/281/GBVB van de Raad, worden voortgezet op basis van een nieuw besluit van de Raad. |
|
(14) |
Het nieuwe besluit van de Raad dient de verdere werkzaamheden tot versterking van het bewustzijn inzake transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten, waaronder het voorstel voor, de onderhandelingen over en de formele vaststelling van een internationale gedragscode, verder te ondersteunen, terwijl bijstand voor de tenuitvoerlegging van de gedragscode en het bijbehorende contactpunt in een toekomstig besluit van de Raad kan worden geregeld. |
|
(15) |
Het Bureau van de Verenigde Naties voor ontwapeningszaken (United Nations Office for Disarmament Affairs — UNODA) en UNIDIR dienen door de Raad te worden belast met de technische uitvoering van dit besluit. Terwijl UNODA nu al een centrale rol speelt bij de uitvoering van de aanbevelingen in het rapport van 2013 van de groep van regeringsdeskundigen inzake transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten, zal UNIDIR kunnen voortbouwen op de ervaringen die zijn opgedaan bij regionale outreachactiviteiten uit hoofde van Besluit 2012/281/GBVB, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Ter ondersteuning van haar voorstel voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten („de gedragscode”) als bijdrage aan de totstandbrenging van transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten, in overeenstemming met Resolutie A/RES/68/50 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, streeft de Unie de volgende doelstelling na:
|
— |
op basis van de in het kader van Besluit 2012/281/GBVB opgedane ervaringen leiding blijven geven aan het multilaterale proces inzake het voorstel voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten, waarbij op inclusieve en transparante wijze alle belangstellende staten worden betrokken, teneinde een zo breed mogelijke consensus over de ontwerpgedragscode te vormen zodat deze door de internationale gemeenschap kan worden vastgesteld. |
Artikel 2
1. De door de Unie te steunen projecten hebben betrekking op de volgende specifieke activiteiten:
|
a) |
blijven werken aan het verbeteren van de bekendheid met, de kennis van en het inzicht in het voorstel voor een internationale gedragscode en het proces dat door de Unie wordt geleid; |
|
b) |
een kader blijven bieden voor het multilaterale proces inzake het voorstel voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten, een proces dat de internationale gemeenschap in staat stelt te blijven streven naar een zo breed mogelijke consensus voor het vaststellen van de gedragscode, en daartoe steun te verlenen voor multilaterale bijeenkomsten voor onderhandelingen over de ontwerpgedragscode en voor de formele vaststelling ervan. |
2. De projecten en specifieke activiteiten worden in de bijlage nader beschreven.
Artikel 3
1. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) is belast met de uitvoering van dit besluit.
2. Zoals in de bijlage vermeld, is de technische uitvoering van de in artikel 2 bedoelde projecten in handen van het Bureau van de Verenigde Naties voor ontwapeningszaken (UNODA) en het Instituut voor Ontwapeningsonderzoek van de Verenigde Naties (UNIDIR). UNODA en UNIDIR voeren deze taken uit onder de verantwoordelijkheid van de HV. De HV treft hiertoe de nodige regelingen met UNODA en UNIDIR.
Artikel 4
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1 bedoelde maatregelen bedraagt 1 274 398,85 EUR. De totale geraamde begroting van het hele project bedraagt 1 475 955,15 EUR, welk bedrag wordt medegefinancierd door UNODA en UNIDIR.
2. De in lid 1 vermelde uitgaven worden beheerd volgens de procedures en regels van de Unie die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.
3. De Commissie houdt toezicht op de correcte besteding van de in lid 1 bedoelde bijdrage van de Unie. Hiertoe sluit zij financieringsovereenkomsten met UNODA en UNIDIR. In die overeenkomsten wordt bepaald dat UNODA en UNIDIR ervoor moeten zorgen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in verhouding tot de omvang ervan.
4. De Commissie streeft ernaar de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomsten zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad en de HV in kennis van eventuele moeilijkheden in het proces en van de datum van sluiting van de financieringsovereenkomst binnen twee weken na de datum van ondertekening.
Artikel 5
1. De HV brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van periodieke rapporten van UNODA en UNIDIR. Deze rapporten vormen de basis voor de evaluatie door de Raad.
2. De Commissie verstrekt informatie over de financiële aspecten van de uitvoering van de in artikel 2 bedoelde projecten.
Artikel 6
1. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
2. Het verstrijkt 24 maanden na de sluiting van de in artikel 4, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomsten of zes maanden na de datum waarop het is vastgesteld indien binnen die termijn geen financieringsovereenkomst is gesloten.
Gedaan te Brussel, 9 februari 2015.
Voor de Raad
De voorzitter
F. MOGHERINI
(1) Besluit 2012/281/GBVB van de Raad van 29 mei 2012 in het kader van de Europese veiligheidsstrategie ter ondersteuning van het voorstel van de Unie voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten (PB L 140 van 30.5.2012, blz. 68).
BIJLAGE
1. Algemeen kader en doelstellingen
Ruimtevaartproducten, die door een toenemend aantal gouvernementele en niet-gouvernementele entiteiten worden geëxploiteerd, bieden de wereld enorme voordelen die slechts een paar decennia geleden nog ondenkbaar waren. Heden ten dage gaan deze voordelen gepaard met aanzienlijke uitdagingen als gevolg van gevaarlijk rondvliegend ruimtepuin en de daarmee gepaard gaande mogelijkheid van destructieve botsingen, de hoge dichtheid aan geostationaire satellieten, de toenemende verzadiging van het radiofrequentiespectrum en de dreiging van opzettelijke verstoring. Deze uitdagingen vereisen een serieuze inbreng van alle staten, om een grotere veiligheid en beveiliging in de ruimte te bewerkstelligen.
Naar aanleiding van de Resoluties 61/75 van 6 december 2006 en 62/43 van 5 december 2007 van de Algemene Vergadering van de VN, over transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten en als reactie op het verzoek van de secretaris-generaal van de VN aan de VN-leden om „concrete voorstellen” inzake transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen, presenteerde de Unie in september 2007 het voorstel voor een vrijwillige gedragscode. Er gingen eerste overlegrondes met derde staten van start en op 8 en 9 december 2008 werd door de Europese Raad het eerste ontwerp van een „gedragscode voor ruimteactiviteiten” goedgekeurd. In het licht van verder overleg met de geïnteresseerde staten bekrachtigde de Raad op 27 september 2010 een herziene versie van de ontwerpgedragscode en verleende hij de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) een mandaat om verder en breder overleg te plegen teneinde te komen tot een tekst van een gedragscode die voor een zo groot mogelijk aantal staten aanvaardbaar is, en deze te kunnen vaststellen.
Bij de uitvoering van deze opdracht werd het overleg voortgezet en tijdens een multilaterale bijeenkomst op 5 juni 2012 in Wenen werd een herziene versie van de gedragscode formeel aan de internationale gemeenschap voorgelegd. Vervolgens werd een proces van open overleg over de ontwerptekst gestart, met het doel het proces transparanter en inclusiever te maken. Er zijn drie overlegrondes gehouden, de laatste twee over herziene versies van de tekst: op 16 en 17 mei 2013 in Kiev, van 20 tot en met 22 november 2013 in Bangkok, en tot slot op 27 en 28 mei 2014 in Luxemburg. Bij elk van deze bijeenkomsten waren deelnemers uit meer dan 60 staten aanwezig, en voor de hele cyclus deelnemers uit meer dan 80 staten.
Aan het einde van het open overleg van 27 en 28 mei 2014 in Luxemburg, concludeerde de voorzitter dat het proces van drie rondes open overleg dat in 2013-2014 werd georganiseerd door de EDEO en waar UNIDIR bij werd betrokken, waardevol was geweest omdat de deelnemende staten er een beter begrip van elkaars standpunten en bedenkingen door hadden gekregen. Veel deelnemers in Luxemburg waren er sterk voorstander van om onverwijld over te gaan van de overlegfase naar de onderhandelingsfase. Daarbij zou de tijdens het open overleg opgestelde ontwerptekst van de gedragscode, waaraan veel staten hebben bijgedragen en die nog verder gewijzigd kan worden, als basis voor toekomstige multilaterale onderhandelingen kunnen dienen. Een aantal deelnemers had gewezen op de noodzaak van een of andere vorm van ondersteuning door de VN. Na het open overleg in Luxemburg, zou de Unie een nieuwe ontwerptekst van de gedragscode opstellen; zij bleef tevens bereid na te denken en overleg te plegen over de wijze waarop zij de toekomstige multilaterale onderhandelingen, alsmede het onderschrijven en toepassen van de gedragscode verder kan ondersteunen.
De Algemene Vergadering van de VN heeft in het licht van het rapport van de secretaris-generaal op grond van Resolutie 61/75, op 8 december 2010 Resolutie 65/68 aangenomen, waarin zij de secretaris-generaal verzoekt een groep van regeringsdeskundigen op het gebied van transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten op te richten om een studie over dergelijke maatregelen te maken. De Unie, die vindt dat een gedragscode zou kunnen bijdragen aan transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten, heeft de VN-groep van regeringsdeskundigen tijdens de drie vergaderingen van de groep in juli 2012, april 2013 en juli 2013 ingelicht over de voortgang met betrekking tot de werkzaamheden in verband met de gedragscode. De VN-groep van regeringsdeskundigen heeft in juli 2013 haar studie en aanbevelingen afgerond. Aanbevolen wordt dat staten en internationale organisaties, op vrijwillige basis en onverminderd de nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit bestaande juridische verbintenissen, de in het verslag van de groep regeringsdeskundigen beschreven transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten onderzoeken en uitvoeren, en steun verlenen aan inspanningen om tot politieke afspraken te komen, bijvoorbeeld in de vorm van eenzijdige verklaringen, bilaterale afspraken of een multilaterale gedragscode, een en ander ter bevordering van verantwoordelijke acties in, en het vreedzame gebruik van de kosmische ruimte. De conclusie van de groep regeringsdeskundigen luidde dat vrijwillige politieke maatregelen de basis kunnen vormen voor beraad over concepten en voorstellen voor juridisch bindende verplichtingen.
Op 5 december 2013 heeft de Algemene Vergadering van de VN bij consensus Resolutie A/RES/68/50 inzake transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten aangenomen. De Algemene Vergadering van de VN heeft zich daarbij ingenomen getoond met het rapport van de secretaris-generaal van de VN dat de studie van de groep van regeringsdeskundigen bevat, en nota genomen van de presentatie door de Unie van het ontwerp van een gedragscode. In die Resolutie worden de VN-lidstaten verder aangemoedigd om de door de groep regeringsdeskundigen voorgestelde transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen te evalueren en uit te voeren, en wordt de secretaris-generaal verzocht het rapport toe te zenden aan de betrokken entiteiten en organisaties van de VN, opdat zij kunnen bijdragen aan een doeltreffende uitvoering van de conclusies en aanbevelingen in het rapport. De betrokken VN-entiteiten en -organisaties worden verder aangemoedigd tot onderlinge coördinatie van kwesties in verband met de aanbevelingen in het rapport.
Sinds de eerste presentatie van de ontwerpgedragscode aan de internationale gemeenschap in juni 2012 hebben de activiteiten in het kader van Besluit 2012/281/GBVB „ter ondersteuning van het voorstel van de Unie voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten” een grote rol gespeeld bij de bewustmaking omtrent de gedragscode en de ondersteuning van het multilaterale proces. In het kader van de bijdrageovereenkomst die in juni 2012 is ondertekend, heeft UNIDIR een aantal regionale studiebijeenkomsten georganiseerd (in Kuala Lumpur, Addis Abeba, Mexico-Stad en Astana) en vier grotere door de EDEO georganiseerde multilaterale bijeenkomsten gesteund (in Wenen, Kiev, Bangkok en Luxemburg). Al deze bijeenkomsten werden ondersteund door middel van reissponsoring, om de deelname van ambtenaren en deskundigen te faciliteren.
Besluit 2012/281/GBVB heeft bijgedragen aan de verspreiding van informatie en de gedachtewisseling over de gedragscode en heeft ertoe geleid dat experten en beleidsmakers, zowel op regionaal als op internationaal niveau, beter bekend zijn geraakt met de gedragscode en er meer inzicht in hebben gekregen. Het heeft de Unie geholpen te laten zien dat zij bereid is het traject naar de vaststelling van de gedragscode te beheren en een transparant en inclusief karakter te geven. De bijeenkomsten die zijn georganiseerd in het kader van dat Besluit van de Raad hebben ook gediend als platform voor overleg met de staten die kritisch staan tegenover de gedragscode; deze werden aangemoedigd om hun bedenkingen te verwoorden in een multilateraal kader, met de mogelijkheid tegenargumenten te laten horen en te debatteren.
Gezien de dynamiek die is ontstaan in de discussies over de gedragscode en, in het bijzonder, het belangrijke gegeven dat de VN-groep van regeringsdeskundigen haar steun heeft betuigd, het feit dat Resolutie A/RES/68/50 van de Algemene Vergadering van de VN bij consensus is aangenomen en de resultaten van het open overleg van 27 en 28 mei 2014 in Luxemburg, dient de Unie actief steun te blijven verlenen aan het ontwikkelen van transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen bij ruimteactiviteiten door te blijven ijveren voor en toe te werken naar de vaststelling van de gedragscode.
Met dit doel voor ogen en puttend uit de ervaringen die zijn opgedaan in het kader van Besluit 2012/281/GBVB dient de Unie steun te verlenen aan de volgende activiteiten:
|
— |
blijven werken aan het verbeteren van de bekendheid met, de kennis van en het inzicht in transparantie- en vertrouwenwekkende maatregelen zoals voorgesteld in het rapport van de groep van regeringsdeskundigen, met inbegrip van het voorstel voor een internationale gedragscode en het proces dat door de Europese Unie wordt geleid; |
|
— |
een kader blijven bieden voor het multilaterale proces inzake het voorstel voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten, een proces dat de internationale gemeenschap in staat zal stellen te blijven streven naar een zo breed mogelijke consensus voor het vaststellen van de gedragscode, en daartoe steun te verlenen voor multilaterale bijeenkomsten voor onderhandelingen over de ontwerpgedragscode en voor de formele vaststelling ervan. |
2. Projecten
|
a) |
Project 1: Outreach: Bevordering van politieke afspraken ter aanmoediging van verantwoordelijke acties in en vreedzaam gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van het voorstel voor een internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten 1. Doel van het project
2. Projectresultaten/-uitvoeringsindicatoren
3. Projectbeschrijving
|
|
b) |
Project 2: Organisatie van ten hoogste drie multilaterale bijeenkomsten met deelname van alle geïnteresseerde staten teneinde de onderhandelingen te faciliteren op basis van de via het open overleg opgestelde ontwerptekst voor een internationale gedragscode, die moeten leiden tot de afronding en formele vaststelling van de gedragscode 1. Doel van het project
2. Projectresultaten/-uitvoeringsindicatoren
3. Projectbeschrijving
|
3. Procedurele aspecten, coördinatie
|
a) |
Met de uitvoering van de projecten zal een aanvang worden gemaakt door een stuurcomité, dat de samenwerkingsprocedures en -regels vaststelt. De uitvoering wordt regelmatig — ten minste om de zes maanden — door het comité geëvalueerd, onder meer langs digitale weg en per videoconferentie. |
|
b) |
Het stuurcomité zal bestaan uit vertegenwoordigers van de hoge vertegenwoordiger, UNODA, UNIDIR en de betrokken VN-instellingen, al naar gelang het geval. |
|
c) |
De HV neemt op basis van een voorstel van UNIDIR en UNODA een besluit over de locatie en de structurele samenstelling van de workshops en bijeenkomsten voor dit project, zo mogelijk in overleg met de EU-lidstaten. |
4. Verslaglegging en beoordeling
|
a) |
Aan het eind van het eerste projectjaar brengen de uitvoeringsorganen een narratief en een financieel verslag uit aan de HV; zij trachten daarbij de rapportagecyclus van de VN te volgen. |
|
b) |
Wanneer het project is voltooid, leggen de uitvoeringsorganen aan de HV een eindverslag voor. |
|
c) |
Alle voortgangs- en situatieverslagen, publicaties, persmededelingen en updates van de uitvoeringsorganen worden terstond aan de HV en aan de Commissie meegedeeld. |
5. Duur
De verwachte uitvoeringstermijn voor dit project is 24 maanden.
6. Begunstigden
|
a) |
De VN-lidstaten. |
|
b) |
Niet-gouvernementele stakeholders, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven. |
7. Vertegenwoordigers van derden
|
a) |
Ter bevordering van de regionale inbreng in de internationale gedragscode voor ruimteactiviteiten kan op grond van dit besluit de deelname worden gefinancierd van deskundigen van buiten de Unie, met name uit betrokken regionale en internationale organisaties. |
|
b) |
Deelname van vertegenwoordigers van UNODA, UNIDIR en het VN-Bureau voor ruimtezaken (United Nations Office for Outer Space Affairs — UNOOSA) aan activiteiten in het kader van dit besluit zal gefinancierd worden, zoals vereist. |
8. Uitvoeringsorgaan
|
a) |
De technische uitvoering van dit besluit wordt toevertrouwd aan UNODA voor de uitvoering van subproject 3.2 (outreachactiviteiten) van project 1, en de uitvoering van project 2, en aan UNIDIR voor de uitvoering van subproject 3.1 (regionale en subregionale studiebijeenkomsten) van project 1. |
|
b) |
UNODA en UNIDIR zullen waar passend samenwerken met UNOOSA, internationale en regionale organisaties, denktanks, ngo's en het bedrijfsleven. |