20.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/17


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 526/2014 VAN DE COMMISSIE

van 12 maart 2014

tot aanvulling van Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen voor het bepalen van vervangende spread en beperkte kleinere portefeuilles voor risico van aanpassing van de kredietwaardering

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, en met name de derde alinea van artikel 383, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De toepassing van de geavanceerde methode voor het bepalen van eigenvermogensvereisten voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering (CVA) kan betrekking hebben op tegenpartijen waarvoor geen kredietverzuimswap(CDS)-spread beschikbaar is. Indien dit het geval is, dienen de instellingen overeenkomstig de derde alinea van artikel 383, lid 1, van Verordening (EU) Nr. 575/2013 een spread te gebruiken die past bij de rating, sector en regio van de tegenpartij („vervangende spread”).

(2)

De regels inzake het bepalen van vervangende waarde voor CVA-risico moeten in het gebruik van brede categorieën rating, sector en regio voorzien en moeten de instellingen de noodzakelijke flexibiliteit toestaan om op basis van hun deskundig oordeel de meest passende vervangende spread te bepalen.

(3)

Bij het in meer detail specificeren van de wijze waarop de attributen rating, sector en regio van één uitgevende instelling door de instellingen in aanmerking moeten worden genomen bij het ramen van een passende vervangende spread voor het bepalen van de eigenvermogensvereisten, als vereist bij Verordening (EU) Nr. 575/2013, moeten regels worden vastgesteld voor de inaanmerkingneming van die attributen op basis van minimumcategorieën voor elk attribuut, teneinde voor een geharmoniseerde toepassing van deze voorwaarden te zorgen.

(4)

Voorts moet het, indien in geval van één uitgevende instelling een verband, zoals tussen een regionale of lagere overheid en het land, bestaat mogelijk zijn de raming van een passende vervangende spread op basis van de creditspread van één uitgevende instelling toe te staan indien dit tot een passender raming leidt.

(5)

Om tot een passende berekening van de CVA-risico-opslag te komen, moet een vervangende spread worden bepaald aan de hand van gegevens die zijn waargenomen in een liquide markt en moeten aannames met betrekking tot gegevens, zoals interpolatie en extrapolatie van gegevens die betrekking hebben op verschillende looptijden, conceptueel gezond zijn.

(6)

Om voor convergentie van de praktijken onder de instellingen te zorgen en inconsistenties te voorkomen, moeten de instellingen, aangezien impliciete kansen op wanbetaling („PD's”), kredietverzuimswaps („CDS”)-spreads en verlies bij wanbetaling („LGD”) één vergelijking met twee onbekende variabelen vormen en het op de markt gebruikelijk is een vaste waarde voor LGD te gebruiken om impliciete PD's van marktspreads af te leiden, een waarde voor LGDMKT gebruiken die consistent is met de vaste LGD die door de marktdeelnemers gewoonlijk wordt gebruikt voor het bepalen van de impliciete PD's op basis van die liquide verhandelde creditspreads welke zijn gebruikt om de vervangende creditspread voor de tegenpartij in kwestie te bepalen.

(7)

Met het oog op de toestemming voor het gebruik van de geavanceerde CVA-methode voor een beperkt aantal kleinere portefeuilles is het passend een portefeuille als een samenstel van verrekenbare transacties als omschreven in artikel 272, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, het aantal niet volgens de internemodellenmethode („IMM”) behandelde transacties die aan de CVA-risico-opslag onderworpen zijn en de omvang van de niet volgens de IMM behandelde samenstellen van verrekenbare transacties die aan de CVA-risico-opslag onderworpen zijn te beschouwen, en deze in termen van een percentage van het totale aantal van alle transacties die onderworpen zijn aan de CVA-risico-opslag en een percentage van de totale omvang van alle samenstellen van verrekenbare transacties die onderworpen zijn aan de berekening van de CVA-risico-opslag te beperken teneinde rekening te houden met de grootteverschillen tussen instellingen.

(8)

Om mogelijke discontinuïteiten in het gebruik van de geavanceerde CVA-methode voor een beperkt aantal kleinere portefeuilles te limiteren, moet het gebruik van de geavanceerde CVA-methode pas tot een eind komen wanneer gedurende twee opeenvolgende kwartalen kwantitatieve limieten worden overschreden.

(9)

Voorts moeten de bevoegde autoriteiten, om hun toezichtsverplichtingen efficiënt te kunnen uitvoeren, ervan op de hoogte kunnen zijn wanneer niet langer aan het vereiste van een beperkt aantal kleinere portefeuilles wordt voldaan; daarom moeten de instellingen in die gevallen aan de bevoegde autoriteiten kennisgeving doen.

(10)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd.

(11)

De Europese Bankautoriteit heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen om advies verzocht (2),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het bepalen van een passende vervangende spread

1.   De vervangende spread voor een bepaalde tegenpartij wordt geacht te passen bij de rating, sector en regio van de tegenpartij overeenkomstig de vierde alinea van artikel 383, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, indien de volgende voorwaarden worden vervuld:

a)

de vervangende spread is bepaald door alle attributen rating, sector en regio van de tegenpartij als gespecificeerd in de punten b), c) en d) in aanmerking te nemen;

b)

het attribuut rating is bepaald door het gebruik van een vooraf bepaalde rangorde van bronnen van interne en externe ratings in aanmerking te nemen. Ratings worden gemapt naar kredietkwaliteitscategorieën, als bedoeld in artikel 384, lid 2), van Verordening (EU) nr. 575/2013. In gevallen waarin meerdere externe ratings beschikbaar zijn, wordt voor de mapping ervan naar kredietkwaliteitscategorieën de benadering voor meerdere kredietbeoordelingen gevolgd die is vastgesteld in artikel 138 van die verordening;

c)

het attribuut sector is bepaald door ten minste de volgende categorieën in aanmerking te nemen:

i)

overheidssector;

ii)

financiële sector;

iii)

overige;

d)

het attribuut regio is bepaald door ten minste de volgende categorieën in aanmerking te nemen:

i)

Europa;

ii)

Noord-Amerika;

iii)

Azië;

iv)

buitenland.

e)

de vervangende spread weerspiegelt op representatieve wijze de beschikbare kredietverzuimswapspreads en de spreads van andere liquide verhandelde kredietrisicoinstrumenten, overeenkomstig de relevante combinatie van toepasselijke categorieën en met inachtneming van de criteria voor de kwaliteit van gegevens als bedoeld in lid 3;

f)

de geschiktheid van de spread wordt bepaald op basis van de volatiliteit veeleer dan het niveau van de spread.

2.   Bij de inaanmerkingneming van de attributen rating, sector en regio van de tegenpartij overeenkomstig lid 1, wordt het passend geacht de vervangende spread voor een regionale of lagere overheid te ramen op basis van de creditspread van de relevante uitgevende centrale overheid indien aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de regionale of lagere overheid en de centrale overheid hebben dezelfde rating;

b)

er is geen rating voor de regionale of lagere overheid.

3.   Alle inputs die worden gebruikt voor de bepaling van een vervangende spread zijn gebaseerd op betrouwbare gegevens die zijn waargenomen op een liquide vraag- en aanbodmarkt als bedoeld in de tweede alinea van artikel 338, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013. Er moeten voldoende gegevens beschikbaar zijn voor het genereren van vervangende spreads voor alle relevante looptijden en voor de historische perioden als bedoeld in artikel 383, lid 5, van die verordening.

Artikel 2

Vaststelling van LGDMKT

Om het verlies bij wanbetaling van de tegenpartij (LGDMKT) vast te stellen voor de berekening van de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico volgens de geavanceerde methode voor een tegenpartij waarbij het gebruik van een vervangende spread vereist is, gebruiken de instellingen een waarde voor LGDMKT die consistent is met de vaste LGD's die door de marktdeelnemers gewoonlijk worden gebruikt voor het bepalen van impliciete PD's op basis van die marktspreads welke zijn gebruikt voor het bepalen van de vervangende spread voor de tegenpartij in kwestie overeenkomstig artikel 1.

Artikel 3

Kwantitatieve limieten betreffende het aantal en de omvang van gekwalificeerde portefeuilles

1.   Om het criterium van een beperkt aantal kleinere portefeuilles als bedoeld in artikel 383, lid 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 te vervullen, wordt aan alle volgende voorwaarden voldaan:

a)

het totale aantal niet volgens de IMM behandelde transacties die onderworpen zijn aan de CVA-risico-opslag mag niet groter zijn dan 15 % van het totale aantal transacties die aan de CVA-risico-opslag zijn onderworpen;

b)

de omvang van elk individueel niet volgens de IMM behandeld samenstel van verrekenbare transacties dat onderworpen is aan de CVA-risico-opslag mag niet groter zijn dan 1 % van de totale omvang van alle samenstellen van verrekenbare transacties die onderworpen zijn aan de CVA-risico-opslag;

c)

de totale omvang van alle niet volgens de IMM behandelde samenstellen van verrekenbare transacties die onderworpen zijn aan de CVA-risico-opslag mag niet groter zijn dan 10 % van de totale omvang van alle samenstellen van verrekenbare transacties die onderworpen zijn aan de CVA-risico-opslag.

2.   Voor de toepassing van de punten b) en c) van lid 1 is de omvang van een samenstel van verrekenbare transacties de blootstelling aan wanbetaling van het samenstel van verrekenbare transacties berekend aan de hand van de op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode waarvan sprake in artikel 274 van Verordening (EU) nr. 575/2013, door rekening te houden met de effecten van verrekening, overeenkomstig artikel 298 van die verordening, maar niet de effecten van zekerheden.

3.   Voor de toepassing van lid 1 berekent een instelling voor elk kwartaal het rekenkundig gemiddelde van ten minste maandelijkse waarnemingen van de volgende verhoudingen:

a)

het aantal niet volgens de IMM behandelde transacties tot het totale aantal transacties;

b)

de individuele omvang van het grootste niet volgens de IMM behandelde samenstel van verrekenbare transacties tot de totale omvang van alle samenstellen van verrekenbare transacties; en

c)

de totale omvang van alle niet volgens de IMM behandelde samenstellen van verrekenbare transacties tot de totale omvang van alle samenstellen van verrekenbare transacties.

4.   Indien het in lid 1 gespecificeerde criterium voor twee opeenvolgende berekeningen waarvan sprake in lid 3 niet is vervuld, maakt een instelling gebruik van de standaardmethode als beschreven in artikel 384 van Verordening (EU) nr. 575/2013 om de eigenvermogensvereisten voor CVA-risico voor alle niet volgens de IMM behandelde samenstellen van verrekenbare transacties te berekenen en stelt zij de bevoegde instanties in kennis.

5.   De in lid 1 vastgestelde voorwaarden worden toegepast op individuele, gesubconsolideerde of geconsolideerde basis, afhankelijk van het toepassingsgebied van de toestemming om de internemodellenmethode te gebruiken waarvan sprake in artikel 283 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 maart 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).