17.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 360/59


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 15 december 2014

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Richtlijn 2000/29/EG van de Raad met betrekking tot de kennisgeving van de aanwezigheid van schadelijke organismen en van maatregelen die de lidstaten hebben genomen of voornemens zijn te nemen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 9460)

(2014/917/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De kennisgevingen van de aanwezigheid van schadelijke organismen als bedoeld in artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG of van het daadwerkelijke of vermoede verschijnen van schadelijke organismen als bedoeld in artikel 16, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn, moeten alle gegevens bevatten op grond waarvan de Commissie en andere lidstaten zo doeltreffend mogelijke maatregelen kunnen plannen en uitvoeren, hetzij op het niveau van de Unie hetzij op regionaal niveau, al naargelang van het geval. Dit is van cruciaal belang om het grondgebied van de Unie zo goed mogelijk tegen alle mogelijke bronnen van fytosanitaire risico's te beschermen.

(2)

Om een snelle reactie mogelijk te maken, moeten bepaalde elementen van deze kennisgevingen, gelet op het belang ervan en de mogelijkheid om deze snel in te dienen, uiterlijk acht werkdagen na de bevestiging van de aanwezigheid of het voorkomen van schadelijke organismen worden ingediend, en moeten alle vereiste elementen uiterlijk 30 dagen na die bevestiging worden ingediend.

(3)

Om ervoor te zorgen dat de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte blijven van eventuele wijzigingen, moet de kennisgevende lidstaat de desbetreffende kennisgevingen zo spoedig mogelijk bijwerken indien de lidstaat na indiening van de vereiste informatie nieuwe relevante informatie verkrijgt of nieuwe relevante maatregelen neemt.

(4)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Inhoud van kennisgevingen

1.   Wanneer lidstaten de Commissie en de andere lidstaten in kennis stellen van de aanwezigheid of het voorkomen van een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 16, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG of van het daadwerkelijke verschijnen van een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 16, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn, verstrekken zij de in de bijlage vervatte informatie.

2.   Wanneer lidstaten de Commissie en de andere lidstaten in kennis stellen van het vermoede verschijnen van een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 16, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG, verstrekken zij de in de bijlage vervatte informatie, voor zover van toepassing.

Artikel 2

Termijnen voor kennisgevingen

1.   Uiterlijk acht werkdagen na de datum van de officiële bevestiging door de verantwoordelijke officiële instantie van de aanwezigheid of het daadwerkelijke verschijnen van het schadelijke organisme als bedoeld in artikel 16, lid 1, eerste alinea, en artikel 16, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG, dienen de lidstaten een kennisgeving in die ten minste de in de punten 1.1, 1.3, 2.1, 2.2, 3.1, 4.1, 5.1, 5.2, 5.6, 6.4 en 8 van de bijlage vermelde gegevens bevat.

2.   Uiterlijk dertig dagen na de datum van de officiële bevestiging door de verantwoordelijke officiële instantie van de aanwezigheid of het daadwerkelijke verschijnen van het schadelijke organisme als bedoeld in artikel 16, lid 1, eerste alinea, en artikel 16, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG, dienen de lidstaten een kennisgeving in die de gegevens bevat voor de punten van de bijlage die niet in lid 1 zijn vermeld.

3.   Uiterlijk acht werkdagen na de datum waarop de verantwoordelijke officiële instantie het verschijnen van een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 16, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG vermoedt, dienen de lidstaten een kennisgeving in die ten minste de in de punten 1.1, 1.3, 2.1, 2.2, 3.1, 4.1, 5.1, 5.2, 6.4 en 8 van de bijlage vermelde gegevens bevat.

4.   Uiterlijk dertig dagen na de datum waarop de verantwoordelijke officiële instantie het verschijnen van een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 16, lid 2, eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG vermoedt, dienen de lidstaten een kennisgeving in die de gegevens bevat voor de punten van de bijlage die niet in lid 3 zijn vermeld.

5.   De lidstaten werken de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde kennisgevingen bij zodra bij hen nieuwe relevante informatie beschikbaar wordt en zij deze hebben gecontroleerd, of zodra zij nieuwe maatregelen hebben genomen.

Artikel 3

Addressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 15 december 2014.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.


BIJLAGE

INHOUD VAN DE IN ARTIKEL 1 BEDOELDE KENNISGEVINGEN

1.   Algemene informatie over de kennisgeving

1.1.

Titel. Vermelding van de wetenschappelijke naam van het betrokken schadelijke organisme, de plaats en of het een eerste aanwezigheid betreft of niet. De wetenschappelijke naam moet overeenkomen met:

a)

de wetenschappelijke benaming van het schadelijke organisme overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG of overeenkomstig de op grond van artikel 16, lid 3, van die richtlijn vastgestelde maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van de pathovar, of

b)

indien punt a) niet van toepassing is, de door een internationale organisatie goedgekeurde wetenschappelijke benaming, met inbegrip van de pathovar en de naam van die organisatie, of

c)

indien noch punt a) noch punt b) van toepassing is, vermelding van de wetenschappelijke benaming op grond van de meest betrouwbare informatiebron, met een verwijzing naar die bron.

Er mogen toelichtingen worden ingediend.

1.2.

Samenvatting. Indiening van een samenvatting van de gegevens van punten 3 t/m 7.

1.3.

Vermelding van een van de volgende opties: 1) gedeeltelijke kennisgeving overeenkomstig artikel 2, lid 1, of artikel 2, lid 3; 2) kennisgeving overeenkomstig artikel 2, lid 2, of artikel 2, lid 4; 3) bijwerking van de kennisgeving overeenkomstig artikel 2, lid 5; 4) aantekening waarin kennis wordt gegeven van de beëindiging van de genomen maatregelen en de redenen daarvoor.

2.   Informatie over de ene centrale instantie en de verantwoordelijke personen.

2.1.

Naam van de in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 2000/29/EG bedoelde ene centrale instantie die de kennisgeving indient („de centrale instantie”). Vermelding van de woorden „kennisgeving van”, gevolgd door de naam van de centrale instantie, en de naam van de lidstaat van die instantie.

2.2.

Officiële contactpersoon bij de centrale instantie. Vermelding van de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres van de persoon die door de centrale instantie als officiële contactpersoon voor de desbetreffende kennisgeving is aangewezen. Wanneer meer dan één persoon wordt vermeld, een vermelding van de redenen daarvoor.

3.   Plaats waar het schadelijke organisme aanwezig is.

3.1.

Aanduiding — zo specifiek mogelijk — van de plaats waar het betrokken schadelijke organisme aanwezig is, met ten minste verwijzing naar de relevante administratieve regio (gemeente, stad, provincie, enz.).

3.2.

Ter aanvulling op punt 3.1, kaart(en) van de plaats. Aanvullende informatie kan worden verstrekt in de vorm van opmerkingen, gegevens over de grenzen onder verwijzing naar de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) van Eurostat of geografische codes (geocodes), of in de vorm van luchtfoto's of de belangrijkste GPS-coördinaten.

4.   Informatie over de reden voor de kennisgeving, de status inzake plagen van het gebied en de betrokken lidstaat.

4.1.

Vermelding van een van de volgende opties: 1) eerste bevestigde of vermoedelijke verschijning van het schadelijke organisme op het grondgebied van de betrokken lidstaat; 2) bevestigde of vermoedelijke verschijning van het schadelijke organisme in een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat waar de aanwezigheid voordien onbekend was. In geval van optie 2, vermelding, indien van toepassing, dat het schadelijke organisme aanwezig is in een deel van het grondgebied van de betrokken lidstaat waar het eerder aanwezig was maar er werd uitgeroeid.

4.2.

Status inzake plagen van het gebied waar de aanwezigheid van het schadelijke organisme is vastgesteld, na de officiële bevestiging. Vermelding, met toelichting, van één of meer van de volgende opties: 1) aanwezig: in alle delen van het betrokken gebied; 2) aanwezig: in bepaalde delen van het betrokken gebied; 3) aanwezig: in bepaalde delen van het gebied waar geen waardplanten worden geteeld; 4) aanwezig: uitroeiingsprogramma loopt; 5) aanwezig: inperkingsprogramma loopt; 6) aanwezig: lage prevalentie; 7) niet aanwezig: schadelijk organisme aangetroffen maar uitgeroeid; 8) niet aanwezig: schadelijk organisme aangetroffen, maar verdwenen om andere redenen dan uitroeiing; 9) van voorbijgaande aard (de aanwezigheid van het schadelijke organisme zal in het gebied naar verwachting niet duurzaam zijn): geen maatregelen mogelijk; 10) van voorbijgaande aard: maatregelen mogelijk, onder bewaking; 11) van voorbijgaande aard: maatregelen mogelijk, uitroeiingsprogramma loopt; 12) anders.

4.3.

Status inzake plagen van de betrokken lidstaat vóór officiële bevestiging van de aanwezigheid of vermoedelijke aanwezigheid van het schadelijke organisme. Vermelding, met toelichting, van één of meer van de volgende opties: 1) aanwezig: in alle delen van de betrokken lidstaat; 2) aanwezig: in bepaalde delen van de betrokken lidstaat; 3) aanwezig: in bepaalde delen van de lidstaat waar geen waardplanten worden geteeld; 4) aanwezig: seizoensgebonden; 5) aanwezig: uitroeiingsprogramma loopt; 6) aanwezig: inperkingsprogramma loopt, in het geval uitroeiing onmogelijk is; 7) aanwezig: lage prevalentie; 8) niet aanwezig: geen gegevens over het plaagorganisme; 9) niet aanwezig: plaagorganisme uitgeroeid; 10) niet aanwezig: plaagorganisme niet langer aanwezig vanwege andere redenen dan uitroeiing; 11) niet aanwezig: gegevens over het plaagorganisme ongeldig; 12) niet aanwezig: gegevens over het plaagorganisme onbetrouwbaar; 13) niet aanwezig: enkel onderschept; 14) van voorbijgaande aard: geen maatregelen mogelijk; 15) van voorbijgaande aard: maatregelen mogelijk, onder bewaking; 16) van voorbijgaande aard: maatregelen mogelijk, uitroeiingsprogramma loopt; 17) anders.

4.4.

Status inzake plagen van de betrokken lidstaat na officiële bevestiging van de aanwezigheid van het schadelijke organisme. Vermelding, met toelichting, van één of meer van de volgende opties: 1) aanwezig: in alle delen van de betrokken lidstaat; 2) aanwezig: in bepaalde delen van de betrokken lidstaat; 3) aanwezig: in bepaalde delen van de lidstaat waar geen waardplanten worden geteeld; 4) aanwezig: seizoensgebonden; 5) aanwezig: uitroeiingsprogramma loopt; 6) aanwezig: inperkingsprogramma loopt, in het geval uitroeiing onmogelijk is; 7) aanwezig: lage prevalentie; 8) niet aanwezig: plaagorganisme uitgeroeid; 9) niet aanwezig: plaagorganisme niet langer aanwezig vanwege andere redenen dan uitroeiing; 10) niet aanwezig: gegevens over het plaagorganisme ongeldig; 11) niet aanwezig: gegevens over het plaagorganisme onbetrouwbaar; 12) niet aanwezig: enkel onderschept; 13) van voorbijgaande aard: geen maatregelen mogelijk; 14) van voorbijgaande aard: maatregelen mogelijk, onder bewaking; 15) van voorbijgaande aard: maatregelen mogelijk, uitroeiingsprogramma loopt; 16) anders.

5.   Informatie betreffende de vaststelling, bemonstering, het testen en de bevestiging van het schadelijke organisme.

5.1.

Hoe de aanwezigheid of het verschijnen van het schadelijke organisme werd vastgesteld. Vermelding van een van de volgende opties: 1) officieel onderzoek naar het plaagorganisme; 2) onderzoek dat verband hield met een bestaande of uitgeroeide uitbraak van een schadelijk organisme; 3) fytosanitaire inspecties, van welke aard dan ook; 4) inspectie in verband met het traceren in beide richtingen van de aanwezigheid van het betrokken schadelijke organisme; 5) officiële inspectie voor andere dan fytosanitaire doeleinden; 6) door land- of bosbouwbedrijven, laboratoria of andere personen overgelegde informatie; 7) wetenschappelijke informatie; 8) overig. Er mogen verdere opmerkingen worden gemaakt, als vrije tekst of door bijvoeging van documenten. Bij optie 8) is een nadere toelichting vereist. Indien van toepassing, vermelding van de datum van de inspectie(s), de beschrijving van de controlemethode (waar mogelijk met een beschrijving van de visuele of andere controles) en een korte beschrijving van de plaats waar de inspectie werd verricht en de bevindingen van die inspectie, evenals beeldmateriaal. Bij opties 3) en 4) moeten de datum van de inspectie(s) worden vermeld, evenals een beschrijving van de controlemethode (waar mogelijk met een beschrijving van de visuele of andere controles). Er mag een korte beschrijving worden ingediend van de plaats waar de inspectie is verricht en de bevindingen van die inspectie, evenals beeldmateriaal.

5.2.

Datum van vaststelling: vermelding van de datum waarop de verantwoordelijke officiële instantie de aanwezigheid of het verschijnen van het schadelijke organisme heeft vastgesteld of voor het eerst informatie over de vaststelling ervan heeft ontvangen. Indien het schadelijke organisme werd ontdekt door iemand anders dan de verantwoordelijke officiële instantie: vermelding van de datum van vaststelling van het schadelijke organisme door die persoon, en de datum waarop die persoon de verantwoordelijke officiële instantie hiervan dienovereenkomstig in kennis heeft gesteld.

5.3.

Bemonstering voor laboratoriumanalyse. Indien van toepassing, indiening van informatie over de bemonstering voor laboratoriumanalyse, met inbegrip van de datum, methode en omvang van het monster. Er mag beeldmateriaal bijgevoegd worden.

5.4.

Laboratorium. Indien van toepassing, vermelding van de naam en het adres van het laboratorium dat betrokken is of de laboratoria die betrokken zijn bij de identificatie van het betrokken schadelijke organisme.

5.5.

Diagnosemethoden. Vermelding van een van de volgende opties: 1) op grond van een aan collegiale toetsing onderworpen protocol; 2) anders: met vermelding van de betreffende methode. Bij optie 1) moet een duidelijke verwijzing naar het desbetreffende protocol worden vermeld evenals, in voorkomend geval, eventuele afwijkingen daarvan.

5.6.

Datum waarop de identiteit van het schadelijke organisme officieel werd bevestigd.

6.   Informatie over het aangetaste gebied en de ernst en oorsprong van de uitbraak in dat gebied.

6.1.

Omvang en afbakening van het aangetaste gebied. Vermelding van één of meer van de volgende opties: 1) oppervlak van het aangetaste gebied (m2, ha, km2); 2) aantal aangetaste planten (stuks); 3) omvang aangetaste plantaardige producten (ton, m3); 4) belangrijkste GPS-coördinaten of enige andere specifieke aanduidingen van de grenzen van het aangetaste gebied. Er mogen schattingen van deze cijfers worden ingediend, maar deze moeten vergezeld gaan van een verklaring waarom de precieze cijfers ontbreken.

6.2.

Kenmerken van het aangetaste gebied en de omgeving daarvan. Vermelding van één of meer van de volgende opties:

1.

In de open lucht — productiegebied

1.1.

veld (landbouwgrond, weidegrond),

1.2.

boomgaard/wijngaard,

1.3.

kwekerij,

1.4.

bos.

2.

In de open lucht — overig

2.1.

privétuin,

2.2.

openbaar terrein,

2.3.

beschermd gebied,

2.4.

wilde planten in andere dan beschermde gebieden,

2.5.

anders: vermeld het specifieke geval.

3.

Besloten omgeving

3.1.

kas,

3.2.

privéterrein anders dan een kas,

3.3.

openbaar terrein anders dan een kas,

3.4.

anders: vermeld het specifieke geval.

Voor elke optie, vermelding of de respectieve aantasting één of meer van de volgende elementen betreft: voor opplant bestemde planten, andere planten of plantaardige producten.

6.3.

Waardplanten in het aangetaste gebied en de omgeving daarvan. Vermelding van de wetenschappelijke benaming van de waardplanten in het gebied, in overeenstemming met punt 6.4. Er mag aanvullende informatie worden gegeven over de dichtheid van waardplanten in het gebied onder verwijzing naar teeltwijzen, specifieke kenmerken van de habitats, of informatie over vatbare plantaardige producten die in het gebied worden geproduceerd.

6.4.

Aangetaste plant(en), plantaardig(e) product(en) en ander(e) materia(a)l(en). Vermelding van de wetenschappelijke benaming van de aangetaste waardplant(en).

Vermelding van het plantenras en, voor plantaardige producten, in voorkomend geval, het soort product (indien mogelijk).

6.5.

In het gebied aanwezige vectoren. Naar gelang van het geval, vermelding van een van de volgende opties:

a)

de wetenschappelijke benaming van de vectoren ten minste op genus-niveau overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG of overeenkomstig de op grond van artikel 16, lid 3, van die richtlijn vastgestelde maatregelen, of

b)

indien punt a) niet van toepassing is, de door een internationale organisatie goedgekeurde wetenschappelijke benaming en de naam van die organisatie, of

c)

indien noch punt a) noch punt b) van toepassing is, vermelding van de wetenschappelijke benaming op grond van de meest betrouwbare informatiebron, met een verwijzing naar die bron.

Er mag aanvullende informatie worden gegeven over de dichtheid van de vectoren of de kenmerken van planten die van belang zijn voor de vectoren.

6.6.

Ernst van de uitbraak. Beschrijving van de huidige mate van aantasting, de symptomen, schade en in voorkomend geval, zodra deze informatie beschikbaar is, toevoeging van voorspellingen.

6.7.

Oorsprong van de uitbraak. Waar van toepassing, vermelding van de bevestigde manier van insleep van het schadelijke organisme in het gebied of — indien in afwachting van een dergelijke bevestiging — van de vermoedelijke manier van insleep. Er mag informatie worden bijgevoegd over de bevestigde of mogelijke oorsprong van het schadelijke organisme.

7.   Officiële fytosanitaire maatregelen.

7.1.

Vaststelling van officiële fytosanitaire maatregelen. Vermelding van een van de volgende opties, vergezeld van een toelichting: 1) er zijn officiële fytosanitaire maatregelen genomen in de vorm van chemische, biologische of fysieke behandelingen; 2) er zijn officiële fytosanitaire maatregelen genomen, anders dan in de vorm van chemische, biologische of fysieke behandelingen; 3) er zullen officiële fytosanitaire maatregelen worden genomen; 4) besluit over officiële fytosanitaire maatregelen moet nog worden genomen; 5) geen officiële fytosanitaire maatregelen. Indien er sprake is van een afgebakend gebied, vermelding bij de opties 1), 2) en 3) of de maatregelen op dat afgebakende gebied van toepassing zijn of juist daarbuiten. Bij optie 5), vermelding van de reden voor het achterwege laten van officiële fytosanitaire maatregelen.

7.2.

Datum van vaststelling van de officiële fytosanitaire maatregelen. In geval van tijdelijke maatregelen, vermelding van de verwachte duur.

7.3.

Identificatie van het gebied waarop de officiële fytosanitaire maatregelen van toepassing zijn. Vermelding van de methode voor het vaststellen van het gebied waarop de officiële fytosanitaire maatregelen van toepassing zijn. Indien onderzoeken werden uitgevoerd, de resultaten van die onderzoeken.

7.4.

Doel van de officiële fytosanitaire maatregelen. Vermelding van een van de volgende opties: 1) uitroeiing: 2) inperking, in het geval uitroeiing onmogelijk is;

7.5.

Maatregelen die gevolgen hebben voor het goederenverkeer. Vermelding van een van de volgende opties: 1) maatregelen die gevolgen hebben op de invoer of het verkeer van goederen in de Unie; 2) maatregelen die geen gevolgen hebben op de invoer of het verkeer van goederen in de Unie. Bij optie 1), beschrijving van de maatregelen.

7.6.

Specifieke onderzoeken. Indien onderzoeken zijn verricht in het kader van officiële fytosanitaire maatregelen, vermelding van de methodologie, de duur en het toepassingsgebied ervan.

8.   Analyse/beoordeling van het fytosanitaire risico. Vermelding van de volgende opties: 1) een analyse van het fytosanitaire risico is niet vereist (schadelijk organisme is opgenomen in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG, dan wel onderworpen aan maatregelen die zijn vastgesteld krachtens artikel 16, lid 3, van die richtlijn); 2) analyse van het fytosanitaire risico, of voorlopige analyse van het fytosanitaire risico wordt opgezet; 3) voorlopige analyse van het fytosanitaire risico is voorhanden; 4) analyse van het fytosanitaire risico is voorhanden. Bij opties 3) en 4), beschrijving van de voornaamste bevindingen en toevoeging van de desbetreffende analyse van het fytosanitaire risico of een verwijzing naar de bron waar deze analyse beschikbaar is.

9.   Links naar relevante websites en andere informatiebronnen.

10.   De lidstaten kunnen de Commissie verzoeken om aan de Plantenbeschermingsorganisatie voor Europa en het gebied van de Middellandse Zee informatie te verstrekken met betrekking tot één of meer elementen van punten 1.1, 1.3, 3.1, 4.1 tot en met 4.4, 5.1 tot en met 5.6, 6.1 tot en met 6.7, 7.1 tot en met 7.6 en 8.