|
26.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 315/2 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1194/2013 VAN DE RAAD
van 19 november 2013
tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9,
Gezien het voorstel dat de Europese Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,
Overwegende hetgeen volgt:
A. DE PROCEDURE
1. Voorlopige maatregelen
|
(1) |
Op 27 mei 2013 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) besloten bij Verordening (EU) nr. 490/2013 (2) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië („de betrokken landen”) in te stellen. |
|
(2) |
De procedure werd op 29 augustus 2012 (3) ingeleid na een klacht die was ingediend namens producenten in de Unie („de klagers”), die meer dan 60 % van de totale productie van biodiesel in de Unie vertegenwoordigen. |
|
(3) |
Zoals in overweging 5 van de voorlopige verordening is uiteengezet, had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012 („onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling, had betrekking op de periode van 1 januari 2009 tot het einde van het OT („beoordelingsperiode”). |
2. Vervolgprocedure
|
(4) |
Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten een voorlopig antidumpingrecht in te stellen („mededeling van de voorlopige bevindingen”), hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die daartoe een verzoek hadden ingediend, werden gehoord. |
|
(5) |
De Commissie verzamelde en controleerde vervolgens alle gegevens die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden bestudeerd en de voorlopige bevindingen werden, waar nodig, dienovereenkomstig gewijzigd. |
|
(6) |
Vervolgens werden alle partijen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wilde aanbevelen een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië in te stellen en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen („mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle partijen konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken. |
|
(7) |
De opmerkingen van de belanghebbenden zijn bestudeerd en er is, waar nodig, rekening mee gehouden. |
B. STEEKPROEVEN
|
(8) |
Aangezien er geen opmerkingen over de steekproef van producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië werden ontvangen, worden de overwegingen 10 tot en met 14 en 16 tot en met 20 van de voorlopige verordening bevestigd. |
|
(9) |
Eén belanghebbende verzocht om nadere informatie over de representativiteit van de steekproef van producenten in de Unie, zowel in het stadium van de voorlopige samenstelling van de steekproef zoals omschreven in overweging 23 van de voorlopige verordening, als in het stadium van de definitieve samenstelling zoals bedoeld in overweging 83 van die verordening. |
|
(10) |
De voorlopige steekproef van producenten in de Unie vertegenwoordigde 32,5 % van de productie van biodiesel in de Unie tijdens het OT. Na de in overweging 24 van de voorlopige verordening beschreven wijzigingen bestond de definitieve steekproef uit acht ondernemingen die 27 % van de productie in de Unie voor hun rekening namen. De steekproef werd dan ook als representatief voor de bedrijfstak van de Unie beschouwd. |
|
(11) |
Eén belanghebbende voerde aan dat twee in de steekproef opgenomen producenten in de Unie uit de steekproef dienden te worden verwijderd omdat zij met Argentijnse producenten-exporteurs verbonden zouden zijn. Voorafgaand aan de instelling van de voorlopige maatregelen werd de vermeende verbondenheid onderzocht. De conclusies van dat onderzoek zijn door de Commissie reeds in overweging 82 van de voorlopige verordening bekendgemaakt. |
|
(12) |
Alle vermeende banden tussen Argentijnse producenten-exporteurs en de beide hierboven bedoelde ondernemingen in de steekproef werden nogmaals onderzocht, waarbij geen rechtstreekse onderlinge band kon worden vastgesteld op grond waarvan een van die producenten in de Unie uit de steekproef moest worden verwijderd. De steekproef bleef derhalve ongewijzigd. |
|
(13) |
Volgens een andere belanghebbende was de door de Commissie gehanteerde procedure voor de samenstelling van een steekproef van producenten in de Unie onregelmatig omdat de Commissie reeds vóór de inleiding van het onderzoek een steekproef zou hebben voorgesteld. |
|
(14) |
Dat argument wordt afgewezen. De Commissie heeft de definitieve steekproef pas na de inleiding van het onderzoek en in volledige overeenstemming met de basisverordening samengesteld. |
|
(15) |
Aangezien er geen andere argumenten of opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 22 tot en met 25 van de voorlopige verordening bevestigd. |
C. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
1. Inleiding
|
(16) |
Zoals in overweging 29 van de voorlopige verordening is vermeld, gaat het bij het betrokken product om door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, in zuivere vorm of in mengsels, van oorsprong uit Argentinië en uit Indonesië, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 , ex 1518 00 91 , ex 1518 00 95 , ex 1518 00 99 , ex 2710 19 43 , ex 2710 19 46 , ex 2710 19 47 , 2710 20 11 , 2710 20 15 , 2710 20 17 , ex 3824 90 97 , 3826 00 10 en ex 3826 00 90 („het betrokken product”, gewoonlijk „biodiesel” genoemd). |
2. Argumenten
|
(17) |
Eén Indonesische producent-exporteur voerde aan dat in Indonesië geproduceerde palmmethylester (PME) in tegenstelling tot hetgeen in overweging 34 van de voorlopige verordening is vermeld, niet vergelijkbaar is met in Argentinië geproduceerde koolzaadmethylester (KME) en andere in de Unie geproduceerde biodiesels of in Argentinië geproduceerde sojamethylester (SME), omdat PME vanwege het veel hogere troebelingspunt („Cold Filter Plugging Point” — CFPP) moet worden gemengd voordat het in de Unie kan worden gebruikt. |
|
(18) |
Dit argument wordt afgewezen. In Indonesië geproduceerde PME staat in concurrentie met in de Unie geproduceerde biodiesels, waartoe niet alleen KME, maar ook uit palmolie en andere grondstoffen vervaardigde biodiesels behoren. Net als KME en SME, kan PME in de hele Unie het hele jaar door worden gebruikt door het vóór gebruik met andere biodiesels te mengen. PME is daarom uitwisselbaar met in de Unie geproduceerde biodiesel en vormt dus een soortgelijk product. |
|
(19) |
Zoals in overweging 35 van de voorlopige verordening is vermeld, verzocht een Indonesische producent om uitsluiting van gefractioneerde methylesters uit de productomschrijving van de onderhavige procedure. Dezelfde producent herhaalde dit eerder gedane verzoek in zijn opmerkingen over de mededeling van de voorlopige bevindingen. |
|
(20) |
De bedrijfstak van de Unie betwistte evenwel de argumentatie van de Indonesische producent en stelde dat gefractioneerde methylesters biodiesels vormen en deel moeten blijven uitmaken van de productomschrijving. |
|
(21) |
Op grond van na de voorlopige fase van het onderzoek ontvangen opmerkingen wordt het besluit van de Commissie in overweging 36 van de voorlopige verordening bevestigd. Weliswaar zijn uiteenlopende methylestervetzuren onder verschillende nummers van de Chemical Abstracts Service („CAS-nummers”) ingedeeld en worden die esters door middel van verschillende procedés vervaardigd en voor verschillende doeleinden gebruikt, maar gefractioneerde methylesters zijn toch methylestervetzuren en kunnen wel degelijk als brandstof worden gebruikt. Aangezien methylestervetzuren bij invoer zonder chemische analyse moeilijk van elkaar kunnen worden onderscheiden, zodat het gevaar bestaat dat de rechten worden ontweken doordat PME-biodiesel als gefractioneerde methylester uit palmolie wordt gedeclareerd, wordt het argument nog steeds afgewezen. |
|
(22) |
In overweging 37 van de voorlopige verordening is vermeld dat een Europese importeur van methylestervetzuur op basis van palmpittenolie („PPME”) erom verzocht dit product op grond van zijn bijzondere bestemming vrij te stellen van rechten of anders uit te sluiten van de in het kader van deze procedure vastgestelde productomschrijving. |
|
(23) |
De bedrijfstak van de Unie heeft na de mededeling van de voorlopige bevindingen opmerkingen gemaakt over de toepassing van de vrijstelling voor bijzondere bestemmingen op PPME en de kans dat deze tot een ontwijking van de voorgestelde rechten zou leiden. Zij vroegen de Commissie geen toestemming voor een dergelijke vrijstelling van de antidumpingrechten te geven gezien het uitwisselbare karakter van biodiesel; biodiesel waarvan wordt aangegeven dat deze niet voor gebruik als brandstof is bestemd, zou wel als brandstof kunnen worden gebruikt, omdat zij over dezelfde fysische eigenschappen beschikt. PPME kan als brandstof worden gebruikt en uit PPME vervaardigde onverzadigde-vetalcohol kan ook verder worden verwerkt tot biodiesel. Bovendien kan de douane slechts in beperkte mate controles uitvoeren op goederen die met vrijstelling van rechten in het kader van de bijzondere bestemming worden ingevoerd, terwijl het gebruik van deze regeling met aanzienlijke economische lasten gepaard gaat. |
|
(24) |
Na overleg en op grond van het feit dat biodiesel waarvan wordt aangegeven dat deze niet voor gebruik als brandstof is bestemd, over dezelfde fysische eigenschappen beschikt als voor gebruik als brandstof bestemde biodiesel, acht de Commissie het in dit geval niet gepast om de invoer van PPME vrij te stellen van rechten in het kader van de bijzondere bestemming. |
|
(25) |
Eén Duitse importeur herhaalde zijn verzoek om het product uit te sluiten en/of het product op grond van zijn bijzondere bestemming vrij te stellen van rechten voor een bepaalde methylestervetzuur op basis van palmpittenolie („PPME”) die was bestemd voor andere doeleinden dan brandstof in de EU. In zijn opmerkingen herhaalde hij zijn standpunt dat de voorlopige fase was afgewezen en er geen nieuw bewijsmateriaal is aangeleverd dat van invloed zou kunnen zijn op de conclusie dat het product niet op grond van zijn bijzondere bestemming moet worden vrijgesteld van rechten en dat PKE deel moet blijven uitmaken van de productomschrijving. |
|
(26) |
Eén Indonesische producent-exporteur verwees ook naar zijn argument om gefractioneerde methylesters op grond van hun bijzondere bestemming vrij te stellen van rechten, en verzocht erom dit product voor de vervaardiging van verzadigd-vetalcohol op grond van zijn bijzondere bestemming vrij te stellen van rechten. Zoals hierboven aangegeven, zijn alle verzoeken om het product op grond van zijn bijzondere bestemming vrij te stellen van rechten afgewezen en waren de argumenten van deze belanghebbende niet van invloed op die conclusie. |
3. Conclusie
|
(27) |
Aangezien geen andere opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke product werden ontvangen, worden de overwegingen 29 tot en met 39 van de voorlopige verordening bevestigd. |
D. DUMPING
1. Inleidende opmerkingen
|
(28) |
In de overwegingen 44 en 64 van de voorlopige verordening werd verklaard dat de Argentijnse en Indonesische markten voor biodiesel streng worden gereguleerd door de overheid, zodat de binnenlandse verkoop niet werd geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. Dientengevolge moest de normale waarde van het soortgelijke product overeenkomstig artikel 2, lid 3, en artikel 6 van de basisverordening door berekening worden vastgesteld. Die bevinding werd door geen enkele belanghebbende betwist en wordt derhalve bevestigd. |
|
(29) |
Zowel voor Argentinië als voor Indonesië werd de normale waarde in de voorlopige fase berekend op basis van de feitelijke (en geboekte) eigen productiekosten van de onderneming in het OT vermeerderd met de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”) en een redelijke winstmarge. In de overwegingen 45 en 63 van de voorlopige verordening werd met name vermeld dat de Commissie nader onderzoek zou doen ter beoordeling van het argument dat de gedifferentieerde belastingstelsels voor export („DBE-stelsels”) van Argentinië en Indonesië de grondstoffenprijzen vervalsen en dat de geboekte productiekosten derhalve geen redelijk beeld geven van de met de productie van het betrokken product verband houdende kosten. |
|
(30) |
Uit nader onderzoek is naar voren gekomen dat de binnenlandse prijzen van de voornaamste grondstoffen in Argentinië en Indonesië inderdaad door de DBE-stelsels tot een kunstmatig laag niveau werden gedrukt, zoals toegelicht in de overwegingen 35 en volgende voor Argentinië en overweging 66 voor Indonesië, wat van invloed is op de kostensituatie van de producenten van biodiesel in de beide betrokken landen. In het licht van deze bevinding acht de Commissie het gepast deze kostenvervalsing van de voornaamste grondstoffen in aanmerking te nemen bij het bepalen van de normale waarde in beide landen, gezien de bijzondere marktsituatie in zowel Argentinië als Indonesië. |
|
(31) |
Het Gerecht heeft bevestigd (4) dat wanneer de prijzen van grondstoffen door regelgeving kunstmatig laag worden gehouden op de binnenlandse markt, kan worden verondersteld dat de productiekosten van het betrokken product onderhevig zijn aan vervalsing. Het Gerecht was van oordeel dat de instellingen van de Unie onder dergelijke omstandigheden op goede gronden mogen concluderen dat een van de posten in de kostenadministratie niet als redelijk kan worden beschouwd en dat bijgevolg mag worden overgegaan tot de correctie ervan. |
|
(32) |
Tevens concludeerde het Gerecht dat uit artikel 2, lid 5, eerste alinea, van de basisverordening blijkt dat de administratie van de betrokkene niet als basis wordt genomen voor de berekening van de normale waarde indien die administratie geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie van het onderzochte product. Volgens de tweede volzin van de eerste alinea moeten in dat geval de kosten worden gecorrigeerd of vastgesteld aan de hand van andere informatiebronnen dan die administratie. Die informatie kan worden gehaald uit de kosten van andere producenten of exporteurs of, wanneer laatstgenoemde gegevens niet beschikbaar zijn of niet kunnen worden gebruikt, uit elke andere redelijke informatiebron, zoals gegevens over andere representatieve markten. |
|
(33) |
Bij de voorlopige berekeningen werden de werkelijke binnenlandse inkoopprijs van sojabonen en de werkelijke geboekte kosten van ruwe palmolie gebruikt ter bepaling van de productiekosten van respectievelijk de Argentijnse en de Indonesische producenten-exporteurs. |
|
(34) |
Omdat bepaalde productiekosten, en met name de kosten van de voornaamste grondstoffen (sojaolie en sojabonen in Argentinië en ruwe palmolie in Indonesië), vervalst bleken te zijn, werden zij bepaald aan de hand van door de relevante instanties van de betrokken landen bekendgemaakte referentieprijzen. De hoogte van die prijzen komt overeen met het niveau van de internationale prijzen. |
2. Argentinië
2.1. Normale waarde
|
(35) |
Zoals hierboven reeds werd vermeld, is de Commissie inmiddels tot de conclusie gekomen dat het DBE-stelsel in Argentinië tot een vervalsing van de productiekosten van de producenten van biodiesel in dat land leidt. Uit het onderzoek bleek dat de uitvoerbelasting op de grondstoffen (35 % op sojabonen en 32 % op sojaolie) in het OT duidelijk hoger was dan de uitvoerbelasting op het eindproduct (nominaal 20 % op biodiesel, effectief 14,58 % na toepassing van een belastingkorting). In het OT bedroeg het verschil tussen de uitvoerbelasting op sojabonen en die op biodiesel 20,42 procentpunten en tussen de uitvoerbelasting op sojaolie en die op biodiesel 17,42 procentpunten. |
|
(36) |
Met het oog op de bepaling van de hoogte van de uitvoerbelasting op sojabonen en sojaolie maakt het Argentijnse ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij dagelijks de fob-prijs van sojabonen en sojaolie bekend — de zogeheten „referentieprijs” (5). Deze referentieprijs komt overeen met het niveau van de internationale prijzen (6) en wordt gebruikt om de hoogte van de uitvoerbelasting te berekenen die aan de belastingautoriteiten verschuldigd is. |
|
(37) |
De binnenlandse prijzen volgen de ontwikkelingen van de internationale prijzen. Uit het onderzoek bleek dat het verschil tussen de internationale en de binnenlandse prijs van sojabonen en sojaolie gelijk is aan de uitvoerbelasting op het product vermeerderd met andere uitvoerkosten. De binnenlandse referentieprijzen van sojabonen en sojaolie worden door het Argentijnse Ministerie van Landbouw ook bekendgemaakt als „theoretische fas-prijs” (7). Als zij hun product uitvoeren of op de binnenlandse markt verkopen, ontvangen de producenten van sojabonen en sojaolie dus telkens dezelfde nettoprijs. |
|
(38) |
Samenvattend kan worden gesteld dat de binnenlandse prijzen van de voornaamste grondstoffen die door producenten van biodiesel in Argentinië worden gebruikt, als gevolg van de vervalsing door het Argentijnse uitvoerbelastingstelsel kunstmatig lager bleken te zijn dan de internationale prijzen, zodat de administratie van de onderzochte Argentijnse producenten geen redelijk beeld geeft van de kosten van de voornaamste grondstoffen in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening in de interpretatie van het Gerecht, zoals hierboven uiteengezet. |
|
(39) |
De Commissie heeft daarom besloten om overweging 63 van de voorlopige verordening te herzien en de door de betrokken ondernemingen in hun boeken opgenomen werkelijke kosten van sojabonen (de voornaamste grondstof die bij de productie van biodiesel wordt aangeschaft en verwerkt) buiten beschouwing te laten en te vervangen door de inkoopprijs van sojabonen die de ondernemingen hadden moeten betalen indien er geen sprake was geweest van die vervalsing. |
|
(40) |
Ter bepaling van de inkoopprijs van sojabonen die de ondernemingen hadden moeten betalen indien er geen sprake was geweest van vervalsing, heeft de Commissie het gemiddelde berekend van de door het Argentijnse Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij in het OT bekendgemaakte referentieprijzen van sojabonen bij uitvoer, fob Argentinië (8). |
|
(41) |
De vereniging van Argentijnse producenten-exporteurs (CARBIO) en de Argentijnse autoriteiten voerden aan dat een correctie op de kosten van de ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 5, van de basisverordening alleen mogelijk is wanneer de administratie van de ondernemingen geen redelijk beeld geeft van de aan de vervaardiging en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten, en dus niet wanneer de door hen gemaakt kosten hiervan geen redelijk beeld geven. Zij stelden dat de Commissie in de praktijk de uitvoerbelasting optelt bij de inkoopprijs van sojabonen die door de ondernemingen wordt betaald, waardoor in de productiekosten een post wordt opgenomen die geen verband houdt met de productie en de verkoop van het betrokken product. Zij voegden hieraan toe dat het arrest van het Gerecht in de zaak-Acron, dat in de mededeling van de definitieve bevindingen wordt aangehaald (9), gebaseerd zou zijn op een verkeerde interpretatie van artikel 2.2.1.1 van de antidumpingovereenkomst van de WTO. Tegen dit arrest is een beroep aanhangig voor het Hof van Justitie. Voorts voerde CARBIO aan dat de feitelijke gegevens in die zaak in elk geval afwijken van die in de onderhavige zaak, omdat de grondstoffenprijzen in Argentinië niet „gereguleerd” zijn, zoals in het geval van de gasprijs in Rusland, en niet vervalst zijn, maar op de vrije markt, zonder ingrijpen door de overheid, worden bepaald, zodat er in Argentinië geen sprake is van een bijzondere marktsituatie op grond waarvan de Commissie artikel 2, lid 5, van de basisverordening zou kunnen toepassen. Zij verklaarden dat het DBE-stelsel in Argentinië niet in strijd is met de handelsregels. Daarnaast voerde CARBIO aan dat de uitvoerbelasting niet in aanmerking is genomen bij de bepaling van de uitvoerprijs en dat de Commissie derhalve geen eerlijke vergelijking heeft gemaakt tussen de berekende normale waarde (waarin de uitvoerbelasting is meegerekend) en de uitvoerprijs (waarin de uitvoerbelasting niet is meegerekend). Bovendien betoogden zij dat de Commissie bij de berekening van de normale waarde niet is uitgegaan van de op de Chicago Board of Trade (CBOT) genoteerde internationale prijzen van sojabonen, maar bij de vaststelling van de uitvoerprijs (zie hieronder) geen rekening heeft gehouden met winst of verlies uit risicoafschermingsactiviteiten op de CBOT, zodat opnieuw geen sprake is van een eerlijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs. Verder voerde CARBIO aan dat de Commissie, doordat zij de door de onderzochte ondernemingen geboekte kosten heeft vervangen door een internationale prijs, geen rekening heeft gehouden met het natuurlijke concurrentievoordeel van de Argentijnse producenten. Ten slotte verwijt CARBIO de Commissie dat zij geen rekening heeft gehouden met het feit dat de prijzen van sojabonen op de CBOT zonder het Argentijnse DBE-stelsel veel lager zouden zijn geweest. |
|
(42) |
Deze argumenten moeten worden afgewezen. Zelfs als de feiten in de zaak-Acron afwijken van die in de onderhavige zaak, heeft het Gerecht niettemin het rechtsbeginsel vastgesteld dat indien de administratie van de ondernemingen geen redelijk beeld geeft van de aan de productie van het onderzochte product verbonden kosten, deze niet als basis wordt genomen voor de berekening van de normale waarde. In de zaak-Acron gaf de administratie van de betrokken onderneming geen redelijk beeld van de kosten omdat de gasprijs gereguleerd was. In de onderhavige zaak werd vastgesteld dat de administratie van de betrokken ondernemingen geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie van het onderzochte product, omdat zij kunstmatig laag worden gehouden vanwege de vervalsing door het Argentijnse DBE-stelsel. Dit geldt ongeacht de vraag of DBE-stelsels in het algemeen in strijd zouden zijn met de WTO-overeenkomst. Bovendien is de Commissie van oordeel dat het Gerecht zich op een juiste interpretatie van de antidumpingovereenkomst van de WTO heeft gebaseerd. In de zaak China — Broilers, (10) constateerde het panel dat artikel 2.2.1.1 van de antidumpingovereenkomst van de WTO weliswaar uitgaat van de aanname dat normaliter wordt uitgegaan van de boeken en de administratie van de respondent om de productiekosten te berekenen, behoudt de onderzoeksautoriteit het recht om af te zien van het gebruik van die boeken als zij besluit dat deze hetzij i) niet in overeenstemming met GAAP zijn, of ii) geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie en verkoop van het betrokken product. Echter, bij het nemen van een dergelijk besluit om af te wijken van de norm moet de onderzoeksautoriteit zijn redenen daarvoor aangeven. Volgens deze interpretatie heeft de Commissie, gezien de vervalsing als gevolg van het DBE-systeem, die een bijzondere marktsituatie creëert, de door de betrokken ondernemingen geboekte inkoopprijzen van grondstoffen in Argentinië vervangen door de prijzen die zij zonder de vervalsing door het DBE-stelsel hadden moeten betalen. Het feit dat dit cijfermatig een vergelijkbaar resultaat oplevert, betekent niet dat de door de Commissie gevolgde methodologie uitsluitend bestond in het optellen van de uitvoerbelasting bij de kosten voor grondstoffen. De internationale prijzen van grondstoffen zijn vastgesteld op basis van vraag en aanbod en er zijn geen aanwijzingen dat het Argentijnse DBE-stelsel van invloed is op de prijzen die op de CBOT worden genoteerd. Alle argumenten en beweringen volgens welke de Commissie vanwege het gebruik van internationale prijzen geen eerlijke vergelijking heeft gemaakt tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, zijn derhalve ongegrond. Hetzelfde geldt voor het argument dat de Commissie geen rekening zou hebben gehouden met het natuurlijke concurrentievoordeel van de Argentijnse producenten, aangezien de vervanging van de door de ondernemingen geboekte kosten toe te schrijven was aan het feit dat de prijzen van grondstoffen op de binnenlandse markt abnormaal laag waren, en niet aan een concurrentievoordeel. |
|
(43) |
In overweging 45 van de voorlopige verordening werd vermeld dat de binnenlandse verkoop niet geacht werd te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties, zodat de normale waarde moest worden berekend door toevoeging van een redelijk bedrag voor winst ter hoogte van 15 % overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening. Sommige producenten-exporteurs voerden aan dat het percentage dat door de Commissie bij de berekening van de normale waarde als redelijke winst (15 %) werd gehanteerd, onrealistisch hoog was en een radicale afwijking betekende van haar werkwijze in het verleden in een aantal andere onderzoeken met betrekking tot soortgelijke grondstoffenmarkten (waarbij het toegepaste winstpercentage rond de 5 % bedroeg). |
|
(44) |
Dit argument moet worden afgewezen. In de eerste plaats is het onjuist dat de Commissie bij de berekening van de normale waarde systematisch een winstmarge van 5 % hanteert. Elke situatie wordt apart beoordeeld, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de zaak. Zo werden bijvoorbeeld in de tegen de Verenigde Staten ingeleide biodieselprocedure van 2009 verschillende winstpercentages toegepast, waarbij de gewogen gemiddelde winst ruimschoots boven de 15 % lag. Ten tweede heeft de Commissie ook onderzoek gedaan naar de debetrentevoet voor kortlopende leningen en leningen op middellange termijn in Argentinië, die volgens gegevens van de Wereldbank ongeveer 14 % bedroeg. Redelijkerwijs mag dus worden verwacht dat bij zakelijke activiteiten op de binnenlandse markt voor biodiesel een winstmarge wordt behaald die hoger is dan de rentekosten voor kapitaalkredieten. Bovendien is een dergelijke winst zelfs lager dan de winst die door de producenten van het betrokken product in het OT werd behaald, ook al vloeit de hoogte van die winst voort uit de kostenvervalsing door het DBE-stelsel en de regulering van de binnenlandse biodieselprijzen door de overheid. Om deze en de hierboven uiteengezette redenen is een marge van 15 % een redelijk winstbedrag dat door een verhoudingsgewijs jonge, kapitaalintensieve bedrijfstak in Argentinië kan worden verwezenlijkt. |
|
(45) |
Naar aanleiding van de mededeling van de definitieve bevindingen voerden CARBIO en de Argentijnse autoriteiten aan i) dat de verwijzing naar de winstmarges van de tegen de VS ingeleide procedure ongerechtvaardigd was, ii) dat de verwijzing naar de debetrentevoet voor leningen op middellange termijn onlogisch is, dat deze referentiewaarde in het verleden nooit is gebruikt en dat, als een dergelijke benchmark al wordt gebruikt, niet de Argentijnse debetrentevoet moet worden gekozen, omdat de investeringen samen met entiteiten in het buitenland in dollars waren gedaan, iii) dat de door de Argentijnse producenten werkelijk behaalde winst vanwege de bijzondere marktsituatie niet als uitgangspunt kan worden genomen, en iv) dat de streefwinst van de bedrijfstak van de Unie ter vergelijking slechts op 11 % werd vastgesteld. |
|
(46) |
Deze argumenten moeten worden afgewezen. De Commissie was van oordeel dat een winstmarge van 15 % voor de biodieselindustrie in Argentinië redelijk was, daar de sector in het OT nog jong en kapitaalintensief was. Naar de winstmarge in de procedure tegen de VS werd verwezen om het argument te weerleggen dat de Commissie bij de berekening van de normale waarde systematisch een winstmarge van 5 % hanteert. De verwijzing naar de debetrentevoet voor leningen op middellange termijn was ook niet bedoeld om een referentiewaarde vast te stellen, maar om te toetsen of de toegepaste marge redelijk was. Hetzelfde geldt voor de werkelijke behaalde winst van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Aangezien de berekening van de normale waarde los staat van de berekening van de streefwinst voor de bedrijfstak van de Unie indien er geen sprake was van invoer met dumping, doet een vergelijking tussen die beide waarden niet ter zake. Overweging 46 van de voorlopige verordening wordt daarom bevestigd. |
|
(47) |
Eén producent-exporteur vervaardigt biodiesel ten dele in eigen installaties en ten dele in het kader van een verwerkingsovereenkomst („tolling agreement”) met een onafhankelijke producent. Deze producent-exporteur verzocht om herberekening van zijn productiekosten op basis van een ander gewogen gemiddelde van zijn eigen productiekosten en de productiekosten van de verwerker dan het gemiddelde dat door de Commissie in de voorlopige fase was gehanteerd. Dit verzoek werd bestudeerd en werd gerechtvaardigd geacht, zodat de productiekosten van de betrokken onderneming opnieuw werden berekend. |
|
(48) |
De Commissie heeft daarnaast andere, minder belangrijke ondernemingsspecifieke verzoeken ontvangen, die evenwel niet langer van toepassing waren na de hierboven beschreven wijziging van de methode voor de berekening van de normale waarde. Daarom worden de bevindingen in de overwegingen 40 tot en met 46 van de voorlopige verordening, met de hierboven uiteengezette wijzigingen, bevestigd. |
2.2. Uitvoerprijs
|
(49) |
In overweging 49 van de voorlopige verordening werd vermeld dat ingeval de uitvoer naar de Unie plaatsvond via in de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen, de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening werd gecorrigeerd, onder meer voor de door de verbonden handelsonderneming geboekte winst. Bij deze berekening werd een winstmarge van 5 % voor de verbonden handelsonderneming in de Unie redelijk geacht. Twee producenten-exporteurs voerden aan dat de voor de verbonden handelsonderneming in de Unie veronderstelde winstmarge van 5 % te hoog was voor een onderneming in de grondstoffenhandel en dat ofwel van geen winst of van een veel lager percentage (maximaal 2 %, afhankelijk van de onderneming) moest worden uitgegaan. |
|
(50) |
Dit argument werd niet met bewijsstukken gestaafd. In dit licht wordt het winstpercentage van 5 % voor verbonden handelsondernemingen in de Unie bevestigd. |
|
(51) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen hield CARBIO vol dat een winstmarge van 5 % te hoog was voor de grondstoffenhandel. CARBIO verwees in dit verband naar een studie die door KPMG speciaal met het oog op deze procedure werd opgesteld en op 1 juli 2013, na de bekendmaking van de voorlopige verordening, aan de Commissie werd overgelegd. De Commissie was van oordeel dat de bevindingen van de studie geen betrouwbaar beeld geven op grond van in de studie zelf genoemde beperkingen van de analyse, die tot de selectie van een klein aantal handelsondernemingen hebben geleid, waarvan de helft geen landbouwproducten verkoopt. De verstrekte gegevens volstaan derhalve niet om conclusies te trekken. Dientengevolge wordt de op 5 % vastgestelde winstmarge van de verbonden handelsondernemingen in de Unie bevestigd. |
|
(52) |
Eén producent-exporteur maakte bezwaar tegen het feit dat de Commissie bij het bepalen van de uitvoerprijs geen rekening zou hebben gehouden met de resultaten van risicoafdekkingsinstrumenten, d.w.z. de winsten of verliezen die door de producent zijn geboekt door de aan- en verkoop van termijncontracten voor sojaolie op de CBOT. De onderneming benadrukte dat risicoafdekking vanwege de schommelingen van de grondstoffenprijzen een noodzakelijk onderdeel van de handel in biodiesel is en dat de netto-inkomsten van de verkoper van biodiesel niet alleen worden bepaald door de prijzen die door de koper worden betaald, maar ook door de winst (of het verlies) uit de onderliggende risicoafdekkingstransacties. |
|
(53) |
Dat argument moet worden verworpen, omdat in artikel 2, lid 8, van de basisverordening duidelijk is bepaald dat de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product is dat met het oog op uitvoer wordt verkocht, ongeacht eventuele afzonderlijke, zij het daaraan gerelateerde, winsten of verliezen uit risicoafdekkingstransacties. |
|
(54) |
Aangezien geen verdere opmerkingen over uitvoerprijzen werden ontvangen, worden de overwegingen 47 tot en met 49 van de voorlopige verordening, met de hierboven vermelde wijzigingen, bevestigd. |
2.3. Vergelijking
|
(55) |
In overweging 53 van de voorlopige verordening werd uiteengezet dat de Commissie in gevallen waarin de uitvoer naar de Unie plaatsvond via buiten de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen, heeft onderzocht of de verbonden handelsonderneming moest worden behandeld als een op commissiebasis werkende agent en, zo ja, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening een correctie heeft uitgevoerd voor de door de handelaar ontvangen fictieve marge. |
|
(56) |
Eén onderneming voerde aan dat de door de Commissie als fictieve marge toegepaste winstmarge voor de verbonden handelsonderneming buiten de Unie te hoog was en dat een lagere winstmarge redelijker zou zijn. |
|
(57) |
De Commissie heeft de door de producent-exporteur aangevoerde argumenten zorgvuldig bestudeerd, maar kwam tot de conclusie dat een winstmarge van 5 % redelijk moet worden geacht in het licht van de uitgebreide activiteiten van de verbonden handelsondernemingen Dit argument moet daarom worden afgewezen. |
|
(58) |
Aangezien geen andere opmerkingen met betrekking tot de vergelijking werden ontvangen, worden de overwegingen 50 tot en met 55 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2.4. Dumpingmarges
|
(59) |
Alle medewerkende producenten-exporteurs verzochten dat, indien een antidumpingrecht op biodiesel uit Argentinië zou worden ingesteld, één enkel recht voor alle medewerkende producenten-exporteurs zou worden vastgesteld op basis van het gewogen gemiddelde van de antidumpingrechten voor alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Zij hebben dit verzoek onderbouwd met het argument dat alle in de steekproef opgenomen producenten commerciële of andere banden met elkaar hebben, dat zij biodiesel produceren en aan elkaar verkopen, lenen of onderling ruilen, dat de producten van verschillende ondernemingen vaak in één en hetzelfde schip naar de Unie worden vervoerd en dat de douaneautoriteiten niet meer in staat zijn de producten van de verschillende producenten te identificeren en te onderscheiden. Op grond van deze bijzondere omstandigheden menen zij dat de instelling van individuele rechten niet praktisch mogelijk is. |
|
(60) |
Ondanks het feit dat het verzoek afkomstig is van alle producenten-exporteurs, zelfs van degenen voor wie een individuele dumpingmarge werd vastgesteld die lager is dan de gewogen gemiddelde marge, en ondanks de potentiële vereenvoudiging die dit voor de douaneautoriteiten zou betekenen, dient dit verzoek te worden afgewezen. De vermeende praktische moeilijkheden zijn namelijk geen reden om van de bepalingen van de basisverordening af te wijken, tenzij dit onvermijdelijk is. De praktijk van de ondernemingen om het betrokken product te ruilen, te lenen of op andere wijze te mengen, betekent in dit geval niet dat de instelling van individuele rechten niet praktisch mogelijk is in de zin van artikel 9, lid 6, van de basisverordening. |
|
(61) |
Drie ondernemingen verzochten erom te worden opgenomen in de lijst van medewerkende producenten-exporteurs opdat zij in het genot komen van het individuele antidumpingrecht voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen, in plaats van het residuele recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”. |
|
(62) |
Twee van de drie ondernemingen vervaardigden tijdens het OT reeds biodiesel voor de binnenlandse markt of in het kader van verwerkingsovereenkomsten voor andere producenten-exporteurs, maar exporteerden het product niet zelf naar de Unie. De derde onderneming vervaardigde tijdens het OT geen biodiesel, omdat haar productie-installatie toen nog in aanbouw was. |
|
(63) |
De Commissie is van oordeel dat in het geval van de drie bedoelde ondernemingen niet is voldaan aan de voorwaarden om als medewerkende producent-exporteur te worden beschouwd. Dit geldt niet alleen voor de onderneming die in het OT helemaal geen biodiesel heeft geproduceerd, maar ook voor de ondernemingen die hun medewerking aan het onderzoek hebben verleend door de vragenlijst met het oog op het samenstellen van een steekproef in te vullen, aangezien zij in hun antwoord op die vragenlijst hebben meegedeeld dat zij biodiesel voor de binnenlandse markt of voor derden produceerden, maar niet in eigen naam biodiesel naar de Unie exporteerden. |
|
(64) |
Dit verzoek moet daarom worden afgewezen en op de drie ondernemingen in kwestie moet het „residuele” antidumpingrecht worden toegepast. |
|
(65) |
Rekening houdend met de hierboven beschreven correcties op de normale waarde en de uitvoerprijs en gezien het feit dat geen verdere opmerkingen werden ontvangen, wordt de tabel in overweging 59 van de voorlopige verordening door de onderstaande tabel vervangen en zijn de definitieve dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt:
|
3. Indonesië
3.1. Normale waarde
|
(66) |
Zoals hierboven in de overwegingen 28 tot en met 34 is vermeld, is de Commissie inmiddels tot de conclusie gekomen dat het DBE-stelsel in Indonesië tot een vervalsing van de kosten van de producenten van biodiesel in dat land leidt en dat de administratie van de onderzochte Indonesische producenten derhalve geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie en de verkoop van het betrokken product. |
|
(67) |
De Commissie heeft daarom besloten om overweging 63 van de voorlopige verordening te herzien en de door de betrokken ondernemingen in hun boeken opgenomen kosten van ruwe palmolie (CPO), de voornaamste grondstof die bij de productie van biodiesel wordt aangeschaft en verwerkt, buiten beschouwing te laten en te vervangen door de inkoopprijs van CPO die de ondernemingen hadden moeten betalen indien er geen sprake was geweest van die vervalsing. |
|
(68) |
Het onderzoek heeft bevestigd dat het prijsniveau voor op de binnenlandse markt verhandelde CPO aanzienlijk lager is dan de „internationale” referentieprijs, waarbij het verschil vrijwel gelijk is aan de uitvoerbelasting die van toepassing is op CPO. Daar de mogelijkheden om CPO uit te voeren door het DBE-stelsel worden beperkt, zijn grotere hoeveelheden CPO op de binnenlandse markt beschikbaar, waardoor de binnenlandse prijzen van CPO onder druk komen te staan. Dit vormt een bijzondere marktsituatie. |
|
(69) |
Gedurende het OT bedroeg de uitvoerbelasting op biodiesel tussen de 2 % en 5 %. Tijdens dezelfde periode bedroeg de uitvoerbelasting op CPO tussen de 15 % en de 20 %, terwijl die op geraffineerde gebleekte en ontgeurde palmolie (RBDPO) uiteenliep van 5 % tot 18,5 %. De verschillende toepasselijke tarieven komen overeen met de variërende referentieprijzen (die de ontwikkelingen op de internationale markten volgen en niets te maken hebben met kwaliteitsverschillen). Voor palmvruchten geldt een vaste uitvoerbelasting van 40 %. |
|
(70) |
Om de hierboven vermelde redenen wordt overweging 63 van de voorlopige verordening herzien en worden de door de betrokken ondernemingen in hun boeken opgenomen kosten van hun belangrijkste grondstof (CPO) overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening vervangen door de referentie-uitvoerprijs (de HPE-prijs) (11) voor CPO die is bekendgemaakt door de Indonesische autoriteiten en die is gebaseerd op de gepubliceerde internationale prijzen (Rotterdam, Maleisië en Indonesië). Deze correctie is van toepassing op CPO die bij verbonden en niet-verbonden ondernemingen is ingekocht. De geboekte kosten voor CPO die binnen dezelfde juridische entiteit door de ondernemingen zelf is geproduceerd, worden aanvaard, daar er geen aanwijzingen zijn dat deze kosten onderhevig zijn aan vervalsing. |
|
(71) |
Alle producenten-exporteurs in Indonesië alsmede de regering van Indonesië voeren aan dat de vervanging van de kosten voor CPO zoals geboekt door de ondernemingen, door de Indonesische referentie-uitvoerprijs van CPO niet is toegestaan krachtens de regels van de WTO, noch uit hoofde van artikel 2, lid 5, van de basisverordening en dat deze derhalve onrechtmatig is. In dit verband stelde de regering van Indonesië dat de Commissie de Republiek Indonesië ten onrechte behandelde als land zonder markteconomie. De opmerkingen van de ondernemingen kunnen als volgt worden samengevat. In de eerste plaats heeft de Commissie niet aangegeven dat er een reden was om van de werkelijke geboekte kosten af te wijken of dat deze kosten geen redelijk beeld geven van de kosten in verband met de productie van het betrokken product, maar heeft zij alleen verklaard dat de geboekte kosten kunstmatig laag zijn in vergelijking met de internationale prijzen en derhalve moeten worden vervangen. Dit is in strijd met de regels van de WTO, die voorschrijven dat het criterium om vast te stellen of bepaalde kosten kunnen worden gebruikt om de productiekosten te berekenen is of die kosten verband houden met de productie en verkoop van het product, niet of zij een redelijk beeld geven van de marktwaarde. Ten tweede zou, ook al voorziet artikel 2, lid 5, van de basisverordening schijnbaar in de mogelijkheid van een correctie, de toepassing van dat artikel beperkt is tot situaties waarin de overheid zich rechtstreeks in de markt mengt door de prijzen op een kunstmatig laag niveau vast te stellen of te reguleren. In dit geval stelt de Commissie echter dat de binnenlandse prijs van CPO niet wordt gereguleerd door de overheid, maar kunstmatig laag is als gevolg van de uitvoerheffing op CPO. Zelfs als dit het geval zou zijn, kan het eventuele effect op de binnenlandse prijs alleen worden gezien als bijkomstig of alleen neveneffecten van het belastingstelsel voor export. Ten derde baseert de Commissie zich ten onrechte op het arrest in de zaak-Acron om de wettigheid van de correctie voor CPO te rechtvaardigen. Tegen dit arrest is thans een beroep aanhangig en het kan derhalve niet worden beschouwd als een precedent. In elk geval was de feitelijke omstandigheid in de zaak-Acron anders, omdat deze betrekking heeft op een situatie waarin, in tegenstelling tot de prijzen van CPO in Indonesië, die vrij op de markt worden bepaald, de gasprijzen gereguleerd waren door de overheid. Ten slotte stelde de regering van Indonesië dat de correctie op grond van artikel 2, lid 5, uitsluitend was toegepast om de dumpingmarges te verhogen in verband met verschillen in belastingheffing. |
|
(72) |
Het argument dat de correctie op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening, onrechtmatig is krachtens de regels van de WTO en/of de Unie, moet worden afgewezen. De basisverordening heeft de antidumpingovereenkomst van de WTO in nationaal recht omgezet en daarom wordt geoordeeld dat alle bepalingen van deze verordening, met inbegrip van artikel 2, lid 5, in overeenstemming zijn met de verplichtingen van de Unie krachtens de antidumpingovereenkomst van de WTO. In dit verband wordt erop gewezen dat artikel 2, lid 5, van de basisverordening gelijkelijk van toepassing is op landen met en landen zonder markteconomie. Zoals eerder gezegd (overweging 42), heeft het Gerecht in de zaak-Acron het rechtsbeginsel vastgesteld dat indien de administratie van de ondernemingen geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie van het onderzochte product, deze niet dienen als basis voor de berekening van de normale waarde en dat deze kosten kunnen worden vervangen door kosten die een prijs weergeven die door vraag en aanbod tot stand is gekomen overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening. Het feit dat de zaak-Acron betrekking had op prijzen die door de overheid werden gereguleerd, kan echter niet zodanig worden uitgelegd dat de Commissie artikel 2, lid 5, niet kan toepassen met betrekking tot andere vormen van overheidsinmenging die een bepaalde markt direct of indirect verstoort door de prijzen tot een kunstmatig laag niveau te drukken. Het panel in China — Broilers is onlangs tot een vergelijkbare conclusie gekomen bij de interpretatie van artikel 2.2.1.1 van de antidumpingovereenkomst van de WTO. In de onderhavige zaak heeft de Commissie geconstateerd dat de administratie van de betrokken ondernemingen geen redelijk beeld geeft van de aan de productie van het betrokken product verbonden kosten, omdat de geboekte kosten vanwege het Indonesische DBE-stelsel kunstmatig laag zijn. Het was dan ook volledig gerechtvaardigd dat de Commissie de productiekosten op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening heeft gecorrigeerd. Met betrekking tot de stelling van de Indonesische regering heeft zij erop gewezen dat de correctie op grond van artikel 2, lid 5, is gebaseerd op het aangetoonde verschil tussen de binnenlandse en de internationale prijzen van CPO en niet op eventuele verschillen in belastingheffing. |
|
(73) |
Twee producenten-exporteurs in Indonesië voerden aan dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de prijs van het Indonesische binnenlandse CPO wordt vervalst. Zij stellen dat het fundamentele uitgangspunt, namelijk dat het DBE-stelsel de mogelijkheden om CPO uit te voeren zou beperken, wat ertoe zou leiden dat grotere hoeveelheden CPO beschikbaar zijn op de binnenlandse markt en dus de binnenlandse prijzen van CPO worden gedrukt, feitelijk onjuist is, aangezien CPO in grote hoeveelheden wordt uitgevoerd (70 % van de totale productie). In ieder geval is, zelfs als de binnenlandse markt voor CPO vanwege het DBE-stelsel als verstoord zou worden beschouwd, ook de HPE-prijs is evenzeer verstoord, aangezien die gebaseerd is op internationale uitvoerprijzen, waaronder de uitvoerheffing. Daarom kan de HPE-prijs van CPO niet als een passende benchmark worden gebruikt om de kostprijs van CPO te corrigeren. |
|
(74) |
Niettegenstaande het feit dat CPO in grote hoeveelheden uit Indonesië wordt geëxporteerd, is uit het onderzoek gebleken dat de binnenlandse prijs van CPO kunstmatig laag is in vergelijking met de internationale prijzen. Bovendien ligt het prijsverschil dicht bij de uitvoerheffing die wordt opgelegd aan het DBE. Het is daarom redelijk te concluderen dat de lage binnenlandse prijs het gevolg is van een verstoring vanwege het DBE-stelsel. Bovendien worden de internationale prijzen van grondstoffen, waaronder CPO, bepaald door vraag en aanbod, hetgeen de dynamiek van de marktkrachten weerspiegelt. Er is geen bewijs aangeleverd dat erop zou wijzen dat die marktkrachten verstoord zijn als gevolg van het Indonesische DBE-stelsel. Het argument dat de HPE een ongeschikte benchmark is, wordt daarom van de hand gewezen. |
|
(75) |
Eén producent-exporteur, wiens verkochte hoeveelheid van het soortgelijke product niet representatief bleek te zijn (overweging 60 van de voorlopige verordening), voerde aan dat de Commissie de representativiteitstoets verkeerd zou hebben uitgevoerd door deze te baseren op de verkoop van individuele verbonden ondernemingen, in plaats van op de totale verkoop van alle tot de groep behorende ondernemingen. Niettemin erkende de producent dat deze vermeende fout niet van invloed was op de voorlopige, hem betreffende bevindingen. Er zij aan herinnerd dat in het geval van deze producent-exporteur de verkoop van elk van de individuele verbonden ondernemingen niet representatief was. Zelfs als dat argument steekhoudend zou zijn, is dus duidelijk dat een representativiteitstoets op basis van de totale binnenlandse verkoop van alle verbonden ondernemingen niets had veranderd aan de voorlopige bevindingen, zoals de producent-exporteur zelf heeft erkend. Aangezien hierover geen verdere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 60 tot en met 62 van de voorlopige verordening bevestigd. |
|
(76) |
Eén belanghebbende voerde aan dat in verband met overweging 63 van de voorlopige verordening voor die partij te hoge VAA-kosten werden aangerekend. Na dit argument te hebben bestudeerd, heeft de Commissie vastgesteld dat bij de berekening van de normale waarde zowel de VAA-kosten in verband met de binnenlandse verkoop als die in verband met de uitvoer waren aangerekend. Dit werd dan ook gecorrigeerd door alleen rekening te houden met de VAA-kosten in verband met de binnenlandse verkoop. |
|
(77) |
Eén belanghebbende stelde de berekening van de normale waarde ter discussie, in het bijzonder de overeenkomstig artikel 2, lid 6, bepaalde methode die in overweging 65 van de voorlopige verordening is beschreven. Artikel 2, lid 6, voorziet in drie alternatieve methoden voor de vaststelling van de VAA-kosten en de winst ingeval de feitelijke gegevens van de onderneming niet kunnen worden gebruikt. Deze belanghebbende voerde aan dat deze drie methoden in overweging moeten worden genomen in de volgorde waarin zij zijn beschreven, zodat de bepalingen van artikel 2, lid 6, onder a) en b), eerder toepassing moeten vinden. |
|
(78) |
In de voorlopige verordening lijkt alleen de methode van artikel 2, lid 6, onder c), in overweging te zijn genomen, maar in de volgende overwegingen wordt uiteengezet waarom de bepalingen van artikel 2, lid 6, onder a) en b), in het onderhavige geval niet van toepassing zijn. |
|
(79) |
Artikel 2, lid 6, onder a), is niet van toepassing omdat voor geen van de in de steekproef opgenomen Indonesische (en Argentijnse) ondernemingen werkelijke bedragen werden vastgesteld, gezien het feit dat hun verkoop niet wordt geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. Daarom zijn geen gegevens of werkelijke bedragen van andere (tot de steekproef behorende) exporteurs of producenten beschikbaar op grond waarvan artikel 2, lid 6, onder a), zou kunnen worden toegepast. |
|
(80) |
Artikel 2, lid 6, onder b), is niet van toepassing omdat geen van de Indonesische (en Argentijnse) ondernemingen die deel uitmaken van de steekproef, producten verkopen van dezelfde algemene categorie producten die in het kader van de normale handel worden vervaardigd. |
|
(81) |
Met betrekking tot artikel 2, lid 6, onder b), stelde deze belanghebbende tevens dat de basisverordening in strijd zou zijn met de WTO-regelgeving voor zover in artikel 2, lid 6, onder b), is bepaald dat de verkoop in het kader van normale handelstransacties moet plaatsvinden. Zoals hierboven vermeld in overweging 72, heeft de basisverordening de antidumpingovereenkomst van de WTO in nationaal recht omgezet en daarom wordt geoordeeld dat alle bepalingen van deze verordening, met inbegrip van artikel 2, lid 6, in overeenstemming zijn met de verplichtingen van de Unie krachtens de antidumpingovereenkomst van de WTO en dat de verkoop in het kader van normale handelstransacties daarmee volledig in overeenstemming is. |
|
(82) |
Derhalve wordt de toepassing van de methode van artikel 2, lid 6, onder c), als redelijke methode voor de vaststelling van een winstmarge bevestigd. |
|
(83) |
Voorts waren verscheidene belanghebbenden van mening dat de bij de berekening van de normale waarde toegepaste winstmarge van 15 % te hoog was. Zij voeren aan dat in de voorlopige verordening niet is uiteengezet hoe de Commissie deze marge van 15 % heeft berekend en nemen daarom aan dat de Commissie dit percentage heeft overgenomen van de winstmarge die was gebruikt bij de berekening van de schade. Zij stelden dat de Commissie in andere zaken die betrekking hadden op grondstoffen, winstmarges van rond de 5 % had toegepast. Sommige belanghebbenden stelden voor om de winstmarge te gebruiken die was vastgesteld in het kader van de procedure inzake bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten. Eén belanghebbende stelde tevens voor om de lagere winstmarge te gebruiken die hij had behaald bij de verkoop van een mengsel van biodiesel en minerale diesel. Daarnaast heeft de regering van Indonesië aangevoerd dat het overlapping is om de kosten van CPO te vervangen op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening en tegelijkertijd een winstmarge van 15 % te hanteren op grond van artikel 2, lid 6, onder c), hetgeen de winstmarge van een niet-vertekende markt zou weergeven. |
|
(84) |
In de eerste plaats is het onjuist dat de Commissie bij de berekening van de normale waarde systematisch een winstmarge van 5 % hanteert. Elke situatie wordt apart beoordeeld, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de zaak. Zo werden bijvoorbeeld in de tegen de Verenigde Staten ingeleide biodieselprocedure van 2009 verschillende winstpercentages toegepast, waarbij de gewogen gemiddelde winst ruimschoots boven de 15 % lag. In de tweede plaats bedraagt de debetrentevoet voor kortlopende leningen en leningen op middellange termijn in Indonesië volgens gegevens van de Wereldbank ongeveer 12 %, zodat redelijkerwijs kan worden verwacht dat de winstmarge van ondernemingen die actief zijn op de binnenlandse markt voor biodiesel hoger is dan de rentekosten voor kapitaalkredieten. De verwijzing naar de leningen op middellange termijn is niet bedoeld om een benchmark vast te stellen maar om de redelijkheid van de gebruikte marge te testen. In de derde plaats is, zoals hierboven reeds in overweging 80 vermeld, in artikel 2, lid 6, onder b), van de basisverordening bepaald dat de verkoop van een mengsel van biodiesel met minerale diesel in het kader van normale handelstransacties moet hebben plaatsgevonden, ongeacht of een dergelijk mengsel onder dezelfde algemene categorie van producten valt. Aangezien de binnenlandse verkoop van biodiesel niet in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden, wordt de verkoop van het mengsel van biodiesel met minerale diesel mutatis mutandis niet geacht in het kader van normale handelstransacties te hebben plaatsgevonden. Om deze en de hierboven uiteengezette redenen, is een marge van 15 % een redelijk winstbedrag dat door een verhoudingsgewijs jonge, kapitaalintensieve bedrijfstak in Indonesië kan worden verwezenlijkt. Het argument van de regering van Indonesië met betrekking tot een dubbel effect kan niet worden aanvaard, omdat een correctie van de kosten op grond van artikel 2, lid 5, en de redelijke winst op grond van artikel 2, lid 6, onder c), twee duidelijke gescheiden kwesties zijn. Overweging 65 van de voorlopige verordening wordt bevestigd. |
|
(85) |
Eén partij betoogde dat, aangezien de HPE-prijs van CPO de internationale vervoerskosten omvat en aangezien de correctie van de binnenlandse prijs van CPO tot het niveau van de internationale prijs van CPO tot doel heeft tot een juiste binnenlandse prijs van CPO te komen, de HPE-prijs van CPO moest worden bijgesteld om vervoerskosten uit te sluiten. |
|
(86) |
Dat argument moet worden afgewezen. De Commissie heeft een aantal alternatieven onderzocht voor de keuze voor de meest geschikte prijs die als internationale referentieprijs zou moeten worden gebruikt. Er moet aan worden herinnerd dat de Indonesische autoriteiten zelf de HPE-prijs als benchmark gebruiken om het maandelijkse niveau van uitvoerrechten te berekenen. De HPE-prijs zoals vastgesteld door de Indonesische autoriteiten werd dan ook beschouwd als de meest passende internationale referentieprijs om te worden gebruikt als benchmark voor het vaststellen van de mate van verstoring van de productiekosten van biodiesel in Indonesië. |
|
(87) |
Twee partijen voerden aan dat de Commissie er geen rekening mee had gehouden dat de biodiesel uit grondstoffen die zij vervaardigen verschilt van CPO, namelijk palmolievetzuurdestillaat („PFAD”), geraffineerde palmolie („RPO”) of geraffineerde palmstearine („RST”). Doordat geen rekening werd gehouden met de werkelijke grondstof die voor de productie van hun biodiesel wordt gebruikt, werd de correctie voor CPO (zoals beschreven in overweging 70) op de verkeerde gebruikte grondstof toegepast, hetgeen heeft geleid tot een onjuiste hoogte van de berekende normale waarde. |
|
(88) |
Die argumenten moeten worden afgewezen. Het is belangrijk te onderstrepen dat de Commissie alleen de kosten van CPO die bij verbonden en niet-verbonden leveranciers is ingekocht voor de productie van biodiesel, heeft vervangen. Met betrekking tot bijproducten zoals PFAD, RPO en RST, die ontstaan bij de verwerking van de ingekochte CPO en die ook verder worden verwerkt voor de productie van biodiesel, zijn geen correcties toegepast. |
|
(89) |
Drie partijen voerden aan dat de Commissie niet erkende dat hun inkoop van CPO bij verbonden ondernemingen op dezelfde voet moest worden behandeld als de eigen productie en dat derhalve geen correctie overeenkomstig artikel 2, lid 5, moest worden toegepast (zoals uitgelegd in overweging 70). De partijen stellen dat transacties binnen de groep onder markconforme voorwaarden plaatsvonden en daarom niet moesten worden gecorrigeerd en vervangen door een internationale prijs. Daarnaast voerde een producent-exporteur aan dat de normale waarde berekend dient te worden op maandbasis tijdens het OT. |
|
(90) |
Als de interne overdrachtprijs niet als betrouwbaar wordt beschouwd, is het de vaste praktijk van de Commissie om na te gaan of transacties tussen verbonden partijen inderdaad onder markconforme voorwaarden plaatsvinden. Hiertoe vergelijkt de Commissie de prijs tussen verbonden ondernemingen met de onderliggende marktprijs. Aangezien de onderliggende binnenlandse marktprijs verstoord is, kan de Commissie deze verificatie niet doorvoeren. Dat betekent dat de Commissie een dergelijke onbetrouwbare prijs moet vervangen door een redelijke prijs die van toepassing zou zijn onder marktconforme voorwaarden in normale marktomstandigheden. In dat geval is dat de internationale prijs. Wat betreft het argument met betrekking tot maandelijkse berekeningen voor de berekende normale waarde, bevatte de aangeleverde en geverifieerde informatie niet voldoende gedetailleerde gegevens om een dergelijke berekening uit te voeren. Beide argumenten werden daarom afgewezen. |
|
(91) |
De bedrijfstak van de Unie voerde aan dat de kostprijs van de door hemzelf geproduceerde CPO binnen dezelfde juridische entiteit ook moet worden gecorrigeerd uit hoofde van artikel 2, lid 5, van de basisverordening, daar deze ook worden beïnvloed door de verstoring als gevolg van het DBE-stelsel. |
|
(92) |
Dat argument moet worden afgewezen. De grondstoffen worden in de verschillende fasen van het biodieselproductieproces geraffineerd/verwerkt, maar de kosten van die productiefasen kunnen als betrouwbaar worden beschouwd aangezien zij plaatsvinden binnen dezelfde juridische entiteit en de kwestie van onbetrouwbare overdrachtprijzen zoals hierboven beschreven zich niet voordoet. |
|
(93) |
Eén producent-exporteur voerde aan dat de Commissie zogeheten prijscorrecties van de berekende normale waarde had moeten aftrekken. Dat argument moet worden afgewezen. De normale waarde werd berekend op basis van de kosten. Het zou dus ongepast zijn eventuele correcties op basis van prijsoverwegingen toe te passen. |
3.2. Uitvoerprijs
|
(94) |
Eén belanghebbende stelde de bepaling van de uitvoerprijs ter discussie en stelde dat ook de winsten en verliezen uit risicoafdekkingstransacties in aanmerking moeten worden genomen en dat dergelijke winsten en verliezen met betrekking tot de verkoop van biodiesel boekhoudkundig gezien op inconsistente wijze worden behandeld. |
|
(95) |
Het argument dat de winsten en verliezen uit risicoafdekkingstransacties in aanmerking dienen te worden genomen, moet worden verworpen. In artikel 2, lid 8, van de basisverordening is duidelijk bepaald dat de uitvoerprijs de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product is dat met het oog op uitvoer wordt verkocht, ongeacht eventuele afzonderlijke, zij het daaraan gerelateerde, winsten of verliezen uit risicoafdekkingstransacties. Daarom wordt de in de overwegingen 66 en 67 van de voorlopige verordening omschreven methode bevestigd. |
|
(96) |
De Commissie erkent dat de boekhoudkundige behandeling van de winsten en verliezen uit risicoafdekkingstransacties van één partij in verband met biodiesel in de voorlopige fase niet consistent was. Dit argument wordt aanvaard en de Commissie heeft de nodige correcties doorgevoerd. |
|
(97) |
Met betrekking tot overweging 68 van de voorlopige verordening voerde één belanghebbende aan dat de winstmarge van 5 % die is toegepast ten aanzien van in de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen, in een te hoge raming van het rendement op kapitaal resulteert en hoger is dan de gebruikelijke winst die door niet-verbonden handelsondernemingen feitelijk wordt behaald op de verkoop van biodiesel. De belanghebbende stelt dat het rendement op kapitaal in de regel met een winstmarge van 1,3 % tot 1,8 % overeenkomt. |
|
(98) |
Aangezien niet-verbonden handelsondernemingen geen medewerking verleenden en handelsondernemingen dienstverlenende bedrijven zijn die geen grote kapitaalinvesteringen hoeven te doen, waardoor deze redenering met betrekking tot het rendement op kapitaal niet relevant is, verwerpt de Commissie het hierboven aangevoerde argument en beschouwt zij een winstmarge van 5 % in dit geval als redelijk. Overweging 68 van de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd. |
|
(99) |
Met betrekking tot overweging 69 van de voorlopige verordening voerde één belanghebbende aan dat de premies voor dubbeltellingen voor biodiesel dienen te worden opgeteld bij de uitvoerprijs, aangezien het hierbij slechts om een toepassing van de Italiaanse wet zou gaan. |
|
(100) |
Zelfs al zou de Commissie dit argument aanvaarden en de premies bij de uitvoerprijs optellen, dan zouden zij ingevolge artikel 2, lid 10, onder k), weer van de uitvoerprijs moeten worden afgetrokken met het oog op de vergelijking van de uitvoerprijs met dezelfde normale waarde, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met verschillen die van invloed zijn op de prijsvergelijking. Aangezien in Indonesië geen premie van toepassing is voor dubbeltellende biodiesel, zou de hogere uitvoerprijs in Italië daarom niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn. Derhalve wordt dat argument afgewezen en wordt overweging 69 van de voorlopige verordening bevestigd. |
|
(101) |
Na de definitieve mededeling herhaalde die partij zijn argument. Er werden echter geen wezenlijke nieuwe argumenten naar voren gebracht die het oordeel van de Commissie hadden kunnen wijzigen. Overweging 69 van de voorlopige verordening wordt daarom bevestigd. |
|
(102) |
Na de definitieve mededeling wezen diverse producenten-exporteurs de Commissie op mogelijke administratieve fouten in de berekening van de dumpingmarge. Die argumenten werden onderzocht en, indien gerechtvaardigd, zijn correcties op de berekeningen uitgevoerd. |
3.3. Vergelijking
|
(103) |
Aangezien geen opmerkingen over de vergelijking werden ontvangen, worden de overwegingen 70 tot en met 75 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.4. Dumpingmarges
|
(104) |
Rekening houdend met de toegepaste correcties op de normale waarde en de uitvoerprijs als hierboven beschreven, en aangezien geen verdere opmerkingen werden ontvangen, zijn de definitieve dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt:
|
E. SCHADE
1. Productie in de Unie en bedrijfstak van de Unie
|
(105) |
In de overwegingen 80 tot en met 82 van de voorlopige verordening is de bedrijfstak van de Unie omschreven en werd bevestigd dat drie ondernemingen van de definitie van de bedrijfstak van de Unie werden uitgesloten, omdat zij afhankelijk waren van invoer uit de betrokken landen, dat wil zeggen dat zij aanzienlijk meer biodiesel uit de betrokken landen invoerden dan zij zelf produceerden. |
|
(106) |
Twee andere ondernemingen werden van de definitie van de bedrijfstak van de Unie uitgesloten omdat zij in het OT geen biodiesel hadden geproduceerd. |
|
(107) |
Na de bekendmaking van de voorlopige verordening werden opmerkingen ontvangen waarin erop werd aangedrongen andere ondernemingen van de definitie van de bedrijfstak van de Unie uit te sluiten vanwege het feit dat zij biodiesel uit de betrokken landen invoerden en vanwege hun betrekkingen met producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië, waardoor zij zich tegen de negatieve gevolgen van de dumping trachtten te beschermen. |
|
(108) |
Die argumenten worden afgewezen. Na het analyseren van de stelling met betrekking tot de banden tussen producenten-exporteurs en de bedrijfstak van de Unie werd geconstateerd dat een holding aandelen bezat in een Argentijnse producent-exporteur én een producent in de Unie. |
|
(109) |
Ten eerste werd vastgesteld dat deze ondernemingen volop met elkaar concurreren om dezelfde afnemers op de markt van de Unie, waaruit blijkt dat hun betrekkingen geen enkele invloed hebben op de bedrijfspraktijken van de Argentijnse producent-exporteur of de producent in de Unie. |
|
(110) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen verzocht een belanghebbende om een toelichting bij de conclusie van de Commissie dat Argentijnse exporteurs en de bedrijfstak van de Unie om dezelfde afnemers op de Europese markt concurreren. Het onderzoek naar de producenten in de Unie en Argentijnse exporteurs heeft dit aangetoond, terwijl geen bewijzen zijn geleverd om de bewering te staven dat de Argentijnse exporteurs en de producenten in de Unie zouden zijn overeengekomen om geen concurrentie aan te gaan bij de verkoop van biodiesel aan eindgebruikers. De groep eindgebruikers is verhoudingsgewijs klein en bestaat voornamelijk uit grote olieraffinaderijen, die hun grondstoffen zowel van producenten in de Unie als van importeurs betrekken. |
|
(111) |
Ten tweede bleken de kernactiviteiten van de producent in de Unie als bedoeld in overweging 108 zich binnen de Unie te concentreren, met name de productie en de daaraan gerelateerde verkoop alsook onderzoeksactiviteiten. De conclusie luidde derhalve dat de betrekkingen geen reden vormden om deze onderneming overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van de basisverordening uit te sluiten van de definitie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(112) |
Het feit dat een deel van de bedrijfstak van de Unie biodiesel uit de betrokken landen invoert, volstaat op zichzelf niet om de definitie van de bedrijfstak van de Unie te wijzigen. Zoals toegelicht in de voorlopige verordening vond de invoer door de bedrijfstak van de Unie uit de betrokken landen plaats met het oog op zelfbescherming. Bovendien bleek dat de kernactiviteiten van sommige producenten in de Unie die het betrokken product uit de betrokken landen invoeren, nog steeds in de Unie worden uitgevoerd — deze ondernemingen produceerden qua hoeveelheid meer dan dat zij invoerden, terwijl hun onderzoek in de Unie plaatsvindt. |
|
(113) |
Eén belanghebbende stelde dat de bedrijfstak van de Unie ook de ondernemingen diende te omvatten die biodiesel inkopen en deze met minerale diesel vermengen, aangezien dergelijke mengsels ook onder de omschrijving van het betrokken product zouden vallen. Dit argument wordt afgewezen. Bij het betrokken product gaat het om biodiesel in zuivere vorm of als onderdeel van een mengsel. Tot de producenten van het betrokken product behoren derhalve de producenten van biodiesel en niet ondernemingen die biodiesel met minerale diesel vermengen. |
|
(114) |
De definitie van de bedrijfstak van de Unie in de overwegingen 80 tot en met 82 van de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd, evenals de in het OT geproduceerde hoeveelheid als vermeld in overweging 83 van de voorlopige verordening. |
2. Verbruik in de Unie
|
(115) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopcijfers voor 2009 enigszins bij, wat een correctie van het verbruik in de Unie voor dat jaar tot gevolg had. Deze bijstelling verandert niets aan de ontwikkeling die aan de hand van de gegevens werd geconstateerd of aan de conclusies die daaruit zijn getrokken in de voorlopige verordening. Tabel 1 wordt hieronder in gecorrigeerde vorm weergegeven. Aangezien er op dit punt geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 84 tot en met 86 van de voorlopige verordening bevestigd.
|
||||||||||||||||||||
3. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen
|
(116) |
In de overwegingen 88 tot en met 90 van de voorlopige verordening heeft de Commissie bepaald dat aan de voorwaarden is voldaan voor een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit Argentinië en Indonesië. Dit werd door een belanghebbende betwist, die van mening was dat PME uit Indonesië niet op dezelfde wijze in concurrentie met in de Unie geproduceerde biodiesel stond als SME uit Argentinië en dat PME goedkoper was dan in de Unie geproduceerde biodiesel omdat die grondstof goedkoper was dan de in de Unie beschikbare grondstof. |
|
(117) |
Die argumenten worden afgewezen. SME en PME worden beide ingevoerd in de Unie en tevens in de Unie geproduceerd en worden vermengd met KME en andere in de Unie vervaardigde biodiesels voordat zij worden verkocht of met minerale diesel worden vermengd. Op basis van de markt- en klimaatomstandigheden gedurende het jaar kunnen vermengende bedrijven voor de productie van hun eindproduct kiezen uit biodiesels die uit verschillende grondstoffen verkregen en uit verschillende landen afkomstig zijn. PME wordt in de zomermaanden in grotere hoeveelheden verkocht dan in de wintermaanden, maar vormt het hele jaar door concurrentie voor KME en in de Unie vervaardigde biodiesel alsook voor SME uit Argentinië. |
|
(118) |
Overweging 90 van de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd. |
4. Hoeveelheid, prijs en marktaandeel van de invoer met dumping uit de betrokken landen
|
(119) |
Eén belanghebbende stelde de in tabel 2 van de voorlopige verordening vermelde invoergegevens ter discussie en stelde dat de uit Indonesië ingevoerde hoeveelheden veel lager waren dan aangegeven in de tabel. De invoergegevens in tabel 2 zijn gebaseerd op gegevens van Eurostat die zorgvuldig zijn gecontroleerd en juist zijn bevonden en overeenkomen met de van de Indonesische exporteurs ontvangen gegevens. Biodiesel is een relatief nieuw product en de douanecodes van toepassing op de invoer van biodiesel waren in de afgelopen jaren onderhevig aan wijzigingen. Bij het opvragen van gegevens van Eurostat moeten daarom de in de bewuste periode toepasselijke codes worden gebruikt om te verzekeren dat de gegevens nauwkeurig zijn. Dit verklaart waarom de door de belanghebbende opgevraagde gegevens onvolledig zijn en lagere ingevoerde hoeveelheden te zien geven dan de volledige gegevens die in tabel 2 worden weergegeven. |
|
(120) |
Op grond van de lichte wijziging van het verbruik van de Unie in tabel 1 is het in tabel 2 aangegeven marktaandeel van Argentinië voor 2009 eveneens licht gewijzigd, terwijl er in het geval van Indonesië geen wijzigingen zijn. Hierdoor verandert er niets aan de ontwikkeling die aan de hand van de gegevens werd geconstateerd of aan de conclusies die daaruit zijn getrokken. Hieronder wordt het gecorrigeerde marktaandeel weergegeven.
|
|||||||||||||||||||||||||
5. Prijsonderbieding
|
(121) |
Zoals in de overwegingen 94 tot en met 96 van de voorlopige verordening is vermeld, werd voor de vaststelling van de prijsonderbieding de prijs van de uit Argentinië en Indonesië ingevoerde biodiesel vergeleken met de verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie, en wel op basis van de gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Bij deze vergelijking werd de door de bedrijfstak van de Unie met het oog op wederverkoop ingevoerde biodiesel buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de prijsonderbieding. |
|
(122) |
Belanghebbenden hebben opgemerkt dat de gebruikte methode, een vergelijking op basis van het troebelingspunt (CFPP), afwijkt van de methode die werd gebruikt bij een eerder antidumpingonderzoek inzake biodiesel van oorsprong uit de VS, waarbij de vergelijking op basis van de gebruikte grondstof was gemaakt. |
|
(123) |
In tegenstelling tot de producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië verkoopt de bedrijfstak in de Unie geen biodiesel die uit één grondstof is vervaardigd, maar vermengt hij verschillende grondstoffen om het te verkopen eindproduct te verkrijgen. De eindafnemer kent de samenstelling van het product niet en hoeft die ook niet te kennen zolang het product het vereiste CFPP vertoont. Voor de afnemer is het CFPP van belang, ongeacht de gebruikte grondstof. In dit licht achtte de Commissie het gepast om de vergelijking in deze procedure te baseren op het CFPP. |
|
(124) |
Voor uit Indonesië ingevoerde biodiesel, met een CFPP van 13 of hoger, werd een correctie toegepast ter hoogte van het prijsverschil tussen de verkoop van CFPP 13 door de bedrijfstak van de Unie en zijn verkoop van CFPP 0, om uit Indonesië afkomstige biodiesel met een CFPP van 13 of hoger te kunnen vergelijken met in de Unie geproduceerde en vermengde biodiesel met een CFPP van 0. Eén Indonesische producent-exporteur merkte op dat CFPP 13 door de bedrijfstak van de Unie in kleine hoeveelheden per transactie wordt verkocht en dat de daarbij behaalde prijzen moeten worden vergeleken met die van transacties met CFPP 0 van vergelijkbare omvang. Bij de bestudering van transacties met CFPP 0 van een vergelijkbare omvang, kwam het vastgestelde prijsverschil overeen met het verschil dat werd vastgesteld op basis van alle transacties met CFPP 0, waarbij het prijsverschil soms hoger en soms lager uitviel dan het gemiddelde prijsverschil. Dientengevolge werd geen ander prijsonderbiedingsniveau vastgesteld dan in overweging 97 van de voorlopige verordening. |
|
(125) |
Eén Indonesische producent-exporteur verzocht de Commissie het volledige productcontrolenummer („PCN”) bekend te maken van de mengsels die door de bedrijfstak van de Unie worden verkocht — de percentages van elke grondstof in de verkoop van de bedrijfstak van de Unie van hun eigen productie. Daar de vergelijking met het oog op de schadebeoordeling uitsluitend op basis van het CFPP werd gemaakt, werd dit verzoek geweigerd. |
|
(126) |
Eén belanghebbende voerde aan dat er sprake was van een prijsverschil tussen biodiesel die aan de criteria van de richtlijn hernieuwbare energie voldoet en biodiesel die daaraan niet voldoet. De belanghebbende stelde dat uit Indonesië ingevoerde biodiesel niet overeenkomstig die richtlijn is gecertificeerd en dat de genoteerde prijs van overeenkomstig de richtlijn gecertificeerde biodiesel hoger was, zodat een correctie noodzakelijk zou zijn. |
|
(127) |
Dat argument wordt afgewezen. Bijna de gehele invoer uit Indonesië in het OT betrof gecertificeerde biodiesel. In elk geval hebben de lidstaten de duurzaamheidscriteria van de richtlijn hernieuwbare energie pas in de loop van 2012 ten uitvoer gelegd, zodat het al dan niet voorhanden zijn van een certificering overeenkomstig die richtlijn geen effect heeft gehad. |
|
(128) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen maakte één Indonesische producent-exporteur opmerkingen over de berekening van de prijsonderbieding en voerde hij aan dat de invoer van PME uit Indonesië moet worden vergeleken met de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie. In feite is de prijsonderbieding berekend door de verkoop van PME uit Indonesië te vergelijken met de totale verkoop van CFPP 0 van de bedrijfstak van de Unie, door de prijs van de invoer van Indonesische PME te vermeerderen met een prijsfactor die werd berekend door de verkoop van CFPP 0 van de bedrijfstak van de Unie te vergelijken met de verkoop van CFPP 13 van de bedrijfstak van de Unie. Dit argument wordt derhalve afgewezen. Het argument van dezelfde belanghebbende dat de berekening van de schademarge invoer van het product omvatte, is feitelijk onjuist en wordt derhalve verworpen. In ieder geval werden de ingevoerde biodiesel en de in de Unie geproduceerde biodiesel gemengd en voor dezelfde prijs verkocht als mengsels die geen ingevoerde biodiesel bevatten. |
|
(129) |
Eén Indonesische producent-exporteur stelde ook de berekening van de na invoer gemaakte kosten ter discussie. Die kosten werden echter geverifieerd als de werkelijke kosten van de invoer van biodiesel minus de kosten van levering aan de eindbestemming, en hoeven daarom niet te worden gewijzigd. |
6. Macro-economische indicatoren
|
(130) |
Zoals in overweging 101 van de voorlopige verordening is vermeld, werden de volgende macro-economische indicatoren geanalyseerd op basis van gegevens over alle producenten van biodiesel in de Unie: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van dumping in het verleden. |
|
(131) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft de bedrijfstak van de Unie opgemerkt dat de capaciteitsgegevens die in tabel 4 van de voorlopige verordening zijn weergegeven, ook betrekking had op capaciteiten die weliswaar niet waren ontmanteld, maar op grond van hun toestand tijdens het OT of de daaraan voorafgaande jaren niet beschikbaar waren voor de productie van biodiesel. Deze capaciteit werd door de bedrijfstak van de Unie als onbenutte capaciteit aangeduid, die niet als beschikbare capaciteit diende te worden meegerekend. De cijfers inzake de bezettingsgraad in tabel 4 waren derhalve te laag. Na zorgvuldige controle van deze nogmaals ingediende gegevens werden deze aanvaard en tabel 4 wordt hieronder in gewijzigde vorm weergegeven. De bezettingsgraad bedroeg in de voorlopige verordening tussen de 43 % en 41 % en bedraagt nu tussen de 46 % en 55 %. De bedrijfstak van de Unie heeft ook de productiegegevens voor 2009 bijgesteld om de onderstaande tabel op te stellen:
|
|
(132) |
In overweging 103 van de voorlopige verordening werden de eerdere gegevens met betrekking tot de bezettingsgraad geanalyseerd, waarbij werd opgemerkt dat de productie toenam, terwijl de capaciteit stabiel bleef. Tegen de achtergrond van de herziene gegevens neemt de productie nog steeds toe, maar de bruikbare capaciteit nam in dezelfde periode af. Hieruit blijkt dat de bedrijfstak in de Unie de beschikbare capaciteit in het licht van de toenemende invoer uit Argentinië en Indonesië heeft verminderd en daarmee op marktsignalen heeft gereageerd. Deze herziene gegevens sluiten beter aan op de publieke verklaringen van de bedrijfstak van de Unie en de producenten in de Unie volgens welke de productie in de loop van de beoordelingsperiode in verschillende installaties is stopgezet en de geïnstalleerde capaciteit niet onmiddellijk kon worden gebruikt of alleen na omvangrijke herinvesteringen kon worden gebruikt. |
|
(133) |
Verscheidene belanghebbenden hebben de herziene gegevens met betrekking tot de capaciteit en de bezettingsgraad ter discussie gesteld. Evenwel werden door deze belanghebbenden geen andere gegevens verstrekt. De herziening is gebaseerd op de herziene capaciteitsgegevens die door de klager zijn ingediend en betrekking hebben op de gehele bedrijfstak van de Unie. De herziene gegevens werden vergeleken met publiekelijk beschikbare gegevens over met name ongebruikte capaciteit en de capaciteit van producenten die hun activiteiten als gevolg van financiële moeilijkheden hebben gestaakt. Zoals hierboven in afdeling 6 („Macro-economische indicatoren”) vermeld, geven de herziene gegevens een nauwkeuriger beeld van de beschikbare capaciteit voor de productie van biodiesel in de beoordelingsperiode dan de oorspronkelijk verstrekte gegevens die in de voorlopige verordening zijn bekendgemaakt. |
|
(134) |
Eén belanghebbende verklaarde dat de bedrijfstak van de Unie geen schade heeft geleden, aangezien het productievolume met het verbruik steeg. Dit argument wordt verworpen, omdat andere belangrijke schade-indicatoren er duidelijk op wijzen dat er sprake is van schade, met name in de vorm van verlies van marktaandeel aan de invoer uit de betrokken landen en een daling van de winstgevendheid, die tot verliezen leidt. |
|
(135) |
Een andere belanghebbende betoogde dat de bedrijfstak van de Unie geen schade heeft geleden wanneer de ontwikkeling in 2011 met die in het OT wordt vergeleken, en niet de ontwikkeling vanaf 1 januari 2009 met die aan einde van het OT („de beoordelingsperiode”). Aangezien het OT de helft van 2011 omvat, is een vergelijking tussen 2011 en het OT niet aan de orde. Voor een zinvolle vergelijking moeten bovendien de voor de schadebeoordeling relevante ontwikkelingen over een periode worden onderzocht die lang genoeg is, wat in dit geval ook is gebeurd. Dit argument wordt derhalve afgewezen. |
|
(136) |
Dezelfde belanghebbende merkte op dat de Commissie de totale verkoopwaarde van de bedrijfstak van de Unie niet heeft bekendgemaakt in de voorlopige verordening en verzocht de Commissie dit cijfer te publiceren. Alle in artikel 3, lid 5, van de basisverordening genoemde relevante factoren zijn echter onderzocht, zodat een volledige beoordeling van de schade mogelijk was. Gegevens met betrekking tot de verkoopwaarde werden van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, die representatief zijn voor de bedrijfstak van de Unie, opgevraagd en gecontroleerd. |
|
(137) |
Dezelfde belanghebbende merkte tevens op dat de bedrijfstak van de Unie meer banen heeft weten te scheppen en dat er daarom geen sprake was van negatieve gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak. |
|
(138) |
Zoals in artikel 106 van de voorlopige verordening is uiteengezet, telt deze kapitaalintensieve bedrijfstak echter relatief weinig banen. Kleine schommelingen in het aantal banen kunnen derhalve een groot effect hebben op de geïndexeerde gegevens. De toename van het totale aantal banen neemt niet weg dat de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden, zoals uit andere indicatoren blijkt. |
|
(139) |
Aangezien hierover geen verdere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 103 tot en met 110 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7. Micro-economische indicatoren
|
(140) |
Zoals in overweging 102 van de voorlopige verordening is vermeld, werden de volgende micro-economische indicatoren geanalyseerd op basis van gegevens die bij de in de steekproef opgenomen producenten van biodiesel in de Unie zijn nagetrokken: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, arbeidskosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
|
(141) |
Aangezien hierover geen verdere relevante opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 111 tot en met 117 van de voorlopige verordening bevestigd. |
8. Conclusie over schade
|
(142) |
Verschillende belanghebbenden hebben de conclusie over schade van de voorlopige verordening ter discussie gesteld op grond van het feit dat bepaalde indicatoren tussen 2011 en het OT een verbetering lijken te laten zien. Weliswaar vertoonden bepaalde indicatoren tussen 2011 en het OT een opwaartse trend (bv. productie en verkoop), maar de bedrijfstak was, zoals vermeld in overweging 111 van de voorlopige verordening, niet in staat om de kostenstijgingen in deze periode door een verhoging van de verkoopprijs op te vangen. Dit heeft ertoe geleid dat de positie van de bedrijfstak verder is verzwakt, waarbij de verliezen van 0,2 % in 2011 zijn toegenomen tot 2,5 % in het OT. Daarom is de Commissie van oordeel dat ook als de analyse van de schade tot de periode 2011-OT zou worden beperkt, nog steeds zou worden vastgesteld dat de bedrijfstak aanmerkelijke schade heeft geleden. |
|
(143) |
Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 118 tot en met 120 van de voorlopige verordening bevestigd. |
F. OORZAKELIJK VERBAND
1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(144) |
Eén belanghebbende voerde aan dat de invoer uit Argentinië geen schade kon veroorzaken, aangezien de ingevoerde hoeveelheden vanaf 2010 tot aan het einde van het OT stabiel waren, met een lichte daling vanaf 2011 tot aan het einde van het OT. |
|
(145) |
Deze gegevens zijn ontleend aan tabel 2 van de voorlopige verordening en zijn juist. De analyse van de Commissie bestrijkt evenwel de tijd vanaf het begin van de beoordelingsperiode tot aan het einde van het OT. Op deze basis is de invoer met 48 % toegenomen, terwijl het marktaandeel van de invoer met 41 % is gegroeid. Bovendien is, zoals in overweging 90 van de voorlopige verordening vermeld, niet alleen rekening gehouden met de invoer uit Argentinië, maar ook met die uit Indonesië. |
|
(146) |
Op grond van een vergelijking van jaar tot jaar merkte dezelfde belanghebbende op dat de prijzen van uit Argentinië ingevoerde biodiesel sneller stegen dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie. Bij de invoer uit Argentinië is echter nog steeds sprake van onderbieding van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, wat verklaart waarom de prijzen van de Unie niet in hetzelfde tempo konden stijgen. |
|
(147) |
Aangezien geen andere opmerkingen over het effect van de invoer met dumping werden ontvangen, worden de overwegingen 123 tot en met 128 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2. Gevolgen van andere factoren
2.1. Invoer uit andere derde landen dan de betrokken landen
|
(148) |
Aangezien hierover geen andere opmerkingen werden ontvangen, wordt de conclusie van overweging 129 van de voorlopige verordening bevestigd, namelijk dat de invoer uit andere landen geen schade heeft veroorzaakt. |
2.2. Invoer zonder dumping uit de betrokken landen
|
(149) |
Na toepassing van artikel 2, lid 5, van de basisverordening als beschreven in de overwegingen 38 en 70 hierboven, werd geen invoer zonder dumping uit de betrokken landen vastgesteld. Overweging 130 van de voorlopige verordening wordt derhalve dienovereenkomstig herzien. |
2.3. Andere producenten in de Unie
|
(150) |
Aangezien hierover geen opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 131 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2.4. Invoer door de bedrijfstak van de Unie
|
(151) |
Zoals in de overwegingen 132 tot en met 136 van de voorlopige verordening is vermeld, heeft de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode aanzienlijke hoeveelheden biodiesel uit de betrokken landen ingevoerd, die in het OT tot wel 60 % van de totale invoer vanuit deze landen uitmaakten. |
|
(152) |
Eén belanghebbende betoogde dat deze invoer geenszins uit zelfbescherming plaatsvond, maar onderdeel vormde van een „zorgvuldig doordachte langetermijnstrategie” van de Unie om in Argentinië te investeren en biodiesel van dat land te betrekken. |
|
(153) |
Tevens betoogde de belanghebbende dat het economisch gezien nog nooit zinvol was geweest om sojaolie in de Unie in te voeren en daar tot biodiesel te verwerken en dat het alleen economisch haalbaar is om de sojaolie in Argentinië te verwerken en de verkregen biodiesel uit te voeren. |
|
(154) |
Deze argumenten moeten worden afgewezen. De belanghebbende heeft geen bewijzen voor een dergelijke langetermijnstrategie aangedragen en de bedrijfstak van de Unie heeft ontkend er een dergelijke strategie op na te houden. Indien de strategie van de bedrijfstak van de Unie erop zou zijn gericht zijn biodieselproductie aan te vullen door in Argentinië te produceren en het eindproduct in te voeren, zou het onzinnig en onlogisch zijn om vervolgens een klacht tegen die invoer in te dienen. |
|
(155) |
Eén belanghebbende herhaalde dat de invoer van biodiesel door de bedrijfstak van de Unie, die uit zelfbescherming zou plaatsvinden, onderdeel vormde van een commerciële langetermijnstrategie. Deze stelling, die niet werd onderbouwd, wordt verworpen. Voor het bestaan van deze vermeende strategie werden geen bewijzen aangedragen. Tevens lijkt het onlogisch dat de betrokken producenten in de Unie de klacht ondersteunen en, in sommige gevallen, hun capaciteit in de Unie vergroten als zij er tegelijkertijd een strategie op na zouden houden om door middel van invoer in hun productiebehoeften te voorzien. |
|
(156) |
Dezelfde belanghebbende betoogde tevens dat bij de bepaling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ook de uit zelfbescherming ingevoerde hoeveelheden dienen te worden meegerekend. Dit argument werd afgewezen, aangezien de berekening van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie de verkoop van goederen moet weerspiegelen die de bedrijfstak zelf heeft geproduceerd, en niet de handelsactiviteiten in het eindproduct waartoe de bedrijfstak tegen de achtergrond van toenemende invoer met dumping is overgegaan. |
|
(157) |
De bedrijfstak van de Unie heeft ook aangetoond dat de invoer van sojaolie — en palmolie — met het oog op verwerking tot biodiesel in voorgaande jaren economisch levensvatbaar was. De belanghebbende heeft geen bewijs van het tegendeel overgelegd. Alleen vanwege het vervalsende effect van de gedifferentieerde uitvoerbelasting, die de uitvoer van biodiesel goedkoper maakt dan die van de grondstoffen, is het economisch zinvol om het eindproduct in te voeren. |
|
(158) |
Eén belanghebbende stelde dat die invoer schade veroorzaakte, omdat alleen de bedrijfstak van de Unie de mogelijkheid zou hebben om SME uit Argentinië en PME uit Indonesië te mengen met in de Unie geproduceerde biodiesel om deze aan dieselraffinaderijen door te verkopen. Die stelling is onjuist. Vermenging is een eenvoudige activiteit die tal van handelsondernemingen in hun opslagtanks kunnen uitvoeren. Er werden geen bewijzen geleverd dat alleen de producenten in de Unie in staat zouden zijn tot een dergelijke vermenging, zodat deze stelling werd verworpen. |
|
(159) |
Voorts voerde één Indonesische producent-exporteur aan dat de invoer door de bedrijfstak van de Unie niet uit zelfbescherming plaatsvond en vergeleek hij gegevens voor het kalenderjaar 2011 met gegevens voor het onderzoektijdvak, dat zes maanden van hetzelfde jaar omvat. Een vergelijking tussen beide is derhalve niet juist als er geen mogelijkheid is het onderzoektijdvak in tweeën te splitsen. Dit argument wordt dan ook verworpen. |
|
(160) |
Aangezien geen andere opmerkingen over de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 132 tot en met 136 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2.5. Capaciteit van de bedrijfstak van de Unie
|
(161) |
In de overwegingen 137 tot en met 140 van de voorlopige verordening werd erop gewezen dat de bezettingsgraad in de bedrijfstak van de Unie gedurende de hele beoordelingsperiode laag bleef, maar dat de situatie van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in die periode achteruit ging, terwijl hun bezettingsgraad niet in dezelfde mate afnam. |
|
(162) |
De voorlopige conclusie luidde daarom dat de lage bezettingsgraad, als gelijkblijvende factor, niet de oorzaak was van de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(163) |
Eén belanghebbende maakte opmerkingen over de in de voorlopige verordening vermelde gegevens en gaf aan dat zelfs als er geen enkele invoer zou hebben plaatsgevonden, de bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie in het OT slechts 53 % zou hebben bedragen. Tevens wees de belanghebbende op de toename van de productiecapaciteit vanaf 2009 tot aan het einde van het OT, die tot een vermindering van de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode heeft geleid. |
|
(164) |
De belanghebbende heeft echter geen bewijzen geleverd om aan te tonen dat deze lage bezettingsgraad tot een dermate grote schade heeft geleid dat daardoor het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie werd verbroken. Vaste kosten maken slechts een klein deel (ongeveer 5 %) van de totale productiekosten uit, waaruit blijkt dat de lage bezettingsgraad slechts een van de schadeveroorzakende factoren vormde, maar geen beslissende. Een van de redenen voor deze lage bezettingsgraad is bovendien dat de bedrijfstak van de Unie op grond van de bijzondere marktsituatie zelf overging tot de invoer van het eindproduct. |
|
(165) |
Voorts komt uit de herziene gegevens met betrekking tot capaciteit en bezettingsgraad naar voren dat de bedrijfstak van de Unie zijn capaciteit gedurende de beoordelingsperiode heeft verminderd en de bezettingsgraad van 46 % tot 55 % heeft verhoogd. Hieruit blijkt dat de bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie duidelijk hoger dan de hierboven vermelde 53 % zou liggen indien er geen sprake was van invoer met dumping. |
|
(166) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben verschillende belanghebbenden twijfels geuit met betrekking tot de conclusie dat de lage bezettingsgraad niet de beslissende schadeveroorzakende factor was. Zij stelden dat de vaste kosten in de biodieselindustrie duidelijk boven het hierboven genoemde lage percentage lagen. Zij hebben echter geen bewijzen ter staving van deze stelling verstrekt, die dan ook wordt verworpen. In elk geval houden de vaste kosten op geen enkele wijze verband met de bezettingsgraad. Uit de controle van de gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen kwam naar voren dat de vaste kosten in het OT tussen de 3 % en de 10 % van de totale kosten uitmaakten. |
|
(167) |
In dit verband werd ook aangevoerd dat de overcapaciteit in de bedrijfstak van de Unie zo hoog was dat deze ook zonder invoer niet voldoende winstgevend zou zijn. Deze bewering werd niet met bewijzen gestaafd en het feit dat de bedrijfstak van de Unie in 2009 met een lage bezettingsgraad toch winstgevend was, duidt erop dat zijn winstgevendheid zonder invoer met dumping nog hoger zou zijn geweest. |
|
(168) |
Daarnaast werd gesteld dat de capaciteitsvermindering van de bedrijfstak van de Unie op zichzelf schade heeft veroorzaakt vanwege de kosten die waren gemoeid met de sluiting van installaties en de capaciteitsvermindering bij installaties die verder werden geëxploiteerd. Deze stelling werd niet onderbouwd en er zijn geen bewijzen geleverd die zouden aantonen dat hoge kosten waren gemoeid met de capaciteitsvermindering of de sluiting van installaties of ondernemingen. |
|
(169) |
Met betrekking tot de capaciteit werd ten slotte gesteld dat elke onderneming die tijdens de beoordelingsperiode haar productiecapaciteit voor biodiesel heeft verhoogd uit commercieel oogpunt onverantwoordelijk heeft gehandeld. Er werden geen bewijzen ter staving van deze stelling ingediend. Bovendien wisten sommige ondernemingen hun capaciteit uit te breiden ondanks het feit dat in toenemende mate biodiesel tegen dumpingprijzen uit Argentinië en Indonesië werd ingevoerd, waaruit blijkt dat er op de markt vraag was naar hun specifieke producten. |
|
(170) |
De herziene macro-economische indicatoren tonen ook aan dat ondernemingen in die periode capaciteit buiten bedrijf hebben gesteld en tegen het einde van het OT begonnen zijn met de sluiting van installaties die niet langer levensvatbaar waren. Ook de capaciteitstoename op het niveau van afzonderlijke ondernemingen was voornamelijk het gevolg van de uitbreiding van zogenaamde installaties van de tweede generatie voor de productie van biodiesel uit afvalolie of gehydrogeneerde plantaardige olie („HVO”). De bedrijfstak van de Unie maakte en maakt dus een rationaliseringsproces door waarbij zijn capaciteit wordt aangepast aan de vraag in de Unie. |
|
(171) |
Aangezien geen andere opmerkingen over de capaciteit van de bedrijfstak van de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 137 tot en met 140 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2.6. Gebrek aan toegang tot grondstoffen en verticale integratie
|
(172) |
Aangezien geen nieuwe opmerkingen over de toegang tot grondstoffen werden ontvangen, worden de overwegingen 141 en 142 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2.7. Dubbeltelling
|
(173) |
In de overwegingen 143 tot en met 146 van de voorlopige verordening ging de Commissie in op de stelling dat de regeling inzake „dubbeltelling”, waarbij uit afvalolie verkregen biodiesel dubbel telt met betrekking tot de verplichte bijmenging in bepaalde lidstaten, schade heeft toegebracht aan de bedrijfstak van de Unie, of ten minste aan de producenten in de Unie die biodiesel uit oliën van eerste persing vervaardigen. |
|
(174) |
Een belanghebbende haalde een producent in de Unie aan die had opgemerkt dat hij in 2011 afnemers was kwijtgeraakt aan andere producenten, die biodiesel vervaardigden die voor dubbeltelling in aanmerking kwam. |
|
(175) |
De negatieve gevolgen voor deze ene producent waren echter beperkt, van tijdelijke aard en alleen relevant voor een deel van het onderzoektijdvak, aangezien de regeling inzake dubbeltelling in de lidstaat van vestiging van die onderneming pas in september 2011 werd vastgesteld. Aangezien de financiële prestaties van de ondernemingen in de steekproef na september 2011 achteruitgingen en die onderneming deel uitmaakte van de steekproef, kan dubbeltelling niet als schadeoorzaak worden beschouwd. |
|
(176) |
De bedrijfstak van de Unie omvat zowel ondernemingen die biodiesel uit afvalolie vervaardigen en in sommige lidstaten van de dubbeltelling profiteren, als ondernemingen die biodiesel uit oliën van eerste persing vervaardigen, waardoor de verschuiving in de vraag zich dus binnen de bedrijfstak van de Unie voordoet. Vanwege de beperkte voorraad aan gebruikte olie die voor de vervaardiging van dubbeltellende biodiesel nodig is, valt een grote toename van de productie van dubbeltellende biodiesel moeilijk te bewerkstelligen. Daarom is er nog steeds grote vraag naar biodiesel van de eerste generatie. Er kon niet worden geconstateerd dat gedurende het OT een significante invoer van voor dubbeltelling in aanmerking komende biodiesel heeft plaatsgevonden, wat bevestigt dat dubbeltelling leidt tot een verschuiving van de vraag binnen de bedrijfstak van de Unie en niet tot nieuwe vraag naar invoer. De Commissie heeft van de belanghebbende geen gegevens ontvangen waaruit blijkt dat de dubbeltellende biodiesel de oorzaak was van een daling van de prijs van uit oliën van eerste persing verkregen biodiesel tijdens de beoordelingsperiode. Integendeel, dubbeltellende biodiesel blijkt een licht prijsvoordeel biedt ten opzichte van biodiesel uit oliën van eerste persing, waarvan de prijs gekoppeld is aan die van minerale diesel. |
|
(177) |
De achteruitgang van de financiële prestaties van de bedrijfstak van de Unie, die beide soorten producenten omvat, is niet te wijten aan de regeling inzake dubbeltelling die in sommige lidstaten van kracht is. Met name het feit dat ondernemingen in de steekproef die dubbeltellende biodiesel produceren, in financieel opzicht eveneens slechter presteren, zoals vermeld in overweging 145 van de voorlopige verordening, toont aan dat de hele bedrijfstak wordt getroffen door de schade als gevolg van de invoer met dumping. |
|
(178) |
Verscheidene belanghebbenden voerden na de mededeling van de definitieve bevindingen aan dat de hoeveelheid dubbeltellende biodiesel te laag was geraamd. Evenwel was de op de markt van de Unie beschikbare hoeveelheid dubbeltellende biodiesel beperkt in vergelijking met de totale verkoop van biodiesel in het OT. En ook al is er in een lidstaat een regeling inzake dubbeltelling van kracht, wordt de biodiesel die in aanmerking komt voor dubbeltelling in de Unie geproduceerd, zodat er hooguit sprake is van een verschuiving van de vraag binnen de bedrijfstak van de Unie. Er werden geen nieuwe bewijzen verstrekt die tot een wijziging van deze conclusie nopen. |
|
(179) |
Aangezien geen nieuwe opmerkingen over regelgevingsfactoren werden ontvangen, worden de overwegingen 143 tot en met 146 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2.8. Andere regelgevingsfactoren
|
(180) |
In de overwegingen 147 tot en met 153 van de voorlopige verordening gaat de Commissie in op beweringen van belanghebbenden dat beperkingen in de lidstaten, zoals quotastelsels en belastingregelingen, erop gericht zouden zijn de invoer uit de betrokken landen aan banden te leggen, zodat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade, met name in bepaalde lidstaten, niet door die invoer kon zijn veroorzaakt. |
|
(181) |
Deze argumenten werden voorlopig verworpen, onder meer omdat in de meeste lidstaten sprake is van invoer met dumping uit de betrokken landen. Bovendien zou de ingevoerde biodiesel na invoering in een van de lidstaten ook naar andere lidstaten kunnen worden vervoerd en daar kunnen worden verkocht. |
|
(182) |
Eén belanghebbende merkte op dat bij de Franse douane in 2011 slechts een kleine hoeveelheid Argentijnse biodiesel was ingeklaard en dat in Duitsland in dezelfde periode eveneens slechts een kleine hoeveelheid is geïmporteerd. |
|
(183) |
Ten eerste kan biodiesel, zoals hierboven uiteengezet, bij de douane in de ene lidstaat worden ingeklaard en in een andere lidstaat worden verkocht, en dergelijke gegevens zijn dan ook niet betrouwbaar. Ten tweede konden de in de steekproef opgenomen ondernemingen in Frankrijk en Duitsland aantonen dat er sprake was van prijsconcurrentie tussen hun producten en de uit de betrokken landen ingevoerde biodiesel en dat zij dientengevolge schade leden. |
|
(184) |
Een andere belanghebbende voerde aan dat de inkomsten van de biodieselondernemingen gedurende de beoordelingsperiode zijn verminderd als gevolg van de beëindiging van regelingen waardoor de biodieselindustrie in tal van lidstaten werd begunstigd, en dat de geleden schade hieraan te wijten was. De belanghebbende wees met name op de geleidelijke afschaffing van de belastingprikkels in Frankrijk en op de belasting op groene brandstoffen in Duitsland. |
|
(185) |
Er zijn echter geen duidelijke aanwijzingen voor dat deze veranderingen en de achteruitgang van de financiële prestaties van de bedrijfstak van de Unie zich op hetzelfde ogenblik hebben voorgedaan. Vele van deze prikkels waren op de gebruikers van biodiesel en niet op de fabrikanten gericht en de meeste waren tijdens het OT nog van kracht. Er zijn geen bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de veranderingen in het beleid van de lidstaten, dat zich in de richting van verplichte bijmenging heeft ontwikkeld, schade heeft toegebracht aan de bedrijfstak van de Unie. |
|
(186) |
Eén Indonesische producent-exporteur wees op het lopende onderzoek van het DG Concurrentie naar de vermeende indiening van vervalste prijzen in het kader van de indiening van informatie voor de Platts-noteringen van olie- en biobrandstofprijzen en verzocht erom dat het onderwerp van dit onderzoek als een mogelijke oorzaak van de schade zou worden beschouwd. Dit argument werd afgewezen omdat het onderzoek nog loopt en nog geen bevindingen zijn gepubliceerd. |
|
(187) |
Aangezien geen nieuwe opmerkingen over beleidsmaatregelen van de lidstaten werden ontvangen, worden de overwegingen 147 tot en met 153 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(188) |
Bij de invoer van het betrokken product uit de betrokken landen was er tijdens het OT sprake van dumping en onderbieding van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Het tijdstip van de toename van de invoer met dumping valt duidelijk samen met dat van de achteruitgang van de situatie in de bedrijfstak van de Unie. De invoer met dumping stond in rechtstreekse concurrentie met de productie van de bedrijfstak van de Unie, waardoor de winstgevendheid en het marktaandeel van de bedrijfstak tijdens de beoordelingsperiode daalden. Weliswaar is het mogelijk dat andere, hierboven vermelde factoren tot op zekere hoogte van invloed waren op de prestaties van de bedrijfstak van de Unie, maar dit neemt niet weg dat de invoer met dumping uit de betrokken landen de bedrijfstak van de Unie schade berokkent. |
|
(189) |
Er werd geen nieuw bewijsmateriaal aangeleverd dat tot een wijziging noopt van de conclusie dat het effect van andere factoren, die afzonderlijk of collectief zijn beoordeeld, niet zodanig was dat daardoor het oorzakelijk verband werd verbroken tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Aangezien er geen andere opmerkingen over de conclusie inzake het oorzakelijk verband werden ontvangen, worden de overwegingen 154 tot en met 157 van de voorlopige verordening bevestigd. |
G. BELANG VAN DE UNIE
1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(190) |
Aangezien er geen opmerkingen over het belang van de bedrijfstak van de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 159 tot en met 161 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2. Belang van niet-verbonden onafhankelijke importeurs en handelaren
|
(191) |
Een Indonesische producent-exporteur voerde aan dat de voorgestelde rechten negatieve gevolgen voor importeurs en handelaren zouden hebben, maar droeg hiervoor geen bewijzen aan. In zijn argumentatie stelde de producent-exporteur zelf het tegendeel, namelijk dat de rechten in de vorm van hogere prijzen zouden kunnen worden doorberekend aan de gebruikers en de consumenten, waardoor de rechten vermoedelijk helemaal geen gevolgen voor de importeurs en de handelaren met zich zouden brengen. |
|
(192) |
Na de bekendmaking van de voorlopige maatregelen werden geen opmerkingen ontvangen van importeurs van of handelaren in biodiesel. |
|
(193) |
Aangezien geen aanvullende nieuwe opmerkingen over het belang van de niet-verbonden importeurs/handelaren werden ontvangen, worden de overwegingen 162 en 163 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3. Belang van de gebruikers en de consumenten
|
(194) |
Eén Indonesische producent-exporteur stelde dat de voorgestelde rechten tot een verhoging van de prijs van biodiesel zouden leiden, waardoor de consumenten minder prikkels zouden ondervinden om voertuigen te kopen die op biobrandstoffen rijden. |
|
(195) |
Die stelling wordt verworpen. Biodiesel wordt voornamelijk toegepast als bijmengsel in minerale diesel die verkrijgbaar is voor consumenten, zodat zij geen speciaal voertuig hoeven aan te schaffen dat op zuivere biobrandstoffen kan rijden. |
|
(196) |
Zoals in de voorlopige verordening is vermeld, zou de prijs van de bijgemengde biodiesel weliswaar stijgen voor zover die biodiesel uit Argentinië of Indonesië wordt ingevoerd, maar gezien het feit dat het aandeel van biodiesel in de aan consumenten verkochte diesel klein is, zal de prijsstijging eveneens klein en voor de consument niet voelbaar zijn. |
|
(197) |
De mogelijke gevolgen van de maatregelen voor de definitieve prijs van dieselolie voor de consument, die zoals hierboven uitgelegd naar verwachting klein zijn, zullen de doelstellingen van de richtlijn hernieuwbare energie („RED”) niet ondermijnen. |
|
(198) |
Door gebruikers of consumenten dan wel groepen of verenigingen die gebruikers of consumenten vertegenwoordigen, zijn geen opmerkingen gemaakt over de voorlopige verordening. |
|
(199) |
Aangezien geen aanvullende opmerkingen over het belang van de consumenten werden ontvangen, worden de overwegingen 164 tot en met 166 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4. Belang van de grondstoffenleveranciers
|
(200) |
Aangezien er geen opmerkingen over het belang van de grondstoffenleveranciers werden ontvangen, worden de overwegingen 167 tot en met 169 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(201) |
Er zijn geen opmerkingen ontvangen die tot een wijziging nopen van de in de voorlopige verordening uiteengezette analyse van het belang van de Unie. Derhalve is de instelling van maatregelen nog steeds in het belang van de Unie. De overwegingen 170 en 171 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd. |
H. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
1. Schademarge
|
(202) |
Verschillende belanghebbenden maakten bezwaar tegen de in overweging 175 van de voorlopige verordening bedoelde toepassing van een streefwinst van 15 % en stelden dat een dergelijke winstverwachting voor de biodieselindustrie in de Unie onrealistisch hoog is. |
|
(203) |
De meeste van deze belanghebbenden hebben vervolgens voorgesteld om de streefwinst van 15 % te vervangen door een marge berekend op basis van gegevens over andere perioden of gegevens uit andere onderzoeken, zonder daarbij aan te geven waarom de ene periode of onderzoeksprocedure passender zou zijn dan een andere. |
|
(204) |
Zoals in de voorlopige verordening is toegelicht, vormt de winstmarge van 15 % de winst, uitgedrukt als percentage van de omzet, die door de bedrijfstak in de Unie tussen 2004 en 2006 is behaald, toen er geen sprake was van invoer met dumping. Dit was de laatste periode waarin, nog voor de intrede van invoer met dumping, winst werd gemaakt. Sinds 2006 was er op de markt van de Unie steeds sprake van invoer met dumping, aanvankelijk vanuit de VS en vervolgens vanuit Argentinië en Indonesië. |
|
(205) |
De markt van de Unie voor biodiesel heeft zich sinds 2006 echter in tal van opzichten aanzienlijk verder ontwikkeld. Tussen 2004 en 2006 was het marktaandeel van de invoer met dumping verwaarloosbaar en bleef ook de overige invoer beperkt. In het OT bedroeg het marktaandeel van de invoer met dumping 19 %. In de periode 2004-2006 bestond de bedrijfstak van de Unie uit 40 ondernemingen, een aantal dat inmiddels tot 200 is gegroeid, waardoor de concurrentie heviger is geworden. |
|
(206) |
Tussen 2004 en 2006 nam het verbruik drastisch toe van 2 tot 5 miljoen ton, terwijl het verbruik in de beoordelingsperiode slechts licht steeg en de bezettingsgraad, die tussen 2004 en 2006 90 % bedroeg, in het OT uitkwam op 55 %. |
|
(207) |
Derhalve acht de Commissie het gepast om rekening te houden met de hierboven beschreven marktontwikkelingen en de streefwinst dienovereenkomstig te corrigeren om de winstmarge te verkrijgen die de bedrijfstak van de Unie onder de huidige marktomstandigheden naar verwachting zou kunnen bereiken. |
|
(208) |
Hiertoe werd niet de winst in procenten als uitgangspunt genomen, maar werd de werkelijke winst voor die drie jaar in EUR per verkochte ton berekend. Voor elk jaar werd het bedrag in prijzen van 2011 uitgedrukt, waarna het gemiddelde werd bepaald. Uitgedrukt als percentage van de omzet bedraagt de streefwinst voor de bedrijfstak van de Unie in het OT 11,0 %. |
|
(209) |
De schademarge werd daarom op deze basis opnieuw berekend. |
|
(210) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde één belanghebbende ten aanzien van de berekening van de schademarge aan dat de invoerbelasting van 5,1 % op uit de Unie geïmporteerde RBDPO dient te worden uitgesloten van de productiekosten van de producenten in de Unie. Dit argument wordt verworpen, aangezien dit recht een kostenpost vormt voor producenten in de Unie die palmolie invoeren, en daarom in aanmerking moet worden genomen. |
|
(211) |
Eén Indonesische producent-exporteur maakte bezwaar tegen de berekening van de streefwinst van de bedrijfstak van de Unie en het gebruik van gegevens van 2004 tot en met 2006 en deed vervolgens een suggestie voor de berekening van de streefwinst met gebruikmaking van alleen het jaar 2004. Uit het vorige onderzoek naar de invoer uit de Verenigde Staten werd bleek echter dat een gemiddelde van de drie jaren nauwkeuriger was dan alleen uitgaan van 2004. Er werden geen argumenten aangevoerd die tot een andere conclusie zouden leiden. |
|
(212) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerden de klagers aan dat de streefwinst van 15 %, zoals voorgesteld in de voorlopige fase, moet worden gehandhaafd. De argumenten van de klagers hebben echter geen betrekking op de doelstelling waarvoor de streefwinst moet worden vastgesteld, namelijk de winst die werd verwezenlijkt door de bedrijfstak van de Unie bij afwezigheid van invoer met dumping. Dit argument wordt derhalve afgewezen. |
|
(213) |
Aangezien geen andere opmerkingen over de schademarge werden ontvangen, wordt de in de overwegingen 176 en 177 van de voorlopige verordening beschreven methode bevestigd. |
2. Definitieve maatregelen
|
(214) |
Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld op het betrokken product. Deze maatregelen moeten overeenstemmen met de dumpingmarge of met de schademarge, indien deze lager is. |
|
(215) |
De antidumpingrechten zijn vastgesteld door de schademarges en de dumpingmarges met elkaar te vergelijken. Derhalve zijn de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt:
|
|
(216) |
Aangezien het antidumpingrecht echter van toepassing zal zijn op zowel mengsels die biodiesel omvatten (in verhouding tot hun gewichtsaandeel biodiesel) als op zuivere biodiesel, is het voor de correcte uitvoering van het recht door de douaneautoriteiten van de lidstaten juister en passender om het recht als een vast bedrag in EUR per ton netto uit te drukken, en dit op de ingevoerde zuivere biodiesel of op het aandeel biodiesel in het gemengde product toe te passen. |
|
(217) |
In overweging 183 van de voorlopige verordening werd vermeld dat de invoer van biodiesel uit de betrokken landen was onderworpen aan registratie, zodat de rechten indien nodig tot 90 dagen vóór de datum van instelling van de voorlopige maatregelen konden worden geïnd. |
|
(218) |
De inning van rechten op geregistreerde producten is alleen mogelijk indien aan de voorwaarden van artikel 10, lid 4, van de basisverordening is voldaan. Uit een controle van de invoerstatistieken voor de invoer die na de registratie heeft plaatsgevonden, komt naar voren dat de invoer vóór de instelling van de voorlopige maatregelen niet nog eens een aanmerkelijke toename vertoont, maar juist significant is gedaald. Derhalve is niet aan de voorwaarden voldaan en zullen geen rechten op de geregistreerde invoer worden geïnd. |
|
(219) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het hele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) zijn dus uitsluitend van toepassing op het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen dat door die ondernemingen en derhalve de specifiek vermelde juridische entiteiten is vervaardigd. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde betrokken producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden; op die producten is het recht dat voor „alle andere ondernemingen” geldt, van toepassing. |
|
(220) |
Verzoeken om toepassing van deze specifiek voor bepaalde ondernemingen geldende antidumpingrechten (bijvoorbeeld na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie te worden gericht (12), onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie, binnenlandse verkoop en uitvoer. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen. |
|
(221) |
Alle partijen werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wilde aanbevelen een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië in te stellen en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen (mededeling van de definitieve bevindingen). Alle partijen konden hierover binnen een bepaalde termijn na de definitieve mededeling opmerkingen maken. |
|
(222) |
Met de mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werd waar nodig rekening gehouden. |
3. Verbintenissen
|
(223) |
Twee Indonesische producenten-exporteurs boden overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening vergelijkbare prijsverbintenissen aan. Wegens de aanmerkelijke prijsverschillen voor de grondstoffen wordt het product evenwel niet geschikt geacht voor een vaste prijsverbintenis. In dit verband stelden beide ondernemingen voor om de minimuminvoerprijzen (MIP’s) regelmatig te indexeren aan de hand van de prijsschommelingen van ruwe palmolie (CPO) door een coëfficiënt op de kosten van deze grondstof toe te passen. |
|
(224) |
Naar aanleiding van het aanbod van de twee producenten-exporteurs wordt opgemerkt dat, voor de vaststelling van een zinvolle geïndexeerde MIP, rekening moet worden gehouden met het grote aantal aanvullende parameters die een belangrijke rol spelen en dat de volatiliteit van de markt voor biodiesel aantonen. Deze markt is sterk volatiel en de handel in biodiesel wordt beïnvloed door verschillende andere factoren, zoals de complexiteit van het biodieselhandelsstelsel, het prijsverschil tussen gasolie en biodiesel, de volatiliteit en evolutie van de markten voor plantaardige oliën en de onderlinge afhankelijkheid van de verschillende soorten plantaardige oliën en de ontwikkeling van de USD ten opzichte van de EUR. Vanwege deze factoren zou alleen en zeer complexe, meervoudige indexering op dagbasis geschikt zijn. De aangeboden eenvoudige indexering alleen op basis van CPO-prijzen per maand wordt daarom niet geschikt geacht en zal niet het gewenste resultaat opleveren. |
|
(225) |
Voorts werden aanzienlijke risico’s van kruiscompensatie vastgesteld met betrekking tot deze Indonesische exporteurs en hun klanten, aangezien andere producten naast biodiesel ook naar de Unie worden geëxporteerd, en als gevolg van de in deze bedrijfstak gebruikelijke praktijk om biodiesel, CPO of andere producten tussen ondernemingen onderling te lenen en te ruilen. |
|
(226) |
De bovengenoemde factoren hebben dus tot gevolg dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en monitoring van de verbintenissen uiterst omslachtig, zo niet onmogelijk zou zijn. Om de hierboven vermelde redenen kunnen de aangeboden verbintenissen niet worden aanvaard. |
4. Definitieve inning van de voorlopige rechten
|
(227) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde één belanghebbende aan dat in het voorlopige stadium enkele administratieve fouten in de berekening van de dumpingmarges waren gemaakt en dat de dumpingmarges zonder deze fouten minimaal zouden zijn geweest. Als gevolg hiervan verzocht die belanghebbende erom dat geen voorlopige antidumpingrechten zouden worden geïnd. Dit argument moet van de hand worden gewezen omdat het definitieve antidumpingrecht duidelijk hoger ligt dan het voorlopige recht. |
|
(228) |
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en van de schade die de bedrijfstak van de Unie werd berokkend, dienen de bedragen die uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld, definitief te worden geïnd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, in zuivere vorm of in mengsels, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-codes 1516 20 98 21, 1516 20 98 29 en 1516 20 98 30), ex 1518 00 91 (Taric-codes 1518 00 91 21, 1518 00 91 29 en 1518 00 91 30), ex 1518 00 95 (Taric-code 1518 00 95 10), ex 1518 00 99 (Taric-codes 1518 00 99 21, 1518 00 99 29 en 1518 00 99 30), ex 2710 19 43 (Taric-codes 2710 19 43 21, 2710 19 43 29 en 2710 19 43 30), ex 2710 19 46 (Taric-codes 2710 19 46 21, 2710 19 46 29 en 2710 19 46 30), ex 2710 19 47 (Taric-codes 2710 19 47 21, 2710 19 47 29 en 2710 19 47 30), 2710 20 11 , 2710 20 15 , 2710 20 17 , ex 3824 90 97 (Taric-codes 3824 90 97 01, 3824 90 97 03 en 3824 90 97 04), 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (Taric-codes 3826 00 90 11, 3826 00 90 19 en 3826 00 90 30), van oorsprong uit Argentinië en Indonesië.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op het in lid 1 omschreven, door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde product is als volgt:
|
Land |
Onderneming |
Antidumpingrecht (EUR per ton nettogewicht) |
Aanvullende Taric- code |
|
Argentinië |
Aceitera General Deheza SA, General Deheza, Rosario; Bunge Argentina SA, Buenos Aires |
216,64 EUR |
B782 |
|
|
Louis Dreyfus Commodities SA, Buenos Aires |
239,35 EUR |
B783 |
|
|
Molinos Río de la Plata SA, Buenos Aires; Oleaginosa Moreno Hermanos S.A.F.I.C.I. y A., Bahia Blanca; Vicentin S.A.I.C., Avellaneda |
245,67 EUR |
B784 |
|
|
Andere medewerkende ondernemingen: Cargill S.A.C.I., Buenos Aires; Unitec Bio SA, Buenos Aires; Viluco SA, Tucuman |
237,05 EUR |
B785 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
245,67 EUR |
B999 |
|
Indonesië |
PT Ciliandra Perkasa, Jakarta |
76,94 EUR |
B786 |
|
|
PT Musim Mas, Medan |
151,32 EUR |
B787 |
|
|
PT Pelita Agung Agrindustri, Medan |
145,14 EUR |
B788 |
|
|
PT Wilmar Bioenergi Indonesia, Medan; PT Wilmar Nabati Indonesia, Medan |
174,91 EUR |
B789 |
|
|
Andere medewerkende ondernemingen: PT Cermerlang Energi Perkasa, Jakarta |
166,95 EUR |
B790 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
178,85 EUR |
B999 |
3. Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar rato van het aandeel, in gewichtspercenten, van de totale hoeveelheid door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).
4. Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs derhalve verhoudingsgewijs is verminderd met het oog op de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (13), wordt het op basis van bovenstaande bedragen berekende antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.
5. Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EU) nr. 490/2013 van de Commissie zijn ingesteld op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië, worden definitief geïnd.
Artikel 3
Wanneer een nieuwe producent-exporteur in Argentinië of Indonesië voldoende bewijsmateriaal aanlevert aan de Commissie om aan te tonen dat:
|
— |
hij het in artikel 1, lid 1, beschreven product in het onderzoektijdvak (1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012) niet naar de Unie heeft uitgevoerd, |
|
— |
hij niet verbonden is met een exporteur of producent in Argentinië of Indonesië voor wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen gelden, en |
|
— |
hij het betrokken product na het onderzoektijdvak waarop de maatregelen zijn gebaseerd, daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid van dit product naar de Unie uit te voeren, |
kan artikel 1, lid 2, worden gewijzigd door de nieuwe producent-exporteur toe te voegen aan de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen en waarvoor bijgevolg het gewogen gemiddelde recht voor het betrokken land geldt.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 november 2013.
Voor de Raad
De voorzitter
L. LINKEVIČIUS
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 141 van 28.5.2013, blz. 6.
(3) PB C 260 van 29.8.2012, blz. 8.
(4) Zie bijvoorbeeld het arrest in zaak T-235/08 van 7 februari 2013 (Acron OAO en Dorogobuzh OAO/Raad van de Europese Unie).
(5) Besluit 331/2001 van het Ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij.
(6) De Chicago Board of Trade wordt als belangrijkste markt beschouwd voor de bepaling van de internationale prijs van sojabonen en sojaolie.
(7) De theoretische fas-waarde wordt berekend door van de officiële fob-waarde alle kosten van het uitvoerproces af te trekken.
(8) http://64.76.123.202/site/agricultura/precios_fob_-_exportaciones/index.php
(9) Arrest in zaak T-235/08 van 7 februari 2013 (Acron OAO en Dorogobuzh OAO/Raad van de Europese Unie).
(10) Panel Report, China — Anti-Dumping and Countervailing Duty Measures on Broiler Products from the United States (WT/DS427/R, goedgekeurd op 25 september 2013), punt 7.164.
(11) De HPE-prijs wordt sinds september 2011 maandelijks door de Indonesische autoriteiten vastgesteld en wordt berekend op basis van het gemiddelde van de prijsinformatie die in de voorafgaande maand is verkregen uit drie verschillende bronnen: i) CIF Rotterdam, ii) CIF Maleisië en iii) de Indonesische grondstoffenmarkt. De HPE-prijs wordt aan de hand van dezelfde bronnen vastgesteld op fob-basis. Voor het deel van het OT vóór september 2011 (juli-augustus 2011) werd alleen de in Rotterdam geldende prijs gebruikt als benchmark voor de vaststelling van de HPE-prijs van CPO.
(12) Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, 1049 Brussel, BELGIË.
(13) Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).