UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 854/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 september 2013
tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 wat betreft de veterinairrechtelijke voorschriften voor scrapie in het modelcertificaat voor invoer in de Unie van als fok- en gebruiksdier gehouden schapen en geiten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2004/68/EG van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en de doorvoer via de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren, tot wijziging van de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG en tot intrekking van Richtlijn 72/462/EEG (1), en met name artikel 13, lid 1, onder e),
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
In Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie (2) zijn onder andere de voorschriften inzake veterinaire certificering vastgesteld voor het binnenbrengen in de Unie van bepaalde zendingen van levende dieren of vers vlees. Deze verordening bepaalt dat zendingen hoefdieren alleen in de Unie mogen worden binnengebracht als die voldoen aan bepaalde voorschriften en vergezeld gaan van het juiste veterinaire certificaat, opgesteld overeenkomstig het relevante model in bijlage I, deel 2, bij die Verordening.
(2)
Het modelcertificaat voor de invoer in de Unie van fokschapen en fokgeiten is aangegeven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 als model "OVI-X". Dat model bevat ook de garanties betreffende scrapie.
(3)
Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad (3) stelt voorschriften vast inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij runderen, schapen en geiten. Bijlage VIII, hoofdstuk A, bij die verordening bepaalt de voorwaarden voor de handel in levende dieren, sperma en embryo's binnen de Unie. Daarnaast bepaalt bijlage IX bij die Verordening de voorwaarden voor de invoer van levende dieren, embryo's, eicellen en producten van dierlijke oorsprong in de Unie.
(4)
In het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens is Verordening (EG) nr. 999/2001 gewijzigd bij Verordening (EU) No 630/2013 van de Commissie (4). Door de wijzigingen van Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn de meeste beperkingen in verband met atypische scrapie opgeheven. Ook zijn door deze wijzigingen de regels in verband met klassieke scrapie voor de invoer van levende schapen en geiten meer in lijn gebracht met de normen van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE), in de zin van een strengere aanpak.
(5)
Het modelcertificaat "OVI-X" in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 dient derhalve gewijzigd te worden om de voorschriften met betrekking tot de invoer van schapen en geiten in Verordening (EG) nr. 999/2001, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 630/2013, te weerspiegelen.
(6)
Verordening (EU) nr. 206/2010 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(7)
Om onderbreking van de invoer in de Unie van zendingen schapen en geiten te voorkomen, dient het gebruik van veterinaire certificaten die zijn afgegeven overeenkomstig Verordening (EU) nr. 206/2010 in de versie vóór de bij deze verordening ingevoerde wijzigingen onder bepaalde voorwaarden te worden toegestaan gedurende een overgangsperiode.
(8)
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In deel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie wordt het model van het veterinair certificaat "OVI-X" vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Gedurende een overgangsperiode tot 31 december 2013 staan de lidstaten invoer in de Unie toe van zendingen levende schapen en geiten voor fok- of gebruiksdoeleinden die vergezeld gaan van een veterinair certificaat dat is ingevuld en ondertekend overeenkomstig het model "OVI-X" in bijlage I, deel 2, bij Verordening (EU) nr. 206/2010 in de versie van vóór de inwerkingtreding van deze Verordening, op voorwaarde dat die certificaten ingevuld en ondertekend zijn vóór 1 december 2013.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
(2) Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie van 12 maart 2010 tot vaststelling van lijsten van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit bepaalde dieren en vers vlees in de Europese Unie mogen worden binnengebracht, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (PB L 73 van 20.3.2010, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 630/213 van de Commissie van 28 juni 2013 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees parmlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 179 van 29.6.2013, blz. 60).
Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat de in dit certificaat beschreven dieren aan de volgende voorwaarden voldoen:
II.1.1. zij komen van bedrijven waar de afgelopen 42 dagen met betrekking tot brucellose, 30 dagen met betrekking tot miltvuur en zes maanden met betrekking tot rabiës, geen officiële beperkende maatregelen om gezondheidsredenen van toepassing zijn geweest, en zij zijn niet in contact geweest met dieren van bedrijven waar niet aan deze voorwaarden werd voldaan;
II.1.2. aan de dieren zijn geen stilbeen of thyreostatica, oestrogenen, androgenen, gestagenen of β-agonisten toegediend voor andere doeleinden dan een therapeutische of een zoötechnische behandeling (als omschreven in Richtlijn 96/22/EG).
II.2. Verklaring inzake de diergezondheid
Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat de in dit certificaat beschreven dieren aan de volgende voorwaarden voldoen:
II.2.1. zij komen uit het gebied met code: … (1), dat op de datum waarop dit certificaat wordt afgegeven:
(2) hetzij [a) sedert 24 maanden vrij is van mond-en-klauwzeer,]
(2) of [a) sedert … (dd/mm/jjjj) als vrij van mond-en-klauwzeer wordt beschouwd, zonder dat daarna nog gevallen of uitbraken van die ziekte zijn geconstateerd, en bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. …/… van de Commissie van … (dd/mm/jjjj) is gemachtigd deze dieren uit te voeren,]
b) sedert twaalf maanden vrij is van runderpest, riftdalkoorts, „peste des petits ruminants”, schapen- en geitenpokken, besmettelijke capriene pleuropneumonie en epizoötische hemorragische ziekte, en sedert 6 maanden vrij van vesiculaire stomatitis,
c) waar in de laatste twaalf maanden tegen geen van de onder a) en b) vermelde ziekten is ingeënt en geen als landbouwhuisdier gehouden evenhoevige dieren mogen worden ingevoerd die tegen deze ziekten zijn ingeënt;]
(2) hetzij [d) sedert 24 maanden vrij is van bluetongue;]
(2)(7) of [d) sedert 24 maanden vrij is van bluetongue, en de dieren hebben tweemaal negatief gereageerd op een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen bluetongue en epizoötische hemorragische ziekte, uitgevoerd met bloedmonsters waarvan het eerste is genomen bij het begin van de isolatie-/quarantaineperiode, namelijk op … (dd/mm/jjjj), en het tweede ten minste 28 dagen later, namelijk op … (dd/mm/jjjj), dit is in de laatste tien dagen voor de uitvoer;]
(2) of [d) gedurende de laatste 24 maanden niet vrij was van bluetongue, en de dieren zijn ingeënt met een geïnactiveerd vaccin, ten minste 60 dagen vóór de datum van verzending naar de Unie, tegen het/de bluetongueserotype(s) … (serotype(s) invullen) dat/die aanwezig is/zijn in de bronpopulatie, zoals aangetoond door middel van een programma voor epidemietoezicht (9) in een gebied met een straal van 150 km rond het bedrijf/de bedrijven van oorsprong zoals omschreven in vak I.11, en de dieren bevinden zich nog in de immuniteitsperiode die wordt gegarandeerd in de specificaties van het vaccin;]
II.2.2. zij hebben sedert hun geboorte of ten minste de laatste zes maanden vóór verzending naar de EU verbleven in het onder II.2.1 bedoelde gebied, en hebben in de laatste 30 dagen geen contact gehad met ingevoerde evenhoevige dieren;
II.2.3. zij hebben sedert hun geboorte of ten minste de laatste 40 dagen vóór verzending verbleven in het/de in punt I.11 genoemde bedrijf/bedrijven en:
a) in de laatste 60 dagen heeft zich op dat bedrijf/die bedrijven en in een gebied met een straal van 150 km daaromheen geen geval of uitbraak van epizoötische hemorragische ziekte voorgedaan, en
b) in de laatste 40 dagen heeft zich op dat bedrijf/die bedrijven in een gebied met een straal van 10 km daaromheen geen geval of uitbraak van mond- en klauwzeer, runderpest, Riftdalkoorts, bluetongue, „peste des petits ruminants”, schapen- en geitenpokken, besmettelijke capriene pleuropneumonie of vesiculaire stomatiti voorgedaan;
II.2.4. voor zover ondergetekende daarvan kennis heeft en blijkens een schriftelijke verklaring van de eigenaar van de dieren:
a) komen zij niet van een bedrijf, en hebben zij geen contact gehad met dieren van een bedrijf, waar een van de volgende ziekten klinisch is geconstateerd:
i) besmettelijke agalactie van het schaap of van de geit (Mycoplasma agalactiae, Mycoplasma capricolum, Mycoplasma mycoides var. mycoides „large colony”), in de laatste zes maanden,
ii) paratuberculose en kaasachtige lymfadenitis, in de laatste 12 maanden,
iii) longadenomatose, in de laatste drie jaar; en
iv) zwoegerziekte en capriene virale artritis/encefalitis:
(2) hetzij [in de laatste drie jaar,]
(2) of [in de laatste twaalf maanden, indien de met een van deze ziekten besmette dieren zijn geslacht en de overblijvende dieren negatief hebben gereageerd op twee tests die met een tussenpoos van ten minste zes maanden zijn verricht;]
b) geldt voor de dieren een officiële aangifteplicht voor deze ziekten; en
c) zijn de dieren sinds drie jaar voorafgaande aan de uitvoer vrij van klinische of andere symptomen van tuberculose en brucellose;
II.2.5. het gaat niet om dieren die moeten worden gedood in het kader van een nationaal programma voor de uitroeiing van een ziekte of om dieren die zijn ingeënt tegen een of meer van de onder II.2.1, a) en b), genoemde ziekten;
II.2.6. zij komen uit:
(2)(3) hetzij [het onder I.8 omschreven gebied, dat als officieel brucellosevrij is erkend;]
(2) of [het/de onder I.11 genoemde bedrijf/bedrijven, waar wat brucellose (Brucella melitensis) betreft:
a) alle vatbare dieren sedert twaalf maanden vrij zijn van klinische of andere symptomen van de ziekte;
b) een representatief aantal van de als landbouwhuisdier gehouden schapen en geiten ouder dan zes maanden jaarlijks serologisch wordt getest, (4)]
(2)(5) hetzij [c) geen van de als landbouwhuisdier gehouden schapen of geiten tegen deze ziekte is ingeënt, behalve dieren die meer dan twee jaar geleden zijn ingeënt met Rev. 1-vaccin;
d) de laatste twee tests (6), die met een tussenpoos van ten minste zes maanden zijn verricht op … (dd/mm/jjjj) en op … (dd/mm/jjjj) bij alle als landbouwhuisdier gehouden schapen en geiten ouder dan zes maanden een negatieve uitslag gaven, en]
(2) of [c) als landbouwhuisdier gehouden schapen en geiten jonger dan zeven maanden tegen de ziekte worden ingeënt met Rev. 1-vaccin;
d) de laatste twee tests (6), die met een tussenpoos van ten minste zes maanden zijn verricht: op … (dd/mm/jjjj) en op … (dd/mm/jjjj) bij alle niet-gevaccineerde als landbouwhuisdier gehouden schapen en geiten ouder dan zes maanden, en op … (dd/mm/jjjj) en op … (dd/mm/jjjj) bij alle gevaccineerde als landbouwhuisdier gehouden schapen en geiten ouder dan 18 maanden een negatieve uitslag gaven, en]
e) alleen als landbouwhuisdier gehouden schapen en geiten worden gehouden die aan de bovenstaande eisen voldoen;]
(2) [II.2.7. de niet-gecastreerde rammen hebben de laatste 60 dagen voortdurend verbleven op een bedrijf waar sedert 12 maanden geen enkel geval van besmettelijke epididymitis (Brucella ovis) is geconstateerd en bij deze rammen is in de laatste 30 dagen een complementbindingsreactie voor de opsporing van besmettelijke epididymitis verricht, met een resultaat van minder dan 50 IE per ml;]
II.2.8. sinds de geboorte ononderbroken gehouden zijn in een land dat aan de volgende voorwaarden voldoet:
(a) er geldt een aangifteplicht voor klassieke scrapie;
(b) er is een systeem van bewustmaking, bewaking en toezicht voor klassieke scrapie;
(c) schapen en geiten met klassieke scrapie worden gedood en volledig vernietigd;
(d) in het hele land is het vervoederen van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers aan schapen en geiten al ten minste de afgelopen zeven jaar verboden en dat verbod wordt ook daadwerkelijk toegepast, en
(2) hetzij [II.2.8.1 bedoeld zijn voor gebruik en bestemd voor een lidstaat die niet de status „verwaarloosbaar risico” voor klassieke scrapie heeft, goedgekeurd overeenkomstig hoofdstuk A, deel A, punt 2.2, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001, of die niet vermeld wordt in hoofdstuk A, deel A, punt 3.2, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 als lidstaat met een goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma;]
(2) of [II.2.8.1 bedoeld zijn voor fokdoeleinden en bestemd voor een lidstaat die niet de status „verwaarloosbaar risico” voor klassieke scrapie heeft, goedgekeurd overeenkomstig hoofdstuk A, deel A, punt 2.2, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001, of die niet vermeld wordt in hoofdstuk A, deel A, punt 3.2, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 als lidstaat met een goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma, en:
(2) hetzij [afkomstig zijn van een bedrijf of bedrijven die voldoen aan de voorschriften in hoofdstuk A, deel A, punt 1.3, van bijlage VIII bij bij Verordening (EG) nr. 999/2001;]]
(2) of [schapen zijn van het prioneiwitgenotype ARR/ARR en komen van een bedrijf waarvoor de afgelopen twee jaar geen officiële verplaatsingsbeperking in verband met BSE of klassieke scrapie heeft gegolden;]]
(2) of [II.2.8.1 Bestemd zijn voor een lidstaat die de status „verwaarloosbaar risico” voor klassieke scrapie heeft, goedgekeurd overeenkomstig hoofdstuk A, deel A, punt 2.2, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001, of die vermeld wordt in hoofdstuk A, deel A, punt 3.2, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 als lidstaat met een goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma, en:
(2) hetzij [afkomstig zijn van een bedrijf of bedrijven dat of die voldoet/voldoen aan de voorschriften in hoofdstuk A, deel A, punt 3.2, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 999/2001;]]
(2) of [schapen zijn van het prioneiwitgenotype ARR/ARR en komen van een bedrijf waarvoor de afgelopen twee jaar geen officiële verplaatsingsbeperking in verband met BSE of klassieke scrapie heeft gegolden;]]
II.2.9. zij worden/zijn (2), zonder via een markt te passeren, van het bedrijf van herkomst verzonden,
(2) hetzij [rechtstreeks naar de EU,]
(2) of [naar het onder I.13 genoemde officieel erkende verzamelcentrum, gelegen in het onder II.2.1 bedoelde gebied,]
en, totdat zij naar de EU zijn verzonden,
a) zijn zij niet in contact geweest met evenhoevige dieren die niet voldoen aan de in dit certificaat beschreven gezondheidseisen, en
b) zijn zij op geen enkele plaats geweest waar zich in de afgelopen 30 dagen binnen een straal van 10 km een geval of uitbraak van een van de onder II.2.1. genoemde ziekten heeft voorgedaan;
II.2.10. de transportvoertuigen of de containers waarin zij worden geladen, zijn vooraf gereinigd en ontsmet met een officieel goedgekeurd ontsmettingsmiddel;
II.2.11. de dieren zijn in de laatste 24 uur vóór het laden door een officiële dierenarts onderzocht en daarbij zijn geen klinische ziektesymptomen gevonden;
II.2.12. zij zijn op … (dd/mm/jjjj) (8) geladen voor verzending naar de EU in het onder I.15 omschreven vervoermiddel, dat vóór het laden is gereinigd en ontsmet met een officieel goedgekeurd ontsmettingsmiddel en dat zo is vervaardigd dat uitwerpselen, urine, strooisel of voeder tijdens het vervoer niet uit het voertuig of de container kunnen stromen of vallen.
II.3. Verklaring inzake het vervoer van de dieren
Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat de hierboven beschreven dieren voor en tijdens het laden zijn behandeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1/2005, met name de bepalingen inzake het drenken en het voederen, en dat zij geschikt zijn voor het geplande vervoer.
Opmerkingen
Dit certificaat is voor levende als landbouwhuisdier gehouden fok- en gebruiksschapen (Ovis aries) en fok- en gebruiksgeiten (Capra hircus).
Na invoer moeten de dieren onverwijld naar het bedrijf van bestemming worden gebracht, waar zij ten minste 30 dagen moeten blijven voordat zij het bedrijf mogen verlaten, behalve als zij naar een slachthuis worden verzonden.
Deel I:
Vak I.8: gebiedscode als vermeld in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010.
Vak I.13: het verzamelcentrum moet voldoen aan de in deel 5 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 vastgestelde voorwaarden voor erkenning.
Vak I.15: registratienummer (treinwagons, containers en vrachtwagens), vluchtnummer of naam van het schip. In geval van overslag moet de verzender de grensinspectiepost van binnenkomst in de EU hiervan op de hoogte stellen.
Vak I.19: de juiste GN-code gebruiken: 01.04.10 of 01.04.20.
Vak I.23: bij vervoer in containers of dozen het containernummer en het zegelnummer (indien van toepassing) vermelden.
Vak I.28: Identificatiesysteem: de dieren moeten voorzien zijn van:
een individueel nummer aan de hand waarvan het bedrijf van herkomst kan worden getraceerd. Het identificatiesysteem (oormerk, tatoeage, brandmerk, chip, transponder) vermelden, alsmede de plaats waar het identificatiemiddel bij het dier is aangebracht;
een oormerk waarop o.a. de ISO-code van het land van uitvoer is vermeld. Het bedrijf van herkomst moet aan de hand van het individuele nummer getraceerd kunnen worden.
Soort: „Ovis aries” of „Capra hircus” aangeven, al naar het geval.
Leeftijd: (maanden).
Geslacht: (M = mannelijk, V = vrouwelijk, G = gecastreerd).
Deel II:
(1) Gebiedscode als vermeld in deel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010.
(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(3) Alleen voor een gebied waarvoor in bijlage I, deel 1, kolom 6, bij Verordening (EU) nr. 206/2010 de code „V” staat.
(4) Het representatieve aantal op brucellose te testen dieren omvat voor elk bedrijf:
alle niet-gecastreerde mannelijke dieren ouder dan zes maanden die niet tegen brucellose zijn ingeënt,
alle niet-gecastreerde mannelijke dieren ouder dan 18 maanden die tegen brucellose zijn ingeënt,
alle dieren die sedert de laatste tests op het bedrijf zijn binnengebracht, en
25 % van de geslachtsrijpe vrouwelijke dieren, met een minimum van 50 dieren.
(5) Deze vermelding is vereist wanneer de dieren bestemd zijn voor een lidstaat die of een deel van een lidstaat dat is vermeld in een van de bijlagen bij Beschikking 93/52/EEG.
(6) Overeenkomstig bijlage I, deel 6, bij Verordening (EU) nr. 206/2010.
Wanneer het gaat om meer dan één bedrijf van oorsprong moet de datum van de laatste test op elk bedrijf duidelijk worden vermeld.
(7) Aanvullende garanties moeten worden gegeven als in kolom 5 „SG” van deel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 een „A” staat. Tests op bluetongue en op epizoötische hemorragische ziekte overeenkomstig deel 6 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010.
(8) Datum van lading. Invoer van deze dieren is niet toegestaan indien de dieren zijn geladen hetzij vóór de datum waarop toestemming is gegeven voor uitvoer naar de EU uit het onder I.7 en I.8 aangegeven derde land, gebied of deel daarvan, hetzij in een periode waarin door de EU beperkende maatregelen werden toegepast op de invoer van die dieren uit dat derde land, gebied of deel daarvan.
(9) Programma voor epidemietoezicht zoals vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1266/2007 (PB L 283 van 27.10.2007, blz. 37).