|
27.7.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 202/2 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 721/2013 VAN DE RAAD
van 22 juli 2013
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 405/2011 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde roestvrijstalen staven van oorsprong uit India
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) („de basisverordening”), en met name artikel 19,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Vorig onderzoek en bestaande compenserende maatregelen
|
(1) |
In april 2011 stelde de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 405/2011 (2) („de definitieve verordening”) een definitief compenserend recht in op bepaalde roestvrijstalen staven, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7222 20 21 , 7222 20 29 , 7222 20 31 , 7222 20 39 , 7222 20 81 en 7222 20 89 , van oorsprong uit India. Het onderzoek dat tot vaststelling van de definitieve verordening heeft geleid, wordt hierna „het oorspronkelijke onderzoek” genoemd. |
|
(2) |
Voor met naam genoemde exporteurs bestonden de definitieve maatregelen uit compenserende rechten van 3,3 tot 4,3 % ad valorem, terwijl voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen een recht van 4,0 % en voor alle andere ondernemingen in India een residueel recht van 4,3 % werd ingesteld. |
1.2. Opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek
|
(3) |
Een verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek is ingediend door Viraj Profiles Vpl. Ltd, een producent-exporteur uit India („de indiener van het verzoek”). Het verzoek was beperkt tot een onderzoek naar subsidiëring wat de indiener van het verzoek betreft. De indiener van het verzoek heeft voorlopig bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de omstandigheden met betrekking tot subsidiëring op grond waarvan maatregelen werden ingesteld, aanzienlijk zijn gewijzigd en dat deze wijziging van blijvende aard is. |
|
(4) |
Daar de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om de opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te rechtvaardigen, kondigde zij op 9 augustus 2012 met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (3) („bericht van opening”) aan op grond van artikel 19 van de basisverordening een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te zullen openen dat beperkt zou blijven tot een onderzoek naar subsidiëring van de indiener van het verzoek. |
1.3. Tijdvak van het nieuwe onderzoek
|
(5) |
Het nieuwe subsidieonderzoek had betrekking op de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). |
1.4. Bij het onderzoek betrokken partijen
|
(6) |
De Commissie stelde de indiener van het verzoek, de Indiase overheid en EUROFER als de vertegenwoordiger van de bedrijfstak van de Unie in het oorspronkelijke onderzoek („de bedrijfstak van de Unie”) officieel in kennis van de opening van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(7) |
Waar nodig werd rekening gehouden met de schriftelijke en mondelinge opmerkingen die de partijen bij opening van het onderzoek hebben ingediend. |
|
(8) |
Om de inlichtingen te verkrijgen die zij voor het onderzoek nodig achtte, heeft de Commissie de indiener van het verzoek een vragenlijst toegezonden. Daarnaast werd een vragenlijst naar de Indiase overheid gestuurd. |
|
(9) |
Op de vragenlijst zijn antwoorden van de indiener van het verzoek en van de Indiase overheid ontvangen. |
|
(10) |
De Commissie heeft alle informatie ingewonnen en gecontroleerd die zij voor de bepaling van de hoogte van de subsidiëring nodig achtte. Er zijn controlebezoeken uitgevoerd in de gebouwen van de indiener van het verzoek. |
2. BETROKKEN PRODUCT
|
(11) |
De definitie van het betrokken product is dezelfde als in het oorspronkelijke onderzoek, namelijk enkel door koud bewerken of koud nabewerken verkregen roestvrijstalen staven, met uitzondering van staven met een cirkelvormige dwarsdoorsnede met een diameter van 80 mm of meer, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7222 20 21 , 7222 20 29 , 7222 20 31 , 7222 20 39 , 7222 20 81 en 7222 20 89 , van oorsprong uit India. |
3. SUBSIDIËRING
3.1. Inleiding
|
(12) |
Op basis van de door de Indiase overheid en de andere belanghebbenden verstrekte gegevens en de antwoorden op de vragenlijst van de Commissie werden de volgende regelingen onderzocht, die door de indiener van het verzoek zouden zijn gebruikt:
|
|
(13) |
De regelingen a) en b) zijn gebaseerd op de Foreign Trade (Development and Regulation) Act 1992 (nr. 22 van 1992), die op 7 augustus 1992 in werking is getreden. Deze wet geeft de Indiase overheid het recht mededelingen te doen in verband met het in- en uitvoerbeleid. Deze mededelingen worden samengevat in een document over het buitenlandse handelsbeleid, dat om de vijf jaar door het ministerie van Handel wordt uitgegeven en regelmatig wordt bijgewerkt. Het document over het buitenlandse handelsbeleid met betrekking tot de periode 2009-2014 („FTP 09-14”) is relevant voor het TNO. Bovendien heeft de Indiase overheid de procedures voor FTP 09-14 vastgesteld in een Handbook of Procedures, Volume I („HOP I 09-14”). Dit procedurehandboek wordt regelmatig bijgewerkt. |
|
(14) |
De onder c) genoemde ECS is gebaseerd op de artikelen 21 en 35A van de Banking Regulation Act (bankwet) van 1949, die de Reserve Bank of India machtigt handelsbanken instructies te geven op het gebied van exportkredieten. |
|
(15) |
Naar aanleiding van de bewering van de bedrijfstak van de Unie heeft de Commissie voorts onderzocht of de indiener van het verzoek:
|
|
(16) |
Ten slotte heeft de Commissie gecontroleerd of de indiener van het verzoek nog steeds geen gebruikmaakt van de volgende regelingen die tijdens het oorspronkelijke onderzoek zijn onderzocht:
|
3.2. Bevindingen
3.2.1. Regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering
|
(17) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de indiener van het verzoek in het TNO gebruik heeft gemaakt van deze regeling. Het aldus verkregen voordeel bleek met 0,02 % evenwel verwaarloosbaar te zijn. Daarom werd het niet nodig geacht verder te evalueren of deze regeling aanleiding tot compenserende maatregelen kon geven. |
3.2.2. Regeling exportgerichte bedrijven
|
(18) |
De indiener van het verzoek bleek de status van exportgericht bedrijf te hebben en in het TNO in het kader van deze EOU-regeling subsidies te hebben ontvangen. |
|
(19) |
Met betrekking tot deze regeling stelde de onderneming dat de Commissie voor de berekening van het uit hoofde van deze regeling verkregen voordeel zou moeten afstappen van de bij het oorspronkelijke onderzoek gehanteerde methode. De onderneming voerde aan dat bepaalde EOUS-voordelen moeten worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling voor inputs in de zin van de bijlagen II en III bij de basisverordening en daarom geen aanleiding tot compenserende maatregelen geven. |
|
(20) |
Aangezien echter werd vastgesteld dat het subsidiepercentage ten aanzien van deze regeling ongeacht de berekeningsmethode niet meer dan 0,22 % bedraagt, waarbij de totale subsidiemarge onder de de-minimisdrempel ligt, werd besloten om in het nieuwe onderzoek dit argument niet verder te analyseren. |
3.2.3. Regeling exportkredieten
|
(21) |
De indiener van het verzoek bleek in het TNO geen gebruik te hebben gemaakt van deze regeling. |
3.2.4. Regeling vrijstelling elektriciteitsheffing
|
(22) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de indiener van het verzoek in het TNO gebruik heeft gemaakt van deze regeling. Het aldus verkregen voordeel bleek evenwel verwaarloosbaar te zijn. Daarom werd het niet nodig geacht verder te evalueren of deze regeling aanleiding tot compenserende maatregelen kon geven. |
3.2.5. Lokale subsidieprogramma’s van de deelstaat Maharashtra
|
(23) |
De indiener van het verzoek bleek in het TNO geen gebruik te hebben gemaakt van deze regeling. |
3.2.6. Overige
|
(24) |
Bij het onderzoek zijn in verband met de aankoop van grondstoffen en energie geen andere voordelen in het TNO voor de indiener van het verzoek aan het licht gekomen die een financiële bijdrage van de Indiase overheid inhouden en derhalve kunnen worden beschouwd als subsidies in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), en artikel 3, lid 2, van de basisverordening. De in overweging 15, onder c) tot en met e), vermelde beweringen van de bedrijfstak van de Unie blijken derhalve niet relevant in het kader van dit onderzoek. |
4. HOOGTE VAN DE TOT COMPENSERENDE MAATREGELEN AANLEIDING GEVENDE SUBSIDIES
|
(25) |
Er wordt aan herinnerd dat het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor de indiener van het verzoek in het oorspronkelijke onderzoek is vastgesteld op 4,3 % ad valorem. |
|
(26) |
In het TNO werd het bedrag van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies voor de indiener van het verzoek uit hoofde van slechts één subsidieregeling vastgesteld op 0,22 % ad valorem. |
|
(27) |
Rekening houdend met het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de hoogte van de subsidiëring ten aanzien van de betrokken producent-exporteur, die het verzoek heeft ingediend, is afgenomen. |
|
(28) |
Ook werd onderzocht of de gewijzigde omstandigheden met betrekking tot de onderzochte regelingen als van blijvende aard konden worden beschouwd. |
|
(29) |
Zoals reeds vermeld, kwamen de bevindingen met betrekking tot de EPCGS in dit tussentijdse nieuwe onderzoek overeen met de bevindingen van het oorspronkelijke onderzoek, waarin de subsidie in het kader van deze regeling verwaarloosbaar bleek. |
|
(30) |
Hoewel het belangrijkste voordeel voor de indiener van het verzoek in het oorspronkelijke onderzoek werd verleend in het kader van de EOUS, is dit voordeel in het TNO verminderd. Uit bewijsmateriaal is gebleken dat deze wijziging van blijvende aard is, aangezien zij verband houdt met de verlaging van de douanetarieven op roestvrijstaalschroot en ferronikkel, twee belangrijke grondstoffen die de indiener van het verzoek voor de productie van het betrokken product gebruikt. |
5. COMPENSERENDE MAATREGELEN
|
(31) |
Het bovenstaande lijkt erop te wijzen dat de indiener van het verzoek in de toekomst verder subsidies zal ontvangen voor een bedrag onder de de-minimisdrempel. Daarom en in het licht van de huidige hoogte van de subsidiëring wordt het passend geacht het voor de indiener van het verzoek geldende compenserende recht te wijzigen. Dit recht wordt voor de indiener van het verzoek vastgesteld op 0 %. |
|
(32) |
Met betrekking tot het huidige recht op het betrokken product voor de in de bijlage bij de definitieve verordening opgenomen producenten-exporteurs wordt opgemerkt dat de huidige uitvoeringsvoorschriften van de onderzochte regelingen en de aanleiding die zij geven tot compenserende maatregelen, sinds het vorige onderzoek niet zijn veranderd. Er is derhalve geen reden om de subsidies en rechten voor deze ondernemingen te herberekenen. Voor de ondernemingen die in de bijlage bij de definitieve verordening zijn opgenomen, blijven de rechten bijgevolg ongewijzigd. |
|
(33) |
Verder wordt opgemerkt dat het recht voor alle andere ondernemingen in het oorspronkelijke onderzoek is vastgesteld op het niveau van de hoogste individuele subsidiemarge voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Deze subsidiemarge was die van de indiener van het verzoek. Aangezien de marge van de indiener van het verzoek is gewijzigd na dit tussentijdse nieuwe onderzoek, moet het recht voor alle andere ondernemingen worden herzien en moet dit recht worden vastgesteld op de op één na hoogste subsidiemarge. Aangezien het op één na hoogste recht het recht is dat geldt voor de in de bijlage opgenomen ondernemingen, wordt het recht voor alle andere ondernemingen vastgesteld op dit niveau, dat wil zeggen op 4 %. |
6. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(34) |
De Indiase overheid en de andere belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zou worden voorgesteld het voor de indiener van het verzoek geldende recht te wijzigen. |
|
(35) |
Met de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de partijen werd, waar nodig, rekening gehouden. |
|
(36) |
Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 405/2011 wordt vervangen door:
„2. Het definitieve compenserende recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt:
|
Onderneming |
Recht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Chandan Steel Ltd, Mumbai |
3,4 |
B002 |
|
Venus Wire Industries Pvt. Ltd, Mumbai; Precision Metals, Mumbai; Hindustan Inox Ltd, Mumbai; Sieves Manufacturer India Pvt. Ltd, Mumbai |
3,3 |
B003 |
|
Viraj Profiles Vpl. Ltd, Thane |
0 |
B004 |
|
In de bijlage opgenomen ondernemingen |
4,0 |
B005 |
|
Alle andere ondernemingen |
4,0 |
B999 ” |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 juli 2013.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
(1) PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.