|
28.5.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 141/6 |
VERORDENING (EU) Nr. 490/2013 VAN DE COMMISSIE
van 27 mei 2013
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) ("de basisverordening"), en met name artikel 7,
Na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. Inleiding
|
(1) |
Op 29 augustus 2012 heeft de Europese Commissie ("de Commissie") met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) ("het bericht van inleiding") de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Unie van biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië ("de betrokken landen") aangekondigd. |
|
(2) |
Het onderzoek werd geopend naar aanleiding van een klacht die op 17 juli 2012 door de European Biodiesel Board ("de klager") werd ingediend namens producenten die samen meer dan 60 % van de totale productie van biodiesel in de Unie voor hun rekening nemen. Het bij die klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal over dumping van het product en aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om het onderzoek te openen. |
|
(3) |
Op 30 januari 2013 onderwierp de Commissie de invoer van hetzelfde product van oorsprong uit de betrokken landen bij Verordening (EU) nr. 79/2013 van de Commissie van 28 januari 2013 aan registratie (3). |
|
(4) |
Op 10 november 2012 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (4) de inleiding van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de Unie van biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië aangekondigd en in dat verband een afzonderlijk onderzoek geopend. |
2. Onderzoektijdvak
|
(5) |
Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012 ("het onderzoektijdvak" of "OT"). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2009 tot het einde van het onderzoektijdvak ("beoordelingsperiode"). |
3. Bij het onderzoek betrokken partijen
|
(6) |
De Commissie heeft de klager, andere haar bekende producenten in de Unie, haar bekende producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië, haar bekende importeurs, leveranciers, distributeurs, gebruikers en verenigingen die in dezen betrokken zijn, alsmede de autoriteiten van Argentinië en Indonesië officieel in kennis gesteld van de opening van het onderzoek. In het bericht van opening werden alle bij het onderzoek betrokken partijen verzocht zich in verbinding te stellen met de Commissie en zich kenbaar te maken. |
|
(7) |
Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(8) |
De klager, de producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië, de importeurs en de autoriteiten van Argentinië en Indonesië hebben hun standpunt kenbaar gemaakt. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. |
3.1. Steekproeven
|
(9) |
Gezien het grote aantal producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië, niet-verbonden importeurs in de Unie en producenten in de Unie die bij het onderzoek betrokken zijn en teneinde het onderzoek binnen de wettelijke termijn te kunnen afronden, kondigde de Commissie in het bericht van inleiding aan haar onderzoek mogelijk tot een redelijk aantal producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië, niet-verbonden importeurs en producenten in de Unie te beperken door overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef samen te stellen. |
3.2. Steekproef van producenten-exporteurs in Argentinië
|
(10) |
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, is alle producenten-exporteurs in Argentinië verzocht zich bij de Commissie kenbaar te maken en de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken. |
|
(11) |
Tien producenten-exporteurs of groepen producenten-exporteurs verstrekten de verlangde informatie en stemden ermee in te worden opgenomen in de steekproef. Twee ondernemingen gaven echter te kennen in het OT in dezen niet naar de Unie te hebben uitgevoerd (of in het geheel niet te hebben geproduceerd). |
|
(12) |
De overige acht (groepen) producenten-exporteurs namen de gehele hoeveelheid voor hun rekening die in het OT naar de Unie is uitgevoerd. |
|
(13) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van drie producenten-exporteurs of groepen producenten-exporteurs samengesteld op basis van de grootste representatieve exporthoeveelheden van het betrokken product naar de Unie die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. De samengestelde steekproef vertegenwoordigde 86 % van de totale exporthoeveelheid van het betrokken product naar de Unie in het OT als gemeld door de acht in overweging 12 genoemde producenten-exporteurs. |
|
(14) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende producenten-exporteurs alsmede de Argentijnse producentenvereniging en de Argentijnse autoriteiten geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef en zij hebben geen bezwaren geuit. |
3.3. Individueel onderzoek
|
(15) |
Geen enkele niet in de steekproef opgenomen onderneming in Argentinië heeft om een individueel onderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening verzocht. |
3.4. Steekproef van producenten-exporteurs in Indonesië
|
(16) |
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, is alle producenten-exporteurs in Indonesië verzocht zich bij de Commissie kenbaar te maken en de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken. |
|
(17) |
Acht producenten-exporteurs of groepen producenten-exporteurs verstrekten de verlangde informatie en stemden ermee in te worden opgenomen in de steekproef. Drie ondernemingen gaven echter te kennen niet naar de Unie te hebben uitgevoerd in het OT. |
|
(18) |
De overige vijf (groepen) producenten-exporteurs namen de gehele hoeveelheid voor hun rekening die in het OT naar de Unie is uitgevoerd. |
|
(19) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie, voor de uitvoer van het betrokken product naar de Unie, een steekproef van vier producenten-exporteurs of groepen producenten-exporteurs samengesteld op basis van de grootste representatieve exporthoeveelheden van het betrokken product naar de Unie die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. De samengestelde steekproef bestreek 99 % van de totale door de vijf in overweging 18 genoemde producenten-exporteurs gemelde exporthoeveelheid van het betrokken product naar de Unie in het OT. |
|
(20) |
Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende producenten-exporteurs alsmede de Indonesische autoriteiten geraadpleegd en zij hebben geen bezwaren geuit. |
3.5. Individueel onderzoek
|
(21) |
Geen enkele niet in de steekproef opgenomen onderneming in Indonesië heeft om een individueel onderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening verzocht. |
3.6. Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(22) |
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, is alle niet-verbonden importeurs verzocht zich bij de Commissie kenbaar te maken en de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken. Echter, geen enkele importeur heeft aan dit onderzoek medewerking verleend. |
3.7. Steekproef van producenten in de Unie
|
(23) |
In het bericht van inleiding heeft de Commissie meegedeeld dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Deze steekproef bestond uit acht producenten van biodiesel in de Unie die vóór de opening van het onderzoek bij de Commissie als zodanig bekend waren. De Commissie heeft de steekproef samengesteld op basis van productievolume, verkoopvolume en geografische ligging. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie namen 27 % van de productie in de Unie voor hun rekening. |
|
(24) |
De belanghebbenden werd in het bericht van inleiding ook verzocht hun standpunt over de voorlopige steekproef uiteen te zetten. Na de bekendmaking van de voorgestelde steekproef zetten twee van de ondernemingen die aan de steekproef zouden deelnemen, hun medewerking stop; zij werden vervangen door twee andere ondernemingen. De bedrijfstak van de Unie merkte daarnaast op dat vanwege het grote aantal kleine en middelgrote producenten van biodiesel er ten minste een in de steekproef diende te worden opgenomen. Dit verzoek werd ingewilligd. |
|
(25) |
De steekproef wordt als representatief voor de bedrijfstak van de Unie beschouwd. |
3.8. Antwoorden op de vragenlijst.
|
(26) |
Er werd een vragenlijst verstuurd naar de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs of groepen producenten in Argentinië, naar de vier in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs of groepen producenten-exporteurs in Indonesië en naar de acht in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(27) |
Er werden antwoorden op de vragenlijsten ontvangen van de zeven in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs of producentengroepen in de Indonesië en Argentinië, van de acht in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en van drie gebruikers. |
3.9. Controlebezoeken
|
(28) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, de schade als gevolg hiervan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:
|
B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
1. Betrokken product
|
(29) |
Het betrokken product betreft door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, in ongemengde vorm of in mengsels, van oorsprong uit Argentinië en uit Indonesië, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 , ex 1518 00 91 , ex 1518 00 95 , ex 1518 00 99 , ex 2710 19 43 , ex 2710 19 46 , ex 2710 19 47 , 2710 20 11 , 2710 20 15 , 2710 20 17 , ex 3824 90 97 , 3826 00 10 en ex 3826 00 90 ("het betrokken product", gewoonlijk "biodiesel" genoemd). |
|
(30) |
Uit het onderzoek is gebleken dat het bij de in Argentinië geproduceerde biodiesel uitsluitend gaat om "sojamethylester" (SME) gemaakt uit sojaolie en dat het bij de in Indonesië geproduceerde biodiesel uitsluitend gaat om "palmmethylester" (PME) gemaakt uit palmolie, terwijl het bij de in de Unie geproduceerde biodiesel voornamelijk gaat om "koolzaadmethylester" (KME) maar dat ook met andere grondstoffen wordt gewerkt, waaronder afvalolie en oliën van de eerste persing. |
|
(31) |
SME, PME en KME behoren alle tot de categorie methylesters van vetzuren (MEVZ). De term "ester" verwijst naar de omestering van plantaardige olie, namelijk het vermengen van de olie met alcohol, waardoor biodiesel en als nevenproduct glycerine ontstaan. De term "methyl" verwijst naar methanol, de meest gebruikte alcohol in het proces. |
|
(32) |
SME- en PME-biodiesel kunnen worden gebruikt in hun zuivere vorm maar worden in het algemeen gemengd, hetzij met elkaar of met KME, voordat ze in de Europese Unie worden gebruikt. SME wordt met PME gemengd omdat SME in zijn zuivere vorm niet voldoet aan de Europese norm EN 14214 met betrekking tot het cetaan- en het joodgetal. PME (en SME) wordt met KME gemengd omdat PME en SME een hoger troebelingspunt ("Cold Filter Plugging Point" - CFPP) hebben dan KME en daarom niet geschikt zijn voor gebruik in hun zuivere vorm tijdens de wintermaanden in de koudere gebieden van de Europese Unie. |
|
(33) |
De mengsels van biodiesels en minerale diesel worden uiteindelijk gebruikt in de vervoersector als brandstof voor dieselmotoren van voertuigen voor het wegverkeer, zoals personenauto's, vrachtwagens en bussen, maar ook voor treinen. Verder kunnen biodiesels in hun zuivere vorm of gemengd met minerale diesels worden gebruikt als brandstof voor boilers voor huishoudelijk, commercieel en industrieel gebruik, en ook als brandstof voor generatoren voor de elektriciteitsproductie. |
2. Soortgelijk product
|
(34) |
Het onderzoek heeft aangetoond dat het betrokken product, het product dat wordt geproduceerd en verkocht op de binnenlandse markt van Argentinië en van Indonesië, en het product dat wordt geproduceerd en verkocht in de Unie door de bedrijfstak van de Unie vergelijkbare fysische, chemische en technische basiseigenschappen en hetzelfde gebruik hebben. Deze producten worden derhalve voorlopig beschouwd als soortgelijk in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
3. Verzoek om het uitsluiten van producten
|
(35) |
Een Indonesische producent verzocht om uitsluiting van gefractioneerde methylesters uit de productomschrijving van de procedure. Bij de gefractioneerde destillatie van methylestervetzuren worden deze gescheiden in componenten met verschillende chemische eigenschappen voor verschillende bestemmingen. De producent verklaarde dat de door de onderneming geproduceerde en naar de EU uitgevoerde gefractioneerde methylesters geen biodiesel zijn en niet worden gebruikt als brandstof, maar voor andere industriële toepassingen zijn bestemd. Tevens verklaarde hij dat als grondstof voor deze gefractioneerde methylesters kokosolie of palmpittenolie wordt gebruikt en niet de ruwe palmolie die in Indonesië gewoonlijk wordt gebruikt voor de productie van biodiesel. |
|
(36) |
Gefractioneerde methylesters vallen onder de productomschrijving van het betrokken product, aangezien hierbij nog steeds sprake is van methylestervetzuren en deze worden vervaardigd van grondstoffen waarmee biodiesel wordt gemaakt. Hoewel gefractioneerde methylesters als zodanig niet voldoen aan de Europese norm (EN 14214), kunnen ze worden gemengd met andere biodiesels ter vervaardiging van een mengsel dat wel aan de norm voldoet. Hetzelfde geldt voor biodiesel op basis van palmmethylesters, die in ongemengde vorm niet voldoen aan de Europese norm. Dit argument wordt derhalve afgewezen. |
|
(37) |
Een Europese importeur van methylestervetzuur op basis van palmpittenolie uit Indonesië verzocht echter om vrijstelling van rechten voor hun invoerproducten die niet bestemd waren voor gebruik als brandstof, maar voor verwerking tot onverzadigde-vetalcohol. |
|
(38) |
Overeenkomstig de door de nationale douaneautoriteiten beheerde regeling bijzondere bestemmingen komen ingevoerde grondstoffen afhankelijk van het gecertificeerde eindgebruik in aanmerking voor vrijstelling van invoerrechten. De regeling is neergelegd in de bepalingen ter uitvoering van het communautair douanewetboek. (6) |
|
(39) |
Dit verzoek zal worden behandeld in de definitieve fase van het onderzoek, nadat de Commissie van de belanghebbenden opmerkingen heeft ontvangen over de vraag of dit specifieke verzoek moet worden ingewilligd voor de invoer van niet als brandstof gebruikt methylestervetzuur op basis van palmpittenolie. Deze opmerkingen zouden moeten ingaan op de vraag of deze vrijstelling kan worden gebruikt om eventueel opgelegde definitieve rechten te ontwijken en op het effect van de invoer van biodiesel voor niet-brandstofdoeleinden uit landen ten aanzien waarvan reeds maatregelen zijn ingesteld. |
C. DUMPING
1. Argentinië
1.1. Normale waarde
|
(40) |
Eerst heeft de Commissie voor elke in de steekproef opgenomen producent-exporteur onderzocht of de totale aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt van Argentinië verkochte hoeveelheid van het soortgelijke product representatief was, dat wil zeggen of die binnenlandse verkoop ten minste 5 % vertegenwoordigde van de totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het OT overeenkomstig artikel 2, lid 2 van de basisverordening. De Commissie heeft voor elke in de steekproef opgenomen onderneming of groep ondernemingen vastgesteld dat die totale verkochte hoeveelheid ten minste 5 % bedroeg van de uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het OT. |
|
(41) |
Vervolgens heeft de Commissie voor elke in de steekproef opgenomen onderneming of groep ondernemingen vastgesteld welke op de binnenlandse markt verkochte productsoorten identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde soorten. |
|
(42) |
Voor iedere door elke in de steekproef opgenomen onderneming of groep ondernemingen op de desbetreffende binnenlandse markt verkochte productsoort die identiek was aan of vergelijkbaar was met de naar de Unie uitgevoerde productsoort, werd onderzocht of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd voldoende representatief geacht wanneer van die soort in het OT op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers een totale hoeveelheid was verkocht die ten minste 5 % bedroeg van de totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van de vergelijkbare productsoort. |
|
(43) |
Vervolgens onderzocht de Commissie voor elke in de steekproef opgenomen onderneming of groep ondernemingen of de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product geschiedde in het kader van normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Hiertoe werd voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het OT vastgesteld. |
|
(44) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de Argentijnse markt streng wordt gereglementeerd door de overheid. In Argentinië is het vermengen van fossiele diesel en biodiesel verplicht (7 % biodiesel in het OT). De totale voor dit bijmengvereiste benodigde hoeveelheid biodiesel wordt verdeeld door middel van quota die worden toegewezen aan een geselecteerd aantal Argentijnse biodieselproducenten. Oliemaatschappijen zijn verplicht biodiesel van deze Argentijnse biodieselproducenten te kopen om aan het bijmengvereiste te voldoen. De prijs wordt vastgesteld door de overheid en bekendgemaakt door het Argentijnse ministerie van Energie. In het OT werd deze van overheidswege vastgestelde referentieprijs berekend aan de hand van een complexe formule waarin rekening wordt gehouden met de productiekosten (grondstoffen, vervoer en andere kosten) en die een bepaalde winst garandeert. De bij het bepalen van de referentieprijs gebruikte parameters werden vastgesteld op basis van de geraamde kosten van de minst efficiënte producent in het meest afgelegen gebied van het land en hebben de Argentijnse producenten een aanzienlijke winst opgeleverd. |
|
(45) |
Onder deze omstandigheden werd de binnenlandse verkoop niet geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties en moest de normale waarde van het soortgelijke product overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening voorlopig door berekening worden vastgesteld. Daartoe werden de eigen productiekosten van de onderneming in het onderzoektijdvak vermeerderd met de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten ("VAA-kosten") en een redelijke winstmarge. De klagers hebben gesteld dat het Argentijnse gedifferentieerde belastingstelsel voor export de prijs van sojabonen en sojaolie drukt en derhalve de kostensituatie van biodieselproducenten verstoort. De Commissie beschikt in deze fase niet over voldoende informatie om te kunnen uitmaken hoe zij dit argument het beste kan onderzoeken. Of de kosten een redelijk beeld geven van de met de productie van het betrokken product verband houdende kosten, wordt derhalve in de definitieve fase en in het lopende antisubsidieonderzoek nader onderzocht. |
|
(46) |
In het licht van de heersende marktomstandigheden, als beschreven in overweging 44 hierboven, was de Commissie van oordeel dat het winstbedrag niet kon worden gebaseerd op de feitelijke gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Derhalve werd voor het berekenen van de normale waarde het winstbedrag overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening bepaald op basis van de redelijke winstmarge die een jonge en kapitaalintensieve industrie van dit type onder normale concurrentieomstandigheden op een vrije en open markt zou kunnen verwezenlijken, namelijk 15 % van de omzet. |
1.2. Uitvoerprijs
|
(47) |
De uitvoer naar de Unie door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vond plaats hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers hetzij via verbonden ondernemingen. |
|
(48) |
Ingeval het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie werd uitgevoerd, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening aan de hand van de werkelijk voor het betrokken product betaalde of te betalen prijzen. |
|
(49) |
Ingeval de uitvoer naar de Unie plaatsvond via in de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. In dergelijke gevallen werden voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten en voor de winst correcties toegepast. Een winstmarge van 5 % van de omzet werd voor deze berekening redelijk geacht. |
1.3. Vergelijking
|
(50) |
De normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(51) |
Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
|
(52) |
Op basis hiervan werden in alle gevallen waarin deze de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloedden correcties toegepast voor de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten alsmede uitvoerrechten en commissies. |
|
(53) |
In gevallen waarin de uitvoer naar de Unie plaatsvond via buiten de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen, heeft de Commissie onderzocht of die verbonden handelsondernemingen moesten worden behandeld als de eigen exportverkoopafdeling van de producent-exporteur of als een op commissiebasis werkende agent. |
|
(54) |
Eén handelsonderneming was nauw verbonden met en stond onder volledige zeggenschap van de producent-exporteur, had geen onderhandelingsmacht met betrekking tot of invloed op de prijzen of de leveringsvoorwaarden en handelde uitsluitend in producten die waren vervaardigd door de producent-exporteur in Argentinië. Daarom werd deze onderneming beschouwd als exportverkoopafdeling van de producent-exporteur en werd er geen correctie voor commissies toegepast. Eén buiten de EU gevestigde handelsonderneming bleek minder nauw verbonden met de producent-exporteur in Argentinië, stond niet onder diens zeggenschap en handelde in een aantal andere producten die waren vervaardigd door andere producenten. In dit geval werd geoordeeld dat de rol van de handelsonderneming overeenkwam met die van een op commissiebasis werkende handelaar. Om die reden werden de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening gecorrigeerd voor de door de handelaar ontvangen fictieve marge. |
|
(55) |
Het werkelijke verschil tussen de verkoopprijzen die de producent-exporteur in Argentinië bij de verbonden handelaar in rekening bracht en de verkoopprijzen die de verbonden handelaren in rekening brachten bij de eerste onafhankelijke afnemer in de EU werd buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de correctie. De correctie werd berekend op basis van de VAA-kosten van de verbonden handelaar en een redelijke winstmarge. De werkelijke winst van de onderneming werd wegens de aard van de betrekkingen niet betrouwbaar geacht. |
1.4. Dumpingmarge
|
(56) |
Voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(57) |
De gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de medewerkende, maar niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 6, van de basisverordening berekend. Deze marge werd vastgesteld op basis van de marges die waren vastgesteld voor de drie in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. |
|
(58) |
Wat alle andere producenten-exporteurs in Argentinië betreft, werd de dumpingmarge vastgesteld op basis van de beschikbare feiten overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Daartoe werd eerst de mate van medewerking vastgesteld door een vergelijking van de hoeveelheid naar de Unie uitgevoerde goederen, als meegedeeld door de medewerkende producenten-exporteurs, met de overeenkomstige invoerstatistieken van Eurostat. Aangezien de mate van medewerking met 100 % van de totale uitvoer naar de Unie in het OT erg hoog was, werd de voor alle andere producenten-exporteurs in Argentinië geldende residuele dumpingmarge vastgesteld op het niveau dat overeenstemt met het niveau dat is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen medewerkende producent-exporteur met de hoogste dumpingmarge. |
|
(59) |
De tabel hieronder bevat de aldus vastgestelde voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt in een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring: Dumpingmarge
|
2. Indonesië
2.1. Normale waarde
|
(60) |
Eerst heeft de Commissie voor elke in de steekproef opgenomen producent-exporteur onderzocht of de totale aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt van Indonesië verkochte hoeveelheid van het soortgelijke product representatief was, dat wil zeggen of die binnenlandse verkoop ten minste 5 % vertegenwoordigde van de totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie in het OT overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De Commissie heeft vastgesteld dat de binnenlandse verkoop niet representatief was, behalve voor twee producenten-exporteurs. |
|
(61) |
Voor de producenten-exporteurs met algemene representativiteit heeft de Commissie vervolgens vastgesteld welke op de binnenlandse markt verkochte productsoorten identiek waren aan of vergelijkbaar waren met de naar de Unie uitgevoerde soorten. |
|
(62) |
Voor deze identieke of vergelijkbare productsoorten werd onderzocht of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd voldoende representatief geacht wanneer de producenten-exporteurs in het OT van die productsoort op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers een totale hoeveelheid hadden verkocht die ten minste 5 % bedroeg van de totale naar de Unie uitgevoerde hoeveelheid van de vergelijkbare productsoort. Voor de producenten-exporteurs met algemene representativiteit werden op de binnenlandse markt geen representatieve hoeveelheden of in het geheel geen hoeveelheden van de uitgevoerde productsoort verhandeld. |
|
(63) |
Derhalve werd voor alle producenten-exporteurs de normale waarde van het soortgelijke product overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening voorlopig door berekening vastgesteld. Daartoe werden de eigen productiekosten van de onderneming in het onderzoektijdvak vermeerderd met de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten ("VAA-kosten") en een redelijke winstmarge. De klagers hebben gesteld dat het Indonesische gedifferentieerde belastingstelsel voor export de prijs van palmolie drukt en derhalve de kostensituatie van biodieselproducenten verstoort. De Commissie beschikt in deze fase niet over voldoende informatie om te kunnen uitmaken hoe zij dit argument het beste kan onderzoeken. Of de kosten een redelijk beeld geven van de met de productie van het betrokken product verband houdende kosten, wordt derhalve in de definitieve fase en in het lopende antisubsidieonderzoek nader onderzocht. |
|
(64) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de Indonesische binnenlandse markt voor biodiesel streng wordt gereglementeerd door de overheid. De olie- en gasonderneming Pertamina is volledig in overheidshanden en veruit de grootste speler op de binnenlandse markt (met meer dan 90 % van de op de binnenlandse markt gekochte biodiesel van de in de steekproef opgenomen producenten). Pertamina is van overheidswege verplicht om de bij de eigen tankstations verkochte biobrandstoffen te vermengen met fossiele brandstoffen. Elke maand stelt het Indonesische ministerie van Handel van overheidswege de zogenaamde "HPE-prijs (of Export Check Price)" vast; dit is een referentieprijs aan de hand waarvan de maandelijkse uitvoerrechten worden bepaald. Pertamina koopt biodiesel in tegen de door de Indonesische overheid vastgestelde HPE-prijs. |
|
(65) |
Onder deze omstandigheden kon de winstmarge niet worden gebaseerd op de feitelijke gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, aangezien de binnenlandse verkoop niet wordt geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. Derhalve werd voor het berekenen van de normale waarde het winstbedrag overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening bepaald op basis van de redelijke winstmarge die een jonge en kapitaalintensieve industrie van dit type onder normale concurrentieomstandigheden op een vrije en open markt zou kunnen verwezenlijken, namelijk 15 % van de omzet. |
2.2. Uitvoerprijs
|
(66) |
De uitvoer naar de Unie door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs vond plaats hetzij rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers hetzij via verbonden ondernemingen. |
|
(67) |
Ingeval het betrokken product rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie werd uitgevoerd, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening aan de hand van de werkelijk voor het betrokken product betaalde of te betalen prijzen. |
|
(68) |
Ingeval de uitvoer naar de Unie plaatsvond via in de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de prijs waartegen het invoerproduct voor het eerst werd doorverkocht aan onafhankelijke afnemers in de Unie. In dergelijke gevallen werden correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten en werd een winstmarge van 5 % van de omzet redelijk geacht. |
|
(69) |
De premies die werden aangerekend aan klanten in één lidstaat die na aankoop van biodiesel gebruik wilden maken van de desbetreffende regeling inzake "dubbeltellingen" voor biodiesel (7), werden niet geacht deel uit te maken van de uitvoerprijs. Dergelijke premies zijn niet veeleer dan aan het betrokken product als zodanig, gekoppeld aan de documenten die de verbonden importeur overlegt om een overheidscertificaat te verkrijgen waarmee de klant van de verbonden importeur kan voldoen aan de voorwaarden inzake bijmenging van slechts de helft van de hoeveelheid biodiesel (aangezien deze biodiesel "dubbel" telt). |
2.3. Vergelijking
|
(70) |
De normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(71) |
Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
|
(72) |
Op basis hiervan werden in alle gevallen waarin deze de vergelijkbaarheid van de prijzen beïnvloedden correcties toegepast voor de kosten van vervoer, zeevracht, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten alsmede kredietkosten, inspectiekosten, bankkosten, uitvoerrechten en commissies. |
|
(73) |
In gevallen waarin de uitvoer naar de Unie plaatsvond via buiten de Unie gevestigde verbonden handelsondernemingen, heeft de Commissie onderzocht of die verbonden handelsondernemingen moesten worden behandeld als de eigen exportverkoopafdeling van de producent-exporteur of als een op commissiebasis werkende agent. |
|
(74) |
Eén onderneming of groep ondernemingen bleek een contract te hebben gesloten met een verbonden handelsonderneming om op commissiebasis te handelen in onder meer biodiesel. In dit geval werd geoordeeld dat de verbonden handelaar moest worden behandeld als een op commissiebasis werkende agent; derhalve werden de uitvoerprijzen in overeenstemming met artikel 2, lid 10, onder i), van de basisverordening gecorrigeerd om rekening te houden met de door de handelaar ontvangen vergoeding. |
|
(75) |
Voor één producent-exporteur werd het betrokken product (PME) vermengd met KME, voordat het aan de eerste onafhankelijke afnemer werd verkocht. Om die reden werd overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder a), een correctie toegepast voor verschillen in fysieke kenmerken van het betrokken product. |
2.4. Dumpingmarge
|
(76) |
Voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(77) |
De gewogen gemiddelde dumpingmarge voor de medewerkende, maar niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd overeenkomstig de bepalingen van artikel 9, lid 6, van de basisverordening berekend. Deze marge werd vastgesteld aan de hand van de marges die voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs waren vastgesteld, waarbij de marge van de producent-exporteur met een dumpingmarge van 0 % buiten beschouwing werd gelaten. |
|
(78) |
Wat alle andere producenten-exporteurs in Indonesië betreft, werd de dumpingmarge vastgesteld op basis van de beschikbare feiten overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. Daartoe werd eerst de mate van medewerking vastgesteld door een vergelijking van de hoeveelheid naar de Unie uitgevoerde goederen, als meegedeeld door de medewerkende producenten-exporteurs, met de overeenkomstige invoerstatistieken van Eurostat. Aangezien de mate van medewerking met 99 % van de totale uitvoer naar de Unie in het OT erg hoog was, werd de voor alle andere producenten-exporteurs in Indonesië geldende residuele dumpingmarge vastgesteld op het niveau dat overeenstemt met het niveau dat is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen medewerkende producent-exporteur met de hoogste dumpingmarge. |
|
(79) |
De tabel hieronder bevat de aldus vastgestelde voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt in een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring: Dumpingmarge
|
D. SCHADE
1. Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(80) |
Het soortgelijke product wordt vervaardigd door 254 producenten in de Unie. Zij vormen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening en worden hierna "de bedrijfstak van de Unie" genoemd. |
|
(81) |
Er werden opmerkingen ontvangen die erop wezen dat een groot aantal grote producenten in Unie verbonden zijn met exporteurs in Argentinië en/of biodiesel uit Argentinië invoeren en dat zij daarom van de definitie van bedrijfstak van de Unie moeten worden uitgesloten. |
|
(82) |
Na onderzoek werden drie ondernemingen van de definitie van de bedrijfstak van de Unie uitgesloten, omdat ze afhankelijk waren van invoer uit de betrokken landen, waarbij de invoer respectievelijk 63 %, 85 % en 71 % van hun eigen productie in het OT bedroeg. Nog eens twee ondernemingen werden uitgesloten, omdat ze in het OT geen biodiesel hadden geproduceerd. Van deze ondernemingen zijn in het onderstaande geen gegevens gebruikt. De Commissie is tot de voorlopige conclusie gekomen dat er geen redenen zijn om andere producenten in de Unie uit te sluiten van de definitie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(83) |
Om de totale productie in de Unie in het OT vast te stellen werd gebruikgemaakt van alle beschikbare informatie over de bedrijfstak van de Unie, waaronder de informatie die in de klacht werd verstrekt en de gegevens die voor en na de opening van het onderzoek bij de producenten in de Unie werden verzameld. Op basis van deze informatie is vastgesteld dat de totale productie in de Unie gedurende het OT ongeveer 9 052 871 ton bedroeg. Zoals in het voorafgaande is opgemerkt werden voor de steekproef acht producenten in de Unie geselecteerd die 27 % van de totale productie in de Unie van het soortgelijke product vertegenwoordigen. |
2. Verbruik in de Unie
Tabel 1
|
Verbruik in de Unie |
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Ton |
11 165 831 |
11 538 511 |
11 159 706 |
11 728 400 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
103 |
100 |
105 |
||
|
||||||
|
(84) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op basis van de omvang van de totale productie in de Unie op de markt van de Unie van alle producenten in de Unie, minus hun uitvoer, plus de invoer uit Argentinië en Indonesië en de invoer uit andere derde landen. |
|
(85) |
De omvang van de invoer uit Argentinië en Indonesië is ontleend aan gegevens van Eurostat voor de verschillende GN-codes waaronder het product is ingedeeld. |
|
(86) |
Uitgaande van het bovenstaande is het verbruik in de Unie tussen 2009 en het einde van het OT met 5 % gestegen. |
3. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer uit de betrokken landen
|
(87) |
Zoals bij artikel 3, lid 4, van de basisverordening is vastgesteld, kunnen de gevolgen van de invoer uit twee landen alleen cumulatief worden beoordeeld indien aan twee voorwaarden is voldaan. |
|
(88) |
De eerste voorwaarde is dat de dumpingmarge voor de invoer uit beide landen meer dan minimaal is en dat de omvang van de invoer niet verwaarloosbaar is. De dumpingmarges voor Argentinië en Indonesië lagen boven de de-minimisdrempel als bedoeld in artikel 9, lid 3, van de basisverordening en het volume van de invoer uit elk van deze landen was met een marktaandeel in het OT van 10,8 % respectievelijk 8,5 % niet verwaarloosbaar in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. |
|
(89) |
De tweede voorwaarde is dat de ingevoerde producten met elkaar en met het soortgelijke product in de Unie concurreren. De uit Argentinië en Indonesië ingevoerde biodiesel wordt door dezelfde handelsondernemingen vermengd met minerale diesel en verkocht aan afnemers in de hele Unie en concurreert daarmee rechtstreeks met biodiesel die is geproduceerd door de bedrijfstak van de Unie. |
|
(90) |
In het licht van het bovenstaande luidt de voorlopige conclusie dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening is voldaan en dat de invoer uit Argentinië en Indonesië cumulatief dient te worden onderzocht om de schade te analyseren. |
4. Omvang en marktaandeel van de invoer uit de betrokken landen
Tabel 2
|
|
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Invoer uit Argentinië |
||||||
|
Ton |
853 589 |
1 179 285 |
1 422 142 |
1 263 230 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
138 |
167 |
148 |
||
|
Marktaandeel |
7,6 % |
10,2 % |
12,7 % |
10,8 % |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
135 |
167 |
141 |
||
|
Invoer uit Indonesië |
||||||
|
Ton |
157 915 |
495 169 |
1 087 518 |
995 663 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
314 |
689 |
631 |
||
|
Marktaandeel |
1,4 % |
4,3 % |
9,7 % |
8,5 % |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
303 |
689 |
600 |
||
|
|
|
|
|
|
||
|
Totaal marktaandeel |
9,1 % |
14,5 % |
22,5 % |
19,3 % |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
160 |
248 |
213 |
||
|
||||||
|
(91) |
De omvang van de invoer uit Argentinië en Indonesië is van 2009 tot het eind van het OT aanzienlijk toegenomen, waarbij de invoer uit Indonesië sneller is gestegen dan de invoer uit Argentinië. In dezelfde periode is het marktaandeel van 9,1 % gestegen tot 19,3 %. |
5. Prijs van de invoer uit de betrokken landen en prijsonderbieding
5.1. Prijsontwikkeling
Tabel 3
|
Invoerprijs (euro/ton) |
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Argentinië |
629 |
730 |
964 |
967 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
116 |
153 |
154 |
||
|
Indonesië |
597 |
725 |
864 |
863 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
121 |
145 |
145 |
||
|
Totaal |
624 |
728 |
920 |
921 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
117 |
147 |
148 |
||
|
||||||
|
(92) |
Hoewel de invoerprijzen tijdens de beoordelingsperiode zijn gestegen, met name tussen 2010 en 2011, lagen de prijzen van biodiesel uit zowel Argentinië als Indonesië gedurende de gehele beoordelingsperiode onder de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. |
5.2. Price undercutting
|
(93) |
Voor de vaststelling van de prijsonderbieding in het OT werden de gewogen gemiddelde verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, af fabriek vergeleken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde prijzen van de invoer afkomstig van de in de steekproef opgenomen Argentijnse en Indonesische producenten voor de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie, op cif-niveau, gecorrigeerd voor douanerechten en kosten na invoer. |
|
(94) |
De SME uit Argentinië en de PME uit Indonesië zijn vergeleken met het product dat wordt vervaardigd en verkocht op de markt van de Unie op basis van het troebelingspunt (CFPP), zijnde de temperatuur waarbij de biodiesel weer overgaat in vet en niet als brandstof kan worden gebruikt. |
|
(95) |
Alle door Argentijnse producenten aan de EU verkochte hoeveelheden hebben een CFPP van 0 graden Celsius. Deze verkopen werden daarom vergeleken met de verkopen van producenten in de Unie met een CFPP van 0. |
|
(96) |
Alle door Indonesische producenten aan de EU verkochte brandstoffen hebben een CFPP van 13 graden Celsius. Gezien de zeer geringe omvang van de door producenten in de Unie verkochte brandstoffen met dit CFPP (PME uit Indonesië wordt bijna altijd vermengd met andere biodiesel uit andere bronnen voordat deze wordt verkocht aan de eerste onafhankelijke afnemer), werd een directe vergelijking niet redelijk geacht. De uitvoerprijs van de PME uit Indonesië met CFPP 13 is om die reden naar boven aangepast tot een prijs voor CFPP 0 op basis van het verschil in prijs op de markt van de Unie tussen door de bedrijfstak van de Unie vervaardigd PME met CFPP 13 en de gemiddelde prijs van biodiesel met CFPP 0. |
|
(97) |
Het aldus berekende verschil tussen de Argentijnse en de Indonesische prijzen enerzijds en de prijzen van de Unie anderzijds, uitgedrukt in procenten van de gewogen gemiddelde prijs (af fabriek) van de bedrijfstak van de Unie, d.w.z. de prijsonderbiedingsmarge, bedraagt 2,5 % tot 9,1 %. |
6. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(98) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die voor de bedrijfstak van de Unie voor de analyseperiode werden vastgesteld. |
|
(99) |
Zoals reeds aangegeven werden gecontroleerde gegevens van een steekproef van producenten in de Unie gebruikt om de mogelijk door de bedrijfstak van de Unie geleden schade te onderzoeken. |
|
(100) |
Bij het analyseren van de schade maakte de Commissie onderscheid tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. De Commissie heeft de macro-economische indicatoren voor de beoordelingsperiode geanalyseerd op basis van door de bedrijfstak van de Unie geleverde gegevens over alle producenten in de Unie. De Commissie heeft de micro-economische indicatoren geanalyseerd op basis van de gecontroleerde gegevens die van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn verkregen. |
|
(101) |
De volgende macro-economische indicatoren werden beoordeeld op basis van informatie over alle producenten van biodiesel in de Unie: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van dumping in het verleden. |
|
(102) |
De volgende micro-economische indicatoren werden beoordeeld op basis van informatie over de in de steekproef opgenomen producenten van biodiesel in de Unie: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, arbeidskosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken. |
7. Macro-economische indicatoren
7.1. Productiecapaciteit, productie en bezettingsgraad
Tabel 4
|
|
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Productiecapaciteit (ton) |
20 359 000 |
21 304 000 |
21 517 000 |
22 227 500 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
105 |
106 |
109 |
||
|
Productievolume (ton) |
8 745 693 |
9 367 183 |
8 536 884 |
9 052 871 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
107 |
98 |
104 |
||
|
Bezettingsgraad |
43 % |
44 % |
40 % |
41 % |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
102 |
92 |
95 |
||
|
||||||
|
(103) |
De productie van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode is evenredig met het verbruik toegenomen. De capaciteit bleef verhoudingsgewijs met name tussen 2010 en het OT stabiel, waardoor de bezettingsgraad gedurende de hele periode laag bleef. De bedrijfstak van de Unie was niet in staat de eerder geïnstalleerde capaciteit te gebruiken of de toegenomen capaciteit, waarmee was vooruitgelopen op mogelijke gevolgen van tegen de VS ingestelde maatregelen of de verwachte quotastelsels en het toegenomen aantal opdrachten van sommige lidstaten, in die periode ook maar enigszins te benutten. |
12.2. Omvang van de verkoop en marktaandeel
Tabel 5
|
|
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Verkoopvolume (ton) |
9 454 786 |
9 607 731 |
8 488 073 |
9 294 137 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
102 |
90 |
98 |
||
|
Marktaandeel |
84,7 % |
83,3 % |
76,1 % |
79,2 % |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
98 |
90 |
94 |
||
|
||||||
|
(104) |
De omvang van de verkopen aan niet-verbonden ondernemingen in de Unie bleef gedurende de periode tamelijk stabiel. Aangezien het verbruik in de periode licht steeg, volgt uit een stabiel verkoopvolume een verminderd marktaandeel (5,5 procentpunten lager), dat door invoer uit de betrokken landen werd overgenomen. |
7.3. Groei
|
(105) |
De groei van de bedrijfstak van de Unie komt tot uiting in de volume-indicatoren ervan, zoals productie, verkoop en vooral marktaandeel. Ondanks een toename van het verbruik gedurende de analyseperiode, hield het marktaandeel van de producenten in de Unie geen gelijke tred met het verbruik. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie nam gedurende de periode af, terwijl de invoer toenam. In dezelfde periode nam het marktaandeel van de invoer uit Indonesië en Argentinië met maar liefst 10 procentpunten toe. Dat de bedrijfstak van de Unie niet ten volle van de ruimere markt kon profiteren, had een in het algemeen negatieve invloed op zijn economische situatie. |
7.4. Werkgelegenheid en productiviteit
Tabel 6
|
|
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Werkgelegenheid - voltijdequivalenten (VTE) |
1 858 |
2 055 |
2 061 |
2 079 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
111 |
111 |
112 |
||
|
Productiviteit (ton/VTE) |
4 707 |
4 558 |
4 142 |
4 354 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
97 |
88 |
93 |
||
|
||||||
|
(106) |
Aangezien de biodieselindustrie een kapitaalintensieve bedrijfstak is waarvoor bij het productieproces niet veel arbeidskrachten nodig zijn en de daadwerkelijke productie van de biodiesel meestal wordt uitbesteed, is het aantal productiemedewerkers niet groot. Daar de productieomvang in die periode licht toenam, nam ook het aantal werknemers toe. |
|
(107) |
Waar het aantal werknemers sneller toenam dan de productie, nam de productiviteit tussen 2009 en het einde van de OT met 7 procentpunten af. |
7.5. Hoogte van de huidige dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(108) |
Tot 2009, het jaar waarin het onderzoektijdvak voor deze procedure begint, had de bedrijfstak van de Unie schade geleden als gevolg van invoer met dumping uit de Verenigde Staten van Amerika. De rechten op de invoer uit de Verenigde Staten van Amerika hadden tot doel gelijke voorwaarden te scheppen, zodat de bedrijfstak van de Unie op eerlijke wijze kon concurreren met deze invoer en zich kon herstellen van de geleden schade. |
|
(109) |
Dit is duidelijk niet geschied. De bedrijfstak van de Unie is nu minder winstgevend dan in 2009 en heeft marktaandeel verloren, zelfs ten opzichte van 2009, aan invoer uit Argentinië en Indonesië, landen die de prijzen van de Unie onderbieden. Hoewel het verbruik in de Unie is gestegen, is de bezettingsgraad gedaald. Herstel van dumping in het verleden is duidelijk uitgebleven. |
|
(110) |
De dumpingmarges voor producenten-exporteurs in Argentinië en Indonesië worden hierboven in het gedeelte over dumping aangegeven. Eén producent-exporteur in Indonesië, die relatief voor weinig invoer uit Indonesië goed was, bleek niet met dumping te verkopen. De overige producenten-exporteurs in Indonesië en alle producenten-exporteurs in Argentinië bleken biodiesel op de markt van de Unie te dumpen. Bovendien kan het effect van de werkelijke dumpingmarge, gezien de omvang van de invoer met dumping en de prijzen van de invoerproducten uit de twee landen, niet als te verwaarlozen worden beschouwd. |
8. Micro-economische indicatoren
8.1. Gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid en loonkosten
Tabel 7
|
|
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Eenheidsprijs (euro/ton) |
797 |
845 |
1 096 |
1 097 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
106 |
137 |
138 |
||
|
Kosten per eenheid (euro/ton) |
760 |
839 |
1 089 |
1 116 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
110 |
143 |
147 |
||
|
Loonkosten EUR/VTE |
57 391 |
63 490 |
62 141 |
61 004 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
111 |
108 |
106 |
||
|
||||||
|
(111) |
Hoewel de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode zijn verkoopprijzen kon verhogen, stegen de productiekosten vanwege een tegenvallende koolzaadoogst in 2011 dermate dat deze niet door een verhoging van de verkoopprijs konden worden opgevangen. Het was voor de bedrijfstak van de Unie vanwege de geldende belastingregelingen onrendabel om alternatieve grondstoffen uit Argentinië en Indonesië in te voeren, en hij moest noodgedwongen zijn toevlucht zoeken tot het invoeren van verbruiksklare biodiesel om zijn kosten laag te houden en daarmee de totale verliezen te verminderen. |
|
(112) |
Tegelijkertijd stegen de loonkosten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de beoordelingsperiode, waardoor de ondernemingen opnieuw wegen moesten vinden om hun totale kosten naar beneden te brengen. |
8.2. Voorraden
Tabel 8
|
|
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Voorraden (ton) |
74 473 |
87 283 |
90 249 |
103 058 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
117 |
121 |
138 |
||
|
||||||
|
(113) |
In de analyseperiode groeiden de biodieselvoorraden met ongeveer 40 %. Deze groei vond plaats gedurende de gehele analyseperiode. Omdat biodiesel niet langer dan zes maanden kan worden opgeslagen (gemiddeld vindt de opslag gedurende ongeveer drie maanden plaats), hebben de voorraadgegevens slechts een geringe waarde voor de beoordeling van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
8.3. Winstgevendheid, investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken
Tabel 9
|
|
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Winstgevendheid |
3,5 % |
–0,3 % |
–0,2 % |
–2,5 % |
||
|
Investeringen (1 000 EUR) |
188 491 |
156 927 |
149 113 |
141 578 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
83 |
79 |
75 |
||
|
Rendement van investeringen |
19 % |
–2 % |
–2 % |
–24 % |
||
|
Kasstroom (1 000 EUR) |
244 001 |
–48 649 |
21 241 |
23 984 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
–20 |
9 |
10 |
||
|
||||||
|
(114) |
De winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie werd vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen op de verkoop van het soortgelijke product op de markt van de Unie uit te drukken als percentage van de omzet. In de analyseperiode nam de winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie aanzienlijk af van 3,5 % tot -2,5 %. |
|
(115) |
De investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in de biodieselproductie daalden tijdens de periode, waaruit blijkt dat de beschikbare investeringsmiddelen samen met het marktaandeel van de producenten in de Unie waren afgenomen, ofschoon de in de steekproef opgenomen producenten nog steeds in staat waren te investeren in de productie van biodiesel. |
|
(116) |
Het rendement van investeringen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, d.w.z. hun resultaat vóór belastingen uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de bij de productie van biodiesel gebruikte activa aan het begin en het eind van het boekjaar, volgde de negatieve ontwikkeling van de winstgevendheid. De verslechtering van het rendement van investeringen is een duidelijke aanwijzing voor de verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak. |
|
(117) |
De kasstroom, het vermogen van de bedrijfstak om zijn activiteiten zelf te financieren, is in de analyseperiode aanzienlijk gekrompen, waaruit blijkt hoe moeilijk het voor de in de steekproef opgenomen ondernemingen is om met de invoer met dumping uit Argentinië en Indonesië te concurreren. |
9. Conclusie over schade
|
(118) |
Uit een analyse van de gecontroleerde gegevens blijkt duidelijk dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden als bedoeld in artikel 3, lid 5, van de basisverordening. Ondanks het stijgende verbruik heeft hij marktaandeel verloren en is zijn winstgevendheid afgenomen, terwijl de invoer marktaandeel heeft gewonnen en er sprake was van onderbieding van de prijzen van de producenten in de Unie. |
|
(119) |
Ook andere indicatoren wijzen op een dalende of stabiele trend, zelfs na de instelling van maatregelen tegen de Verenigde Staten van Amerika en de uitbreiding van de rechten tot invoer uit Canada waarbij sprake is van ontwijking. |
|
(120) |
De producenten in de Unie konden de tussen 2010 en 2011 gestegen productiekosten (+33 procentpunten) grotendeels doorberekenen, maar alleen door de winstgevendheid tot het break-evenpoint te verlagen. De kostenstijging tussen 2011 en het eind van het OT konden zij echter niet doorberekenen, vanwege een stijging van de grondstofprijzen die bijna 80 % van de volledige productiekosten van biodiesel bedroegen. Deze kostenstijgingen konden niet volledig worden doorberekend aan afnemers op de markt van de Unie, wat tot de verliezen in het OT leidde. |
E. OORZAKELIJK VERBAND
1. Inleiding
|
(121) |
Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping van oorsprong uit de betrokken landen zodanige schade heeft geleden dat deze als aanmerkelijk kon worden beschouwd. |
|
(122) |
Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Unie terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden ook onderzocht om te voorkomen dat de mogelijke door deze andere factoren veroorzaakte schade aan de invoer met dumping werd toegeschreven. |
2. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(123) |
Het bleek dat een klein gedeelte (tussen 2 % en 6 %) van de invoer uit Indonesië naar de EU zonder dumping plaatsvond. De overige hoeveelheid van de invoer uit Indonesië en de totale invoer uit Argentinië bleek met dumping te hebben plaatsgevonden. Ook als de geringe hoeveelheid niet met dumping ingevoerde producten in mindering wordt gebracht op de totale aangegeven invoer uit Indonesië, laat dit de hierboven beschreven ontwikkeling van de invoer onverlet. |
|
(124) |
Uit het onderzoek bleek dat de omvang van de laaggeprijsde invoer met dumping uit de betrokken landen in de beoordelingsperiode aanzienlijk is toegenomen (meer dan verdubbeld). Hierdoor steeg het marktaandeel van deze invoer met dumping met 10 procentpunten, van 9,1 % in 2009 tot 18,8 % tegen het einde van het OT. |
|
(125) |
Tegelijkertijd verloor de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode 5,5 procentpunten marktaandeel, het gestegen verbruik ten spijt. |
|
(126) |
De gemiddelde prijzen van de invoer met dumping stegen tussen 2009 en het einde van het OT met 48 %, maar lagen beduidend onder die van de bedrijfstak van de Unie in hetzelfde tijdvak. De invoer met dumping onderbood de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT met een gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van 4 % voor Indonesië en 8 % voor Argentinië. |
|
(127) |
Door de toename van laaggeprijsde invoer met dumping wordt druk uitgeoefend op de markt van de Unie, zodat de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijzen niet op de marktomstandigheden en de gestegen kosten kon afstemmen. De in de steekproef opgenomen ondernemingen konden aan hun afnemers slechts een prijsverhoging van 38 % doorberekenen, terwijl hun totale kosten in dezelfde periode met in totaal 47 % stegen. |
|
(128) |
Op grond van het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de laaggeprijsde invoer met dumping uit de betrokken landen, waardoor de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT onderboden werden en die ook in volume aanzienlijk toenam, een bepalende rol speelde bij de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade. |
3. Gevolgen van andere factoren
3.1. Invoer uit andere landen
Tabel 10
|
Andere derde landen |
2009 |
2010 |
2011 |
OT |
||
|
Totale invoer (t) |
699 541 |
256 327 |
161 973 |
175 370 |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
37 |
23 |
25 |
||
|
Marktaandeel |
6,3 % |
2,2 % |
1,5 % |
1,5 % |
||
|
Indexcijfer 2009 = 100 |
100 |
35 |
23 |
24 |
||
|
||||||
|
(129) |
De invoer uit derde landen, hoofdzakelijk de VS, Noorwegen en Zuid-Korea, is van 2009 tot het einde van het OT sterk afgenomen. Deze afname was te wijten aan de instelling van maatregelen ten aanzien van de invoer uit de Verenigde Staten in 2009 en vond plaats na een antiontwijkingsonderzoek naar de invoer van vanuit Canada verzonden goederen in 2010. Gezien het teruglopende marktaandeel van invoer uit andere derde landen ten tijde van de financiële achteruitgang van de bedrijfstak van de Unie, kan de invoer vanuit andere derde landen slechts een verwaarloosbare bijdrage hebben geleverd tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat hierdoor het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade wordt verbroken. |
3.2. Invoer zonder dumping uit de betrokken landen
|
(130) |
Er vond ook invoer zonder dumping plaats vanuit de betrokken landen, maar alleen in de tweede helft van 2011. Gezien de korte duur van deze invoer en de beperkte hoeveelheden, kan deze slechts verwaarloosbaar hebben bijgedragen aan de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en kan deze het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade niet doorbreken. |
3.3. Andere producenten in de Unie
|
(131) |
Gezien het geringe productievolume van de producenten in de Unie die van de definitie van bedrijfstak van de Unie zijn uitgesloten, en het in absolute termen kleine volume van hun invoer, werden deze producenten niet geacht te hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
3.4. Invoer door de bedrijfstak van de Unie
|
(132) |
CARBIO, de vereniging van Argentijnse biodieselproducenten, beweerde dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade het gevolg was van invoer uit Argentinië en Indonesië door de bedrijfstak van de Unie. De vereniging omschreef de schade als gevolg van deze invoer als door de klagers zelf veroorzaakte schade en stelde dat deze invoer niet als met de gedragingen van de Argentijnse producenten verband houdende schadeoorzaak mocht worden beschouwd. |
|
(133) |
Uit de door de bedrijfstak van de Unie verstrekte gegevens blijkt dat deze in de beoordelingsperiode hoeveelheden biodiesel heeft ingevoerd uit Argentinië en Indonesië, die in het OT tot wel 60 % van de totale invoer vanuit deze landen uitmaakten. De bedrijfstak van de Unie heeft echter verklaard dat deze invoer een daad van zelfverdediging was. Door kortstondig van de dumpingprijzen van deze invoer te profiteren, konden de producenten in Unie hun bedrijfscontinuïteit voor de middellange termijn veiligstellen. |
|
(134) |
De invoer van biodiesel tegen dumpingprijzen door de bedrijfstak van de Unie nam in 2011 en het OT aanzienlijk toe. Op dat moment was het effect van de differentiële belastingen op de uitvoer van biodiesel en de grondstoffen daarvoor het meest voelbaar, aangezien de invoer van grondstoffen (sojaolie en palmolie) toen onrendabel werd ten opzichte van de invoer van het eindproduct. Door het stelsel van differentiële belastingen op de uitvoer in beide landen is de uitvoer van grondstoffen meer belast dan de uitvoer van het eindproduct. Of deze differentiële belasting kan worden aangemerkt als subsidie in de zin van artikel 2 van de basisantisubsidieverordening wordt in het lopende antisubsidieonderzoek onderzocht. |
|
(135) |
Zo was gedurende enkele maanden in het OT de invoerprijs van sojaolie uit Argentinië hoger dan de invoerprijs van SME, waardoor het aankopen van sojaolie economisch onvoordelig was. In dit geval was het aankopen van SME de enige economisch verantwoorde mogelijkheid. |
|
(136) |
Hoe dan ook hadden, als de bedrijfstak van de Unie deze hoeveelheden biodiesel niet had ingevoerd, handelsondernemingen in de Unie dat wel gedaan, en hadden zij de bedrijfstak van de Unie onderboden en die hoeveelheden op de markt van de Unie verkocht, aangezien deze ondernemingen reeds biodiesel uit deze landen invoeren om deze in concurrentie met de bedrijfstak van de Unie aan dieselraffinaderijen te verkopen. Het oorzakelijk verband wordt door deze invoer niet verbroken en het argument wordt derhalve voorlopig verworpen. |
3.5. Capaciteit van de bedrijfstak van de Unie
|
(137) |
CARBIO beweert bovendien dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade te wijten is aan overcapaciteit als gevolg van overexpansie. Aangezien de bezettingsgraad in 2008 50 % bedroeg, beweert de vereniging dat de bedrijfstak bleef uitbreiden zonder dat er sprake was van een evenredige toename van de vraag. |
|
(138) |
Het is een feit dat tijdens de beoordelingsperiode de bezettingsgraad in de hele Unie laag bleef, met een minimum van 40 % in het OT. Sommige ondernemingen hebben de door hen geïnstalleerde capaciteit dan ook niet benut. |
|
(139) |
De bezettingsgraad was echter al laag aan het begin van de beoordelingsperiode en bleef dat gedurende de gehele periode, en bleef ook stabiel bij de in de steekproef opgenomen ondernemingen. |
|
(140) |
De in de steekproef opgenomen ondernemingen waren winstgevend bij aanvang van de beoordelingsperiode, en maakten verlies tegen het einde daarvan, bij een stabiele bezettingsgraad. Hieruit kan redelijkerwijs worden afgeleid dat de gehele bedrijfstak tevens minder winstgevend is geworden, terwijl haar bezettingsgraad stabiel is gebleven. Derhalve kunnen deze omstandigheden niet als een van de belangrijkste schadeoorzaken worden aangemerkt, daar een duidelijk oorzakelijk verband ontbreekt. Dit argument wordt derhalve voorlopig afgewezen. |
3.6. Gebrek aan toegang tot grondstoffen en verticale integratie
|
(141) |
CARBIO beweert tevens dat de bedrijfstak van de Unie schade lijdt als gevolg van een gebrek aan efficiëntie, met name omdat de ondernemingen niet verticaal zijn geïntegreerd en niet in de nabijheid van grondstoffen zijn gevestigd. |
|
(142) |
Deze argumenten worden voorlopig afgewezen. Enkele van de in de steekproef opgenomen ondernemingen zijn gelegen in de havens en hebben een ononderbroken toegang tot per schip aangevoerde grondstoffen en andere in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben hun biodieselfabrieken op dezelfde locatie gevestigd als hun installaties voor de productie van plantaardige oliën. Veel producenten van biodiesel in Zuid-Europa zijn met opzet op haventerreinen gevestigd, zodat zij toegang hebben tot uit Argentinië en Indonesië ingevoerde grondstoffen, of op dezelfde locaties als hun afnemers (de raffinaderijen van fossiele olie). Het feit dat grondstoffen als gevolg van de differentiële belastingen bij uitvoer duurder zijn geworden dan het eindproduct heeft de bedrijfstak van de Unie duidelijk geschaad, doordat het economisch niet langer mogelijk is om PME en SME in de EU te vervaardigen. |
3.7. Andere regelgevingfactoren
|
(143) |
CARBIO verwijst ook naar enkele regelgevingfactoren die de bedrijfstak van de Unie schade zouden hebben berokkend, waarbij het ook een aantal voorstellen betreft die nog niet in werking zijn getreden. De vereniging legt evenwel de nadruk op de "dubbeltelling", die hierna wordt beschreven. |
|
(144) |
De richtlijn hernieuwbare energie verplicht lidstaten ertoe voor te schrijven dat een bepaald aandeel aan biodiesel wordt vermengd met minerale diesel, voordat deze aan de gebruikers wordt verkocht. Enkele lidstaten maken gebruik van de bepaling in de richtlijn hernieuwbare energie die toestaat dat aandeel te halveren als de gebruikte biodiesel is vervaardigd van afvalolie of gebruikt dierlijk vet. Als de betrokken lidstaat bijvoorbeeld verplicht stelt dat 7 % biodiesel wordt vermengd met 93 % minerale diesel, kan het aandeel van 7 % worden verlaagd tot 3,5 % als er sprake is van biodiesel uit afvalolie. |
|
(145) |
CARBIO beweert dat de regels voor dubbeltelling hebben geleid tot een daling van de verkoop van zogenaamde biodiesel van de "eerste generatie" ter hoogte van 1 miljoen MT in het OT en dat dit heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. Deze stelling wordt verworpen, aangezien in de steekproef van producenten in de Unie ook ondernemingen zijn opgenomen die dubbel te tellen biodiesel vervaardigen en hun financiële situatie niet wezenlijk verschilt van die van in de steekproef opgenomen ondernemingen die biodiesel uit plantaardige oliën van eerste persing vervaardigen. Uit de verificatie van de gegevens van deze ondernemingen komt naar voren dat de prijs van hun biodiesel te lijden heeft gehad van de lage prijs van de invoer met dumping uit Argentinië en Indonesië, aangezien deze ondernemingen indirect concurreren met de PME en SME uit de betrokken landen. |
|
(146) |
Er is ook aangevoerd dat de bedrijfstak van de Unie schade lijdt doordat er niet méér in biobrandstoffen van de tweede generatie op basis van bijvoorbeeld afvalolie wordt geïnvesteerd. Dit argument is voorlopig verworpen, aangezien er in de Unie niet voldoende afvalolie beschikbaar is om de bestaande verwerking substantieel te verhogen. |
3.8. Beperkingen in de lidstaten
|
(147) |
CARBIO beweerde verder dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet kon zijn veroorzaakt door de invoer uit de betrokken landen wegens quotastelsels en belastingregelingen in diverse lidstaten die de toegang tot deze markten beperken. Daarnaast beweert de vereniging dat sommige markten in de EU als gevolg van de klimatologische omstandigheden gesloten zijn voor SME en PME. |
|
(148) |
De vereniging merkt terecht op dat PME vanwege zijn troebelingspunt ("CFPP") (+13 graden Celsius) niet in de hele Unie kan worden gebruikt zonder dat andere biodiesels worden bijgemengd om het CFPP te verlagen. Het CFPP van SME, 0 graden Celsius, maakt algemener gebruik van SME wel mogelijk, in het bijzonder tijdens de zomermaanden. |
|
(149) |
Tijdens het onderzoek is bijzondere aandacht besteed aan de bewering dat het regelgevingsysteem in sommige lidstaten de bedrijfstak van de Unie schade berokkent. |
|
(150) |
In sommige lidstaten worden quota toegepast waarmee een bepaald productiequotum wordt toegewezen aan ondernemingen in de desbetreffende lidstaat of in andere lidstaten. Hoewel de meeste landen voordelen toewijzen door middel van het belastingstelsel, worden deze momenteel teruggeschroefd of afgeschaft. |
|
(151) |
Frankrijk hanteert bijvoorbeeld een "belastingvoordeel" van 90 EUR per ton voor binnen het quotum geproduceerde biodiesel. Echter, met het oog op de lage prijzen van de invoer met dumping is het vaak goedkoper om biodiesel in te voeren dan deze bij de bedrijfstak van de Unie te kopen, zelfs als het belastingvoordeel wordt meegerekend. Dit blijkt uit het feit dat invoer uit Argentinië duidelijk op de Franse markt aanwezig zijn. |
|
(152) |
In sommige lidstaten is er geen invoer uit Argentinië en Indonesië, hetzij vanwege de klimaatomstandigheden hetzij vanwege quotastelsels. Invoer uit Argentinië en Indonesië is echter op het grootste deel van de markt van de Unie voorhanden, hetzij omdat een quotastelsel ontbreekt hetzij omdat de prijs lager is dan een eventueel door een lidstaat geboden belastingvoordeel bewerkstelligen kan. |
|
(153) |
Aangezien PME en SME, vermengd met in de Unie geproduceerde KME of andere biodiesel, in de hele Unie mogen worden verkocht en ingevoerde producten in grote hoeveelheden tegen dumpingprijzen op de markt worden aangeboden, zelfs in lidstaten die belastingvoordelen toekennen, wordt dit argument voorlopig verworpen, aangezien het causale verband tussen de invoer met dumping en de schade door de bestaande quotastelsels en belastingregelingen niet wordt verbroken. |
4. Conclusie inzake het oorzakelijke verband
|
(154) |
De bovenstaande analyse heeft aangetoond dat er sprake was van een aanzienlijke stijging in het volume en het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer met dumping van oorsprong uit de betrokken landen. Terzelfder tijd werd vastgesteld dat deze invoer de prijs van de bedrijfstak van de Unie in het OT onderbood. |
|
(155) |
Uit de gegevens blijkt dat terwijl het volume van de laaggeprijsde invoer uit de betrokken landen stijgt, de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk verslechtert. |
|
(156) |
Bij bovenstaande analyse is naar behoren onderscheid gemaakt tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping. Op grond van deze analyse luidt de voorlopige conclusie dat de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade aan de bedrijfstak van de Unie heeft toegebracht in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening. |
|
(157) |
De andere bekende factoren dan de invoer met dumping zijn beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening, en er is niet gebleken dat het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade door die andere factoren werd verbroken. |
F. BELANG VAN DE UNIE
|
(158) |
In overeenstemming met artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of er ondanks de conclusie inzake schade veroorzakende dumping dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Unie was in dit bijzondere geval maatregelen te nemen. De bepaling van het belang van de Unie was gebaseerd op een beoordeling van de belangen van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, importeurs, leveranciers van grondstoffen en gebruikers. |
1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(159) |
Zoals hierboven reeds vermeld, heeft de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade geleden door de invoer met dumping van oorsprong uit de betrokken landen. Wanneer geen maatregelen worden ingesteld, zal dit hoogstwaarschijnlijk leiden tot voortzetting van de negatieve ontwikkeling van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie. De situatie van de bedrijfstak van de Unie werd vooral gekenmerkt door een daling van de winstgevendheid van +3 % in 2009 tot -2,5 % tegen het einde van het OT. Een verdere achteruitgang in de prestaties zal uiteindelijk leiden tot productiedalingen en meer bedrijfssluitingen, wat schadelijk zal zijn voor de werkgelegenheid en de investeringen in de Unie. |
|
(160) |
De instelling van maatregelen zou de eerlijke concurrentie op de markt herstellen. Dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie afneemt, komt doordat hij moeilijk kan concurreren met de laaggeprijsde invoer met dumping van oorsprong uit de betrokken landen, iets wat mede in de hand wordt gewerkt door het uitvoerbelastingstelsel waardoor in beide landen die de prijs van de invoer van SME en PME op de markt van de Unie wordt verlaagd, terwijl de prijs van de grondstoffen daardoor wordt verhoogd. De instelling van antidumpingmaatregelen zal de bedrijfstak van de Unie derhalve in staat stellen zijn winstgevendheid te verhogen tot niveaus die voor deze kapitaalintensieve industrie noodzakelijk worden geacht. |
|
(161) |
De maatregelen moeten de bedrijfstak van de Unie in de gelegenheid stellen zich te herstellen van de schade veroorzakende dumping die tijdens het onderzoek werd vastgesteld. |
2. Belang van niet-verbonden importeurs/handelaars in de EU
|
(162) |
Niet-verbonden importeurs/handelaren in de Unie werden opgeroepen zich kenbaar te maken bij de Commissie. Geen enkele importeur heeft echter aan het onderzoek medewerking verleend. |
|
(163) |
Bij ontbreken van gegevens van niet-verbonden importeurs/handelaren is niet gebleken dat de instelling van maatregelen duidelijk tegen het belang van deze partijen zou indruisen. |
3. Belang van de gebruikers en de consumenten
|
(164) |
Bij de inleiding van de procedure werden vragenlijsten gestuurd naar alle bekende gebruikers die minerale diesel produceren en distribueren en die bij de verplichte vermenging van minerale diesel met biodiesel betrokken zijn. |
|
(165) |
Drie gebruikers van biodiesel reageerden op de gebruikersvragenlijst maar verklaarden dat biodiesel slechts een miniem deel vormt van hun algehele bedrijfsactiviteit. Zij verklaarden dat zij wettelijk verplicht waren om biodiesel te kopen en dat zij eventuele prijsstijgingen als gevolg van rechten op biodiesel, net als voorheen, automatisch aan hun afnemers zouden doorberekenen. |
|
(166) |
Met inachtneming van de beperkte hoeveelheid beschikbare gegevens lijkt het erop dat maatregelen een uiterst beperkt effect op de eindgebruikers zouden hebben, gelet op het lage percentage biodiesel dat met de door hen aan de pomp gekochte minerale diesel wordt vermengd. Er is niet gebleken dat de instelling van maatregelen duidelijk tegen het belang van gebruikers of consumenten zou indruisen. |
4. Belang van de grondstoffenleveranciers
|
(167) |
Een vereniging van grondstoffenleveranciers, FEDIOL (de federatie die de Europese plantaardige olie- en eiwitmeelproducerende industrie in Europa vertegenwoordigt), beantwoordde de vragenlijst die aan de grondstoffenleveranciers was toegestuurd. De federatie verklaarde dat de invoer uit de betrokken landen in de hele Unie heeft geleid tot een daling van de vraag naar koolzaadolie, met meer dan 1 miljoen ton tussen 2009 en 2011. |
|
(168) |
De federatie is van mening dat maatregelen een positief effect zullen hebben op de leveranciers in de EU, aangezien de bezettingsgraad zal toenemen. Een stijging van de vraag naar koolzaadolie zou dan doorwerken in de mengvoedersector – aangezien mengvoeders worden gewonnen uit residuen van de koolzaadolieproductie – en de EU-landbouwsector die koolzaad produceert. |
|
(169) |
Uit het ontvangen bewijsmateriaal blijkt dat de instelling van maatregelen in het belang van de grondstoffenleveranciers in de Unie zou zijn. |
5. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(170) |
De instelling van maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië is duidelijk in het belang van de bedrijfstak van de Unie. Het zal de bedrijfstak van de Unie de mogelijkheid bieden te groeien en zich te herstellen van de door de invoer met dumping veroorzaakte schade. Indien er daarentegen geen maatregelen worden ingesteld, zal de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie verder verslechteren en zijn meer bedrijfssluitingen niet uitgesloten. Hoewel het niet mogelijk was duidelijke conclusies ten aanzien van de gebruikers en de importeurs vast te stellen, zal de instelling van maatregelen normaal gezien in het belang van de grondstoffenleveranciers zijn. |
|
(171) |
Er zijn geen dwingende redenen aan te voeren dat instelling van voorlopige antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel uit Argentinië en Indonesië duidelijk tegen het belang van de Unie zou indruisen. |
G. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(172) |
Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband en het belang van de Unie moeten voorlopige antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping. |
1. Schademarge
|
(173) |
Om de hoogte van deze maatregelen te bepalen, werd rekening gehouden met de geconstateerde dumpingmarges en het bedrag van het recht dat noodzakelijk is om de schade voor de producenten in de Unie op te heffen, zonder ze te overschrijden. |
|
(174) |
Bij de berekening van het recht dat nodig is om de gevolgen van schade veroorzakende dumping teniet te doen, werd in aanmerking genomen dat de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat moeten stellen zijn productiekosten te dekken en een winst vóór belasting te behalen die redelijkerwijs onder normale concurrentieomstandigheden, d.w.z. zonder invoer met dumping, kan worden behaald. |
|
(175) |
In dit verband kan een winstmarge van 15 % van de omzet worden beschouwd als passend niveau dat de bedrijfstak van de Unie gezien bevindingen van eerder onderzoek naar de invoer uit de Verenigde Staten van Amerika had kunnen behalen zonder schade veroorzakende dumping en dat redelijk wordt geacht om op lange termijn productieve investeringen voor deze nieuwe industrie te waarborgen. |
|
(176) |
Op basis hiervan werd voor de bedrijfstak van de Unie een prijs van het soortgelijke product berekend die geen schade veroorzaakt. Die prijs werd verkregen door de verkoopprijs van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te corrigeren voor het werkelijke verlies of de werkelijke winst in het OT en te vermeerderen met bovengenoemde winstmarge. |
|
(177) |
De noodzakelijke prijsverhoging werd vervolgens berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de betrokken landen, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, met de geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat door de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie gedurende het OT op de markt van de Unie is verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd vervolgens uitgedrukt in een percentage van de totale cif-waarde bij invoer. |
2. Voorlopige maatregelen
|
(178) |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening moeten op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië voorlopige antidumpingrechten worden ingesteld die overeenkomstig de regel van het laagste recht gelijk zijn aan de dumpingmarge, of aan de schademarge indien deze lager is. |
|
(179) |
De antidumpingrechten zijn vastgesteld door de schademarges en de dumpingmarges met elkaar te vergelijken. Derhalve zijn de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt:
|
|
(180) |
Aangezien het antidumpingrecht echter van toepassing zal zijn op zowel mengsels die biodiesel omvatten (in verhouding tot hun gewichtsaandeel biodiesel) als op zuivere biodiesel, is het voor de correcte uitvoering van het recht door de douaneautoriteiten van de lidstaten juister en passender om het recht als een vast bedrag in euro per ton netto uit te drukken, en dit op de ingevoerde zuivere biodiesel of op het aandeel biodiesel in het gemengde product toe te passen. |
|
(181) |
De bij deze verordening voor de afzonderlijke ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het hele land geldende recht dat van toepassing is op "alle andere ondernemingen") zijn dus uitsluitend van toepassing op invoer van het betrokken product, van oorsprong uit de betrokken landen, welke door die ondernemingen en derhalve de specifiek vermelde juridische entiteiten is vervaardigd. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde betrokken producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden; op die producten is het recht dat voor "alle andere ondernemingen" geldt, van toepassing. |
|
(182) |
Verzoeken in verband met de toepassing van deze individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na de naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) moeten onverwijld aan de Commissie (8) worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of deze oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en verkoop in binnen- en buitenland. Indien dit gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt. |
|
(183) |
De Commissie onderwierp de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen bij Verordening (EU) nr. 79/2013 van 28 januari 2013 aan registratie. Dit geschiedde met het oog op de eventuele instelling met terugwerkende kracht van antidumpingmaatregelen in overeenstemming met artikel 10, lid 4, van de basisverordening. In deze fase van de procedure kan geen besluit over de eventuele toepassing met terugwerkende kracht van antidumpingmaatregelen worden genomen. |
H. SLOTBEPALING
|
(184) |
In het belang van een goed bestuur kunnen de belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen maken en vragen te worden gehoord binnen één maand na bekendmaking van deze verordening. De met het oog op deze verordening gedane bevindingen betreffende de instelling van rechten zijn voorlopig en kunnen opnieuw worden onderzocht met het oog op eventuele definitieve maatregelen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, in zuivere vorm of in mengsels, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-codes 1516 20 98 21, 1516 20 98 29 en 1516 20 98 30), ex 1518 00 91 (Taric-codes 1518 00 91 21, 1518 00 91 29 en 1518 00 91 30), ex 1518 00 95 (Taric-code 1518 00 95 10), ex 1518 00 99 (Taric-codes 1518 00 99 21, 1518 00 99 29 en 1518 00 99 30), ex 2710 19 43 (Taric-codes 2710 19 43 21, 2710 19 43 29 en 2710 19 43 30), ex 2710 19 46 (Taric-codes 2710 19 46 21, 2710 19 46 29 en 2710 19 46 30), ex 2710 19 47 (Taric-codes 2710 19 47 21, 2710 19 47 29 en 2710 19 47 30), 2710 20 11 , 2710 20 15 , 2710 20 17 , ex 3824 90 97 (Taric-codes 3824 90 97 01, 3824 90 97 03 en 3824 90 97 04), 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (Taric-codes 3826 00 90 11, 3826 00 90 19 en 3826 00 90 30), van oorsprong uit Argentinië en Indonesië.
2. De voorlopige antidumpingrechten, die van toepassing zijn op het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, zijn als volgt:
|
Land |
Onderneming |
Voorlopig recht (euro per ton netto) |
Aanvullende Taric-code |
|
Argentinië |
Aceitera General Deheza S.A., General Deheza, Rosario; Bunge Argentina S.A., Buenos Aires |
104,92 |
B782 |
|
|
Louis Dreyfus Commodities S.A., Buenos Aires |
69,16 |
B783 |
|
|
Molinos Rio de la Plata S.A., Buenos Aires; Oleaginosa Moreno Hermanos S.A.F.I.C.I. y A., Bahia Blanca; Vicentin S.A.I.C., Avellaneda |
65,24 |
B784 |
|
|
Andere medewerkende ondernemingen: Cargill S.A.C.I., Buenos Aires; Unitec Bio S.A., Buenos Aires; Viluco S.A., Tucuman |
75,97 |
B785 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
104,92 |
B999 |
|
Indonesië |
PT Ciliandra Perkasa, Jakarta |
0 |
B786 |
|
|
PT Musim Mas, Medan |
24,99 |
B787 |
|
|
PT Pelita Agung Agrindustri, Medan |
45,65 |
B788 |
|
|
PT Wilmar Bioenergi Indonesia, Medan; PT Wilmar Nabati Indonesia, Medan |
83,84 |
B789 |
|
|
Andere medewerkende ondernemingen: PT Cermerlang Energi Perkasa, Jakarta |
57,14 |
B790 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
83,84 |
B999 |
3. Het antidumpingrecht op mengsels is van toepassing naar rato van het aandeel, in gewichtspercenten, van de totale hoeveelheid door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong in het mengsel (biodieselgehalte).
4. Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs derhalve verhoudingsgewijs is verminderd met het oog op de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (9), wordt het op basis van bovenstaande bedragen berekende antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.
5. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Europese Unie van het in lid 1 bedoelde product dient een zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.
6. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.
2. Ingevolge artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen maken over de toepassing ervan.
Artikel 3
1. De douane wordt opgedragen de bij artikel 1 van Verordening (EU) nr. 79/2013 van de Commissie ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
2. Gegevens die zijn verzameld met betrekking tot producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening ten gebruike zijn aangegeven, dienen te worden bewaard tot eventuele definitieve maatregelen in werking treden of tot deze procedure is beëindigd.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 mei 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB C 260 van 29.8.2012, blz. 8.
(3) PB L 27 van 29.1.2013, blz. 10.
(4) PB C 342 van 10.11.2012, blz. 12.
(5) Ten kantore van WET BV werden ook de boeken van andere in Europa gevestigde ondernemingen van de Wilmar Groep gecontroleerd: Wilmar Italia SrL, Milaan, Italië; Oxem Oleo, Mezzana Bigli, Italië.
(6) Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie zoals gewijzigd, met name bij Verordening (EG) nr. 1602/2000, artikelen 291 t/m 300.
(7) Deze lidstaat erkent echter dat biodiesel die is vervaardigd uit palmolievetzuurdestillaat (Palm Fatty Acid Distillate, "PFAD") "dubbel telt", hetgeen wil zeggen dat de bijdrage van biobrandstoffen uit PFAD moet worden beschouwd als tweemaal zo groot als die van andere biobrandstoffen. Om die reden hoeft bij de minerale diesel slechts de helft van deze dubbeltellende biodiesel worden gemengd. Dubbeltellende biodiesel is duurder dan de normale/enkeltellende biodiesel. Vandaar dat de klant een premie wordt aangerekend. Het is op nationaal niveau echter gebruikelijk dat de klant de premie voor dubbeltellende biodiesel pas betaalt na bevestiging door de overheid (via een certificaat) dat de dubbeltellende biodiesel aan alle criteria voor dubbeltellende biodiesel voldoet. Zodra de overheid dit certificaat eenmaal heeft afgegeven, kan de verbonden importeur de klant een aparte factuur voor de nog te betalen premie sturen.
(8) Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, 1049 Brussel, België.
(9) Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).