|
24.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 112/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 372/2013 VAN DE RAAD
van 22 april 2013
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4, en artikel 11, leden 3, 5 en 6,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. Vorige onderzoeken en geldende antidumpingmaatregelen
|
(1) |
In juli 2005 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1174/2005 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (de „VRC”). De maatregel bestond in een ad-valoremantidumpingrecht, dat varieerde van 7,6 % tot 46,7 %. |
|
(2) |
In juli 2008 heeft de Raad naar aanleiding van een tussentijds nieuw onderzoek dat tot de productomschrijving beperkt was, bij Verordening (EG) nr. 684/2008 (3) de productomschrijving van het oorspronkelijke onderzoek verduidelijkt. |
|
(3) |
Naar aanleiding van een anti-ontwijkingsonderzoek heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 499/2009 (4) in juni 2009, het bij Verordening (EG) nr. 1174/2005 op „alle andere ondernemingen” ingestelde definitieve antidumpingrecht uitgebreid tot handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan verzonden vanuit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Thailand. |
|
(4) |
Na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Raad in oktober 2011 bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 (5) een definitief antidumpingrecht ingesteld op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong zijnde uit de Volksrepubliek China. Het uitgebreide recht zoals vermeld in overweging 3 werd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 gehandhaafd. |
2. Opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek
|
(5) |
Tijdens het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen heeft de Europese Commissie (de „Commissie”) een verandering opgemerkt in de concurrentiesituatie op de markt van de Unie sinds de maatregelen werden ingesteld. De Chinese producent-exporteur met het laagste recht — aan wie in het oorspronkelijke onderzoek een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) werd toegekend — was er namelijk in geslaagd een zeer groot deel van de markt van de Unie virtueel over te nemen en had zijn aandeel in de invoer in de Unie aanzienlijk vergroot. De Commissie had ook twijfels bij de oorspronkelijke toekenning van een BMO, gezien het voorlopige bewijsmateriaal betreffende verstoringen van de staalmarkt in de Volksrepubliek China. Er werd dan ook aangenomen dat de omstandigheden op basis waarvan de bestaande maatregelen werden vastgesteld, waren gewijzigd. Bovendien bleken die wijzigingen van blijvende aard te zijn. |
|
(6) |
Daar de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om de opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te rechtvaardigen, kondigde zij bij een op 14 februari 2012 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt bericht (6) (het „bericht van opening”) aan, overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening, ambtshalve een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te zullen openen dat uitsluitend betrekking zou hebben op dumping door Chinese producenten-exporteurs. |
3. Tijdvak van het nieuwe onderzoek
|
(7) |
Het onderzoek naar de hoogte van de dumping had betrekking op de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (het „tijdvak van het nieuwe onderzoek” of het „TNO”). |
4. Betrokken partijen
|
(8) |
De Commissie heeft producenten-exporteurs, haar bekende betrokken niet-verbonden importeurs, de autoriteiten van de Volksrepubliek China en de bedrijfstak van de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(9) |
Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. |
|
(10) |
Wegens het mogelijk grote aantal producenten-exporteurs en niet-verbonden importeurs werd in overeenstemming met artikel 17 van de basisverordening besloten na te gaan of een steekproef moest worden gebruikt. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werd bovengenoemde partijen op grond van artikel 17 van de basisverordening verzocht zich binnen 15 dagen na de opening van het onderzoek kenbaar te maken en de in het bericht van opening gevraagde gegevens te verstrekken. Twee producenten-exporteurs en acht niet-verbonden importeurs meldden zich om aan het onderzoek mee te werken. Bijgevolg diende noch voor de producenten-exporteurs, noch voor de niet-verbonden importeurs een steekproef te worden samengesteld. |
|
(11) |
De Commissie heeft alle haar bekende betrokken partijen en alle partijen die zich binnen de in het bericht van opening vermelde termijn kenbaar hadden gemaakt, een vragenlijst en een BMO-aanvraagformulier toegezonden. Eén Chinese producent-exporteur, Zhejiang Noblelift Equipment Joint Stock Co. Ltd („Noblelift”), en drie niet-verbonden importeurs hebben de vragenlijst beantwoord, respectievelijk een ingevuld BMO-aanvraagformulier ingestuurd. |
|
(12) |
De Commissie heeft alle informatie ingewonnen en onderzocht die zij voor het vaststellen van dumping nodig achtte. Er werd een controle ter plaatse verricht bij Noblelift in Changxing, Volksrepubliek China. |
|
(13) |
Ten behoeve van het vaststellen van de normale waarde voor de producent-exporteur in de Volksrepubliek China aan wie geen BMO werd verleend, vond een controlebezoek plaats bij de onderstaande producent in Brazilië, dat als referentieland werd gebruikt:
|
B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
1. Betrokken product
|
(14) |
Dit nieuwe onderzoek betreft hetzelfde product als het oorspronkelijke onderzoek en het product dat het voorwerp uitmaakte van het tussentijdse nieuwe onderzoek waarbij de productomschrijving werd verduidelijkt, namelijk handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, d.w.z. het chassis en de hydraulische onderdelen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 8427 90 00 en ex 8431 20 00 . In deze verordening worden onder handpallettrucks, toestellen verstaan met een door wielen ondersteunde hefvork die gebruikt worden om pallets te verplaatsen en die door een persoon, te voet met behulp van een beweegbare dissel manueel geduwd, getrokken en gestuurd worden op een glad, vlak en hard oppervlak. De handpallettrucks zijn uitsluitend bestemd om ladingen met behulp van de als pomp gebruikte dissel hoog genoeg op te heffen om ze te kunnen verplaatsen. Ze hebben geen andere extra functies of gebruiksdoeleinden, zoals bijvoorbeeld i) ladingen verplaatsen en heffen om ze hoger te plaatsen of te helpen opslaan (hoogheffende pallettrucks), ii) pallets boven elkaar stapelen (stapelaars), iii) ladingen tot een werkplatform heffen (schaarpallettrucks) of iv) ladingen heffen en wegen (weegpallettrucks). |
2. Soortgelijk product
|
(15) |
Het onderzoek heeft bevestigd dat het betrokken product en het product dat in de Volksrepubliek China wordt vervaardigd en op de binnenlandse markt wordt verkocht, het product dat in het referentieland, Brazilië, wordt vervaardigd en verkocht, en het product dat in de Unie door de producenten in de Unie wordt vervaardigd en verkocht, dezelfde fysieke en technische basiskenmerken en dezelfde gebruiksdoeleinden hebben. |
|
(16) |
Die producten worden daarom beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
C. DUMPING
a) Behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”)
|
(17) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken inzake invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China vastgesteld volgens de leden 1 tot en met 6 van dat artikel voor producenten waarvan is aangetoond dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, namelijk dat zij het soortgelijke product tegen marktconforme voorwaarden vervaardigen en verkopen. Voor de duidelijkheid zijn deze criteria hieronder nog eens samengevat:
|
|
(18) |
Noblelift verzocht om een BMO overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening en heeft binnen de vastgestelde termijn het desbetreffende aanvraagformulier ingevuld. |
|
(19) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij noodzakelijk achtte, ingewonnen en heeft de gegevens die in het aanvraagformulier waren verstrekt bij de onderneming ter plaatse gecontroleerd. |
|
(20) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de prijzen die Noblelift in het TNO betaalde voor Chinees warmgewalst koolstofstaal, een belangrijke grondstof die ongeveer 25 % van de kosten van het afgewerkte product uitmaakt, aanzienlijk verstoord waren, aangezien zij bij benadering tijdens deze periode tussen de 24 % en 31 % onder de internationale prijzen lagen. De internationale prijzen waren gebaseerd op statistieken van de Steel Business Briefing (7) voor de markt van de Unie en de Noord-Amerikaanse markt, en op statistieken van invoerprijzen van Comext. Op grond hiervan werd vastgesteld dat de Chinese staalprijzen de marktwaarden duidelijk niet weergaven. Bovendien is er een vaste praktijk van staatsinmenging in de grondstoffenmarkt. Het Chinese twaalfde vijfjarenplan (2011-2015) voor de ijzer- en staalsector bevat een reeks maatregelen die aantonen dat staalondernemingen, doordat de Chinese staat streng de hand houdt aan die sector, niet anders kunnen dan de instructies van de Chinese regering volgen. Er wordt bijgevolg geconcludeerd dat Noblelift niet voldoet aan de eisen van het eerste BMO-criterium. |
|
(21) |
Voorts gaf een verbonden onderneming Noblelift in het boekjaar 2010 een bankgarantie voor twee leningen die een aanzienlijk aandeel vertegenwoordigen van de totale activa van de verbonden onderneming en van Noblelift. De garanties kwamen noch in de jaarrekening van Noblelift, noch in de rekeningen van de verbonden onderneming voor. Dit is niet conform IAS 24 (Verbonden partijen — Related Party Disclosures) en de auditor heeft geen voorbehoud gemaakt bij deze praktijk. Het is van belang dat transacties tussen verbonden partijen in de jaarrekeningen worden vermeld, omdat zo de aandacht wordt gevestigd op mogelijke gevolgen voor de financiële situatie van een onderneming. In dit geval kunnen de activiteiten van de onderneming en met name de risico’s die zij loopt en de kansen die zij heeft niet goed worden beoordeeld doordat belangrijke verbintenissen zoals de garanties in kwestie niet worden vermeld. Er wordt dan ook geoordeeld dat de boekhouding van de onderneming geen behoorlijke audit heeft ondergaan zoals de internationale boekhoudnormen voorschrijven, en dus niet voldoet aan de eisen van het tweede criterium. |
|
(22) |
Tot slot heeft Noblelift van de staat voordelen ontvangen in de vorm van een preferentiële inkomstenbelasting, alsook subsidies die de financiële situatie van de onderneming verstoren; de onderneming voldoet bijgevolg niet aan de eisen van het derde criterium. |
|
(23) |
De betrokken producent-exporteur en de bedrijfstak van de Unie werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen over de bovenstaande bevindingen te maken. |
|
(24) |
Na de mededeling van de bevindingen inzake de BMO heeft Noblelift meer details gevraagd wat de berekening van de internationale marktprijs voor staal betreft. De onderneming voerde aan dat verstoringen van de grondstoffenprijzen moeten worden gecompenseerd door de normale waarde in de berekening van de dumpingmarge te corrigeren en niet door een BMO te weigeren. Artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening is echter zeer duidelijk en vereist dat „kosten van de belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk de marktwaarde weergeven”. Een correctie van de berekening van de dumpingmarge om de verstoorde kosten van productiemiddelen te compenseren zou artikel 2, lid 7, onder c), bijgevolg grotendeels betekenisloos maken. De opmerkingen waren bijgevolg niet van die aard dat zij de bovenstaande bevindingen zouden wijzigen. |
|
(25) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft Noblelift zijn argumenten herhaald. In de eerste plaats voerde de onderneming aan dat de Commissie had nagelaten de details mee te delen, met name alle gegevens die werden gebruikt voor de berekening van de verschillen in grondstoffenprijzen. |
|
(26) |
In dit verband wordt eerst en vooral opgemerkt dat de Commissie de bronnen van de gegevens voor de vergelijkingen van staalprijzen herhaaldelijk heeft vermeld. De Commissie heeft de eerder in de procedure verstrekte uitleg herhaald, namelijk dat de prijzen die op de Steel Business Briefing gebaseerd zijn door auteursrecht beschermd zijn daar deze dienst per abonnement beschikbaar is. Het is de Commissie bijgevolg bij wet verboden die gegevens rechtstreeks bekend te maken, maar de gegevensbank is via andere wegen beschikbaar en is mits betaling van een abonnementsgeld toegankelijk. Om het evenwicht te garanderen tussen de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en de bescherming van de rechten van verdediging, werden de gebruikte gegevens evenwel door de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal Buitenlandse Handel gecontroleerd, die de berekening van het prijsverschil heeft bevestigd en het resultaat van deze controle aan Noblelift heeft meegedeeld. |
|
(27) |
Voorts wordt opgemerkt dat de Steel Business Briefing exact de gebruikte methodologie beschrijft (afmetingen, dikte, breedte, gerealiseerd vervoer). Deze parameters zijn algemeen en vormen een aanwijzing die ook indicatief is voor de mate waarin de vergelijkingen van grondstoffenprijzen op basis waarvan moet worden vastgesteld of de kosten van de belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk de marktwaarde weergeven, zijn gedetailleerd. De Commissie heeft Europese en Noord-Amerikaanse prijzen als referentie gebruikt. |
|
(28) |
Noblelift voerde voorts aan dat de verschillen tussen de binnenlandse staalprijzen in de Volksrepubliek China en internationale staalprijzen in het oorspronkelijke onderzoek niet werden beschouwd als een factor waardoor de onderneming niet aan het eerste BMO-criterium voldeed. Zoals vermeld in overweging 22 van Verordening (EG) nr. 128/2005 van de Commissie (8) van 27 januari 2005 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht in het kader van het oorspronkelijk onderzoek, bleken de kosten en prijzen van de vier ondernemingen in overeenstemming te zijn met de marktvoorwaarden. Het oorspronkelijke onderzoek heeft inderdaad geen aanzienlijk prijsverschil vastgesteld tussen grondstoffen die plaatselijk in de Volksrepubliek China werden aangekocht en die welke tegen internationale prijzen werden aangekocht. Deze conclusie verhindert de instellingen echter niet om in een later onderzoek een prijsverschil vast te stellen wanneer de omstandigheden veranderd zijn en de prijzen verschillen. Zoals vermeld in overweging 76 zijn de omstandigheden tussen 2004 (het tijdstip van het oorspronkelijke onderzoek) en 2011 (het OT van dit nieuwe onderzoek), d.i. in een periode van zeven jaar, aanzienlijk veranderd. Hierover werd met name tijdens het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen in 2010 voorlopig bewijsmateriaal verzameld over prijsverstoringen door staatsinmenging in de staalmarkt in de Volksrepubliek China. Dat was ook een van de redenen waarom dit nieuwe onderzoek ambtshalve werd geopend, en het werd door dit onderzoek inderdaad bevestigd (zie overweging 20). |
|
(29) |
Vervolgens heeft Noblelift zijn argumenten herhaald dat leningsgaranties geen wezenlijk effect hebben en dat het effect van door de staat verleende voordelen verwaarloosbaar is. In dit verband wordt opgemerkt dat artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening duidelijk is en niet verwijst naar aanzienlijke gevolgen voor de financiële resultaten („bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt”). In elk geval en zoals vermeld in overweging 21 kunnen de activiteiten van de onderneming en met name de risico’s die zij loopt en de kansen die zij heeft, niet goed worden beoordeeld doordat belangrijke verbintenissen zoals de leningsgaranties in kwestie niet worden vermeld. Wat de door de staat verleende voordelen betreft, heeft de Commissie de partij in de loop van het onderzoek reeds geantwoord dat deze voordelen, bedragen van meer dan 10 miljoen RMB vertegenwoordigen. De argumenten konden bijgevolg niet worden aanvaard. |
|
(30) |
Tot slot argumenteerde Noblelift dat het onderzoek had moeten worden beëindigd omdat de termijn van drie maanden, om overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening te beslissen of al dan niet een BMO wordt toegekend, niet werd nageleefd. In dit verband wordt verwezen naar de bij Verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1225/2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (9) ingevoerde wijziging en de retroactieve effecten daarvan. Voorts zij opgemerkt dat de beslissing of al dan niet een BMO wordt toegekend wegens procedurele aspecten en tijdsgebrek meer dan drie maanden na het begin van het onderzoek werd genomen. Omdat de aangelegenheden die in de context van de BMO-beoordeling naar voren worden gebracht steeds complexer zijn, bleek het inderdaad virtueel onmogelijk te zijn de termijn van drie maanden na te leven. Er wordt niettemin op gewezen dat de timing van de beslissing om al dan niet een BMO toe te kennen geen invloed had op het resultaat. |
|
(31) |
Bijgevolg wordt geconcludeerd dat de opmerkingen dat een BMO moet worden toegekend, niet gegrond zijn. |
|
(32) |
Gezien het bovenstaande en op grond van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening wordt besloten aan Noblelift geen BMO toe te kennen. |
b) Normale waarde
|
(33) |
Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet voor landen zonder markteconomie en, voor zover geen BMO kon worden toegekend, voor landen die op weg zijn naar een markteconomie de normale waarde worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een referentieland. |
|
(34) |
In het oorspronkelijke onderzoek was Canada referentieland om een normale waarde vast te stellen. Aangezien de productie in Canada is stopgezet, werd in het bericht van opening van dit nieuwe onderzoek Brazilië als referentieland overwogen. |
|
(35) |
Twee producenten-exporteurs en een importeur hebben bezwaar gemaakt tegen het voorstel om Brazilië als referentieland te gebruiken. De argumenten tegen de keuze van Brazilië waren dat er op de Braziliaanse markt voor handpallettrucks weinig concurrentie is omdat er slechts zeer weinig binnenlandse producenten zijn en de verkoopprijzen, winsten en productiekosten in Brazilië bijgevolg kunstmatig hoog zijn. De desbetreffende producenten-exporteurs stelden India, Maleisië of Taiwan als geschikte referentielanden voor. |
|
(36) |
Gevolg gevend aan deze opmerkingen heeft de Commissie contact opgenomen met 38 haar bekende Indiase, drie Taiwanese, twee Maleisische en twee Braziliaanse producenten van handpallettrucks en hen de desbetreffende vragenlijst toegestuurd. Slechts één producent in Brazilië zegde zijn medewerking toe: Paletrans. |
|
(37) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen en het voorstel van de Commissie, hebben de partijen hun opmerkingen herhaald dat Brazilië geen geschikt referentieland was wegens het gebrek aan concurrentie op de Braziliaanse markt. De partijen voerden aan dat de medewerkende producent in het referentieland op de Braziliaanse markt een monopoliepositie genoot, die nog versterkt werd door hoge invoerrechten. Andere opmerkingen betroffen tekortkomingen in de niet-vertrouwelijke antwoorden op de vragenlijst van de producent in het referentieland. Tot slot werd geargumenteerd dat correcties dienden te worden aangebracht om rekening te houden met de verschillen tussen de producent in het referentieland en de producent-exporteur in het betrokken land. |
|
(38) |
Wat de geschiktheid van Brazilië als referentieland betreft, moet erop worden gewezen dat de producent in het referentieland weliswaar de grootste producent op de Braziliaanse markt is, maar deze markt niet monopoliseert. Hij concurreert met minstens twee plaatselijke producenten en een aanzienlijke invoer, en de winstmarge van de producent in het referentieland werd geacht in overeenstemming te zijn met een open markt. |
|
(39) |
Zoals vermeld in overweging 36 heeft de Commissie, nadat zij vroeg in de procedure opmerkingen had ontvangen tegen het gebruik van Brazilië als referentieland, contact opgenomen met 45 producenten in vier verschillende landen, waaronder de door Noblelift voorgestelde ondernemingen. Ondanks herhaaldelijke telefonische en e-mailcontacten met deze ondernemingen heeft slechts één Braziliaanse producent de gevraagde informatie verstrekt en aan het onderzoek meegewerkt. |
|
(40) |
Wat de beweerde tekortkomingen betreft, moet worden opgemerkt dat slechts één producent in het referentieland aan het onderzoek heeft meegewerkt. Een dergelijke situatie is niet ongewoon, maar levert problemen op voor de mededeling van gegevens. Gezien de frequente problemen om de medewerking te verkrijgen van producenten in referentielanden, moet de Commissie een hoge bescherming van vertrouwelijke informatie garanderen. In dit geval, heeft de presentatie van de niet-vertrouwelijke gegevens tot enig misverstand geleid over vermeende tekortkomingen, maar daar werd met de partijen duidelijkheid over geschapen. Eén partij argumenteerde met name dat de tekortkomingen in het antwoord van de producent in het referentieland, Brazilië als referentieland zouden moeten uitsluiten en dat het onderzoek zou moeten worden beëindigd aangezien de Commissie de normale waarde niet kan vaststellen. In dit verband wordt opgemerkt dat de Commissie in dit onderzoek wel degelijk over alle nodige informatie beschikte om de dumpingmarge te berekenen. |
|
(41) |
Bijgevolg konden de argumenten inzake de geschiktheid van Brazilië als referentieland niet worden aanvaard. |
|
(42) |
Wat de argumenten inzake de correcties betreft, zij opgemerkt dat rekening werd gehouden met de verschillen in handelsstadium tussen de Braziliaanse producent en de Chinese producent-exporteur door een correctie van het handelsstadium toe te passen (zie overweging 59). |
|
(43) |
Tot slot voerde een partij aan dat een correctie nodig was om rekening te houden met een vermeend verstorend effect van het invoerrecht van 14 % in het referentieland. Dit argument kan niet worden aanvaard aangezien er geen verband kan worden gelegd tussen een invoerrecht op zich en het prijsniveau op de binnenlandse markt. |
|
(44) |
Bijgevolg wordt Brazilië beschouwd als een geschikt referentieland, aangezien er voldoende concurrentie is met minstens twee producenten en een aanzienlijke invoer. |
|
(45) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie eerst onderzocht of de binnenlandse verkoop van Paletrans van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers representatief was. In dit verband werd vastgesteld dat het totale volume van die verkoop minstens 5 % vertegenwoordigde van het totale volume van de uitvoer van Noblelift naar de Unie. |
|
(46) |
Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of er soorten van het door Paletrans op de binnenlandse markt verkochte soortgelijke product waren die, wat de functies en de gebruikte materialen betrof, voldoende vergelijkbaar waren met de soorten die Noblelift naar de Unie uitvoerde. Uit het onderzoek is gebleken dat een aantal soorten die Paletrans op de binnenlandse markt verkocht voldoende vergelijkbaar waren met de soorten die Noblelift naar de Unie uitvoerde. |
|
(47) |
Vervolgens heeft de Commissie onderzocht of elke vergelijkbare soort van het soortgelijke product dat de producent in het referentieland op de binnenlandse markt heeft verkocht, kon worden beschouwd als zijnde verkocht in het kader van normale handelstransacties. Hiertoe werd voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het TNO vastgesteld. |
|
(48) |
Wanneer meer dan 80 % van de totale verkoop van een productsoort was verkocht tegen een nettoprijs die gelijk was aan of hoger was dan de berekende productiekosten, en de gewogen gemiddelde verkoopprijs van die soort gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs. Dat was het geval voor alle vergelijkbare soorten; de normale waarde werd berekend als een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle binnenlandse verkoop van elke vergelijkbare soort tijdens het TNO. |
|
(49) |
Voor niet-vergelijkbare soorten kon de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening door berekening worden vastgesteld door aan de productiekosten, waar nodig gecorrigeerd, een redelijk percentage voor de verkoop op de binnenlandse markt, algemene en administratiekosten en een redelijke winstmarge voor de verkoop op de binnenlandse markt toe te voegen. De verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en de winst werden gebaseerd op werkelijke gegevens betreffende de productie en de verkoop, in het kader van normale handelstransacties, van het soortgelijke product door de producent in het referentieland. Er zij op gewezen dat op de prijs die op die basis door berekening werd vastgesteld de in overweging 59 beschreven correcties werden toegepast, met name teneinde rekening te houden met het verschil in handelsstadium tussen de uitvoer door Noblelift en de binnenlandse verkoop van de producent in het referentieland. |
|
(50) |
De enige medewerkende producent-exporteur argumenteerde dat de Commissie de berekening van de dumpingmarge baseerde op „partiële productcontrolenummers (PCN’s)” en dat geen verklaringen werden gegeven over de parameters die voor de vergelijking werden gebruikt. |
|
(51) |
Onder voorbehoud van de relevante bepalingen betreffende de billijke vergelijking wordt de dumpingmarge overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening gewoonlijk vastgesteld op grond van een vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde van de prijzen van alle uitvoertransacties. |
|
(52) |
Wat de billijke vergelijking betreft, zij opgemerkt dat het productcontrolenummer een instrument is dat in het onderzoek wordt gebruikt om de vele, zeer gedetailleerde gegevens die de ondernemingen indienen, te structureren en te organiseren. Het is een hulpmiddel om de verschillende productkenmerken in de categorie van het betrokken product en het soortgelijke product gedetailleerder te analyseren. |
|
(53) |
De Commissie heeft informatie verzameld over een aantal parameters (materiaal waaruit het chassis is vervaardigd, geschilderd chassis, hefvermogen, soort hydraulisch systeem, werklengte, vork, breedte over de vorken, materiaal waaruit het stuurwiel is vervaardigd, materiaal waaruit het laadwiel is vervaardigd, soort laadwiel, soort rem), maar om alle uitvoertransacties in overweging te nemen, werd het redelijk geacht en mogelijk bevonden om de vergelijking in dit geval te baseren op bepaalde van die parameters die de meest pertinente kenmerken uitmaken (materiaal waaruit het chassis is vervaardigd, geschilderd chassis, materiaal waaruit het stuurwiel is vervaardigd, materiaal waaruit het laadwiel is vervaardigd, soort laadwiel). |
|
(54) |
De vergelijking werd dan ook gebaseerd op de meest pertinente kenmerken om tot een zo groot mogelijke overeenstemming te komen en een billijke vergelijking te garanderen. Er dient op te worden gewezen dat de Commissie geen informatie buiten beschouwing heeft gelaten. Het is echter niet ongewoon dat bepaalde parameters die in het productcontrolenummer worden gebruikt minder gewicht hebben en dat specifieke parameters meer dan andere een betere basis vormen voor een billijke vergelijking. Voor de vergelijking zijn geen producten wegens fysieke verschillen of om enige andere reden buiten beschouwing gelaten; evenmin zijn nieuwe productsoorten gecreëerd. Alle verkoop was daarentegen in de vergelijking opgenomen. Hoewel werd erkend dat andere parameters enig effect hadden op de prijzen, werd het geschikter geacht dat de berekeningen werden gebaseerd op de vijf relevantste parameters, aangezien dat leidde tot het hoogste niveau van overeenstemming. |
|
(55) |
Wat de procedurele aspecten van de vergelijking betreft, zij opgemerkt dat de producent-exporteur steeds de kans heeft gekregen om opmerkingen te maken over de berekeningen die in dit geval werden uitgevoerd. Alle details van de berekeningen werden herhaaldelijk medegedeeld. |
|
(56) |
De bovenstaande argumenten moesten daarom worden afgewezen. |
c) Uitvoerprijs
|
(57) |
De gehele uitvoer naar de Unie van de Chinese producent-exporteur ging rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie. Daarom werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de werkelijk voor het betrokken product betaalde of te betalen prijzen. |
|
(58) |
Eén partij argumenteerde dat de uitvoer van chassis en hydraulische onderdelen in de berekening had moeten worden opgenomen. Dat argument werd aanvaard. |
d) Vergelijking
|
(59) |
De vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs geschiedde op basis van de prijs af fabriek en in hetzelfde handelsstadium. Om te zorgen voor een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werd in overeenstemming met artikel 2, lid 10, van de basisverordening rekening gehouden met verschillen in factoren die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid daarvan. Daartoe werd door middel van correcties, waar die van toepassing en gerechtvaardigd waren, rekening gehouden met verschillen in handelsstadium (geschat prijsverschil voor verkoop aan verschillende soorten afnemers op de binnenlandse markt van het referentieland), vervoer (onder meer kosten van vervoer in het land van uitvoer en kosten van vervoer over zee voor vervoer naar de Unie), verzekering (kosten van verzekering van vervoer over zee), lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, commissies (betaald voor uitvoer), bankkosten (betaald voor uitvoer), kredietkosten (gebaseerd op de overeengekomen betalingsvoorwaarden en de geldende intrestvoet) en verpakkingskosten (kosten van het gebruikte verpakkingsmateriaal). |
|
(60) |
Op grond van een argument van de enige medewerkende producent-exporteur werd de normale waarde gecorrigeerd voor de verschillen in de dikte van het staal dat door de producent in het referentieland en door de producent-exporteur in het betrokken land werd gebruikt omdat het argument redelijk werd bevonden. De correctie was gebaseerd op het verschil in dikte in verhouding tot het aandeel van het staal in de prijs van het soortelijke product dat in Brazilië door de producent in het referentieland wordt verkocht. Op grond hiervan werd de dumpingmarge gewijzigd (zie overweging 73). Na een extra mededeling van feiten en overwegingen (waarbij gelegenheid werd geboden om opmerkingen te formuleren over de correctie voor de dikte van het staal), heeft één partij die correctie betwist omdat die volgens haar niet op een feitelijke basis berustte. Die partij merkte ook op dat de niet-vertrouwelijke gegevens die de producent-exporteur heeft verstrekt om de correctie te verkrijgen, onvolledig waren en daardoor de rechten van verdediging van de andere partijen schonden. De Commissie heeft de gegevens in het dossier waarop de correctie voor de dikte van het staal was gebaseerd, gecontroleerd en bevestigd dat deze correctie gerechtvaardigd was. |
|
(61) |
De enige medewerkende exporteur heeft argumenten aangevoerd voor verschillende andere correcties wegens verschillen in efficiëntie en productiviteit; hij voerde onder meer aan dat de producent in het referentieland minder productief was (m.a.w. minder productie per werknemer had) en per eenheid meer grondstoffen verbruikte. |
|
(62) |
Meteen zij opgemerkt dat er weliswaar verschillen in efficiëntie of productiviteit kunnen bestaan tussen ondernemingen, maar dat de stelregel erin bestaat de vergelijkbaarheid van uitvoerprijzen en normale waarde te garanderen, wat niet vereist dat de omstandigheden van een producent in het referentieland en van een producent-exporteur in een land zonder markteconomie volledig gelijklopen. Slechts verschillen voor factoren die van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen tussen een producent in het referentieland en een producent-exporteur in een land zonder markteconomie rechtvaardigen namelijk een correctie. |
|
(63) |
Niettemin moet erop worden gewezen dat uit het onderzoek geen omstandigheden zijn gebleken die laten uitschijnen dat de producent in het referentieland niet over een redelijk efficiënt productieproces zou beschikken. |
|
(64) |
De kostenfactoren (zoals de productiviteit) mogen niet individueel worden uitgekozen en beoordeeld. Er is veeleer een alomvattende analyse nodig om te beoordelen of de voordelen voor één kostenfactor (bijvoorbeeld de productiviteit) mogelijk door nadelen voor andere kostenfactoren worden gecompenseerd. De inzet van minder arbeidskrachten is inderdaad vaak het resultaat van een hogere graad van automatisering, wat op zijn beurt leidt tot hogere kosten op andere gebieden (afschrijvingen, kapitaal, financiering, vaste productiekosten). Slechts een alomvattende analyse kan alle verschillen in kostenfactoren aan het licht brengen en aantonen of deze gevolgen hebben voor de prijzen of de vergelijkbaarheid van de prijzen, en aldus een correctie rechtvaardigen. De argumenten kunnen bijgevolg niet worden aanvaard. |
|
(65) |
Daarnaast waren de argumenten voor een correctie voor een verschil in energieverbruik per eenheid en voor een verschil in afschrijvingskosten en vaste productiekosten per eenheid ongegrond. Met name wat de energie-efficiëntie betreft, werd niet toegelicht welke elementen in het productieproces de Braziliaanse producent inefficiënt maken in vergelijking met de enige medewerkende producent-exporteur. Het bedrag van de correctie werd gebaseerd op een verhouding van de verschillen in arbeidskosten per eenheid (gebaseerd op het productiviteitsverschil) tot het aandeel van de arbeidskosten in de totale kosten. Het verband tussen een dergelijke verhouding en de verschillen in energie-efficiëntie, afschrijvingskosten en vaste productiekosten werd niet uitgelegd en was niet duidelijk. De argumenten worden derhalve afgewezen. |
|
(66) |
Eén partij voerde eveneens aan dat correcties moeten worden aangebracht voor parameters zoals hefvermogen en vork. In dit verband wordt verwezen naar opmerkingen over parameters voor de vergelijking (zie overweging 50); daar wordt erop gewezen dat de vergelijking op de meest relevante parameters wordt gebaseerd om het hoogste niveau van overeenstemming te bereiken. De argumenten waren in ieder geval niet met bewijsmateriaal gestaafd. |
|
(67) |
Een ander argument was dat een correctie nodig was omdat de producent-exporteur gepatenteerde technologie gebruikt. Dit argument werd evenwel niet verder onderbouwd. De producent-exporteur heeft de correctie namelijk niet gekwantificeerd. De enige informatie die werd verstrekt, was een document dat volgens de producent-exporteur het patent was. De producent-exporteur heeft de correctie later gedeeltelijk gekwantificeerd, maar heeft geen bewijsmateriaal overgelegd. Dit argument kon derhalve niet worden aanvaard. |
|
(68) |
Voorts werd gevolg gegeven aan het argument dat een correctie nodig was voor het verschil in efficiëntie in het gebruik van grondstoffen door een correctie voor de dikte van het staal toe te passen (zie overweging 60), aangezien het gebruik van staal van een verschillende dikte een lager totaal staalverbruik tot gevolg kan hebben. |
|
(69) |
Tot slot verklaarde de producent-exporteur dat hij via kanalen verkocht die verschilden van die van de producent in het referentieland: hij verkocht met name merkloze producten via fabrikanten van originele uitrusting (OEM — Original Equipment Manufacturer). Er werd dienovereenkomstig geargumenteerd dat een correctie moest worden aangebracht om dit verschil weer te geven. Zoals vermeld in overweging 59 werd een correctie voor het handelsstadium uitgevoerd. Deze correctie was gebaseerd op een geschat prijsverschil voor verkoop aan verschillende soorten afnemers, waaronder verkoop aan fabrikanten van originele uitrusting, op de binnenlandse markt van het referentieland. De omvang van deze correctie kon om redenen van vertrouwelijkheid niet openbaar worden gemaakt aangezien daaruit de normale waarde zou blijken die op gegevens van de enige producent in het referentieland is gebaseerd. Daarom werd geconcludeerd dat de verschillen waarvoor op een correctie werd aangedrongen, reeds waren gecompenseerd. |
|
(70) |
Niettemin moet erop worden gewezen dat de producent-exporteur de correctie waar hij op aandrong niet heeft gekwantificeerd. Hij vermeldde alleen dat in een andere procedure een correctie van 40 % werd toegekend. Een correctie die in een andere procedure werd toegekend (en die dus specifiek is voor de typische omstandigheden van een andere procedure), kan op zich niet dienen als referentiepunt om in dit geval een correctie te kwantificeren. |
|
(71) |
Na de extra mededeling van feiten en overwegingen (waarbij gelegenheid werd geboden om opmerkingen te formuleren over de correctie voor de dikte van het staal), heeft de producent-exporteur nieuwe argumenten voor correcties aangevoerd (die geen verband hielden met de correctie voor de dikte van het staal): correcties voor de coating, de dissel, en de staalprijzen in Brazilië. |
|
(72) |
Eerst en vooral wordt opgemerkt dat de argumenten werden aangevoerd nadat de termijn daarvoor was verlopen en formeel gezien konden die dus niet in aanmerking worden genomen. De argumenten waren in ieder geval ofwel niet gekwantificeerd, ofwel niet met bewijsmateriaal gestaafd. De onderneming verstrekte geen bewijsmateriaal voor haar argumenten en legde evenmin uit hoe de omvang van de verschillende correcties werd of zou moeten worden berekend. |
e) Dumpingmarge
|
(73) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per soort vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van het betrokken product. Deze dumpingmarge bedraagt 70,8 % van de cif-prijs, franco grens Unie, vóór inklaring. |
|
(74) |
In het oorspronkelijke onderzoek varieerden de dumpingmarges voor alle andere producenten-exporteurs dan Noblelift van 28,5 % tot 46,7 %. Aangezien aan dit nieuwe onderzoek alleen Noblelift heeft meegewerkt en het niveau van medewerking als hoog kan worden beschouwd omdat het grootste deel van de uitvoer uit China van Noblelift afkomstig was, heeft de Commissie ook de dumpingmarge voor het gehele land voor alle andere exporteurs herbekeken. Bijgevolg moet de residuele dumpingmarge op hetzelfde niveau worden vastgesteld als de dumpingmarge voor Noblelift, namelijk op 70,8 %. |
|
(75) |
Eén partij argumenteerde dat het recht voor het gehele land niet mag worden vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge van de enige medewerkende producent-exporteur, aangezien niets bewijst dat het grootste deel van de invoer van die enige medewerkende exporteur afkomstig was. In dit verband werd bevestigd dat het grootste deel van de invoer uit de VRC volgens statistische gegevens van de enige medewerkende producent-exporteur afkomstig was. Het argument werd daarom van de hand gewezen. |
D. BLIJVENDE AARD VAN DE GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN
|
(76) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening werd ook onderzocht of de gewijzigde omstandigheden redelijkerwijs als van blijvende aard konden worden aangemerkt. |
|
(77) |
Het oorspronkelijk onderzoek heeft in dit verband geen aanzienlijk prijsverschil vastgesteld tussen grondstoffen die plaatselijk in de VRC door de Chinese producenten-exporteurs (waaronder Noblelift) werden aangekocht en die welke op internationale markten werden aangekocht. De omstandigheden zijn sterk veranderd tussen 2004 (het tijdstip van het oorspronkelijke onderzoek) en 2011 (het TNO), toen de prijs van warmgewalst staal, de belangrijkste grondstof, tussen 24 % en 31 % onder de internationale prijzen lag. Door prijsverstoringen op de staalmarkt in de Volksrepubliek China (zie overweging 20) gaven deze prijzen geen marktwaarden weer. De Chinese staalmarkt is in die zeven jaar inderdaad sterk veranderd, en van een netto-importeur van staal is de Volksrepubliek China ondertussen wereldwijd een vrij grote staalproducent en -exporteur geworden; dit feit kon redelijkerwijs als van blijvende aard worden beschouwd. |
|
(78) |
Bovendien ontvangen Chinese hightechbedrijven, waaronder Noblelift, sinds 2008 voordelen van de staat in de vorm van een preferentiële inkomstenbelasting (15 %). In het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek gold voor de bedrijven een standaardtarief van 25 %. Deze gewijzigde omstandigheid kan eveneens redelijkerwijs als van blijvende aard worden beschouwd. |
|
(79) |
Daarom wordt het niet waarschijnlijk geacht dat de omstandigheden die tot de opening van dit tussentijdse nieuwe onderzoek hebben geleid in de nabije toekomst op zodanige wijze zullen veranderen dat dit gevolgen zou hebben voor de bevindingen van het tussentijdse nieuwe onderzoek. Daarom werd geconcludeerd dat de gewijzigde omstandigheden van blijvende aard zijn en dat de handhaving van de maatregel op zijn huidige niveau niet langer gerechtvaardigd is. |
E. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(80) |
In het licht van de resultaten van dit nieuwe onderzoek en aangezien de nieuwe dumpingmarge van 70,8 % lager is dan de schademarge die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld (zie de overwegingen 120 tot en met 123 van Verordening (EG) nr. 128/2005), wordt het passend geacht om het antidumpingrecht dat van toepassing is op het betrokken product dat zowel door Noblelift als door alle andere producenten-exporteurs wordt ingevoerd, te wijzigen en op 70,8 % vast te stellen. |
|
(81) |
Eén partij voerde aan dat de nieuwe dumpingmarge niet had mogen worden vergeleken met de schademarge die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld. Er zou daarentegen een schademarge moeten worden vastgesteld in elk onderzoek, zelfs wanneer het een gedeeltelijk nieuw onderzoek is dat beperkt is tot dumping. Volgens die partij vormt de huidige praktijk, waarbij de schade niet wordt beoordeeld, een inbreuk op de regel van het laagste recht. De partij voerde eveneens aan dat een volledig tussentijds nieuw onderzoek had moeten worden geopend. |
|
(82) |
In dit verband wordt opgemerkt dat de schade in dit kader niet kon worden herbeoordeeld omdat de Commissie een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek heeft geopend dat beperkt was tot dumping. Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening kan de handhaving van maatregelen, wanneer dat gerechtvaardigd is, op initiatief van de Commissie worden onderzocht. De Commissie is bijgevolg niet verplicht om ambtshalve een tussentijds nieuw onderzoek te openen dat zowel betrekking heeft op dumping als op schade, en in elk geval moet het onderzoek gerechtvaardigd zijn. In dit geval volstonden de informatie en het bewijsmateriaal waarover de Commissie beschikte om een tussentijds nieuw onderzoek te openen dat beperkt was tot dumping. Indien de schade in een tussentijds nieuw onderzoek steeds zou moeten worden onderzocht, zou de bepaling van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, namelijk dat een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek beperkt kan zijn tot dumping, bovendien betekenisloos zijn. Dit argument moet daarom worden afgewezen. Er zij niettemin nogmaals op gewezen dat de belanghebbende in kwestie over de mogelijkheid beschikt om op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening om een gedeeltelijk nieuw onderzoek te verzoeken dat betrekking heeft op de schade. |
|
(83) |
De regel van het laagste recht is volledig gerespecteerd en de nieuwe dumpingmarge werd inderdaad vergeleken met de schademarge die in het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld (de recentste bevindingen inzake schade). |
|
(84) |
Eén partij voerde aan dat een minimuminvoerprijs in dit geval beter geschikt zou zijn. Zo niet, dient een vast recht te worden ingesteld. |
|
(85) |
In dit verband wordt opgemerkt dat noch de minimuminvoerprijs, noch het vaste recht geschikt zijn voor producten die in zeer veel verschillende soorten met variërende prijzen bestaan, die ook constant veranderen en worden verbeterd. Zoveel uiteenlopende rechten zouden zeer moeilijk te beheren zijn. Een extra beperking in deze zaak is dat, aangezien het recht op dumping gebaseerd is, voor de minimuminvoerprijs zou moeten worden uitgegaan van de normale waarde, waarvoor vertrouwelijke gegevens van één onderneming op de markt van een referentieland als uitgangspunt dienen. De argumenten worden derhalve afgewezen. |
|
(86) |
De producent-exporteur liet binnen de voorgeschreven termijn zijn belangstelling blijken voor een verbintenis. Er werd evenwel geen formeel aanbod ingediend, en de Commissie kon dat dan ook niet verder onderzoeken. |
|
(87) |
De belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was de rechten die van toepassing zijn op producenten-exporteurs te wijzigen, en zij konden hierover opmerkingen maken. |
|
(88) |
De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de partijen werden onderzocht. |
|
(89) |
Bij artikel 1, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 werd het antidumpingrecht van 70,8 % dat bij die verordening voor „alle andere ondernemingen” werd ingesteld, uitgebreid tot handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011, verzonden uit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Thailand, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 wordt vervangen door:
„2. De definitieve antidumpingrechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, geproduceerd door onderstaande ondernemingen, zijn als volgt:
|
Onderneming |
Recht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
Zhejiang Noblelift Equipment Joint Stock Co. Ltd, 58, Jing Yi Road, Economy Development Zone, Changxing, provincie Zhejiang, 313100, Volksrepubliek China |
70,8 |
A603 |
|
Alle andere ondernemingen |
70,8 |
A999 ” |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Luxemburg, 22 april 2013.
Voor de Raad
De voorzitter
S. COVENEY
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 189 van 21.7.2005, blz. 1.
(3) PB L 192 van 19.7.2008, blz. 1.
(4) PB L 151 van 16.6.2009, blz. 1.
(5) PB L 268 van 13.10.2011, blz. 1.
(6) PB C 41 van 14.2.2012, blz. 14.
(7) http://www.steelbb.com/steelprices/