16.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 308/357


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 17 april 2013

over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de uitvoering van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen voor het begrotingsjaar 2011

(2013/622/EU)

HET EUROPEES PARLEMENT,

—

gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de uitvoering van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen voor het begrotingsjaar 2011,

—

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen voor het begrotingsjaar 2011 vergezeld van de antwoorden van de gemeenschappelijke onderneming (1),

—

gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2013 (05755/2013 — C7-0040/2013),

—

gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

—

gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (2), en met name artikel 185,

—

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (3), en met name artikel 208,

—

gezien Verordening (EG) nr. 73/2008 van de Raad van 20 december 2007 betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de uitvoering van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen (4), en met name artikel 11, lid 4,

—

gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5), en met name artikel 94,

—

gezien artikel 77 van en bijlage VI bij zijn Reglement,

—

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0088/2013),

1.

verleent de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen kwijting voor de uitvoering van de begroting van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2011;

2.

formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.

verzoekt zijn voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie (serie L).

De voorzitter

Martin SCHULZ

De secretaris-generaal

Klaus WELLE


(1)  PB C 6 van 10.1.2013, blz. 27.

(2)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(3)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(4)  PB L 30 van 4.2.2008, blz. 38.

(5)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.


RESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 17 april 2013

met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de uitvoering van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen voor het begrotingsjaar 2011

HET EUROPEES PARLEMENT,

—

gezien de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de uitvoering van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen voor het begrotingsjaar 2011,

—

gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de definitieve jaarrekening van de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen voor het begrotingsjaar 2011 vergezeld van de antwoorden van de gemeenschappelijke onderneming (1),

—

gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2013 (05755/2013 — C7-0040/2013),

—

gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

—

gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (2), en met name artikel 185,

—

gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (3), en met name artikel 208,

—

gezien Verordening (EG) nr. 73/2008 van de Raad van 20 december 2007 betreffende de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming voor de uitvoering van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen (4), en met name artikel 11, lid 4,

—

gezien Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5), en met name artikel 94,

—

gezien artikel 77 van en bijlage VI bij zijn Reglement,

—

gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A7-0088/2013),

A.

overwegende dat de Gemeenschappelijke Onderneming voor het initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen („de gemeenschappelijke onderneming”) in december 2007 voor een periode van tien jaar werd opgericht met als doel de efficiëntie en doeltreffendheid van het ontwikkelingsproces van geneesmiddelen aanzienlijk te verbeteren, zodat de farmaceutische sector op de lange termijn doeltreffender en veiliger innovatieve geneesmiddelen kan ontwikkelen;

B.

overwegende dat de gemeenschappelijke onderneming autonoom begon te functioneren op 16 november 2009;

C.

overwegende dat de Rekenkamer verklaart redelijke zekerheid te hebben verkregen dat de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2011 betrouwbaar is en dat de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

D.

overwegende dat de Rekenkamer een verklaring met beperking heeft afgegeven ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen die ten grondslag liggen aan de rekeningen van de gemeenschappelijke onderneming;

E.

overwegende dat de maximale bijdrage van de Unie aan de gemeenschappelijke onderneming over de periode van tien jaar 1 000 000 000 EUR bedraagt, te betalen uit de begroting van het zevende kaderprogramma voor onderzoek;

Financieel en begrotingsbeheer

1.

constateert met zorg dat de begroting van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2011 en het uitvoeringsplan pas op 4 april 2011 door de raad van bestuur werden vastgesteld, vanwege de tijd die het vaststellen van en het bereiken van overeenstemming over de in het jaarlijks uitvoeringsplan op te nemen wetenschappelijke prioriteiten in beslag nam; wijst erop dat dit de organisatie van de oproep tot het indienen van voorstellen heeft vertraagd en dat de gemeenschappelijke onderneming zich gedurende het hele eerste kwartaal van het jaar gedwongen zag voor de uitvoering van betalingen gebruik te maken van de begrotingsregel inzake voorlopige twaalfden;

2.

acht het zorgelijk dat het uitvoeringspercentage voor de vastleggingskredieten ad 159 000 000 EUR die beschikbaar waren voor onderzoeksactiviteiten 66 % bedroeg en dat de uitvoering plaatsvond door middel van een globale vastlegging die de vierde oproep tot het indienen van voorstellen bestreek; herhaalt zijn zorgen over het lage uitvoeringspercentage van de begroting alsook over de onderliggende verrichtingen van de gemeenschappelijke onderneming; merkt op dat het hoge niveau van ongebruikte kredieten van de administratieve begroting (44 %) erop wijst dat deze begroting niet op realistische ramingen was gebaseerd; eist een uitgebreid voortgangsverslag over de genoemde tekortkomingen dat aan het Europees Parlement wordt overgelegd en dat concrete voorstellen bevat om de uitvoeringspercentages stapsgewijs te verbeteren en om de nodige financiële middelen realistischer in te schatten;

3.

betreurt derhalve dat vastleggingskredieten ter waarde van 117 000 000 EUR en betalingskredieten ter waarde van 65 000 000 EUR die niet in het begrotingsjaar 2010 waren gebruikt, naar 2011 zijn overgedragen en dat vastleggingskredieten ter waarde van 62 000 000 EUR en betalingskredieten ter waarde van 11 000 000 EUR die niet in het begrotingsjaar 2011 waren gebruikt, naar 2012 zijn overgedragen; is ingenomen met de verbeteringen voor 2012, met name een totaal uitvoeringspercentage voor de vastleggingskredieten van 96 % en voor de betalingskredieten van 97 %;

4.

acht het zorgelijk dat de Rekenkamer een verklaring met beperking heeft afgegeven voor de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen die aan deze rekening ten grondslag liggen, op grond van het feit dat het foutenpercentage dat op basis van de controles achteraf werd vastgesteld 6,84 % bedroeg; neemt kennis van het feit dat de gemeenschappelijke onderneming controles achteraf heeft uitgevoerd met betrekking tot 2,2 miljoen EUR (18,8 % van de aanvaarde bijdrage van de gemeenschappelijke onderneming voor de eerste oproep, die in juni 2011 door de gemeenschappelijke onderneming werd gevalideerd); betreurt dat het foutenpercentage op basis van de eerste door de gemeenschappelijke onderneming uitgevoerde controles, waarbij zij haar eigen methode toepaste, 4,58 % bedroeg, terwijl het resterende foutenpercentage 3,72 % bedroeg; gaat ervan uit dat de Rekenkamer en de gemeenschappelijke onderneming overeenstemming bereiken over een controlemethode waarmee voor dezelfde controles achteraf dezelfde resultaten worden gevonden; benadrukt nogmaals dat de gemeenschappelijke onderneming de kwaliteit van haar controles achteraf onverwijld moet verbeteren, met name wat betreft subsidiebeheer; verlangt dat de kwijtingsautoriteit op de hoogte wordt gesteld van de resultaten van de volgende door de gemeenschappelijke onderneming uitgevoerde controleprocedures achteraf;

5.

eist daarom een uitgebreid voortgangsverslag dat aan het Europees Parlement wordt overgelegd en dat concrete voorstellen bevat om het foutenpercentage stapsgewijs te verlagen;

Oproepen tot het indienen van voorstellen

6.

benadrukt dat de gemeenschappelijke onderneming in 2008, 2009 en 2010 oproepen tot het indienen van voorstellen organiseerde die leidden tot de sluiting van subsidieovereenkomsten waarvan de waarde eind 2011 269 000 000 EUR bedroeg, en dat in 2012 een vijfde oproep tot het indienen van voorstellen werd gedaan met een indicatieve geraamde Uniebijdrage van 80 000 000 EUR; maakt zich zorgen dat indien oproepen tot het indienen van voorstellen op het huidige niveau blijven, de totale beschikbare Uniebijdrage hoogstwaarschijnlijk niet zal worden gebruikt; dringt er bij de gemeenschappelijke onderneming op aan optimaal gebruik te maken van de middelen die zijn toegewezen voor de tenuitvoerlegging van het gezamenlijk technologie-initiatief inzake innovatieve geneesmiddelen;

7.

wijst op de inconsistenties tussen de besluiten van de raad van bestuur en het verslag over het budgettair en financieel beheer, namelijk het feit dat in het verslag over het budgettair en financieel beheer het totaalbedrag van hoofdstuk 30-C2 „Onderzoeksagenda” (117 000 000 EUR) lager was dan begrotingsonderdeel B03000-C2 (141 000 000 EUR) dat onder dat hoofdstuk valt; wijst er voorts op dat het besluit van de raad van bestuur van 28 januari 2011 bovendien slechts de overdracht van 115 000 000 EUR aan vastleggingskredieten toestond, terwijl het verslag over het budgettair en financieel beheer een overdracht van 117 000 000 EUR te zien geeft; dringt er bij de gemeenschappelijke onderneming op aan ervoor te zorgen dat terdege rekening wordt gehouden met de besluiten van haar uitvoerend directeur;

Internecontrolesystemen

8.

wijst erop dat de Rekenkamer aanzienlijke vooruitgang meldt met betrekking tot de internecontrolesystemen gedurende 2011; neemt evenwel ter kennis dat verdere inspanningen nodig zijn om de begrotings- en boekhoudkundige procedures en de aanverwante controles vast te stellen en te documenteren; merkt op dat gedurende 2011 een formele beoordeling van het internecontrolesysteem heeft plaatsgevonden;

9.

neemt kennis van het feit dat de rekenplichtige van de gemeenschappelijke onderneming op 27 september 2012 verslag heeft uitgebracht over de validering van het boekhoudsysteem en daarbij de aandacht heeft gevestigd op significante tekortkomingen die moeten worden verholpen;

Beoordeling van bijdragen in natura

10.

neemt kennis van de bevinding van de Rekenkamer dat de methode voor de beoordeling van bijdragen in natura op 11 november 2011 door de raad van bestuur werd goedgekeurd en dat de bijdragen in natura door middel van een certificering vooraf en controles achteraf worden gevalideerd, doch dat de gemeenschappelijke onderneming gedurende 2011 geen certificering vooraf noch controles achteraf heeft uitgevoerd;

11.

brengt in herinnering dat de gemeenschappelijke onderneming in december 2007 werd opgericht en autonoom begon te functioneren in november 2009; is bezorgd over het feit dat de methode voor de beoordeling van bijdragen in natura, die moet worden bepaald in de interne voorschriften en procedures van de gemeenschappelijke onderneming in overeenstemming met haar financieel reglement, op 11 november 2011 door de raad van bestuur werd goedgekeurd; benadrukt dat de bij de European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (Efpia) aangesloten leden van de gemeenschappelijke onderneming derhalve niet de mogelijkheid hadden om overeenkomstig de subsidieovereenkomsten te rapporteren over de tijdens de eerste rapportageperiode gemaakte kosten;

Interne audit en de dienst Interne Audit van de Commissie

12.

neemt kennis van het feit dat de dienst Interne Audit van de Commissie en het internecontroleorgaan van de gemeenschappelijke onderneming in 2011 een risicobeoordeling hebben uitgevoerd en dat het strategisch controleplan voor de periode 2012-2014 op 3 november 2011 door de raad van bestuur werd goedgekeurd;

13.

wijst erop dat het financieel reglement van de gemeenschappelijke onderneming nog niet is gewijzigd teneinde hierin de bepaling van de kaderverordening op te nemen; stelt echter vast dat de raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming de taakomschrijving van de dienst Interne Audit van de Commissie op 8 maart 2011 heeft aangenomen;

14.

is bezorgd over het feit dat, hoewel de gemeenschappelijke onderneming in november 2009 autonoom werd, er tot maart 2012 noch door de dienst Interne Audit van de Commissie noch door het hoofd Interne Audit feitelijke interne betrouwbaarheidscontroles zijn uitgevoerd, en dat het hoofd Interne Audit rechtstreeks betrokken was bij operationele activiteiten (tenuitvoerlegging van de strategie achteraf, kader van essentiële prestatie-indicatoren (EPI), herziening van certificering vooraf inzake bijdragen in natura) en bij andere adviesopdrachten;

Controlerechten van de Rekenkamer

15.

is verrast dat in de bepalingen van de subsidieovereenkomst het recht van de Rekenkamer om de bijdragen in natura van EFPIA-ondernemingen te controleren niet wordt erkend, hoewel deze in de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming zijn opgenomen en worden geschat op een waarde van een miljard euro gedurende het bestaan van de gemeenschappelijke onderneming; merkt op dat de bijdragen in natura door de gemeenschappelijke onderneming worden gecontroleerd overeenkomstig artikel 12, leden 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 73/2008, en dat de gemeenschappelijke onderneming het advies van de Commissie inwon met betrekking tot het recht van de Rekenkamer om de bijdragen in natura van Efpia-ondernemingen te controleren;

Jaarlijks activiteitenverslag

16.

benadrukt dat de betrouwbaarheidsverklaring van de uitvoerend directeur in februari 2012 zonder voorbehoud werd afgegeven, ondanks het feit dat er informatie ontbrak over de doeltreffendheid van de strategie voor controle achteraf, die een essentiële controle vormt voor de beleidsuitgaven; wijst erop dat de uitvoerend directeur overeenkomstig de statuten en het financieel reglement van de gemeenschappelijke onderneming een jaarlijks activiteitenverslag dient op te stellen, met een betrouwbaarheidsverklaring waarin wordt verklaard dat de informatie in het verslag een getrouw beeld geeft, tenzij anders vermeld in een eventueel voorbehoud;

Andere beheeraangelegenheden

17.

wijst erop dat de gemeenschappelijke onderneming in de loop van 2011 vooruitgang heeft geboekt met betrekking tot de formalisering van het IT-beveiligingsbeleid; neemt kennis van het feit dat het plan voor bedrijfscontinuïteit en het rampenherstelplan nog niet zijn afgerond;

18.

is ingenomen met het feit dat de gastlandovereenkomst tussen de gemeenschappelijke onderneming en de Belgische autoriteiten betreffende kantoorruimte, voorrechten en immuniteiten en andere te verstrekken ondersteuning op 3 februari 2012 werd ondertekend;

Overige aangelegenheden

19.

herhaalt zijn verzoek aan de Rekenkamer om binnen een redelijke termijn een speciaal verslag voor het Parlement op te stellen over gemeenschappelijke kwesties die voortvloeien uit de aard van de gemeenschappelijke ondernemingen en die door de gemeenschappelijke ondernemingen samen met hun partners moeten worden aangepakt om hun toegevoegde waarde alsook de doeltreffende uitvoering van de EU-programma’s op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie te waarborgen; wijst er voorts op dat dit verslag ook een beoordeling dient te bevatten van de effectiviteit van het opzetten en van de structuur van de gemeenschappelijke ondernemingen.


(1)  PB C 6 van 10.1.2013, blz. 27.

(2)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(3)  PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.

(4)  PB L 30 van 4.2.2008, blz. 38.

(5)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.