|
4.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 174/5 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 585/2012 VAN DE RAAD
van 26 juni 2012
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009, en tot beëindiging van de procedure van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Kroatië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, leden 2 en 4, en artikel 11, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie („de Commissie”), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Vorige onderzoeken en geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 2320/97 (2) heeft de Raad antidumpingrechten ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van oorsprong uit onder meer Rusland. Bij Besluit 2000/70/EG van de Commissie (3) werd een verbintenis van een exporteur in Rusland aanvaard. Bij Verordening (EG) nr. 348/2000 (4) heeft de Raad een antidumpingrecht ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Kroatië en Oekraïne. Bij Verordening (EG) nr. 1322/2004 van de Raad (5) is besloten de geldende maatregelen voorzichtigheidshalve niet langer toe te passen op de invoer uit onder meer Rusland gezien de vroegere concurrentiebeperkende gedragingen van bepaalde producenten in de Unie (zie overweging 9 van die verordening). |
|
(2) |
Na een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 258/2005 (6) de bij Verordening (EG) nr. 348/2000 ingestelde definitieve maatregelen gewijzigd, de mogelijkheid van vrijstelling van rechten als bedoeld in artikel 2 van die verordening ingetrokken en een antidumpingrecht van 38,8 % op de invoer uit Kroatië en van 64,1 % op de invoer uit Oekraïne ingesteld, met uitzondering van die van Dnepropetrovsk Tube Works („DTW”), waarvoor een antidumpingrecht van 51,9 % gold. |
|
(3) |
Bij Besluit 2005/133/EG (7) heeft de Commissie de definitieve maatregelen voor Kroatië en Oekraïne met ingang van 18 februari 2005 voor een periode van negen maanden gedeeltelijk geschorst. De gedeeltelijke schorsing werd bij Verordening (EG) nr. 1866/2005 van de Raad (8) met één jaar verlengd. |
|
(4) |
Bij Verordening (EG) nr. 954/2006 (9) heeft de Raad definitieve antidumpingrechten ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen uit onder meer Kroatië, Rusland en Oekraïne, de Verordeningen (EG) nr. 2320/97 en (EG) nr. 348/2000 van de Raad ingetrokken, het tussentijdse nieuwe onderzoek en het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Rusland beëindigd, en de tussentijdse nieuwe onderzoeken ten aanzien van de antidumpingrechten op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, uit onder meer Kroatië, Rusland en Oekraïne (het „jongste onderzoek”) beëindigd. |
|
(5) |
De geldende maatregelen zijn bijgevolg die welke zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 954/2006, namelijk 29,8 % voor de invoer uit Kroatië, 35,8 % voor de invoer uit Rusland, met uitzondering van Joint Stock Company Chelyabinsk Tube Rolling Plant en Joint Stock Company Pervouralsky Novotrubny Works (24,1 %), OAO Volzhsky Pipe Plant, OAO Taganrog Metallurgical Works, OAO Sinarsky Pipe Plant en OAO Seversky Tube Works (27,2 %), en 25,7 % voor de invoer uit Oekraïne, met uitzondering van OJSC Dnepropetrovsk Tube Works (12,3 %), CJSJ Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube en OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (25,1 %). |
|
(6) |
Er zij op gewezen dat de bedrijfsnamen van CJSC Nikopolosky Seamless Tubes Plant Niko Tube en OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP) in februari 2007 zijn veranderd in respectievelijk CJSC Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube en OJSC Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (10). De juridische entiteit CJSC Interpipe Nikopolsky Seamless Tubes Plant Niko Tube is vervolgens opgeheven en alle eigendomsrechten, andere rechten en schulden zijn overgenomen door het in december 2007 opgerichte LLC Interpipe Niko Tube. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het antidumpingrecht voor de Interpipe-groep herberekend op basis van het arrest van het HvJEU van 12 februari 2012 (11). Het momenteel geldende recht voor deze groep bedraagt 17,7 %, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 540/2012 van de Raad (12) tot uitvoering van dit arrest van het HvJEU. |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen
|
(8) |
De Commissie heeft op 28 juni 2011 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie („het bericht van opening”) (13) de opening van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd in verband met het vervallen van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Kroatië, Rusland en Oekraïne. |
|
(9) |
Het nieuwe onderzoek werd geopend naar aanleiding van een met bewijsmateriaal onderbouwd verzoek dat op 29 maart 2011 was ingediend door het Defence Committee of the Seamless Steel Tube Industry of the European Union („de indiener van het verzoek”) namens producenten in de Unie die samen een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale productie in de Unie van bepaalde naadloze buizen en pijpen vertegenwoordigen. Het verzoek werd gebaseerd op de grond dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van dumping en schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
|
(10) |
Na het hierboven vermelde nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen heeft de Commissie op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening twee parallelle gedeeltelijke nieuwe onderzoeken geopend naar de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Oekraïne en Rusland (14). Om deze gedeeltelijke nieuwe onderzoeken werd respectievelijk verzocht door respectievelijk een groep van producenten-exporteurs in Oekraïne, de Interpipe-groep, en een groep van producenten-exporteurs in Rusland, de TMK-groep. Beide nieuwe onderzoeken zijn beperkt tot een onderzoek naar dumping door de indieners van het verzoek. |
1.3. Onderzoek
|
(11) |
De Commissie heeft de producenten-exporteurs, de importeurs, de haar bekende gebruikers, de vertegenwoordigers van de landen van uitvoer, de indiener van het verzoek en de in het verzoek genoemde producenten in de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(12) |
Gezien het grote aantal producenten-exporteurs in Rusland en Oekraïne, producenten in de Unie en importeurs dat bij dit onderzoek betrokken was, werd in het bericht van opening vermeld dat werd overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van steekproeven. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef inderdaad noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft zij bovengenoemde partijen verzocht zich binnen 15 dagen na de opening van het nieuwe onderzoek kenbaar te maken en haar de in het bericht van opening gevraagde gegevens te verstrekken. |
|
(13) |
Gezien het feit dat slechts één producent-exporteur in Rusland en slechts één producent-exporteur in Oekraïne de in het bericht van opening gevraagde gegevens hebben verstrekt en bereid waren om verder mee te werken met de Commissie, is besloten om in het geval van de producenten-exporteurs in Rusland en Oekraïne geen gebruik te maken van steekproeven, maar een vragenlijst te versturen aan die producenten. Later heeft de producent-exporteur in Rusland die de informatie heeft verstrekt waarom in het bericht van opening werd verzocht, besloten niet verder mee te werken en de vragenlijst voor de producent-exporteur in Rusland niet te beantwoorden. |
|
(14) |
Negentien producenten in de Unie hebben de voor de samenstelling van de steekproef gevraagde gegevens verstrekt en zich bereid verklaard om mee te werken met de Commissie. Op basis van de informatie die is verkregen van de producenten in de Unie, had de Commissie vóór de opening een voorlopige steekproef samengesteld van vier producenten die representatief bleken te zijn voor de bedrijfstak van de Unie, wat de omvang van hun productie en verkoop van het soortgelijke product in de Unie betreft. Op grond van de opmerkingen die binnen de termijn van 15 dagen na de opening werden geformuleerd in verband met de geschiktheid van deze keuze, heeft de Commissie één van de voorlopig geselecteerde producenten door een andere producent vervangen. |
|
(15) |
Vier importeurs hebben de in het bericht van opening gevraagde gegevens verstrekt en zich bereid verklaard om mee te werken met de Commissie. De Commissie heeft dan ook besloten geen steekproef samen te stellen en in plaats daarvan een vragenlijst toe te sturen aan die importeurs. |
|
(16) |
Er werden bijgevolg vragenlijsten toegestuurd aan de vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, aan vier importeurs en aan alle producenten-exporteurs in de drie betrokken landen die zich hebben gemeld. |
|
(17) |
Geen enkele producent-exporteur in Rusland heeft de vragenlijst beantwoord. Er wordt derhalve van uitgegaan dat geen enkele producent-exporteur in Rusland aan het onderzoek heeft meegewerkt. |
|
(18) |
Eén groep van producenten-exporteurs in Oekraïne heeft de vragenlijst beantwoord. |
|
(19) |
Eén producent-exporteur in Kroatië heeft de vragenlijst beantwoord. |
|
(20) |
Ingevulde vragenlijsten werden verder ontvangen van de vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, drie importeurs en één gebruiker. |
|
(21) |
De Commissie verzamelde en controleerde alle gegevens die zij nodig achtte om vast te stellen of het waarschijnlijk was dat de dumping en daaruit resulterende schade zouden voortduren of opnieuw zouden optreden en om het belang van de Unie te bepalen. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:
|
|
(22) |
Het onderzoek naar de voortzetting of herhaling van de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 april 2010 tot en met 31 maart 2011 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2008 tot het eind van het TNO („de beoordelingsperiode”). |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(23) |
Het betrokken product is hetzelfde als dat bij het jongste onderzoek, dat tot het instellen van de geldende maatregelen heeft geleid, namelijk bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of van staal („NBP”), met rond profiel, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een koolstofequivalent (carbon equivalent value, CEV) van niet meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het Internationaal Instituut voor Lastechniek (15), van oorsprong uit Kroatië, Rusland en Oekraïne („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 11 00 , ex 7304 19 10 , ex 7304 19 30 , ex 7304 22 00 , ex 7304 23 00 , ex 7304 24 00 , ex 7304 29 10 , ex 7304 29 30 , ex 7304 31 80 , ex 7304 39 58 , ex 7304 39 92 , ex 7304 39 93 , ex 7304 51 89 , ex 7304 59 92 en ex 7304 59 93 . |
|
(24) |
Het betrokken product wordt voor allerlei toepassingen gebruikt, zoals het transport van gas en vloeistoffen, als stutten in de bouwnijverheid, voor de machinebouw, als gas- of ketelbuizen, alsook als boorpijpen, exploitatiebuizen en bekledingsbuizen voor de oliewinning (oil country tubular goods, „OCTG”). |
|
(25) |
NBP worden in zeer uiteenlopende vormen aan de gebruikers geleverd. Zij kunnen bijvoorbeeld zijn gegalvaniseerd, voorzien zijn van schroefdraad, geen warmtebehandeling hebben ondergaan, speciale uiteinden of een verschillend profiel hebben of op maat zijn gezaagd. Er bestaan geen algemene standaardmaten voor de buizen; dat verklaart waarom de meeste NBP op bestelling van klanten worden gemaakt. Gewoonlijk worden NBP aan elkaar gelast. In speciale gevallen kunnen zij door schroefdraad met elkaar zijn verbonden of als losse buis worden gebruikt, maar zij zijn altijd lasbaar. Uit het onderzoek is gebleken dat alle NBP dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt. |
2.2. Soortgelijk product
|
(26) |
Net als eerdere onderzoeken en ook het jongste onderzoek heeft dit nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen bevestigd dat het product dat uit Kroatië, Rusland en Oekraïne naar de Unie wordt uitgevoerd, het product dat in Kroatië, Rusland en Oekraïne wordt geproduceerd en op de respectieve binnenlandse markten wordt verkocht, en het product dat in de Unie door de producenten in de Unie wordt geproduceerd en verkocht dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt, en bijgevolg als soortgelijke producten worden beschouwd in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
3. DUMPING
|
(27) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening werd onderzocht of het waarschijnlijk is dat het vervallen van de maatregelen tot voortzetting of herhaling van dumping leidt. |
3.1. Voorafgaande opmerkingen
|
(28) |
Tijdens het TNO bedroeg de omvang van de invoer van NBP uit Kroatië, Rusland en Oekraïne in totaal 42 723 ton (gegevens van Eurostat), wat overeenkomt met een marktaandeel van 2,5 % in de Unie. |
|
(29) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisverordening is op dezelfde wijze te werk gegaan als bij het jongste onderzoek, voor zover de omstandigheden niet waren gewijzigd of de informatie beschikbaar was. In geval van niet-medewerking, zoals bij Rusland, is overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening gebruikgemaakt van de beschikbare gegevens. Voor Kroatië en Oekraïne is gebruikgemaakt van door de medewerkende ondernemingen verstrekte informatie, alsook van openbaar beschikbare informatie. |
3.2. Invoer met dumping in het TNO
3.2.1. Algemene werkwijze
|
(30) |
De hieronder uiteengezette algemene werkwijze is toegepast op alle medewerkende producenten in Kroatië en Oekraïne. De presentatie van de bevindingen inzake dumping voor elk van de betrokken landen van uitvoer is derhalve beperkt tot wat specifiek is voor elk van deze landen. Aangezien geen enkele Russische producent-exporteur medewerking heeft verleend, zijn voor Rusland de algemene analyse en de berekening van de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beste beschikbare gegevens gebaseerd. |
3.2.2. Normale waarde
|
(31) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd voor elke medewerkende producent eerst onderzocht of het totale volume van zijn binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers representatief was in vergelijking met zijn totale uitvoer naar de Unie, met andere woorden of het totale volume van die verkoop ten minste 5 % bedroeg van het totale volume van de uitvoer van het betrokken product naar de Unie. |
|
(32) |
Voor elke door een producent-exporteur op de binnenlandse markt verkochte productsoort die direct vergelijkbaar was met de productsoort die voor uitvoer naar de Unie werd verkocht, werd onderzocht of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd voldoende representatief geacht wanneer de producent-exporteur in het TNO van die productsoort op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers een totale hoeveelheid had verkocht die ten minste 5 % bedroeg van de totale hoeveelheid van de vergelijkbare productsoort die naar de Unie was uitgevoerd. |
|
(33) |
Er werd ook onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke productsoort had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties volgens artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Hiertoe werd voor elke uitgevoerde soort van het betrokken product het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het TNO vastgesteld. |
|
(34) |
Voor de productsoorten waarbij meer dan 80 % van de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid van de productsoort werd verkocht tegen prijzen die hoger lagen dan de productiekosten en de gewogen gemiddelde verkoopprijs van die soort gelijk was aan of hoger was dan de productiekosten per eenheid, werd de normale waarde, naar productsoort, berekend als het gewogen gemiddelde van de werkelijke binnenlandse prijzen van alle verkopen van de soort in kwestie, ongeacht of die verkoop al dan niet winstgevend was. |
|
(35) |
Wanneer de winstgevende verkoop van een productsoort 80 % of minder van de totale verkoop van die soort bedroeg, of de gewogen gemiddelde prijs van die soort lager was dan de productiekosten per eenheid, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als de gewogen gemiddelde prijs van alleen de winstgevende verkopen op de binnenlandse markt van die soort tijdens het TNO. |
|
(36) |
Wanneer er geen binnenlandse verkoop van een specifieke productsoort had plaatsgevonden en voor productsoorten waarvan de binnenlandse verkoop onvoldoende bleek, werd de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. |
|
(37) |
Bij de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening werden de bedragen voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst overeenkomstig de aanhef van artikel 2, lid 6, van de basisverordening gebaseerd op de feitelijke gegevens over de productie en de verkoop van het soortgelijke product, in het kader van normale handelstransacties, door de producent-exporteur, of op beschikbare gegevens. |
3.2.3. Uitvoerprijs
|
(38) |
In alle gevallen waarin het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Unie werd uitgevoerd, werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
3.2.4. Vergelijking
|
(39) |
De normale waarde en de uitvoerprijs van de producenten-exporteurs van de medewerkende groep werden vergeleken in het stadium af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
3.2.5. Dumpingmarge voor de medewerkende producenten-exporteurs
|
(40) |
Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening is voor elke medewerkende onderneming de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs af fabriek per productsoort. |
3.3. Kroatië
|
(41) |
Tijdens het TNO vertegenwoordigde het totale volume van de invoer van NBP door CMC Sisak, de enige producent-exporteur van NBP in Kroatië, minder dan 1 % van het totale verbruik in de Unie. |
3.3.1. Normale waarde
|
(42) |
Het onderzoek heeft aangetoond dat hoewel de binnenlandse verkoop van het betrokken product representatief was overeenkomstig de overwegingen 30 en 31, er geen verkoop in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden. Daarom moest de normale waarde voor de medewerkende producent overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening door berekening worden vastgesteld. |
|
(43) |
Bijgevolg is de normale waarde berekend op basis van de productiekosten, vermeerderd met een redelijk bedrag voor winst en voor VAA-kosten, op grond van beschikbare gegevens. |
3.3.2. Uitvoerprijs
|
(44) |
De medewerkende producent heeft het betrokken product ofwel direct, ofwel via de verbonden onderneming in Zwitserland aan onafhankelijke afnemers in de Unie verkocht. Daarom werden de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
3.3.3. Vergelijking
|
(45) |
De berekende normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(46) |
Teneinde een eerlijke vergelijking in hetzelfde handelsstadium te garanderen, werden de nodige correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die de vergelijkbaarheid van de prijzen bleken te beïnvloeden. Bijgevolg zijn op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast voor vervoerskosten, rabatten en kortingen, commissies en krediet. |
3.3.4. Dumpingmarge
|
(47) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de dumpingmarge vastgesteld door de gewogen gemiddelde door berekening vastgestelde normale waarde met de gewogen gemiddelde prijs bij uitvoer naar de Unie te vergelijken. Uit deze vergelijking is gebleken dat er in het TNO sprake was van aanzienlijke dumping, namelijk van meer dan 60 %. |
3.4. Rusland
|
(48) |
Tijdens het TNO bedroeg het totale invoervolume van NBP uit Rusland 10 785 megaton (gegevens van Eurostat), wat overeenkomt met een marktaandeel van ongeveer 1 % in de Unie. |
3.4.1. Normale waarde
|
(49) |
Zoals hierboven reeds vermeld, moest bij gebrek aan medewerkende producenten-exporteurs in Rusland gebruik worden gemaakt van beschikbare gegevens om vast te stellen of er in het TNO met dumping werd ingevoerd. Overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening en bij gebrek aan antwoorden op de vragenlijst, werd de normale waarde berekend op basis van de gegevens in het verzoek om een nieuw onderzoek en de periodieke publicaties van Metal Expert voor de elementairste kwaliteit van naadloze warmgewalste buizen. |
|
(50) |
Voor de gasprijzen in Rusland moest een correctie worden toegepast op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening toen in het jongste onderzoek maatregelen werden ingesteld (16). In het huidige onderzoek werd de normale waarde evenwel vastgesteld zonder te overwegen of een correctie overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening nodig was voor de door de Russische producenten-exporteurs gedragen gaskosten. Dat kwam doordat, zoals in overweging 53 wordt aangetoond, uit het gebruik van niet-gecorrigeerde productiekosten reeds duidelijk blijkt dat in het TNO met dumping werd ingevoerd. Bijgevolg werd, mede gezien het feit dat een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen tot doel heeft vast te stellen of voortzetting of herhaling van dumping waarschijnlijk is als de maatregelen zouden worden ingetrokken, aangenomen dat het, om uit te maken of de momenteel geldende maatregelen moesten worden gehandhaafd of ingetrokken, niet nodig was na te gaan of een correctie op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening in dit geval gerechtvaardigd was. |
3.4.2. Uitvoerprijs
|
(51) |
De gemiddelde uitvoerprijs werd berekend op basis van de cif-waarde van Eurostat voor de overeenkomstige soorten naadloze warmgewalste buizen. |
3.4.3. Vergelijking
|
(52) |
Bij gebrek aan gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst werden de normale waarde en de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening met elkaar vergeleken met gebruikmaking van gegevens uit het verzoek. |
3.4.4. Dumpingmarge
|
(53) |
Overeenkomstig artikel 18, lid 5, van de basisverordening werd de dumpingmarge vastgesteld door per productsoort de berekende gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde prijs bij uitvoer naar de Unie te vergelijken. Uit deze vergelijking bleek dat de dumping ongeveer 38,4 % bedroeg, hetgeen hoger is dan de dumpingmarge van 35,8 % die werd vastgesteld in het jongste onderzoek. |
3.5. Oekraïne
|
(54) |
Van de drie bekende producenten-exporteurs in Oekraïne heeft slechts één groep van producenten-exporteurs, de Interpipe-groep, met de Commissie aan dit nieuwe onderzoek meegewerkt. Deze producent-exporteur was goed voor ongeveer 70 % van de totale productie van NBP in Oekraïne en meer dan 80 % van de totale uitvoer door Oekraïne naar de Unie. In het TNO bedroeg het aandeel van de uitvoer door Oekraïne naar de Unie in het totale verbruik in de Unie minder dan 2 %. |
3.5.1. Normale waarde
|
(55) |
Het onderzoek heeft aangetoond dat de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product representatief was overeenkomstig de overwegingen 31, 32 en 33. Bijgevolg is de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de overwegingen 34 tot en met 37. |
|
(56) |
Voor de energieprijzen in Oekraïne moest een correctie worden toegepast op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening toen in het jongste onderzoek maatregelen werden ingesteld (17). In het huidige onderzoek werd de normale waarde evenwel vastgesteld zonder te overwegen of een correctie overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening nodig was voor de door de Oekraïense producenten-exporteurs gedragen energiekosten. Dat kwam doordat, zoals in overweging 61 wordt aangetoond, uit het gebruik van niet-gecorrigeerde productiekosten reeds duidelijk blijkt dat in het TNO met dumping werd ingevoerd. Bijgevolg werd, mede gezien het feit dat een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen tot doel heeft vast te stellen of voortzetting of herhaling van dumping waarschijnlijk is als de maatregelen zouden worden ingetrokken, aangenomen dat het, om uit te maken of de momenteel geldende maatregelen moesten worden gehandhaafd of ingetrokken, niet nodig was na te gaan of een correctie op grond van artikel 2, lid 5, van de basisverordening in dit geval gerechtvaardigd was. |
3.5.2. Uitvoerprijs
|
(57) |
De Interpipe-groep heeft het betrokken product via de verbonden onderneming in Zwitserland direct aan onafhankelijke afnemers in de Unie verkocht. De uitvoerprijzen zijn bijgevolg vastgesteld overeenkomstig overweging 38. |
3.5.3. Vergelijking
|
(58) |
De normale waarde en de uitvoerprijs van de Interpipe-groep werden overeenkomstig overweging 39 vergeleken. Op grond hiervan werden in voorkomend geval correcties toegepast voor de kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, krediet en commissies, waar die gerechtvaardigd waren. |
3.5.4. Dumpingmarge
|
(59) |
De dumpingmarge werd berekend overeenkomstig overweging 40. |
|
(60) |
Net als in het jongste onderzoek en overeenkomstig de vaste praktijk van de instellingen is voor de hele groep één dumpingmarge berekend. In de methode die daarvoor is gebruikt, is voor elke individuele producent-exporteur de dumpingmarge berekend, alvorens voor de hele groep een gewogen gemiddelde dumpingmarge is vastgesteld. Deze methode verschilt van die van het jongste onderzoek, waar de dumping is berekend door alle productie, winstgevendheid en verkoop in de Unie van de verschillende productie-eenheden samen te nemen. Deze verandering van methode wordt gerechtvaardigd door een verandering van de bedrijfsstructuur van de groep, waardoor binnen de groep kan worden vastgesteld welke producent een product heeft verkocht of geproduceerd. |
|
(61) |
Uit de vergelijking is een dumpingmarge van meer dan 10 % gebleken voor de medewerkende groep van producenten-exporteurs die in het TNO naar de Unie heeft uitgevoerd. |
4. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING VAN DUMPING
4.1. Voorafgaande opmerkingen
|
(62) |
Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat de dumping in het TNO werd voortgezet. Bijgevolg wordt hieronder onderzocht of de voortzetting van dumping waarschijnlijk is indien de maatregelen vervallen. |
4.1.1. Kroatië
|
(63) |
Zoals vermeld in overweging 46 werd in het TNO een aanzienlijke dumpingmarge vastgesteld. De eigenaar van de producent-exporteur heeft achteraf evenwel besloten de onderneming af te stoten; bijgevolg heeft de producent-exporteur sinds het najaar van 2011 geen nieuwe bestellingen meer aanvaard en heeft hij eind 2011 de productie van NBP volledig stopgezet. Sinds 2012 worden er in Kroatië dus geen NBP meer geproduceerd en in de periode na het TNO zijn nog slechts zeer kleine hoeveelheden uitgevoerd. |
|
(64) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de onderneming, die op bestelling produceerde, niet over grote voorraden beschikte. Door de grote verscheidenheid aan buizen en pijpen en de hoge kosten is het inderdaad economisch niet voordelig grote voorraden aan te leggen. |
|
(65) |
Gezien de bovenstaande overweging en rekening houdend met het feit dat de onderneming nog niet verkocht is, is invoer met dumping uit Kroatië op korte tot middellange termijn zeer onwaarschijnlijk. |
4.1.2. Rusland
4.1.2.1.
|
(66) |
In aansluiting op de analyse waaruit bleek dat er in het TNO sprake was van dumping, werd ook nagegaan hoe waarschijnlijk het was dat voortzetting van dumping zou plaatsvinden. |
|
(67) |
Hiervoor werden de volgende elementen onderzocht: het volume en de prijzen van de invoer met dumping uit Rusland, de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in Rusland, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en van andere derde markten. |
4.1.2.2.
|
(68) |
Nadat in juni 2006 definitieve maatregelen waren ingesteld en deze in augustus 2008 bij Verordening (EG) nr. 812/2008 van de Raad (18) waren herzien, daalde de invoer aangegeven als van oorsprong uit Rusland gestaag en bleef deze laag tot het eind van het TNO. |
|
(69) |
Tijdens dezelfde periode bleven de prijzen van de invoer met dumping uit Rusland relatief laag. |
4.1.2.3.
|
(70) |
Er zijn geen gecontroleerde gegevens, maar verschillende bronnen van openbaar beschikbare informatie wijzen op een totale productiecapaciteit van NBP in Rusland die de vraag op de binnenlandse markt ruim overschrijdt. |
|
(71) |
Hoewel het Russische marktaandeel in de Unie niet veel meer bedraagt dan 1 %, bedraagt de geraamde geïnstalleerde Russische capaciteit bijna 4 miljoen megaton per jaar. De Russische bedrijfstak gebruikt naar schatting slechts 70 % van zijn productiecapaciteit. Trekt men het bekende binnenlandse verbruik en de uitvoervolumes naar andere markten volgens de Russische uitvoerstatistieken af, dan beschikt Rusland momenteel over een reservecapaciteit van meer dan 1 miljoen megaton per jaar, wat overeenstemt met ongeveer 65 % van het verbruik in de Unie. Ondanks de huidige overcapaciteit en op grond van door de klager verstrekte informatie die de belanghebbenden niet hebben betwist, blijkt dat de Russische capaciteit de volgende jaren nog verder kan worden verhoogd. Een producent-exporteur in Rusland argumenteerde dat zijn bezettingsgraad hoger was en dat hij niet van plan was zijn productiecapaciteit in de nabije toekomst te verhogen. Deze producent-exporteur voerde ook aan dat de bezettingsgraad voor NBP van de Russische bedrijfstak volgens een gerenommeerde marktpublicatie „hoog” was en dat het productievolume van het betrokken product in Rusland in overeenstemming was met het binnenlandse verbruik. Deze door de onderneming verstrekte informatie was evenwel niet beschikbaar in het dossier, aangezien de onderneming had verkozen niet mee te werken; de informatie kon evenmin worden gecontroleerd. Voorts werd de term „hoog” in de publicatie niet gekwantificeerd, zodat het niet mogelijk was er een conclusie uit te trekken. De opmerkingen over de niveaus van productie en verbruik van het betrokken product in Rusland deden dan ook niets af aan het bestaan van aanzienlijke reservecapaciteit in Rusland. Er zij op gewezen dat de geschatte geïnstalleerde capaciteit van bijna 4 miljoen megaton per jaar niet is betwist na de mededeling van de bevindingen van het onderzoek aan alle belanghebbenden. |
4.1.2.4.
|
(72) |
Zoals hierboven vermeld, beschikt de Russische binnenlandse markt over een groot overschot aan productiecapaciteit; dit suggereert een sterke en natuurlijke behoefte om alternatieve markten te vinden om dit overschot aan productiecapaciteit te absorberen. |
|
(73) |
De markt van de Unie is een van de grootste markten ter wereld en groeit nog steeds. Uit de informatie die tijdens het onderzoek werd verzameld, blijkt dat de Russische ondernemingen sterk geïnteresseerd zijn in een sterkere aanwezigheid op een van de grootste markten ter wereld en in het behoud van een aanzienlijk aandeel van de markt van de Unie. Een producent-exporteur in Rusland argumenteerde dat de informatie die naar aanleiding van het bericht van opening werd ingediend, had moeten worden gebruikt als basis voor de bevindingen inzake het bestaan van dumping en de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping en schade, en niet de beste gegevens die beschikbaar waren. Toen deze producent-exporteur in Rusland ervoor koos niet verder mee te werken, verklaarde hij echter dat zijn antwoorden op de vragenlijst met de na de opening verstrekte informatie wegens interne herstructureringsprocessen niet mochten worden gebruikt om in zijn geval vast te stellen of voortzetting of herhaling van dumping waarschijnlijk is, dan wel of de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat een herziening van het niveau van de maatregelen gerechtvaardigd is. Er werd bijgevolg geoordeeld dat deze informatie niet kon worden gebruikt. |
4.1.2.5.
|
(74) |
Gezien de bevindingen hierboven kan worden geconcludeerd dat uit Rusland nog steeds met dumping wordt ingevoerd, en dat het zeer waarschijnlijk is dat die dumping wordt voortgezet. Gezien de huidige en potentiële toekomstige reservecapaciteit in Rusland en het feit dat de markt van de Unie een van de grootste markten ter wereld is met een aantrekkelijk prijsniveau, kan worden geconcludeerd dat de Russische exporteurs hun uitvoer met dumping naar de Unie waarschijnlijk verder zullen verhogen indien de antidumpingmaatregelen zouden vervallen. |
4.1.3. Oekraïne
4.1.3.1.
|
(75) |
In aansluiting op de analyse waaruit bleek dat er in het TNO sprake was van dumping (overwegingen 54 tot en met 61), werd ook nagegaan hoe waarschijnlijk het was dat voortzetting van dumping zou plaatsvinden. |
|
(76) |
Hiervoor werden de volgende elementen onderzocht: het volume en de prijzen van de invoer met dumping uit Oekraïne, de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in Oekraïne, de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en van andere derde markten. |
4.1.3.2.
|
(77) |
Nadat in juni 2006 definitieve maatregelen waren ingesteld, daalde de invoer uit Oekraïne aanzienlijk en bleef deze vervolgens vrij beperkt met een aandeel van minder dan 2 % van de markt van de Unie. Tijdens dezelfde periode bleven de prijzen van de invoer met dumping uit Oekraïne relatief laag. Bovendien werd vastgesteld dat de gemiddelde verkoopprijzen op andere exportmarkten dan de Unie, waar geen antidumpingrechten worden toegepast, vergelijkbaar waren met of zelfs lager waren dan de verkoopprijzen bij uitvoer naar de Unie. |
4.1.3.3.
|
(78) |
Volgens publiek beschikbare informatie zijn er drie grote Oekraïense producenten van NBP, met een totale geschatte productiecapaciteit van ongeveer 1,5 miljoen ton per jaar, wat ongeveer overeenstemt met het totale verbruik in de Unie. |
|
(79) |
Hoewel Oekraïne in de Unie slechts een marktaandeel van iets minder dan 2 % heeft, bedraagt de geschatte reservecapaciteit in Oekraïne 50 % of 750 000 ton per jaar, wat neerkomt op bijna de helft van het verbruik in de Unie. |
4.1.3.4.
|
(80) |
Het onderzoek heeft bevestigd dat elk van de drie grote Oekraïense producenten van NBP het betrokken product naar de Unie uitvoeren. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat de medewerkende partij met dumping naar de Unie uitvoert. Openbaar beschikbare informatie wijst er voorts op dat de andere grote Oekraïense producenten NBP naar de Unie uitvoeren tegen prijzen die lager liggen dan die van de medewerkende onderneming. |
4.1.3.5.
|
(81) |
Aangezien er bij de invoer uit Oekraïne nog steeds sprake is van dumping en de prijzen bij uitvoer naar andere markten dan de Europese Unie vergelijkbaar zijn met of zelfs lager zijn dan de prijzen bij uitvoer naar de Unie, alsook gezien de aanzienlijke reservecapaciteit in Oekraïne en het feit dat de markt van de Unie een van de grootste markten ter wereld is, kan worden geconcludeerd dat de Oekraïense exporteurs hun uitvoer met dumping naar de Unie waarschijnlijk verder zullen verhogen indien de antidumpingmaatregelen vervallen. |
4.2. Conclusie
|
(82) |
In het licht van de bovenstaande overwegingen wordt geconcludeerd dat er een aanzienlijk en reëel risico bestaat van voortzetting van dumping van naadloze buizen en pijpen van oorsprong uit Oekraïne en Rusland indien de bestaande maatregelen vervallen. Anderzijds leiden de specifieke omstandigheden die voor Kroatië zijn vastgesteld tot de conclusie dat er geen risico van voortzetting van dumping bestaat indien de bestaande antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van naadloze buizen en pijpen van oorsprong uit Kroatië vervallen. |
5. PRODUCTIE IN DE UNIE EN BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE
|
(83) |
Binnen de Unie worden NBP vervaardigd door ongeveer 19 producenten/producentengroepen, die samen de bedrijfstak van de Unie vormen in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. |
|
(84) |
Zoals aangegeven in overweging 14, is er een steekproef samengesteld, waarvoor vier producenten/producentengroepen werden geselecteerd uit de onderstaande 19 producenten in de Unie die de gevraagde informatie verstrekten:
|
|
(85) |
De vier in de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren samen goed voor 30 % van de totale productie in de Unie tijdens het TNO en 35 % van de totale verkoop op de markt van de Unie, terwijl de bovenstaande 19 producenten in de Unie 100 % van de totale productie in de Unie tijdens het TNO vertegenwoordigden; dit wordt als representatief voor de totale productie in de Unie beschouwd. |
6. SITUATIE OP DE MARKT VAN DE UNIE
6.1. Verbruik in de Unie
|
(86) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op grond van de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie en van invoergegevens van Eurostat voor alle invoer in de Unie. |
|
(87) |
Op basis van deze gegevens werd vastgesteld dat het verbruik in de Unie tussen 2008 en het eind van het TNO met 34 % is gedaald van 2 597 110 tot 1 724 743 ton. Het verbruik in 2008 was erg hoog, wat kan worden verklaard door het feit dat de hoge olie- en gasprijzen in 2008 investeringen in deze sectoren aanmoedigden en de vraag daardoor deden stijgen. De daling deed zich geheel in 2009 voor: in dat jaar daalde het verbruik met bijna 50 %. Na 2009 begon het verbruik opnieuw te stijgen, een trend die zich tot het eind van het TNO doorzette.
|
6.2. Invoer uit de betrokken landen
6.2.1. Cumulatie
|
(88) |
In de eerdere onderzoeken werd de invoer van NBP van oorsprong uit Kroatië, Rusland en Oekraïne cumulatief beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. Er is onderzocht of een cumulatieve beoordeling ook voor het huidige onderzoek aangewezen was. |
|
(89) |
In dit verband bleek de dumpingmarge voor de invoer uit elk land meer dan minimaal te zijn. Er is een analyse uitgevoerd van de verwachte ontwikkeling van de waarschijnlijke omvang van de uitvoer per land bij intrekking van de maatregelen. Hieruit bleek dat de invoer uit Rusland en Oekraïne, in tegenstelling tot die uit Kroatië, bij intrekking van de maatregelen waarschijnlijk zou toenemen tot niveaus die aanzienlijk hoger zouden liggen dan die in het TNO, en zeker boven de niveaus die als verwaarloosbaar worden beschouwd. Voor Kroatië is vastgesteld dat de uitvoer naar de Unie in de beoordelingsperiode verwaarloosbaar was, en dat de productie na het TNO zelfs volledig was stopgezet. Het is bijgevolg niet erg waarschijnlijk dat deze situatie op korte termijn zal veranderen. |
|
(90) |
Aangezien het volume van de invoer met dumping uit Kroatië tijdens het TNO verwaarloosbaar was en dat het om de in overweging 88 uiteengezette redenen niet waarschijnlijk is dat het zal toenemen, werd geoordeeld dat voor de invoer uit Kroatië niet is voldaan aan de criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening. |
|
(91) |
Wat de invoer uit de betrokken drie landen betreft, is uit het onderzoek gebleken dat NBP die uit deze landen werden ingevoerd, dezelfde fysieke en technische basiskenmerken hadden. Verder waren de diverse soorten ingevoerde NBP uitwisselbaar met soorten die in de Unie zijn geproduceerd en werden zij in dezelfde periode in de handel gebracht in de Unie. Gezien het bovenstaande is geconcludeerd dat de ingevoerde NBP van oorsprong uit de betrokken landen concurreerden met de NBP die in de Unie zijn geproduceerd. |
|
(92) |
Op basis van het bovenstaande is daarom geconcludeerd dat met betrekking tot Rusland en Oekraïne is voldaan aan de criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening. De invoer uit deze twee landen is daarom cumulatief beoordeeld. Omdat met betrekking tot Kroatië niet is voldaan aan de criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening en met name niet aan het criterium over de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde producten, is de invoer van oorsprong uit dit land afzonderlijk onderzocht. |
6.3. Invoer uit Rusland en Oekraïne
6.3.1. Omvang, marktaandeel en prijzen van de invoer
|
(93) |
Volgens gegevens van Eurostat is de omvang van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Rusland en Oekraïne tijdens de beoordelingsperiode met 47 % afgenomen. Om precies te zijn, daalde de invoer zeer sterk in 2009, namelijk met 44 %, en daalde hij sindsdien licht van 40 611 tot 38 108 ton. Dit moet worden gezien tegen de achtergrond van een dalend verbruik. |
|
(94) |
Het marktaandeel van de invoer uit Rusland en Oekraïne daalde tijdens de beoordelingsperiode van 2,7 % tot 2,2 %. |
|
(95) |
De gewogen gemiddelde prijzen van de invoer van NBP daalden met 15 procentpunten in 2009, en stegen in het TNO vervolgens weer tot het niveau van 2008. Deze opeenvolgende daling en stijging volgden min of meer de trend van de grondstofprijzen.
|
6.3.2. Prijsonderbieding
|
(96) |
Omdat de Russische producenten-exporteurs niet aan het onderzoek meewerkten, moest de prijsonderbieding door invoer uit Rusland worden vastgesteld aan de hand van statistische invoergegevens volgens GN-code, waarvoor overeenkomstig artikel 14, lid 6, van de basisverordening verzamelde informatie werd gebruikt. De prijsonderbieding door de invoer uit Oekraïne werd vastgesteld door gebruik te maken van de uitvoerprijzen van de medewerkende Oekraïense producent-exporteur, zonder antidumpingrecht. De relevante verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie waren de prijzen aan onafhankelijke afnemers, indien nodig gecorrigeerd tot het niveau van de prijzen af fabriek. In het TNO varieerde de prijsonderbiedingsmarge voor de invoer van NBP van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, exclusief antidumpingrecht, van 20,4 % tot 55,4 %. |
6.4. Invoer uit Kroatië
6.4.1. Omvang, marktaandeel en prijzen van de invoer uit Kroatië
|
(97) |
Volgens gegevens van Eurostat is de omvang van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Kroatië tijdens de beoordelingsperiode met 133 % toegenomen. De invoer was laag in 2008, steeg vervolgens tot 2010, en daalde in het TNO weer licht. Algemeen genomen bleef de invoer uit Kroatië heel beperkt tijdens de hele beoordelingsperiode. |
|
(98) |
Het marktaandeel van de invoer uit Kroatië nam tijdens de beoordelingsperiode toe van 0,1 % tot 0,3 %. |
|
(99) |
De invoerprijzen zijn in de beoordelingsperiode geleidelijk met in totaal 23 % gedaald.
|
6.4.2. Prijsonderbieding
|
(100) |
De prijsonderbieding werd beoordeeld aan de hand van de uitvoerprijzen van de medewerkende Kroatische producent, zonder antidumpingrecht, en bleek 29,3 % te bedragen. Gezien het ontbreken van andere producenten-exporteurs in Kroatië geldt deze conclusie voor het gehele land. |
6.5. Ander bij antidumpingmaatregelen betrokken land
|
(101) |
Volgens Eurostatgegevens is de omvang van de invoer van NBP van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad (19), tijdens de beoordelingsperiode met 80 % gedaald. |
|
(102) |
Het marktaandeel van de Chinese invoer is gedaald van 20,5 % in 2008 naar 3,1 % in het TNO. |
7. ECONOMISCHE SITUATIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE
|
(103) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie een beoordeling gemaakt van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed zijn. |
7.1. Voorafgaande opmerkingen
|
(104) |
Aangezien voor de bedrijfstak van de Unie gebruik werd gemaakt van een steekproef, is de schade zowel beoordeeld aan de hand van de gegevens over de gehele bedrijfstak van de Unie, zoals gedefinieerd in overweging 57, als aan de hand van de gegevens over de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. |
|
(105) |
Bij steekproeven is het gebruikelijk om bepaalde schade-indicatoren (productie, capaciteit, productiviteit, verkoop, marktaandeel, groei en werkgelegenheid) voor de bedrijfstak van de Unie als geheel te analyseren, terwijl schade-indicatoren die betrekking hebben op de prestaties van individuele ondernemingen, zoals prijzen, productiekosten, winstgevendheid, lonen, investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en het vermogen om kapitaal aan te trekken, onderzocht worden aan de hand van de gegevens over de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie. |
7.2. Gegevens over de bedrijfstak van de Unie
a) Productie
|
(106) |
De productie van de bedrijfstak van de Unie is tussen 2008 en het eind van het TNO met 16 % gedaald, namelijk van 3 479 266 tot 2 917 325 ton. Het productievolume daalde in 2009 aanzienlijk, namelijk met 43 %, als gevolg van de wereldwijde economische neergang. Toen de vraag zich herstelde, herstelde ook de productie zich in 2010 en het TNO: de productie steeg met 27 % tussen 2009 en het eind van het TNO, maar bereikte het niveau van 2008 niet meer. De omvang van de productie vertoonde een trend die vergelijkbaar was met die van het verbruik, maar daalde minder dan het verbruik in de Unie als gevolg van de vraag op markten buiten de Unie.
|
b) Capaciteit en bezettingsgraad
|
(107) |
De productiecapaciteit is in de beoordelingsperiode constant gebleven. Omdat de productie met 16 % is gedaald, is de bezettingsgraad afgenomen, namelijk van 80 % in 2008 tot 67 % in het TNO. De sterkste daling van 80 % tot 45 % vond echter plaats in 2009 als gevolg van de daling van het productievolume. In 2010 en het TNO steeg de bezettingsgraad gestaag.
|
c) Voorraden
|
(108) |
Wat de voorraden betreft, zij opgemerkt dat in verreweg de meeste gevallen op bestelling wordt geproduceerd. Hoewel de voorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in 2009 aanzienlijk zijn gedaald, maar in 2010 tot het eind van het TNO weer met lichte schommelingen zijn gestegen tot bijna het niveau van 2008, wordt geoordeeld dat de voorraden in dit geval geen relevante schade-indicator waren.
|
d) Omvang van de verkoop
|
(109) |
De verkoop van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie is tussen 2008 en het eind van het TNO met 21 % gedaald. Nadat de omvang van de verkoop in 2009 met 42 % was gedaald, steeg hij opnieuw met 21 procentpunten tot het eind van het TNO. Deze ontwikkeling komt overeen met de ontwikkeling van het verbruik op de markt van de Unie, dat in 2009 met 48 % daalde als gevolg van de economische neergang, en vervolgens opnieuw begon te herstellen.
|
e) Marktaandeel
|
(110) |
De bedrijfstak van de Unie is erin geslaagd zijn marktaandeel tussen 2008 en het eind van het TNO geleidelijk te vergroten. Deze stijging is hoofdzakelijk te danken aan de sinds 2009 geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit de Volksrepubliek China. Het onderstaande marktaandeel is het aandeel van de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie, zowel aan niet-verbonden als aan verbonden afnemers, in de Unie als percentage van het verbruik in de Unie.
|
f) Groei
|
(111) |
Tussen 2008 en het eind van het TNO, toen het verbruik in de Unie met 34 % daalde, liep de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie met slechts 21 % terug. De bedrijfstak van de Unie won dus aan marktaandeel, terwijl de invoer uit Rusland en Oekraïne tijdens dezelfde periode 0,6 % aan marktaandeel verloor. |
g) Werkgelegenheid
|
(112) |
De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie is tussen 2008 en het eind van het TNO met 8 % afgenomen. De werkgelegenheid begon af te nemen in 2009 en nam in 2010 verder af, maar steeg in het TNO opnieuw met 11 % in vergelijking met 2010. Hieruit blijkt dat de bedrijfstak van de Unie zich kon aanpassen aan de nieuwe marktsituatie.
|
h) Productiviteit
|
(113) |
De productiviteit van de werknemers van de bedrijfstak van de Unie, uitgedrukt in productie per voltijdequivalent (VTE), fluctueerde sterk tijdens de beoordelingsperiode.
|
i) Hoogte van de dumpingmarge
|
(114) |
Het effect van de hoogte van de huidige dumpingmarges op de bedrijfstak van de Unie kan niet als verwaarloosbaar worden beschouwd, gezien het totale volume van de invoer uit de betrokken landen. |
7.3. Gegevens over de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
a) Verkoopprijzen en factoren die van invloed zijn op de binnenlandse prijzen
|
(115) |
De verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Unie zijn tussen 2008 en het eind van het TNO met 13 % gedaald. De prijzen zijn in 2009 licht gestegen, waarna zij in 2010 met 17 % zijn gedaald. In het TNO zijn de prijzen in vergelijking met 2010 licht gestegen. Deze prijsontwikkeling houdt verband met het feit dat 2008 een jaar was met een zeer hoge vraag en hoge grondstofprijzen, wat in hogere verkoopprijzen resulteerde. De gevolgen lieten zich begin 2009 nog voelen. Vanaf de tweede helft van 2009 daalde de vraag sterk en daalden ook de verkoopprijzen ingevolge een dalende trend van de grondstofprijzen. In het TNO bleek de prijsdaling te zijn gestopt.
|
b) Lonen
|
(116) |
Tussen 2008 en het eind van het TNO is het gemiddelde loon per VTE met 12 % gedaald. Hieruit kan evenwel geen zinvolle conclusie worden getrokken. |
c) Investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(117) |
Tijdens de beoordelingsperiode stegen de investeringen in NBP met 24 %. De investeringen waren aanzienlijk en bedroegen meer dan 100 miljoen EUR in het TNO. NBP is een kapitaalintensieve sector, die aanzienlijke investeringen in de productielijnen vereist om concurrerend te blijven. Uit het onderzoek is gebleken dat de investeringen zijn gedaan om de productiecapaciteit op het huidige niveau te houden, en niet met het doel het productievolume te vergroten. Er is ook vastgesteld dat de in de steekproef opgenomen producenten in de beoordelingsperiode geen problemen ondervonden om kapitaal aan te trekken.
|
d) Winstgevendheid op de markt van de Unie
|
(118) |
Hoewel de winstgevendheid tijdens de beoordelingsperiode met 66 % is gedaald, slaagden de in de steekproef opgenomen producenten erin tijdens de hele beoordelingsperiode winst te boeken. De winst die werd behaald tussen 2008 en het eind van het TNO lag boven de doelwinst van 3 % die in het jongste onderzoek was vastgesteld. 2008 was een zeer goed jaar met hoge winsten. In 2009 en eveneens in 2010 is de winstgevendheid met 50 % gedaald in vergelijking met het voorgaande jaar, maar in het TNO steeg de winstgevendheid opnieuw met 35 % ten opzichte van 2010 en bedroeg deze 6,6 %. De bedrijfstak van de Unie slaagde erin zich aan te passen aan de gedaalde vraag in de Unie en werd geholpen door de voortgezette wereldwijde vraag naar de producten die de in de steekproef opgenomen producenten produceerden, waardoor zij hun vaste kosten konden spreiden. De daling van de winstgevendheid na 2008 wordt verklaard door de economische neergang, die resulteerde in een sterke daling van de vraag, een daling van de prijzen en een daling van het productievolume, die negatieve gevolgen had voor de productiekosten.
|
e) Rendement van investeringen
|
(119) |
Het rendement van investeringen, uitgedrukt in de totale winst die is gegenereerd door de activiteiten op het gebied van NBP in percentage van de netto boekwaarde van activa die direct en indirect verbonden zijn met de productie van NBP, volgde gedurende de hele beoordelingsperiode in grote lijnen bovenstaande winstgevendheidtrends en bleef gedurende de hele beoordelingsperiode positief. Het rendement van investeringen daalde tijdens de beoordelingsperiode met 80 %, maar steeg in het TNO opnieuw met 50 % in vergelijking met 2010.
|
f) Kasstroom
|
(120) |
De kasstroomsituatie verslechterde aanzienlijk tussen 2008 en het eind van het TNO, aangezien de kasstroom met 93 % daalde. De trend van de kasstroom volgde niet de trend van de winstgevendheid; dat kan worden verklaard door de afschrijvingskosten die voor deze kapitaalintensieve sector gewoonlijk hoog zijn.
|
g) Herstel van de effecten van eerdere dumping
|
(121) |
Hoewel de hierboven onderzochte indicatoren aantonen dat de bedrijfstak van de Unie onder de economische neergang heeft geleden omdat de omvang van de verkoop, de omvang van de productie, het rendement van investeringen en de kasstroom daalden, geven zij ook aan dat de bedrijfstak van de Unie haar productieapparatuur heeft aangepast om beter bestand te zijn tegen het nieuwe economische klimaat en om in staat te zijn op de markt van de Unie en ook buiten de Unie gebruik te maken van de kansen, met name in marktsegmenten waar hoge marges kunnen worden bereikt. De verbetering van de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie, na de instelling van antidumpingmaatregelen in 2006 ten aanzien van de betrokken landen en in 2009 ten aanzien van de invoer uit de Volksrepubliek China, wijst erop dat de maatregelen doeltreffend zijn en dat de bedrijfstak van de Unie zich heeft hersteld van de gevolgen van eerdere dumpingpraktijken, hoewel hij het winstgevendheidsniveau van 2008 niet meer bereikt. |
7.4. Conclusie
|
(122) |
Hoewel het verbruik met 34 % is gedaald, is de bedrijfstak van de Unie erin geslaagd zijn marktaandeel te verhogen; het productievolume en het verkoopvolume zijn minder afgenomen dan het verbruik. De bedrijfstak van de Unie was gedurende de gehele beoordelingsperiode winstgevend. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode geen aanmerkelijke schade heeft geleden. |
8. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE
|
(123) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 69, 70, 77 en 78 beschikken de producenten-exporteurs in Rusland en Oekraïne over de mogelijkheid om hun uitvoervolume naar de Unie aanzienlijk te vergroten door gebruik te maken van beschikbare reservecapaciteit van ongeveer 1 750 000 ton, wat gelijk is aan het totale verbruik in de Unie. De totale capaciteit van de producenten-exporteurs in Rusland en Oekraïne bedraagt 5 500 000 ton. Het is derhalve aannemelijk dat bij het vervallen van de maatregelen grote hoeveelheden NBP uit Rusland en Oekraïne in de Unie op de markt zullen komen om het marktaandeel dat zij door de geldende antidumpingrechten hebben verloren, terug te veroveren en te vergroten. |
|
(124) |
Zoals benadrukt in overweging 95 is vastgesteld dat de prijzen van de invoer uit Rusland en Oekraïne laag waren en de prijzen van de Unie onderboden. Deze lage prijzen zouden zeer waarschijnlijk worden gehandhaafd. In het geval van Oekraïne zouden de prijzen zelfs nog verder kunnen dalen (zie overweging 80). Een dergelijk prijsgedrag, gekoppeld aan het feit dat de exporteurs in deze landen aanzienlijke hoeveelheden van het betrokken product op de markt van de Unie zouden kunnen brengen, zou naar alle waarschijnlijkheid een neerwaarts effect op de prijzen op de markt van de Unie hebben, wat de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie vermoedelijk negatief zou beïnvloeden. Zoals hierboven wordt aangetoond, zijn de financiële resultaten van de bedrijfstak van de Unie nauw verbonden met het prijsniveau op de markt van de Unie. Wanneer de bedrijfstak van de Unie wordt blootgesteld aan meer invoer met dumping uit Rusland en Oekraïne, zal dit dan ook waarschijnlijk resulteren in een verslechtering van de financiële situatie, zoals die in het jongste onderzoek werd vastgesteld. Op deze basis wordt geconcludeerd dat intrekking van de maatregelen ten aanzien van invoer van oorsprong uit Rusland en Oekraïne waarschijnlijk zal leiden tot de herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
|
(125) |
In 2006 werden antidumpingmaatregelen ingesteld om de schade veroorzakende dumping waarmee de invoer uit onder meer Kroatië, Rusland en Oekraïne gepaard ging, te neutraliseren. De bedrijfstak van de Unie kon evenwel niet ten volle van deze maatregelen profiteren, aangezien de marktaandelen van die landen zijn ingenomen door laaggeprijsde invoer uit China. Dat heeft het herstel van de bedrijfstak van de Unie zonder twijfel beperkt, tot het ogenblik waarop in 2009 maatregelen tegen China werden ingesteld. De bedrijfstak van de Unie is dus niet volledig hersteld van de vroegere dumping en blijft derhalve kwetsbaar voor de schade die kan worden veroorzaakt door de aanwezigheid van grote hoeveelheden met dumping ingevoerde goederen op de markt van de Unie. |
|
(126) |
Wat Kroatië betreft en zoals vermeld in overweging 60, staat de enige fabriek te koop, is de productie volledig stilgelegd en is het onwaarschijnlijk dat die binnenkort weer wordt opgestart. Gezien de verwaarloosbare hoeveelheden die naar de Unie werden uitgevoerd, is het bovendien zeer onwaarschijnlijk dat, zelfs indien de productie binnenkort wordt heropgestart, het volume dat naar de Unie kan worden uitgevoerd het niveau van de vroegere uitvoer zal halen. |
|
(127) |
Gezien de verwaarloosbare uitvoer in de beoordelingsperiode en het feit dat de productie na het TNO volledig werd stopgezet, wordt bijgevolg geconcludeerd dat de intrekking van de maatregelen ten aanzien van de invoer van oorsprong uit Kroatië zeer waarschijnlijk niet zal resulteren in de herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
9. BELANG VAN DE UNIE
9.1. Inleiding
|
(128) |
Ingevolge artikel 21 van de basisverordening werd nagegaan of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen ten aanzien van Rusland en Oekraïne tegen het belang van de Unie in haar geheel zou indruisen. Dit werd vastgesteld aan de hand van een beoordeling van alle verschillende betrokken belangen. Bij de eerdere onderzoeken werden antidumpingmaatregelen niet in strijd met het belang van de Unie geacht. Bovendien kan nu, omdat het om een nieuw onderzoek gaat waarbij een situatie wordt onderzocht waarin al antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, worden nagegaan of die maatregelen ongewenste negatieve gevolgen voor de betrokken partijen hebben. |
|
(129) |
Op basis hiervan werd onderzocht of er, ondanks de conclusies inzake de waarschijnlijkheid van herhaling van schade veroorzakende dumping, dwingende redenen waren om te concluderen dat handhaving van de maatregelen ten aanzien van de invoer van oorsprong uit Rusland en Oekraïne in dit bijzondere geval niet in het belang van de Unie is. |
9.2. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(130) |
De bedrijfstak van de Unie heeft bewezen een structureel levensvatbare bedrijfstak te zijn. Dit werd bevestigd door de positieve ontwikkeling van de economische situatie die is waargenomen tijdens de beoordelingsperiode. Met name het feit dat de bedrijfstak van de Unie zijn marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode heeft vergroot, is een sterke indicator dat de bedrijfstak van de Unie erin geslaagd is zich aan de gewijzigde marktomstandigheden aan te passen. Bovendien is de bedrijfstak van de Unie tijdens de hele beoordelingsperiode winstgevend gebleven. |
|
(131) |
Er kan redelijkerwijs worden verwacht dat de bedrijfstak van de Unie zal blijven profiteren indien de maatregelen worden gehandhaafd. De instelling van maatregelen zal het de bedrijfstak van de Unie mogelijk maken zijn verkoopvolume te vergroten en zijn winstgevendheid te verbeteren, zodat hij continu in zijn productiefaciliteiten kan investeren. Indien de maatregelen ten aanzien van de invoer van oorsprong uit Rusland en Oekraïne niet worden gehandhaafd, zal de Unie waarschijnlijk weer schade ondervinden door meer invoer met dumping uit deze landen en zal de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie waarschijnlijk verslechteren. |
9.3. Belang van de importeurs
|
(132) |
Er wordt aan herinnerd dat bij eerdere onderzoeken werd vastgesteld dat de instelling van maatregelen voor de importeurs geen grote gevolgen zou hebben. Zoals al in overweging 18 is aangegeven, hebben drie importeurs de vragenlijst beantwoord en volledig aan dit onderzoek meegewerkt. Zij hebben aangegeven dat de maatregelen de prijzen opdrijven. Aangezien uit het onderzoek is gebleken dat de medewerkende importeurs NBP bij verschillende leveranciers uit veel verschillende landen betrekken en dat de prijzen concurrerend waren, zal het eventuele effect van een voortzetting van de maatregelen ten aanzien van de invoer uit Rusland en Oekraïne evenwel beperkt zijn. |
|
(133) |
Gezien het voorgaande werd geconcludeerd dat de geldende maatregelen geen negatief effect van betekenis op de financiële situatie van de importeurs hadden en dat voortzetting van de maatregelen geen ernstige gevolgen voor hen zal hebben. |
9.4. Belang van de gebruikers
|
(134) |
De beschikbare informatie lijkt erop te wijzen dat het aandeel van NBP in de productiekosten van de gebruikers vrij laag is. NBP maken gewoonlijk deel uit van grotere projecten (boilers, pijplijnen, gebouwen) waarvan zij slechts een klein deel vormen. Het mogelijke effect van een voortzetting van de maatregelen zal bijgevolg wellicht niet aanzienlijk zijn. |
|
(135) |
De Commissie heeft alle bekende gebruikers een vragenlijst toegezonden. Zoals in overweging 18 is vermeld, heeft slechts één gebruiker aan het onderzoek meegewerkt. Deze gaf aan dat hij geen schade ondervond van het bestaan van de maatregelen omdat er andere bronnen beschikbaar zijn en NBP maar een klein deel van de productiekosten vertegenwoordigen. In deze context is geconcludeerd dat gezien het verwaarloosbare effect van de kosten van NBP voor de verwerkende ondernemingen en het bestaan van andere leveringsbronnen, de geldende maatregelen geen aanmerkelijk effect op de verwerkende ondernemingen hebben. |
9.5. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(136) |
Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om de huidige antidumpingmaatregelen niet te handhaven. |
10. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(137) |
Alle partijen zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan wordt aanbevolen de bestaande maatregelen te handhaven ten aanzien van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Rusland en Oekraïne, en deze te beëindigen met betrekking tot invoer van oorsprong uit Kroatië. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. |
|
(138) |
Een Russische exporteur verzocht om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur en werd gehoord. Die exporteur voerde aan dat de Commissie ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij niet aan het onderzoek heeft meegewerkt. Deze exporteur had zich kenbaar gemaakt als belanghebbende en heeft bij de Commissie twee opmerkingen ingediend, die hoofdzakelijk schade betroffen en waarmee de Commissie naar behoren rekening heeft gehouden. Deze exporteur heeft de antidumpingvragenlijst echter niet beantwoord en heeft geen informatie verstrekt over zijn uitvoerprijs. Bijgevolg bleef de Commissie geen andere keuze dan de normale waarde voor Rusland te berekenen op basis van de beste gegevens die beschikbaar waren. Deze exporteur heeft het gebruik van deze methode niet betwist. In deze omstandigheden kan deze exporteur niet worden geacht ten volle aan het onderzoek te hebben meegewerkt. |
|
(139) |
Dezelfde exporteur voerde ook aan dat de mededeling van feiten en overwegingen vaag, contradictoir en onvoldoende gemotiveerd was. Dit argument was echter niet onderbouwd. |
|
(140) |
Een andere Russische exporteur argumenteerde dat de invoer uit Rusland niet met die uit Oekraïne mag worden gecumuleerd. In het jongste onderzoek zijn de invoer uit Rusland en die uit Oekraïne echter samen beoordeeld (samen met de invoer uit Kroatië). Aangezien nog steeds is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 4, van de basisverordening wat de invoer uit Rusland en Oekraïne betreft, zijn de effecten van die invoer cumulatief beoordeeld, zoals uiteengezet in de overwegingen 88 tot en met 92. Er werden geen argumenten aangevoerd die hiervoor een verandering van methodologie zouden verantwoorden. |
|
(141) |
Verschillende belanghebbenden argumenteerden dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie de handhaving van de maatregelen niet rechtvaardigt, aangezien herhaling van schade onwaarschijnlijk is. Er werden evenwel geen nieuwe argumenten naar voren gebracht die tot een andere conclusie zouden leiden ten aanzien van de herhaling van schade als die welke is uiteengezet in de overwegingen 123 tot en met 127. |
|
(142) |
Verschillende belanghebbenden argumenteerden ook dat de maatregelen te lang gelden en verzochten deze te laten vervallen. In dit verband zij er nogmaals op gewezen dat dit voor deze productomschrijving het eerste nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen is. Voor deze productomschrijving zijn slechts sinds 2006 maatregelen van kracht, wat niet als een niet te rechtvaardigen lange periode kan worden beschouwd. Tussen 1997 en 2004 waren er inderdaad maatregelen van kracht ten aanzien van invoer uit Rusland, en tussen 2000 en 2004 ten aanzien van invoer uit Kroatië en Oekraïne, maar deze maatregelen betroffen een veel engere productomschrijving. Aangezien in het kader van dit onderzoek is vastgesteld dat voor de handhaving van de maatregelen aan de voorwaarden van artikel 11, lid 2, van de basisverordening is voldaan, is het feit dat mogelijk gedurende een paar jaar maatregelen golden, in elk geval irrelevant. |
|
(143) |
Tot slot werd aangevoerd dat de invoer uit Rusland anders wordt behandeld dan de invoer uit Belarus en Kroatië, wat als discriminerend kan worden beschouwd. Deze verklaring geeft niet de realiteit weer, aangezien de situatie van deze landen totaal verschillend is. De klacht inzake invoer uit Belarus werd ingetrokken en de procedure werd vervolgens beëindigd overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de basisverordening (20). Na de mededeling van feiten en overwegingen werden geen aanwijzingen aangedragen waaruit bleek dat een dergelijke beëindiging niet in het belang van de Unie zou zijn. Wat Kroatië betreft, is de productie in dat land stilgelegd, zoals reeds uiteengezet in de overwegingen 63, 64 en 65. |
|
(144) |
Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat de opmerkingen die de Commissie heeft ontvangen geen aanleiding gaven de bovenstaande conclusies te wijzigen. |
|
(145) |
Uit het bovenstaande volgt dat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op NBP van oorsprong uit Rusland en Oekraïne moeten worden gehandhaafd. Daarentegen dienen de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer uit Kroatië, te vervallen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, met rond profiel, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een koolstofequivalent (carbon equivalent value, CEV) van niet meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het Internationaal Instituut voor Lastechniek (21), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 11 00 , ex 7304 19 10 , ex 7304 19 30 , ex 7304 22 00 , ex 7304 23 00 , ex 7304 24 00 , ex 7304 29 10 , ex 7304 29 30 , ex 7304 31 80 , ex 7304 39 58 , ex 7304 39 92 , ex 7304 39 93 , ex 7304 51 89 , ex 7304 59 92 en ex 7304 59 93 (22) (Taric-codes 7304 11 00 10, 7304 19 10 20, 7304 19 30 20, 7304 22 00 20, 7304 23 00 20, 7304 24 00 20, 7304 29 10 20, 7304 29 30 20, 7304 31 80 30, 7304 39 58 30, 7304 39 92 30, 7304 39 93 20, 7304 51 89 30, 7304 59 92 30 en 7304 59 93 20), van oorsprong uit Rusland en Oekraïne.
2. Het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande ondernemingen is geproduceerd, is als volgt:
|
Land |
Onderneming |
Antidumpingrecht % |
Aanvullende Taric- code |
|
Rusland |
Joint Stock Company Chelyabinsk Tube Rolling Plant en Joint Stock Company Pervouralsky Novotrubny Works |
24,1 |
A741 |
|
|
OAO Volzhsky Pipe Plant, OAO Taganrog Metallurgical Works, OAO Sinarsky Pipe Plant and OAO Seversky Tube Works |
27,2 |
A859 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
35,8 |
A999 |
|
Oekraïne |
OJSC Dnepropetrovsk Tube Works |
12,3 |
A742 |
|
|
LLC Interpipe Niko Tube en OJSC Interpipe Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (Interpipe NTRP) |
17,7 |
A743 |
|
|
CJSC Nikopol Steel Pipe Plant Yutist |
25,7 |
A744 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
25,7 |
A999 |
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
4. De procedure van het nieuwe onderzoek inzake naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, met rond profiel, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm en een koolstofequivalent (carbon equivalent value, CEV) van niet meer dan 0,86 volgens de formule en chemische analyse van het Internationaal Instituut voor Lastechniek (IIL), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 11 00 , ex 7304 19 10 , ex 7304 19 30 , ex 7304 22 00 , ex 7304 23 00 , ex 7304 24 00 , ex 7304 29 10 , ex 7304 29 30 , ex 7304 31 80 , ex 7304 39 58 , ex 7304 39 92 , ex 7304 39 93 , ex 7304 51 89 , ex 7304 59 92 en ex 7304 59 93 , van oorsprong uit Kroatië, wordt hierbij beëindigd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Luxemburg, 26 juni 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
N. WAMMEN
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 322 van 25.11.1997, blz. 1.
(3) PB L 23 van 28.1.2000, blz. 78.
(4) PB L 45 van 17.2.2000, blz. 1.
(5) PB L 246 van 20.7.2004, blz. 10.
(6) PB L 46 van 17.2.2005, blz. 7.
(7) PB L 46 van 17.2.2005, blz. 46.
(8) PB L 300 van 17.11.2005, blz. 1.
(9) PB L 175 van 29.6.2006, blz. 4.
(10) PB C 288 van 30.11.2007, blz. 34.
(11) Zaak C-191/09 — Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP/Raad.
(12) PB L 165 van 26.6.2012, blz. 1.
(13) PB C 187 van 28.6.2011, blz. 16.
(14) PB C 223 van 29.7.2011, blz. 8 en PB C 303 van 14.10.2011, blz. 11.
(15) De CEV wordt bepaald volgens het Technisch Verslag van 1967, IIL doc. IX-555-67, gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor Lastechniek (IIL).
(16) Zie de overwegingen 87 en 94 tot en met 99 van Verordening (EG) nr. 954/2006.
(17) Zie de overwegingen 119 tot en met 127 van Verordening (EG) nr. 954/2006.
(18) PB L 220 van 15.8.2008, blz. 1.
(19) PB L 262 van 6.10.2009, blz. 19.
(20) PB L 121 van 8.5.2012, blz. 36.
(21) De CEV wordt bepaald volgens het Technisch Verslag van 1967, IIL doc. IX-555-67, gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor Lastechniek (International Institute of Welding - IIL).
(22) Zoals momenteel gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1006/2011 van de Commissie van 27 september 2011 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 282 van 28.10.2011, blz. 1). De productomschrijving wordt bepaald door een combinatie van de beschrijving van het product in artikel 1, lid 1, en die in de desbetreffende GN-codes.