|
28.6.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 168/38 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 27 juni 2012
tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde sojaproteïneconcentraten van oorsprong uit de Volksrepubliek China
(2012/343/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9,
Na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. INLEIDING VAN DE PROCEDURE
|
(1) |
Op 19 april 2011 heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) („het bericht van inleiding”) de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde sojaproteïneconcentraten van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC” of „het betrokken land”). |
|
(2) |
De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 7 maart 2011 werd ingediend door Solae Europe SA („de klager”), die een groot deel, in dit geval meer dan 25 %, van de totale productie van bepaalde sojaproteïneconcentraten in de Unie vertegenwoordigt (3). Het bij die klacht gevoegde bewijsmateriaal betreffende de dumping van het product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om een antidumpingprocedure in te leiden. |
2. BIJ DE PROCEDURE BETROKKEN PARTIJEN
|
(3) |
De Commissie heeft de klager, de andere bekende producent in de Unie, de haar bekende betrokken producent-exporteur en vertegenwoordigers van de VRC, importeurs, leveranciers en gebruikers, alsmede hun verenigingen officieel van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(4) |
Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. |
|
(5) |
Met alle mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werd waar nodig rekening gehouden. |
|
(6) |
Gezien het blijkbaar grote aantal producenten-exporteurs en niet-verbonden importeurs in de Unie, werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van een steekproef gebruik te maken. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze ook samen te stellen, werd aan alle producenten-exporteurs en niet-verbonden importeurs in de Unie gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar overeenkomstig het bericht van inleiding basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het betrokken product tijdens de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 („het onderzoektijdvak” of „het OT”). De autoriteiten van de VRC werden eveneens geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef van producenten-exporteurs. |
2.1. STEEKPROEF VAN PRODUCENTEN-EXPORTEURS
|
(7) |
Twintig producenten-exporteurs verstrekten de informatie waarom in de steekproefprocedure werd verzocht en boden aan binnen de termijnen hun medewerking te verlenen. De in de EU verkochte volumes die deze (groepen) producenten-exporteurs rapporteerden, vertegenwoordigden ongeveer 90 % van de betrokken invoer tijdens het onderzoektijdvak. Bijgevolg werd de mate van medewerking hoog geacht. |
|
(8) |
Omdat veel (groepen) producenten-exporteurs zich bereid verklaarden medewerking te verlenen, werd het nodig geacht voor de producenten-exporteurs een steekproef samen te stellen. |
|
(9) |
De Commissie stelde overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef samen op basis van de grootste representatieve uitvoerhoeveelheden die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht. De aldus oorspronkelijk samengestelde steekproef bestond uit twee groepen verbonden ondernemingen, die onder meer vijf individuele producenten vertegenwoordigden en in het onderzoektijdvak goed waren voor 40 % tot 50 % van het uitvoervolume van het betrokken product uit de VRC in de EU. Nadat de Commissie aanwijzingen had ontvangen dat deze twee groepen voor de instelling van een antidumpingrecht misschien als één entiteit zouden moeten worden behandeld (zie overweging 41), werd de steekproef uitgebreid met een derde groep producenten-exporteurs, zodat hij 45 % tot 60 % van de invoer uit China vertegenwoordigde. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werd met de betrokken partijen en met de Chinese autoriteiten overleg gepleegd over zowel de initiële samenstelling als de latere uitbreiding van de steekproef. Twee verbonden producenten-exporteurs maakten bezwaar tegen de uitbreiding van de steekproef met het argument dat zij geschikter waren als derde groep producenten-exporteurs om in de steekproef te worden opgenomen indien de steekproef moest worden uitgebreid. Er zij op gewezen dat de voorgestelde nieuwe steekproef overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening bestond uit de drie groepen producenten-exporteurs met de grootste in de EU verkochte volumes van het betrokken product tijdens het OT. Bovendien hadden de twee verbonden producenten die argumenteerden dat zij als derde groep hadden moeten worden geselecteerd in het OT slechts zeer kleine hoeveelheden van het betrokken product in de EU verkocht (namelijk minder dan 10 % van de hoeveelheden die de geselecteerde derde groep in de EU had verkocht). Daarom werd bevestigd dat de uitgebreide steekproef met de drie voorgestelde groepen het representatiefst was. Er werden verder geen bezwaren gemaakt. |
2.2. STEEKPROEF VAN IMPORTEURS
|
(10) |
Na onderzoek van de verstrekte informatie en gezien het grote aantal importeurs dat zich bereid verklaarde om medewerking te verlenen, werd besloten dat voor de niet-verbonden importeurs een steekproef moest worden samengesteld. |
|
(11) |
Zeven niet-verbonden importeurs, die 20 % van de totale invoer van het betrokken product in de Unie vertegenwoordigden, stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Drie importeurs, die ongeveer 17 % van de totale invoer uit de VRC en bijna 90 % van de invoer van de medewerkende importeurs vertegenwoordigden, werden voor de steekproef geselecteerd. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening werden de betrokken partijen in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken over de samenstelling van de steekproef. Er werden geen bezwaren gemaakt. Een van de in de steekproef opgenomen importeurs zette zijn medewerking stop en heeft de vragenlijst niet beantwoord. |
2.3. ANTWOORDEN OP DE VRAGENLIJST EN CONTROLES
|
(12) |
Om de in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs in de VRC in staat te stellen desgewenst een verzoek om behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) of individuele behandeling („IB”) in te dienen, heeft de Commissie hen BMO- en IB-aanvraagformulieren toegezonden. In dit verband hebben twee in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening BMO aangevraagd, en heeft de resterende in de steekproef opgenomen groep ondernemingen overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening IB aangevraagd. |
|
(13) |
BMO-/IB-aanvraagformulieren werden ook gestuurd naar niet in de steekproef opgenomen (groepen) producenten-exporteurs die te kennen hadden gegeven dat zij overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening, een individueel onderzoek wilden aanvragen. |
|
(14) |
De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, naar de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die te kennen hadden gegeven dat zij een individueel onderzoek wilden aanvragen, naar de klager en naar de andere bekende producent in de Unie, naar de in de steekproef opgenomen importeurs en naar alle bekende gebruikers. |
|
(15) |
Nadat de Commissie om informatie had verzocht van producenten in de mogelijke referentielanden Brazilië, Israël en de Verenigde Staten van Amerika („de VS”), heeft zij ook vragenlijsten gestuurd naar de producenten die hun medewerking hadden aangeboden in Brazilië en Israël met het oog op de vaststelling van de normale waarde voor ondernemingen waaraan geen BMO kon worden toegekend (zie de overwegingen 60 tot en met 64). |
|
(16) |
De Commissie heeft volledig ingevulde vragenlijsten ontvangen van de drie in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs in de VRC, van één Braziliaanse producent, van één Israëlische producent, van één producent in de Unie (met één productiefaciliteit in België en één in Denemarken), van twee (van de drie) in de steekproef opgenomen importeurs en van vier gebruikers in de EU. Een andere Braziliaanse producent heeft de vragenlijst onvolledig beantwoord. |
|
(17) |
Bovendien heeft de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening aanvragen voor een individueel onderzoek („IO”) ontvangen van één niet in de steekproef opgenomen producent-exporteur („IO-aanvrager A”) en van één groep niet in de steekproef opgenomen verbonden producenten-exporteurs (samen „IO-aanvrager B”) (4). Na analyse van de informatie van de in de steekproef opgenomen partijen en van deze aanvragen, met inbegrip van de naar behoren beantwoorde vragenlijsten, werd geoordeeld dat het aantal (groepen) producenten-exporteurs dat moest worden onderzocht alleen al in de steekproef zo groot was dat extra IO's veel te belastend zouden zijn en een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg zouden staan. Bijgevolg zijn de aanvragers ervan op de hoogte gesteld dat hun IO-aanvraag werd verworpen. |
|
(18) |
IO-aanvrager B betwistte deze beslissing om zijn IO-aanvraag niet in overweging te nemen. Hij argumenteerde dat deze weigering in strijd zou zijn met artikel 17, lid 3, van de basisverordening en met artikel 6.10 van de Antidumpingovereenkomst, zoals dat onlangs in de bevestigingsmiddelenzaak (5) door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO werd geïnterpreteerd. Bovendien zou een dergelijke weigering indruisen tegen het grondbeginsel van evenredigheid. |
|
(19) |
Wat het eerste argument betreft, bieden zowel artikel 17, lid 3, van de basisverordening als artikel 6.10 van de Antidumpingovereenkomst de onderzoekende autoriteit uitdrukkelijk de mogelijkheid om IO-aanvragen buiten beschouwing te laten wanneer het aantal betrokken exporteurs en/of producenten zo groot is dat zulks ondoenbaar zou zijn. In het rapport van de WTO-Beroepsinstantie (WTO Appellate Body Report) in de bevestigingsmiddelenzaak werd verduidelijkt dat tijdige IO-aanvragen „in de regel” moeten worden geaccepteerd tenzij dit „te belastend” zou zijn (6). In dit geval zou de controle van de antwoorden op de vragenlijst en van de antwoorden op de BMO-aanvraagformulieren van de IO-aanvragers een controlebezoek aan een onderneming (IO-aanvrager A) en twee andere ondernemingen (die welke deel uitmaken van IO-aanvrager B) inhouden. Tijdens deze controlebezoeken moet worden nagegaan of de ondernemingen voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), en moeten de aangegeven structuur, de kosten (met inbegrip van de productiekosten en de aankopen), de verkoop en de winstgevendheid worden gecontroleerd. Gezien het grote aantal entiteiten dan in de steekproef reeds wordt onderzocht, zou de toevoeging van een extra aanvrager inderdaad te belastend zijn geweest; de tijdige afsluiting van het onderzoek zou erdoor ernstig in gevaar zijn gebracht. Bijgevolg is de beslissing om deze aanvragen voor een individueel onderzoek niet te aanvaarden bij wet gerechtvaardigd en is zij niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. |
|
(20) |
Nadat IO-aanvrager B had vernomen dat een IO te belastend zou zijn, stelde hij voor om zijn BMO-aanvraag in te trekken indien hem een IO zou worden toegekend. Hij argumenteerde dat de Commissie, aangezien hij tijdens het OT slechts één kleine uitvoertransactie zou hebben verricht en niet langer BMO aanvroeg, geen controlebezoek in de VRC behoefde te maken met het oog op de vaststelling van dumping en dat het zou volstaan die ene uitvoertransactie te controleren naar aanleiding van de controle van het antwoord op de vragenlijst van klager in de EU. De exporteur argumenteerde dat de toekenning van een individueel onderzoek bijgevolg niet belastend zou zijn. |
|
(21) |
Indien een IO wordt toegekend, is een controlebezoek aan IO-aanvrager B echter nodig, aangezien het bestaan van andere uitvoer naar de EU tijdens het OT zonder een controlebezoek in de VRC aan beide producenten in de groep niet kan worden uitgesloten. Een dergelijke controle zou te belastend zijn geweest gezien de omvang van de steekproef met drie grote groepen ondernemingen. Het verzoek werd daarom van de hand gewezen. |
|
(22) |
De beslissing om de aanvragen voor een individuele behandeling niet te aanvaarden, werd gehandhaafd. Gezien de hierboven vermelde gronden werd definitief besloten dat aanvragen voor individueel onderzoek niet konden worden ingewilligd, aangezien het onderzoek erdoor te belastend zou worden en deze een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg zouden staan. |
|
(23) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, de (dreigende) schade als gevolg hiervan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:
|
3. ONDERZOEKTIJDVAK
|
(24) |
Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 (het „onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die van belang zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 2007 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”). |
4. BEVINDINGEN IN HET STADIUM VAN HET TUSSENTIJDSE ONDERZOEK
|
(25) |
In de fase van het tussentijdse onderzoek werd geoordeeld dat beter geen voorlopige maatregelen konden worden ingesteld, vooral omdat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping van bepaalde sojaproteïneconcentraten uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade nog verder moest worden onderzocht. |
5. VERVOLG VAN DE PROCEDURE
|
(26) |
Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten geen voorlopige maatregelen in te stellen („mededeling van de tussentijdse bevindingen”), hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de tussentijdse bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. |
|
(27) |
De Commissie heeft vervolgens alle informatie verzameld die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. Naast de in overweging 23 vermelde controles is nog een extra controlebezoek uitgevoerd bij Kerry in Bristol, VK, een van de importeurs en gebruikers van sojaproteïnen die aan het onderzoek hebben meegewerkt. |
B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
1. BETROKKEN PRODUCT
|
(28) |
In het bericht van inleiding is het betrokken product gedefinieerd als sojaproteïneconcentraat met een proteïnegehalte van 65 gewichtspercenten of meer (N × 6,25) berekend op de droge stof door vitaminen, mineralen, aminozuren en voedingsadditieven buiten beschouwing te laten, van oorsprong uit de VRC („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2106 10 20 , ex 2106 90 92 , ex 2309 90 10 , ex 2309 90 99 (ex 2309 90 96 sinds 1 januari 2012) en ex 3504 00 90 . |
|
(29) |
In de bovenstaande productomschrijving kunnen twee grote productgroepen worden onderscheiden: i) sojaproteïneconcentraten („concentraten”, waaronder eenvoudige/basisconcentraten en verder verwerkte concentraten) met een proteïnegehalte van meer dan 65 % maar minder dan 90 %; en ii) geïsoleerde sojaproteïnen („isolaten”), met een proteïnegehalte van 90 % of meer. |
|
(30) |
Er werd eveneens vastgesteld dat het eenvoudige concentraat veeleer een basisproduct met een lage toegevoegde waarde is, maar dat isolaten en verder verwerkte concentraten aanzienlijk meer verwerking vergen en bijgevolg producten met een hogere toegevoegde waarde zijn. |
|
(31) |
De productomschrijving hierboven omvat ook eenvoudige (niet verder verwerkte) concentraten voor diervoeding. Deze werden tijdens de beoordelingsperiode in de EU geproduceerd door één in Frankrijk gevestigde productie-installatie van de klager en door een andere onderneming, ADM, die in Nederland gevestigd is. |
|
(32) |
Na de mededeling van de tussentijdse bevindingen vroeg de klager de productomschrijving te wijzigen en concentraten die voor diervoeding worden gebruikt eruit te verwijderen. De klager was gekant tegen de benadering die in het tussentijdse document werd voorgesteld en argumenteerde dat de uitsluiting van de gegevens van de productie-eenheid in Frankrijk, die in 2009 (dit is in het midden van de beoordelingsperiode) werd gesloten, de resterende gegevens (waarvan de gegevens van ADM nog deel uitmaakten) inconsistent maakte. Bijgevolg werden de verkoop en het marktaandeel van de producenten in de EU van het onderzochte product kunstmatig vergroot. |
|
(33) |
De klager argumenteerde dat, gezien de relatief stabiele vraag, een deel van de leveringen door de Franse productie-eenheid van Solae, tot die in 2009 sloot, werd overgenomen door hun concurrent in de EU, ADM. Het feit dat geen rekening werd gehouden met de gegevens van de Franse productie-eenheid resulteerde bijgevolg in een misleidende vergelijking van de gegevens voor 2008, toen ADM slechts een kleiner aandeel van de markt voor concentraten voor diervoeding had, met de gegevens voor het OT, toen AMD een veel groter aandeel van die markt had. |
|
(34) |
De klager verstrekte met name informatie over technische en chemische verschillen tussen de concentraten voor diervoeding enerzijds en andere concentraten en isolaten anderzijds. Voor deze subgroepen worden ook verschillende distributiekanalen gebruikt. Bovendien zijn concentraten voor diervoeding ingedeeld onder een andere GN-code dan andere concentraten (voor levensmiddelen) en isolaten. |
|
(35) |
Na de indiening van de klacht was een exporteur het oneens met het verzoek om de productomschrijving te beperken. Deze exporteur had het verzoek echter verkeerd begrepen en dacht dat het de bedoeling was alle sojaproteïneconcentraten uit te sluiten, terwijl het verzoek in feite alleen de uitsluiting van eenvoudige sojaproteïneconcentraten voor diervoeding betrof. Bovendien heeft de exporteur niet aangetoond waarom het verzoek ongegrond zou zijn. |
|
(36) |
Er zij ook op gewezen dat de invoer van sojaproteïneconcentraten voor diervoeding, op grond van de informatie die tijdens het onderzoek is verzameld, minder dan 1 % vertegenwoordigt van de totale Chinese invoer in de Unie van het onderzochte product (zoals oorspronkelijk gedefinieerd). |
|
(37) |
Gezien het bovenstaande, en met name de duidelijke technische, chemische en marktgerelateerde verschillen, wordt het passend geacht de productomschrijving te beperken door eenvoudige sojaproteïneconcentraten van de soort die in diervoeding wordt gebruikt, uit te sluiten. Bij het betrokken product gaat het bijgevolg om sojaproteïneconcentraten, andere dan dergelijke producten van een soort die in diervoeding wordt gebruikt, met een proteïnegehalte van 65 gewichtspercenten of meer (N × 6,25) berekend op de droge stof door vitaminen, mineralen, aminozuren en voedingsadditieven buiten beschouwing te laten, van oorsprong uit de VRC („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2106 10 20 , ex 2106 90 92 en ex 3504 00 90 . |
|
(38) |
Het betrokken product wordt hoofdzakelijk gebruikt in de levensmiddelenindustrie in vleestoepassingen en vleesvervangers. Andere levensmiddelentoepassingen zijn onder meer slasauzen, soepen, poeders voor dranken, energierepen, zuivelvrije creamers, bevroren desserts, opgeklopte toppings, zuigelingenvoeding, brood, ontbijtgranen, pasta enz. Door zijn functionaliteiten heeft het betrokken product ook een aantal specifieke toepassingen, met name in kleefstoffen, asfalt, harsen, schoonmaakmiddelen, cosmetica, inkt, leder, verf, papiercoatings, pesticiden/fungiciden, plastic, polyester en textielvezels. |
|
(39) |
Ondanks een aantal verschillen in mogelijke eindtoepassingen hebben de verschillende soorten van het betrokken product, concentraten en isolaten, allemaal dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen. Daarom worden zij als één enkel product beschouwd. |
2. SOORTGELIJK PRODUCT
|
(40) |
Vastgesteld werd dat het betrokken product en bepaalde sojaproteïneconcentraten die in de VRC worden geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt worden verkocht, en bepaalde sojaproteïneconcentraten die in het referentieland, Brazilië, worden geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt worden verkocht dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt als bepaalde sojaproteïneconcentraten die door de bedrijfstak van de Unie in de Unie worden geproduceerd en daar ook worden verkocht. Daarom worden deze producten als gelijk beschouwd in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
C. DUMPING
1. VERBAND TUSSEN DE SINOGLORY-GROEP EN DE GUSHEN-GROEP
|
(41) |
Tot de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs behoorden Shandong Crown Soya Protein Co. Ltd en haar verbonden ondernemingen („de Crown-groep”), Gushen Biological Technology Group Co. Ltd en haar verbonden ondernemingen („de Gushen-groep”) en Sinoglory Health Food Co. Ltd en haar verbonden ondernemingen („de Sinoglory-groep”). In een vroeg stadium van het onderzoek werd geoordeeld dat de Gushen-groep en de Sinoglory-groep misschien als verbonden exporteurs moesten worden behandeld. Op grond van de informatie die de betrokken exporteurs hebben verstrekt, werd uiteindelijk toch besloten de Gushen-groep en de Sinoglory-groep in dit onderzoek als afzonderlijke entiteiten te beschouwen. |
2. BEHANDELING ALS MARKTGERICHTE ONDERNEMING („BMO”)
|
(42) |
Ingevolge artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt bij antidumpingonderzoeken betreffende producten van oorsprong uit de VRC de normale waarde voor producenten die aan de criteria van lid 7, onder c), van dat artikel voldoen, overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel vastgesteld. |
|
(43) |
Gemakshalve worden deze criteria hieronder nog eens kort samengevat:
|
|
(44) |
De Crown-groep en de Sinoglory-groep hebben BMO aangevraagd. |
|
(45) |
Zowel voor de Crown-groep als voor de Sinoglory-groep heeft de Commissie alle gegevens verzameld die zij nodig achtte, en heeft zij de in het BMO-aanvraagformulier verstrekte gegevens en alle andere nodig geachte gegevens ter plaatse gecontroleerd. |
|
(46) |
Uit het onderzoek is gebleken dat geen van beide groepen aan de in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening opgenomen criteria voor toekenning van BMO voldeed. |
|
(47) |
In beide groepen voldeden de ondernemingen met name niet aan de criteria 1, 2, en 3. |
EERSTE GROEP
|
(48) |
In het geval van één groep voldeed een producent in de groep niet aan criterium 1 omdat hij verplicht was al zijn producten op de internationale markt te verkopen. Hoewel de onderneming argumenteerde dat deze bepaling niet bindend was, heeft de onderneming in feite nooit op de binnenlandse markt verkocht (met uitzondering van een kleine verkoop in 2007). Wat criterium 2 betreft, werden voor beide producenten in de groep verschillende boekhoudingsproblemen vastgesteld. Bovendien heeft één van de ondernemingen in de groep geen BMO-aanvraagformulier ingediend. Voorts heeft een onderneming in de groep een deel van haar grond verpacht zonder enige registratie van de pachtinkomsten in haar rekeningen, aangezien voor deze betalingen geen facturen of bewijzen van betaling zijn opgemaakt. Toen zij verhuisde naar een nieuwe productielocatie en een deel van haar uitrusting niet meer werd gebruikt, is de waardevermindering niet getoetst. Tot slot ontving één van de ondernemingen in de groep, toen die een nieuw stuk grond kocht, middelen van de regering om de dorpsbewoners te vergoeden die moesten verhuizen. Deze betaling werd echter niet voor dat doel gebruikt, maar wel om de kosten van het grondgebruiksrecht te verminderen. Wat criterium 3 betreft, ruilen de twee producenten in de groep grondstoffen van een gemeenschappelijke leverancier zonder enige behoorlijke documentatie of registratie, op grond van zeer informele regelingen zonder aanpassingen voor prijsverschillen of vergoedingen: dit is een soort ruilhandel. Voorts kon een producent gedurende verschillende jaren en zonder betaling de grond gebruiken die toebehoorde aan zijn meerderheidsaandeelhouder. Dat kon volgens die onderneming omdat de moedermaatschappij de gebruiksrechten voor die grond in het kader van haar privatisering voor een zeer lage prijs had verworven. |
|
(49) |
Na de mededeling van de gedetailleerde BMO-bevindingen en de mededeling van de tussentijdse bevindingen herhaalde de groep eerder aangevoerde argumenten, namelijk dat één van de twee producenten niet mocht worden beschouwd als wettelijk verbonden met de rest van de groep. In verband met dit argument is echter vastgesteld dat de twee producenten samen met de rest van de groep een gecoördineerde commerciële en industriële strategie nastreefden, waaronder de in overweging 48 vermelde ruilhandel. Het argument wordt daarom afgewezen. |
|
(50) |
De groep voerde ook aan dat de verkoopbeperking voor één van zijn producenten alleen in de statuten was vermeld, en niet in de bedrijfsvergunning of het goedkeuringscertificaat. Volgens de onderneming was de beperking bijgevolg niet bindend. Bovendien werd er aangevoerd dat de onderneming die geen BMO-aanvraagformulier had ingediend geen productie- of handelsmaatschappij maar eerder een betaalagent was en dat de groep haar best had gedaan om alle beschikbare informatie te verstrekken. |
|
(51) |
Zoals hierboven vermeld voldeed de producent in kwestie duidelijk aan de verkoopbeperking. Bovendien maken de statuten deel uit van de documenten die voor goedkeuring aan de autoriteiten worden overgelegd wanneer de onderneming wordt opgericht; bijgevolg is het duidelijk dat de inhoud van deze documenten de basis vormt voor de werkelijke activiteiten van de onderneming. Tot slot werd vastgesteld dat de onderneming die geen BMO-aanvraagformulier heeft ingediend in feite betrokken was bij bepaalde aspecten die verband hielden met de uitvoer van het product in kwestie, en dat zij bijgevolg een BMO-aanvraagformulier had moeten indienen. Daarom worden beide argumenten verworpen. |
TWEEDE GROEP
|
(52) |
In het geval van de andere groep was een van de producenten-exporteurs eveneens onderworpen aan een beperking van zijn verkoop, waarbij hij 70 % van zijn productie moest uitvoeren; hij voldeed bijgevolg niet aan criterium 1. Wat criterium 2 betreft, zijn een aantal problemen vastgesteld met de afschrijving van activa en wijzigingen van de boekhoudpraktijken. Wat criterium 3 betreft, varieert de waarde die in een van de rekeningen van de ondernemingen wordt toegekend aan twee stukken grond aanzienlijk; er wordt geoordeeld dat de onderneming zich een stuk grond heeft kunnen aanschaffen tegen een prijs die duidelijk onder de marktwaarde ligt en aldus een verkapte subsidie heeft ontvangen. Bovendien kon een andere onderneming in de groep een stuk grond een jaar lang gratis pachten en heeft zij grondgebruiksrechten verkregen tegen een prijs onder de marktwaarde. Tot slot is in de toelichting bij de rekeningen geen melding gemaakt van een aantal garanties binnen de groep, wat een inbreuk betekent op internationale standaard voor jaarrekeningen nr. 24. |
|
(53) |
Na de mededeling van de gedetailleerde BMO-bevindingen en de mededeling van de tussentijdse bevindingen argumenteerde de groep dat de feitelijke verkoop van de twee producenten aan geen enkele verkoopbeperking onderworpen was. Volgens de ondernemingen was het feit dat hun respectieve uitvoervolumes in overeenstemming waren met de beperkingen in hun statuten alleen toe te schrijven aan het evenwicht tussen vraag en aanbod op de sojaproteïnemarkt. Zij onderstreepten dat deze beperkende bepalingen kort na het OT uit deze teksten waren verwijderd. Bovendien argumenteerde de groep in verband met criterium 2 dat zij, afgezien van kleine boekhoudingsfoutjes, de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van China, die zij moet toepassen in plaats van de internationale standaard voor jaarrekeningen, volledig had nageleefd. In verband met de grondgebruiksrechten argumenteerde de groep dat de verschillende waarde van de twee stukken grond toe te schrijven was aan de nivelleringskosten voor één van de twee stukken grond. Tot slot werd benadrukt dat de gratis pacht van een ander stuk grond toe te schrijven was aan administratieve vertragingen alvorens het grondgebruiksrecht werkelijk kon worden verworven en dat de waarde van de vrijstelling sowieso maar miniem was in vergelijking met de bedrijfsopbrengsten. |
|
(54) |
Wat criterium 1 betreft, zij opgemerkt dat de statuten deel uitmaken van de documenten die bij de oprichting van de onderneming aan de autoriteiten worden overgelegd en door hen worden goedgekeurd. Er wordt geoordeeld dat de onderneming de verkoopbeperkingen heeft nageleefd omdat zij daartoe verplicht was, en het is duidelijk dat de inhoud van deze documenten de basis vormt voor de feitelijke activiteiten van de onderneming. Bovendien wordt onderstreept dat de schrapping van de beperkingen uit de statuten na het OT heeft plaatsgevonden en bijgevolg irrelevant is voor het onderzoek. Wat criterium 2 betreft, kon de nauwgezetheid en de betrouwbaarheid van de administratie duidelijk niet worden bevestigd. Bovendien hoort de boekhouding van de onderneming te worden geaudit overeenkomstig de internationale standaard voor jaarrekeningen; dit kon tijdens het bezoek ter plaatse niet worden bevestigd. Wat criterium 3 betreft, kon tijdens het bezoek ter plaatse geen bewijsmateriaal worden overgelegd voor de nivelleringskosten voor het desbetreffende stuk grond. Tot slot en los van de aangevoerde uitleg blijft het een feit dat één van de ondernemingen haar grond gedurende een bepaalde periode gratis pachtte en aldus een subsidie genoot. De opmerkingen konden bijgevolg geen verandering brengen in de BMO-bevindingen. Deze bevindingen worden hierbij bevestigd. |
3. INDIVIDUELE BEHANDELING („IB”)
|
(55) |
Ingevolge artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet voor landen waarop die bepaling van toepassing is, een voor het gehele land geldend recht worden vastgesteld, maar kunnen ondernemingen die kunnen aantonen dat zij aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen, daarvan worden uitgezonderd. Gemakshalve worden deze criteria hieronder nog eens kort samengevat:
|
|
(56) |
De Gushen-groep heeft uitsluitend IB aangevraagd. Deze aanvraag werd onderzocht en niets wees erop dat de onderneming niet aan de bovengenoemde criteria voldeed. Daarom werd geconcludeerd dat aan de Gushen-groep IB kon worden toegekend. |
|
(57) |
Ook voor de Crown-groep en de Sinoglory-groep werd een evaluatie uitgevoerd, aangezien aan deze ondernemingen geen BMO werd toegekend. In geen van beide gevallen waren er aanwijzigen dat de ondernemingen niet aan de bovengenoemde criteria voldeden. Daarom werd geconcludeerd dat aan beide groepen ondernemingen IB kon worden toegekend. |
|
(58) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen gaf de klager te kennen het niet eens te zijn met de toekenning van IB aan de in de steekproef opgenomen groepen exporteurs. Aangezien er geen maatregelen worden ingesteld, was het echter niet nodig dit aspect verder te onderzoeken. |
4. NORMALE WAARDE
|
(59) |
Zoals uiteengezet in overweging 46 werd geen BMO toegekend aan de twee in de steekproef opgenomen groepen die daarom hadden verzocht. De derde in de steekproef opgenomen groep had niet om BMO verzocht. Bijgevolg werd de normale waarde voor alle groepen overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening vastgesteld op grond van de prijzen of berekende waarde in een referentieland. |
a) Referentieland
|
(60) |
In het bericht van inleiding meldde de Commissie voornemens te zijn de VS als geschikt referentieland voor de vaststelling van de normale waarde voor de VRC te gebruiken en werd belanghebbenden verzocht hun reacties mede te delen. |
|
(61) |
De Commissie heeft een aantal opmerkingen ontvangen en er werden als alternatief andere landen voorgesteld, met name Brazilië en Israël. Het belangrijkste argument tegen het gebruik van de VS als referentieland was dat het betrokken product in de VS van genetisch gemodificeerde sojabonen zou zijn gemaakt, terwijl dat in de VRC niet het geval zou zijn. Het gebruik van genetisch gemodificeerde sojabonen kan tot gevolg hebben dat het product door andere gebruikers en/of verwerkende industrieën wordt gebruikt. Een producent-exporteur vermeldde ook dat de in de VS gevestigde dochteronderneming van de klager op de markt van de VS over een dominante positie zou beschikken, waardoor de binnenlandse verkoopprijzen kunstmatig hoog zouden zijn. |
|
(62) |
Gezien de opmerkingen die zij heeft ontvangen, heeft de Commissie alle haar bekende producenten van sojaproteïneconcentraten in Brazilië, Israël en de VS om medewerking verzocht en hen een aantal vragen gesteld over hun productie, verkoop en plaatselijke markten; zij heeft hen ook gevraagd of zij bereid zouden zijn om gedetailleerdere informatie te verstrekken over hun kosten en prijzen indien hun land als referentieland werd gekozen. Slechts één producent in de VS en twee producenten in Brazilië hebben de gevraagde informatie verstrekt en verdere medewerking aangeboden. In een latere fase heeft ook een producent in Israël de vragenlijst volledig beantwoord. De Commissie heeft ook geprobeerd met andere middelen informatie te verkrijgen over de bovengenoemde en andere potentiële markten. |
|
(63) |
De aldus verzamelde informatie werd zorgvuldig onderzocht. Er werd bevestigd dat het product uit de VS hoofdzakelijk van genetisch gemodificeerde sojabonen was gemaakt, in tegenstelling tot sojaproteïneconcentraten uit de VRC, Brazilië of Israël. Er kon echter niet worden geconcludeerd wat dat verschil in belangrijkste grondstof als gevolg heeft voor de eigenschappen, het gebruik, de kosten of de prijs van het product. Bovendien werden aanzienlijke hoeveelheden sojaproteïneconcentraten in Brazilië ingevoerd, die met het ter plaatse geproduceerde product concurreerden, hoewel er op de Braziliaanse markt een invoerrecht van 14 % gold. In feite waren de twee Braziliaanse producenten die hun medewerking aanboden goed voor ongeveer ¾ van het verbruik in Brazilië, terwijl de markt van de VS duidelijk bleek te worden gedomineerd door twee zeer grote binnenlandse producenten, waarvan er slechts één zijn medewerking had aangeboden. Hoewel de totale omvang van de markt van de VS groter was, leek de concurrentie in Brazilië, met twee grote binnenlandse producenten en aanzienlijke invoer, bijgevolg sterker. Bovendien bleek de omvang van de binnenlandse verkoop van de medewerkende producenten in Brazilië over het algemeen van dezelfde orde van grootte te zijn als de omvang van de uitvoer naar de EU door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten, en bleek ook het productassortiment vergelijkbaar te zijn. Tot slot werd vastgesteld dat de Braziliaanse binnenlandse markt veel groter was dan de Israëlische. |
|
(64) |
Op grond van het bovenstaande werd Brazilië als referentieland gekozen. Deze keuze wordt bevestigd. |
b) Vaststelling van de normale waarde
|
(65) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor de producenten-exporteurs vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde gegevens van de producenten in het referentieland. Wanneer de verkoop van productsoorten op de binnenlandse markt van het referentieland niet in het kader van normale handelstransacties plaatsvond of wanneer geen gelijkende soorten werden verkocht, werd de normale waarde berekend overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening. |
|
(66) |
Na de mededeling van de tussentijdse bevindingen werden de berekeningen verder verfijnd om rekening te houden met de opmerkingen van de partijen. |
5. UITVOERPRIJS
|
(67) |
De producenten-exporteurs voerden hetzij rechtstreeks uit naar onafhankelijke afnemers in de Unie, hetzij via in de VRC gevestigde verbonden handelsondernemingen. Daarom werd de uitvoerprijs in alle gevallen overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(68) |
Na de mededeling van de tussentijdse bevindingen werden de berekeningen verder verfijnd in het licht van de opmerkingen van de partijen. |
6. VERGELIJKING
|
(69) |
De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken op basis van de prijs af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. De nodige correcties voor kortingen, vervoer, verzekeringen, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, kredietkosten en indirecte belastingen werden toegepast in alle gevallen waarin deze redelijk en nauwkeurig bleken te zijn en met bewijsmateriaal waren gestaafd. |
7. DUMPINGMARGES
|
(70) |
De definitieve dumpingmarges werden uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring. |
|
(71) |
Voor elk van de drie medewerkende in de steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs werd overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening een dumpingmarge vastgesteld op basis van een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde in het referentieland met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs. |
|
(72) |
Voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef waren opgenomen is de dumpingmarge berekend als gemiddelde van de drie in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen. |
|
(73) |
Gezien de hoge mate van medewerking aan het onderzoek — de medewerkende ondernemingen namen ongeveer 90 % van alle invoer uit de VRC tijdens het OT voor hun rekening — werd voor alle niet-medewerkende ondernemingen de dumpingmarge voor het gehele land berekend aan de hand van de hoogste marge die voor de in de steekproef opgenomen groepen ondernemingen werd vastgesteld. |
|
(74) |
Op basis hiervan zijn de definitieve dumpingmarges als volgt vastgesteld:
|
D. SCHADE
1. VOORAFGAANDE OPMERKINGEN
|
(75) |
Na de herziening van de productomschrijving (uitsluiting van concentraten voor diervoeding) wordt één onderneming — ADM in Nederland, die uitsluitend concentraten voor diervoeding produceert — niet langer als deel van de bedrijfstak van de Unie beschouwd. Bijgevolg produceerde tijdens het onderzoektijdvak alleen de klager (Solae) het soortgelijke product in de Unie. Solae beschikt momenteel over twee productie-eenheden in de EU: één in België die sojaproteïne-isolaten produceert en een andere in Denemarken die sojaproteïneconcentraten produceert (eenvoudig sojaproteïneconcentraat en de verder verwerkte hoogwaardige concentraten waarvoor eenvoudig sojaproteïneconcentraat als halffabricaat wordt gebruikt). Een andere productie-eenheid van Solae in Boudreaux, Frankrijk, die uitsluitend eenvoudige concentraten voor diervoeding produceerde en op de markt bracht, sloot begin 2009. |
|
(76) |
Wat de productie in de EU betreft, heeft het onderzoek uitgewezen dat Solae's productieproces uitsluitend gebaseerd is op een gebruiksovereenkomst („tolling agreement”) met het Zwitserse moederbedrijf, Solae Europe. In het kader van die overeenkomst verwerken Solae Belgium en Solae Denmark tegen vergoeding de door Solae Europe geleverde grondstof. Tijdens het hele proces blijft Solae Europe de enige eigenaar van de grondstoffen, de halffabricaten en de afgewerkte producten. |
|
(77) |
Aangezien de opdrachtgever eigenaar blijft van de grondstoffen en de afgewerkte producten, is er een juridisch verschil tussen gebruiksovereenkomsten en andere mogelijke productieregelingen. In dit geval bedroeg de waarde die deze ondernemingen in de EU toevoegden echter tot meer dan 50 % van de productiekosten. Dit aandeel aan toegevoegde waarde weerspiegelt ook de in de Unie gevestigde technologische en kapitaalinvesteringen. De meetwaarde van dergelijke investeringen in de EU is aanzienlijk en de sector zorgt in de Unie voor veel werkgelegenheid. |
|
(78) |
Er zij opgemerkt dat de in de EU in het kader van gebruiksovereenkomsten verrichte activiteiten de „laatste belangrijke verwerking” vormen en de producten de EU-oorsprongsstatus verlenen. |
|
(79) |
Gezien het bovenstaande wordt dan ook geconcludeerd dat een economische activiteit zoals die welke door Solae Belgium en Solae Denmark in de EU wordt uitgeoefend, door dumpingpraktijken kan worden bedreigd, wat bescherming kan rechtvaardigen ongeacht de juridische aard van die activiteit (gebruiksovereenkomst of een andere productieregeling). In het licht van het bovenstaande wordt besloten Solae Belgium en Solae Denmark als producenten in de Unie te beschouwen die deel uitmaken van de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. |
|
(80) |
Na de mededeling van de tussentijdse bevindingen argumenteerde een exporteur dat ondernemingen die met gebruiksovereenkomsten werken niet voldoen aan de voorwaarden om als producenten in de Unie te worden aangemerkt en bijgevolg niet bij antidumpingonderzoeken betrokken mogen worden. De exporteur argumenteerde dat aangezien de grondstoffen en de afgewerkte producten eigendom bleven van Solae Europe, dat in Zwitserland (d.w.z. buiten de EU) geregistreerd is, Solae Belgium en Solae Denmark niet als producenten in de Unie konden worden beschouwd en niet tegen de dumpingpraktijken moesten worden beschermd. |
|
(81) |
De exporteur wees erop dat de instellingen in eerdere zaken, zoals voor de invoer van kunststof zakken van oorsprong uit de VRC (7), hebben besloten twee Chinese ondernemingen van een steekproef van producenten-exporteurs uit te sluiten omdat zij een groot deel van de aangegeven uitgevoerde producten niet zelf hadden geproduceerd, maar die in feite voor andere producenten-exporteurs hadden geproduceerd. |
|
(82) |
Er wordt op gewezen dat de situatie waarnaar de exporteur verwijst niet vergelijkbaar is met deze situatie. In de eerste plaats hadden de Chinese ondernemingen in de hierboven vermelde zaak van de kunststof zakken hun eigen productie (niet in het kader van een gebruiksovereenkomst), maar was de verkoop van hun zelf geproduceerde producten te klein om de ondernemingen in de steekproef te kunnen opnemen; in dit geval werken Solae Belgium en Solae Denmark daarentegen uitsluitend in het kader van een gebruiksovereenkomst. |
|
(83) |
Bovendien zijn Solae Belgium en Solae Denmark volledig eigendom van Solae Europe, terwijl het onderzoek van de uit de steekproef uitgesloten Chinese ondernemingen geen eigendomsverhouding heeft kunnen vaststellen met andere producenten-exporteurs voor wie zij de producten verwerkten. |
|
(84) |
In zijn opmerkingen verwees de exporteur ook naar een ander eerder onderzoek, namelijk dat naar de invoer van glycine van oorsprong uit de VRC (8), waar de Commissie een aantal Chinese ondernemingen als handelaars en niet als producenten heeft behandeld, omdat werd vastgesteld dat de activiteit die zij uitoefenden niet voldeed aan de voorwaarden om als productie te worden aangemerkt. |
|
(85) |
Er wordt op gewezen dat de gycine-zaak het argument van de exporteur evenmin staaft, aangezien de Chinese exporteurs in dat geval gewoon een aantal bewerkingen doorvoerden die de chemische samenstelling of de fysieke kenmerken van het betrokken product niet wijzigden. Die situatie is totaal verschillend van deze situatie, waar de ondernemingen in de EU sojabonen of sojavlokken tot sojaproteïnen verwerken en niet alleen de chemische samenstelling of de fysieke kenmerken wijzigen, maar ook een aanzienlijke toegevoegde waarde voor het eindproduct creëren. |
|
(86) |
De exporteur argumenteerde ook dat het besluitvormingsproces voor de hele productie in de Unie in het kader van gebruiksovereenkomsten gecentraliseerd is in een onderneming die niet in de EU gevestigd is, en dat het lot van de ondernemingen die in het kader van deze gebruiksovereenkomsten produceren volledig en uitsluitend in de handen van het Zwitserse moederbedrijf ligt. De exporteur voegde daaraan toe dat de Commissie in een andere zaak, namelijk betreffende de invoer van vinylacetaat van oorsprong uit de VS (9), een producent in de EU van de definitie van bedrijfstak van de Unie had uitgesloten op grond van zijn banden met een onderneming in een betrokken land. |
|
(87) |
Een andere partij suggereerde ook dat bij het onderzoek van de kwestie van de gebruiksovereenkomst en het feit of die als productie kan worden aangemerkt, aspecten als de vestigingsplaats van het hoofdkantoor, belangencentrum en betrokkenheid bij de EU-markt op een vergelijkbare manier moeten worden onderzocht als bij de definiëring van de bedrijfstak van de Unie voor verbonden ondernemingen het geval is. |
|
(88) |
Solae heeft als groep inderdaad structurele banden met het Zwitserse moederbedrijf en verder ook banden met ondernemingen in de VS. In antidumpingprocedures is het niet nieuw dat ondernemingen met een sterke aanwezigheid in de EU dergelijke structurele, financiële of bedrijfsbanden hebben buiten de EU. Dergelijke structurele en bedrijfsbanden buiten de EU doen echter niets af aan de conclusie dat de klagers voldoen aan de voorwaarden om als producenten in de EU te worden aangemerkt. |
|
(89) |
Er wordt op gewezen dat dergelijke argumenten voor artikel 4, lid 1, onder a), van de basisverordening en de definitie van de bedrijfstak van de Unie alleen relevant zouden zijn indien Solae Europe een onderneming in een betrokken land, in dit geval dus de VRC, zou zijn. Dit is duidelijk niet het geval en het argument van de exporteur is bijgevolg irrelevant. |
|
(90) |
Bovendien wordt er nogmaals op gewezen dat de eigendom van het gebruikte materiaal en/of het afgewerkte product niet het doorslaggevende criterium is om een producent in de Unie te definiëren. Hoewel productie in het kader van een gebruiksovereenkomst vanuit juridisch oogpunt verschilt van andere productieregelingen, kunnen ondernemingen die in het kader van gebruiksovereenkomsten produceren als producenten in de Unie worden beschouwd. |
|
(91) |
Deze benadering stemt overeen met eerdere maatregelen van de instellingen, zoals bijvoorbeeld in het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen ten aanzien van de invoer van furfurylalcohol van oorsprong uit de VRC (10). |
|
(92) |
Er wordt nogmaals op gewezen dat de waarde die de ondernemingen in de EU toevoegden in dit geval tot meer dan 50 % van de productiekosten bedroeg. Dit aandeel aan toegevoegde waarde weerspiegelt de in de Unie gevestigde technologische en kapitaalinvesteringen. De nettowaarde van dergelijke investeringen in de EU is aanzienlijk en de sector zorgt in de Unie voor veel werkgelegenheid. |
|
(93) |
Bij wijze van conclusie worden Solae Belgium en Solae Denmark beschouwd als producenten in de Unie die deel uitmaken van de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening en hierna „de bedrijfstak van de Unie” zullen worden genoemd. |
|
(94) |
De totale productie in de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening is vastgesteld op grond van de antwoorden van de klager op de vragenlijst. |
|
(95) |
Aangezien de bedrijfstak van de Unie slechts één producent telt, worden de gegevens hieronder met het oog op de vertrouwelijkheid overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening in geïndexeerde vorm gepresenteerd. |
2. VERBRUIK IN DE UNIE
|
(96) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op basis van het verkoopvolume van de productie van de bedrijfstak van de Unie in het kader van gebruiksovereenkomsten op de markt van de Unie, de van Eurostat verkregen gegevens over de in de Unie ingevoerde hoeveelheden en de ramingen van de klager. |
|
(97) |
De GN-codes voor bepaalde sojaproteïneconcentraten omvatten een breder productgamma en niet alleen het onderzochte product. Op grond van een breed onderzoek en van zijn kennis van de markt heeft de klager de waarde en de omvang van de invoer van het onderzochte product in de Unie geraamd. Deze ramingen zijn tijdens het onderzoek geanalyseerd en betrouwbaar bevonden. De diensten van de Commissie hebben geen opmerkingen ontvangen met een alternatief voorstel dat het gebruik van deze ramingen voor dit onderzoek in twijfel zou trekken. |
|
(98) |
Eén partij voerde aan dat de methode voor de berekening van de invoer onvoldoende werd uitgelegd. Deze kritiek is echter niet verder onderbouwd. De partij uitte zich kritisch over de door de Commissie gehanteerde benadering, maar stelde geen geschikter of betrouwbaarder alternatief voor. De kritiek betrof hoofdzakelijk het feit dat de partij geen opmerkingen kon formuleren. Er wordt aan herinnerd dat de niet-vertrouwelijke versie van de klacht met een uiteenzetting van de uitsluitingsmethoden vanaf de inleiding van de procedure beschikbaar was in het niet-vertrouwelijke dossier. |
|
(99) |
Er wordt nogmaals op gewezen dat de diensten van de Commissie de gegevens in de klacht hebben gecontroleerd en niets hebben kunnen vaststellen dat afbreuk zou doen aan de redelijkheid van de gekozen methode. Bovendien werden de opmerkingen niet onderbouwd geacht omdat er geen alternatieve methode werd voorgesteld. |
|
(100) |
Tijdens de hele beoordelingsperiode is de vraag op de markt van de Unie met 8 % gedaald. Meer in het bijzonder bleef het verbruik in de Unie stabiel tussen 2007 en 2008, daalde het met 8 % in 2009 en bleef het stabiel in het OT. Tabel 1
|
||||||||||||||||||||||
3. INVOER UIT HET BETROKKEN LAND
a) Omvang
|
(101) |
De omvang van de invoer van het betrokken product is tijdens de beoordelingsperiode met 15 % gestegen en bedroeg in het OT 20 117 ton. Meer in het bijzonder bleef de invoer uit de VRC stabiel tussen 2007 en 2008, maar steeg hij vervolgens met 26 procentpunten in 2009 tot zijn hoogste peil. De invoer uit de VRC daalde in het OT met ongeveer 9 procentpunten. Tabel 2
|
|||||||||||||||||||||||||||
b) Marktaandeel van de betrokken invoer
|
(102) |
De index die de ontwikkeling van het marktaandeel van de invoer met dumping uit de VRC weergeeft, is tijdens de hele beoordelingsperiode met 25 % gestegen. Hij bleef stabiel tussen 2007 en 2008, maar steeg in 2009 met 36 %. Tijdens het OT nam hij met 11 procentpunten af. |
c) Prijzen
i) Prijsontwikkeling
|
(103) |
De gemiddelde invoerprijs nam in de beoordelingsperiode in het geheel genomen met 37 % toe. Hij steeg met name eerst met niet minder dan 48 % tussen 2007 en 2008, daalde vervolgens in 2009 met 11 procentpunten en bleef tijdens het OT op dat niveau. De gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC in het OT bedroeg 1 569 EUR per ton. Tabel 3
|
||||||||||||||||||||||
ii) Prijsonderbieding
|
(104) |
Voor het onderzoek van de prijsonderbieding werd de gewogen gemiddelde verkoopprijs van de producent in de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd voor met name kredietkosten, leveringskosten, verpakking en commissies, af fabriek, vergeleken met de overeenstemmende gewogen gemiddelde cif-prijzen van de medewerkende exporteurs in de VRC bij verkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie, gecorrigeerd voor alle kosten in verband met de uitklaring, d.w.z. douanetarief en kosten na invoer, (eindprijs). |
|
(105) |
Uit de vergelijking is gebleken dat de invoer van het betrokken product tijdens het OT de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met ongeveer 12 % onderbiedt.
|
|
(106) |
Eén partij merkte op dat het niveau van de prijsonderbieding natuurlijk uitsluitend voor het OT werd berekend, en dat eerdere niveaus van prijsonderbieding niet bekend zijn. Aangezien de Chinese invoerprijzen tussen 2007 en het eind van het OT aanzienlijk sterker zijn gestegen dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, merkte deze partij echter op dat daaruit misschien kan worden afgeleid dat de prijsonderbieding kleiner is geworden. |
|
(107) |
Tussen 2007 en het eind van het OT zijn de Chinese invoerprijzen inderdaad met 37 % gestegen, terwijl de prijzen van de bedrijfstak van de Unie met slechts 15 % zijn gestegen (zie overweging 119). Het is bijgevolg duidelijk dat het verschil tussen de gemiddelde Chinese prijzen en de gemiddelde prijzen van de EU tussen 2007 en het eind van het OT kleiner is geworden. |
4. SITUATIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE
|
(108) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek van de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische factoren en indicatoren die van invloed waren op de situatie van deze bedrijfstak in de beoordelingsperiode. |
|
(109) |
Met het oog op de schadeanalyse zijn de schade-indicatoren vastgesteld op basis van de informatie in de naar behoren gecontroleerde door de klager volledig beantwoorde vragenlijst. |
a) Productie
|
(110) |
De productie in de Unie is tussen 2007 en het eind van het OT met 14 % gedaald. Zij daalde met 8 % in 2008, en daalde vervolgens met nog eens 15 procentpunten in 2009. Er was echter een duidelijke verbetering tussen 2009 en het eind van het OT, toen de productie met 9 procentpunten steeg. Tabel 4
|
||||||||||||||||||||||
b) Productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(111) |
De productiecapaciteit van de producent in de Unie is in de beoordelingsperiode stabiel gebleven. Tabel 5
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(112) |
De index die de ontwikkeling van de bezettingsgraad weergeeft, is tijdens de beoordelingsperiode met 14 % gedaald. Tussen 2007 en 2008 bedroeg de daling met name 8 %, en in 2009 nog eens 15 procentpunten. In het OT steeg de index vervolgens met 9 procentpunten. De trend voor de bezettingsgraad geeft de ontwikkeling van de productie tijdens de beoordelingsperiode weer, aangezien de productiecapaciteit stabiel bleef. |
|
(113) |
Er zij opgemerkt dat de bezettingsgraad, ondanks een algemene daling, relatief stabiel bleef en in het OT meer dan 80 % bedroeg. |
c) Omvang van de verkoop
|
(114) |
De verkoop van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers op de EU-markt is in de beoordelingsperiode met 8 % gedaald. De verkoop daalde met 9 % tussen 2007 en 2008 en met nog eens 5 procentpunten in 2009. Er was echter een duidelijke verbetering tussen 2009 en het eind van het OT, toen de verkoop met ongeveer 6 procentpunten steeg. Tabel 6
|
||||||||||||||||||||||
d) Marktaandeel
|
(115) |
Algemeen genomen behield de bedrijfstak van de Unie haar marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode. De index daalde weliswaar met zelfs 9 % tussen 2007 en 2008, maar steeg in 2009 al opnieuw met 1 procentpunt en in het OT met nog eens 7 procentpunten. Tabel 7
|
||||||||||||||||||||||
e) Groei
|
(116) |
Tussen 2007 en het eind van het OT, toen het verbruik in de Unie met 8 % daalde, daalde ook de omvang van de verkoop met 8 %, en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie bleef stabiel. |
f) Werkgelegenheid
|
(117) |
De werkgelegenheid daalde tussen 2007 en het eind van het OT met 7 %. De daling was licht tussen 2007 en 2008, maar groot (10 procentpunten) in 2009. In het OT steeg de werkgelegenheid echter opnieuw met 2 procentpunten. Tabel 8
|
||||||||||||||||||||||
g) Productiviteit
|
(118) |
De productiviteit, gemeten in productie (ton) per werknemer per jaar, daalde tijdens de beoordelingsperiode met 7 %. De productiviteit daalde omdat de productie sneller daalde dan de werkgelegenheid. Er wordt niettemin op gewezen dat de productiviteit tussen 2009 en het eind van het OT met 8 procentpunten steeg door een nog snellere stijging van de productie dan van de werkgelegenheid. Tabel 9
|
||||||||||||||||||||||
h) Factoren die van invloed zijn op de verkoopprijzen
|
(119) |
De gemiddelde verkoopprijzen van de producenten in de Unie zijn in de beoordelingsperiode met 15 % gestegen. De gemiddelde prijs steeg in 2008 en 2009 (met respectievelijk 8 % en 10 procentpunten), en daalde vervolgens licht in het OT, namelijk met 3 procentpunten. Over het algemeen zijn de prijzen van sojaproteïneconcentraten sterk afhankelijk van de kosten van de belangrijkste grondstoffen (namelijk sojabonen en sojaboonvlokken) en energie. Samen vormen die een groot deel van de productiekosten. Er wordt op gewezen dat de sojabonenmarkt volatiel is en door aanzienlijke jaarlijkse en zelfs maandelijkse fluctuaties gekenmerkt wordt. |
|
(120) |
Gezien de grote verschillen in verkoopprijzen voor de verschillende soorten van het onderzochte product, moet de ontwikkeling van de gemiddelde verkoopprijzen met enige voorzichtigheid worden beoordeeld, aangezien elk verschil in gemiddelde prijzen sterk beïnvloed wordt door veranderingen van de productmix. Tabel 10
|
||||||||||||||||||||||
i) Hoogte van de dumpingmarge
|
(121) |
Gezien de omvang, het marktaandeel en de prijzen van de invoer uit de VRC kan het effect van de werkelijke dumpingmarges op de bedrijfstak van de Unie niet als te verwaarlozen worden beschouwd. |
j) Voorraden
|
(122) |
Het niveau van de eindvoorraden bleef stabiel tussen 2007 en het eind van het OT. Opgemerkt zij dat deze voorraden maar een vrij klein deel van de jaarlijkse productie uitmaken, zodat de relevantie van deze indicator voor de beoordeling van de schade beperkt is. Tabel 11
|
||||||||||||||||||||||
k) Lonen
|
(123) |
De jaarlijkse arbeidskosten stegen tussen 2007 en het eind van het OT met 7 %. Zij stegen met 5 % tussen 2007 en 2008, daalden vervolgens met 2 procentpunten in 2009, en stegen daarna met 4 procentpunten in het OT. Tabel 12
|
||||||||||||||||||||||
l) Winstgevendheid en rendement van investeringen
|
(124) |
De winstgevendheid van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers op de EU-markt, uitgedrukt in procenten van de nettoverkoop, schommelde sterk in de beoordelingsperiode. Terwijl de bedrijfstak van de Unie in 2007 en 2009 winst boekte, leed hij 2008 en in het OT verlies. De schommelende winstgevendheid kan een afspiegeling zijn van de schommelingen op de sojabonenmarkt. Tabel 13
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(125) |
Het rendement van investeringen, uitgedrukt als de winst in procenten van de nettoboekwaarde van de investeringen, liep grotendeels gelijk met de ontwikkeling van de winstgevendheid. |
m) Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(126) |
De nettokasstroom uit ondernemingsactiviteiten schommelde sterk tijdens de beoordelingsperiode. De kasstroom was eerst positief in 2007, verslechterde en werd negatief in 2008, maar verbeterde weer in 2009, om in het OT weer negatief te worden. Algemeen genomen volgde de kasstroom ongeveer de trend van de winstgevendheid. |
|
(127) |
Er waren geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Unie moeite had om kapitaal aan te trekken, wat met name komt doordat hij deel uitmaakt van een grotere groep. Tabel 14
|
||||||||||||||||||||||
n) Investeringen
|
(128) |
De jaarlijkse investeringen in de productie van het soortgelijke product stegen tussen 2007 en 2008 met 4 %, en stegen in 2009 verder met 29 procentpunten. In het OT stegen zij licht, namelijk met 5 procentpunten. Tijdens de beoordelingsperiode daalden de investeringen in totaal met 28 %. Tabel 15
|
||||||||||||||||||||||
5. CONCLUSIE BETREFFENDE SCHADE
|
(129) |
Uit de analyse van de gegevens blijkt dat de productie, bezettingsgraad, verkoop, werkgelegenheid en productiviteit van de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode over het algemeen zijn gedaald. Bovendien stegen de loonkosten. |
|
(130) |
Dit negatieve beeld wordt evenwel enigszins bijgesteld door het feit dat het merendeel van deze indicatoren zich tussen 2009 en het eind van het OT (2010) positief hebben ontwikkeld. Met name tussen 2009 en eind 2010 (OT) zijn de productie en de bezettingsgraad met 9 procentpunten gestegen, zijn de verkoop in de EU en het marktaandeel met respectievelijk 6 en 7 procentpunten gestegen, is de werkgelegenheid met 2 procentpunten toegenomen, en is de productiviteit met zelfs 8 procentpunten gestegen. |
|
(131) |
Ook het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie bleef tijdens de beoordelingsperiode over het algemeen stabiel: het daalde in 2008, maar steeg reeds opnieuw in 2009 en bereikte in 2010 een niveau dat het niveau van 2007 sterk benaderde. |
|
(132) |
Zowel de winstgevendheid als het rendement van investeringen en de kasstroom (die nauw verband houden met de winstgevendheid) laten een gemengd beeld zien van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. Hoewel zij over het algemeen (tussen 2007 en het eind van het OT) dalen, schommelen zij ook aanzienlijk en geven zij het volatiele karakter van de markt weer. |
|
(133) |
De netto-investeringen stegen duidelijk tussen 2007 en 2009 (met 33 %) en daalden slechts licht (met 5 procentpunten) in 2010 (OT). |
|
(134) |
Ook het werkelijke niveau van de in het OT door de bedrijfstak van de Unie geleden verliezen is relatief matig. |
|
(135) |
In het licht van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie enige schade heeft geleden. Gezien evenwel het relatief onbeduidende niveau van de werkelijke verliezen die de bedrijfstak van de Unie in het OT heeft geleden en de tekenen van herstel naar het eind van de beoordelingsperiode toe, kan deze schade niet als aanmerkelijk worden gekenmerkt in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
|
(136) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen argumenteerde de klager dat de schade in dit geval als aanmerkelijk moest worden beschouwd omdat de bevindingen verschilden in een aantal andere zaken met volgens hem vergelijkbare omstandigheden (namelijk positieve trends naar het eind van de beoordelingsperiode toe) (11). De klager voerde eveneens aan dat het onverenigbaar is met de WTO-wetgeving om rekening te houden met het laatste deel van de beoordelingsperiode en conclusies te trekken uit tekenen van herstel in die periode (12). |
|
(137) |
In dit verband wordt erop gewezen dat elke zaak op zichzelf moet worden beoordeeld. In deze specifieke zaak heeft het onderzoek niet alleen duidelijke tekenen van herstel van de bedrijfstak van de Unie naar het eind van de beoordelingsperiode toe vastgesteld, maar was de omvang van de negatieve trends ook relatief beperkt. Zo bijvoorbeeld bleef het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie over het algemeen stabiel en relatief hoog, daalde de bezettingsgraad licht maar bleef die boven de 80 %, en stegen de investeringen. In de zaak betreffende oxaalzuur (13) daarentegen verloor de bedrijfstak van de Unie in het OT 9 % aan marktaandeel in vergelijking met het eerste jaar van tijdvak van het schadeonderzoek (14). In de zaak betreffende citroenzuur (15) was een vergelijkbaar verlies aan marktaandeel en waren de investeringen gedaald (16). |
|
(138) |
In verband met de WTO-verplichtingen wijzen wij erop dat het verslag van het panel waarnaar wordt verwezen een totaal verschillende situatie betreft waarin de onderzoekende autoriteit uitsluitend gedeeltelijke gegevens over telkens slechts zes maanden van drie opeenvolgende jaren heeft onderzocht en zijn bevindingen op dit onvolledig onderzoek heeft gebaseerd. De situatie is in deze zaak duidelijk anders, aangezien het schadeonderzoek gegevens over het hele jaar voor vier opeenvolgende jaren betreft; bovendien ligt er enige nadruk op het feit dat er op het eind van die periode van vier jaar een positieve ontwikkeling was voor een groot deel van de onderzochte trends in vergelijking met het jaar vóór het OT. |
|
(139) |
Rekening houdend met het bovenstaande wordt definitief geconcludeerd dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet als aanmerkelijk wordt gekenmerkt in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
E. OORZAKELIJK VERBAND
1. INLEIDING
|
(140) |
Zonder afbreuk te doen aan de vaststelling inzake de afwezigheid van aanmerkelijke schade en in de veronderstelling dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade aanmerkelijk had kunnen zijn, heeft de Commissie onderzocht of er mogelijk een oorzakelijk verband is. |
|
(141) |
Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie nagegaan of enige door de bedrijfstak van de Unie geleden schade het gevolg was van de invoer met dumping uit het betrokken land. Ook werden andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Unie schade kon hebben geleden, onderzocht om te voorkomen dat schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven. |
2. GEVOLGEN VAN DE INVOER MET DUMPING
|
(142) |
De invoer van het betrokken product is tussen 2007 en het eind van het OT in totaal met 15 % gestegen, en het marktaandeel van die invoer steeg met 25 % ondanks de inkrimping van de vraag op de markt van de Unie. Deze ontwikkelingen vielen grotendeels samen met de verzwakte economische situatie van de bedrijfstak van de Unie. Hoewel de bedrijfstak van de Unie erin slaagde om zijn marktaandeel te behouden, won de invoer uit China meer dan 5 procentpunten. |
|
(143) |
Op basis daarvan blijkt op het eerste gezicht dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer uit de VRC en eventuele door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(144) |
Uit een gedetailleerdere analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de situatie van de bedrijftak van de Unie blijkt echter geen duidelijk verband. Terwijl de invoer uit de VRC tussen 2007 en 2008 nauwelijks steeg (overweging 101) en hun cif-invoerprijs met 48 procentpunten steeg (overweging 103), leed de bedrijfstak van de Unie in 2008 bijvoorbeeld niettemin aanzienlijke verliezen en verloor hij wat marktaandeel. Toen de invoer uit de VRC tussen 2008 en 2009 met 26 % steeg en de cif-prijs van de invoer uit de VRC met 11 procentpunten daalde, behield de bedrijfstak van de Unie daarentegen zijn marktaandeel en herstelde hij van de verliezen in 2008. Tussen 2009 en het eind van het OT, toen de invoer uit de VRC aanwezig bleef op de markt van de Unie, verbeterde de situatie van de bedrijfstak van de Unie ook duidelijk, zoals hierboven besproken in de schadeanalyse. |
|
(145) |
Dit gebrek aan correlatie tussen de invoer uit de VRC en de trends van de schade-indicatoren wijst er sterk op dat andere factoren hebben bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en die mogelijk hebben veroorzaakt. Deze kwestie wordt hieronder verder onderzocht. |
3. GEVOLGEN VAN ANDERE FACTOREN
|
(146) |
De volgende andere factoren werden in het kader van het oorzakelijk verband onderzocht: i) de inkrimping van de vraag in de Unie, die waarschijnlijk gedeeltelijk verband houdt met de financiële en economische crisis in 2008 en 2009 en ii) de volatiliteit van de sojabonenmarkt. |
i) De inkrimping van de vraag in de Unie, die waarschijnlijk gedeeltelijk verband houdt met de financiële en economische crisis in 2008 en 2009
|
(147) |
Tijdens de beoordelingsperiode kon tussen 2007 en eind 2010 (het OT) een daling van de vraag in de Unie met 8 % worden vastgesteld. Veel schadefactoren ontwikkelden zich grotendeels overeenkomstig die factor. De omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie daalde tijdens dezelfde periode bijvoorbeeld ook met 8 %. Andere voorbeelden zijn de werkgelegenheid — een daling van 7 % in 2010 in vergelijking met 2007 — en de productiviteit — eveneens een daling van 7 % in 2010 in vergelijking met 2007. Het is dan ook duidelijk dat de inkrimping van de markt, wat de onderliggende oorzaak daarvan ook is, een belangrijke factor was in de ontwikkeling van de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(148) |
Hoewel de reden voor de inkrimping van de vraag niet direct relevant is voor het onderzoek naar het oorzakelijk verband, is het mogelijk dat deze ten minste ten dele door de financiële en economische crisis werd veroorzaakt. In dit kader wordt erop gewezen dat de vraag met name tussen 2008 en 2009 is gedaald. Aangezien beide zich in dezelfde periode voordeden, hield de daling met 8 procentpunten tussen 2008 en 2009 zeer waarschijnlijk verband met de economische crisis. Bijgevolg kan worden geargumenteerd dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade werd veroorzaakt door de economische crisis en de daaruit voortvloeiende daling van de vraag. |
|
(149) |
Er wordt ook op gewezen dat Solae Belgium in zijn jaarverslag over 2009 erkent dat het lagere inkomen uit financiële activa ingevolge de financiële crisis de financiële situatie van het bedrijf negatief heeft beïnvloed. |
|
(150) |
Er wordt tevens aan herinnerd dat de economische situatie van de bedrijftak van de Unie tussen 2009 en het eind van het OT is verbeterd. Deze verbetering valt duidelijk samen met het algemene economische herstel. |
|
(151) |
Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de inkrimping van de vraag, die waarschijnlijk ten dele werd veroorzaakt door de economische crisis, een belangrijke oorzaak was van eventuele door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(152) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen argumenteerde de klager dat de schade niet door de financiële en economische crisis werd veroorzaakt, maar hij verstrekte daarvoor geen overtuigende argumenten en verwees slechts naar een aantal andere zaken (17) waarin tot andere bevindingen was gekomen. |
|
(153) |
In dit verband wordt er nogmaals op gewezen dat elke zaak op zichzelf moet worden beoordeeld. In dit specifieke geval blijft het echter een feit dat, hoewel er geen duidelijk verband is tussen de invoer met dumping en de situatie van de bedrijfstak van de Unie, de inkrimping van de vraag, die waarschijnlijk gedeeltelijk door de economische crisis werd veroorzaakt, tot de slechte situatie van de bedrijfstak van de Unie heeft bijgedragen. Zoals hierboven uitgelegd werd dit in feite ten minste ten dele erkend in het jaarverslag van Solae Belgium over 2009. |
|
(154) |
Niettemin kunnen belangrijke verschillen worden vastgesteld tussen de zaken waarnaar de klager verwijst en deze zaak. In de volgende overwegingen worden een aantal van die verschillen opgesomd. |
|
(155) |
In de zaak betreffende oxaalzuur (18) daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, hoewel een aantal indicatoren zich tussen 2009 en het eind van het OT inderdaad positief ontwikkelde; in deze zaak daarentegen steeg het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie echter tot bijna het niveau van 2007 (19). Voorts is er in de zaak betreffende oxaalzuur geen jarenlang gebrek aan samenhang tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de trends van de schade-indicatoren, wat daarentegen kenmerkend is in deze zaak. Ook de winstgevendheidstrends verschillen. In deze zaak schommelt de winstgevendheid namelijk aanzienlijk. Tot slot is de markt in deze zaak zeer volatiel. |
|
(156) |
In de zaak van de open weefsels van glasvezels (20) daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie elk jaar, en in totaal met 12 procentpunten (21). Tegelijkertijd bleef het marktaandeel van de Chinese invoer elk jaar consequent stijgen, met in totaal 12,4 procentpunten (22). In deze zaak steeg het marktaandeel van de Chinese invoer tot 2009, en daalde het vervolgens weer tussen 2009 en het eind van het OT. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie daalde reeds in 2008 en steeg vervolgens weer tot bijna het niveau van 2007. |
|
(157) |
In de zaak van de glasvezels (23) bleef het marktaandeel van de invoer met dumping jarenlang consequent stijgen, in totaal met 6,3 procentpunten (24). |
|
(158) |
In de zaak van de keramische tegels (25) steeg het marktaandeel van de invoer met dumping gestaag (26). Voorts ontwikkelden de voorraden zich helemaal anders. In de zaak van de keramische tegels was de toename van de voorraden een veelzeggende schadefactor (27). Tot slot heeft het onderzoek in de zaak van de keramische tegels uitgewezen dat de indicatoren voor de bedrijfstak van de Unie ondanks de heropleving van de bouwsector een neerwaartse trend bleven vertonen (28). |
|
(159) |
In de zaak van de vetalcoholen ten slotte (29) verschilde de ontwikkeling van de schade-indicatoren tussen 2009 en het eind van het OT van de situatie in deze zaak (de werkgelegenheid daalde bijvoorbeeld) (30), en stegen de omvang en het marktaandeel van de invoer met dumping tussen 2009 en het eind van het OT (31). |
|
(160) |
Het argument van de klager moet bijgevolg worden verworpen. |
ii) De volatiliteit van de sojabonenmarkt
|
(161) |
Hierboven werd reeds aangetoond dat de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie sterk schommelt, wat wijst op een volatiele markt. |
|
(162) |
Die volatiliteit houdt nauw verband met de schommelingen op de grondstoffenmarkt. De contante markt voor de belangrijkste grondstof — sojabonen — wordt traditioneel gekenmerkt door aanzienlijke maandelijkse en jaarlijkse schommelingen (32), terwijl de prijzen voor het eindproduct — sojaproteïneconcentraten — gewoonlijk vrij stabiel blijven (aangezien daarvoor wordt gewerkt met contracten op langere termijn). De winstgevendheid voor het onderzochte product is bijgevolg sterk afhankelijk van de situatie op de sojabonenmarkt. |
|
(163) |
In dit verband wordt opgemerkt dat de prijzen van sojabonen in 2008 inderdaad een aanzienlijke stijging hebben gekend, die grote gevolgen had voor de winstgevendheid en voor de hele situatie van de bedrijfstak van de Unie. De klager erkende zelf dat de stijging van de sojabonenprijs heeft bijgedragen tot zijn slechte situatie in 2008. |
|
(164) |
Gezien het bovenstaande is het duidelijk dat de volatiliteit van de sojabonenmarkt ook een belangrijke oorzaak was van de eventuele door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(165) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de klager aan dat de volatiliteit van de prijzen van sojabonen het oorzakelijk verband evenmin kon verbreken en slechts relevant was voor de verliezen in 2008. Daarvoor werden echter geen bewijzen geleverd. |
|
(166) |
Er wordt op gewezen dat de prijsstijgingen voor sojabonen samenvallen met de slechte financiële prestatie van de bedrijfstak van de Unie en, aangezien de hoge prijzen van sojabonen geacht werden de belangrijkste oorzaak te zijn voor de verliezen in 2008, is er geen bijzondere reden waarom de verliezen in 2010, die samenvielen met een andere prijsstijging voor sojabonen, anders zou moeten worden behandeld. |
|
(167) |
Het argument van de klager moet bijgevolg worden verworpen. |
4. CONCLUSIE INZAKE HET OORZAKELIJK VERBAND
|
(168) |
Andere factoren, en met name de inkrimping van de vraag (die waarschijnlijk ten dele door de economische crisis van 2008/2009 werd veroorzaakt) en de volatiliteit van de markt van de belangrijkste grondstof waren belangrijke oorzaken van de eventuele schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden. |
|
(169) |
Aangezien deze andere factoren het oorzakelijk verband verbreken, kan, zelfs in de veronderstelling dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden, niet worden geconcludeerd dat de eventuele schade door de invoer uit de VRC werd veroorzaakt. |
F. BELANG VAN DE UNIE
|
(170) |
Aangezien hierboven werd vastgesteld dat de bedrijfstak van de Unie geen schade ondervindt die als aanmerkelijk kan worden aangemerkt, en dat in elk geval andere factoren het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en die schade verbreken, is het niet nodig het belang van de Unie te onderzoeken. |
G. BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE
|
(171) |
Gezien de conclusies die werden bereikt inzake het ontbreken van door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade en inzake het ontbreken van een oorzakelijk verband, moet de procedure overeenkomstig artikel 9 van de basisverordening worden beëindigd zonder dat maatregelen worden ingesteld. |
|
(172) |
Alle betrokken partijen werden in kennis gesteld van de definitieve bevindingen en van het voornemen om de procedure te beëindigen en kregen de gelegenheid opmerkingen te maken. Hun opmerkingen werden in overweging genomen, maar hebben de hierboven bereikte conclusies niet gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde sojaproteïneconcentraten van oorsprong uit de Volksrepubliek China wordt beëindigd.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 27 juni 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB C 121 van 19.4.2011, blz. 71.
(3) Ondanks zijn banden met een Chinese groep producenten-exporteurs wordt de klager geacht een producent in de Unie te zijn, in het bijzonder aangezien beschikbaar bewijsmateriaal erop wijst dat de uitvoer door die verbonden groep naar de EU zeer beperkt is.
(4) Ter informatie: IO-aanvrager B is verbonden met de klager.
(5) WTO Report of the Appellate Body van 15 juli 2011, WT/DS397/AB/R, European Communities — definitive anti-dumping measures on certain iron or steel fasteners from China.
(6) Zie het bovengenoemde rapport van de WTO-Beroepsinstantie van 15 juli 2011, overweging 319.
(7) PB L 270 van 29.9.2006, blz. 4.
(8) PB L 118 van 19.5.2000, blz. 6.
(9) PB L 209 van 17.8.2011, blz. 24.
(10) PB L 323 van 10.12.2009, blz. 48.
(11) De klager verwijst met name naar oxaalzuur van oorsprong uit India en China (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 1) en citroenzuur van oorsprong uit China (PB L 143 van 3.6.2008, blz. 13).
(12) De klager verwijst naar het eindverslag van het panel in geschil WT/DS331/R Mexico — Anti-dumping duties on steel pipes and tubes from Guatemala.
(13) PB L 106 van 18.4.2012, blz. 1.
(14) Zie Verordening (EU) nr. 1043/2011 van de Commissie tot instelling van een voorlopig recht (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 1), overweging 77.
(15) PB L 323 van 3.12.2008, blz. 1.
(16) Zie Verordening (EG) nr. 488/2008 van de Commissie tot instelling van een voorlopig recht (PB L 143 van 3.6.2008, blz. 13), respectievelijk de overwegingen 68 en 72.
(17) Open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de VRC (PB L 43 van 17.2.2011, blz. 9); oxaalzuur van oorsprong uit India en de VRC (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 1); glasvezelproducten van oorsprong uit de VRC (PB L 67 van 15.3.2011, blz. 1) en keramische tegels van oorsprong uit de VRC (PB L 70 van 17.3.2011, blz. 5).
(18) PB L 275 van 20.10.2011, blz. 1.
(19) Ibid, overweging 75.
(20) PB L 43 van 17.2.2011, blz. 9.
(21) Ibid, overweging 75.
(22) Ibid, overweging 66.
(23) PB L 67 van 15.3.2011, blz. 1.
(24) Ibid, overweging 64.
(25) PB L 70 van 17.3.2011, blz. 5.
(26) Ibid, overweging 73.
(27) Ibid, de overwegingen 93, 94 en 95 en 125.
(28) Ibid, overweging 124.
(29) PB L 122 van 11.5.2011, blz. 47.
(30) Ibid, overweging 85.
(31) Ibid, overweging 70.
(32) Uit publiek beschikbare gegevens (zie bijvoorbeeld: http://www.indexmundi.com) blijkt dat de maandelijkse prijsschommelingen voor sojabonen tot +/– 15 % kunnen bedragen.