20.1.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 15/22


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 19 januari 2011

tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van gezuiverd tereftalaatzuur en de zouten daarvan van oorsprong uit Thailand

(2011/32/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding

(1)

Op 22 december 2009 heeft de Commissie („de Commissie”) met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) („het bericht van inleiding”) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Unie van gezuiverd tereftalaatzuur en de zouten daarvan („PTA”) van oorsprong uit Thailand („het betrokken land”) aangekondigd.

(2)

De antidumpingprocedure werd ingeleid na een klacht die op 13 november 2009 was ingediend door BP Aromatics Limited NV en CEPSA Química SA („de klagers”), die samen goed zijn voor een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale productie van PTA in de Unie. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal over dumping van het betrokken product uit het betrokken land en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een procedure in te leiden.

(3)

Op dezelfde datum heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (3) de inleiding van een antisubsidieprocedure aangekondigd betreffende de invoer in de Unie van PTA van oorsprong uit Thailand. Dit onderzoek is beëindigd bij Besluit 2011/31/EU van de Commissie (4).

1.2.   Bij de procedure betrokken partijen

(4)

De Commissie heeft de klagers, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs in Thailand, de vertegenwoordigers van het betrokken land van uitvoer en de haar bekende importeurs en gebruikers van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

(5)

De Commissie heeft een vragenlijst verstuurd naar de klagers, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs in Thailand, de haar bekende importeurs en gebruikers van het betrokken product, alsmede naar alle andere belanghebbenden die daar binnen de in het bericht van inleiding neergelegde termijn om hadden verzocht.

(6)

Er werden antwoorden op de vragenlijsten ontvangen van de drie haar bekende Thaise producenten-exporteurs, drie producenten in de Unie, één importeur in de Unie en van vijf gebruikers in de Unie.

(7)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, de schade als gevolg hiervan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:

a)

producenten in de Unie:

BP Aromatics Limited NV, Geel, België;

CEPSA Química., Madrid, Spanje;

Lotte Chemical UK Ltd (voorheen Artenius), Wilton, Redcar, Verenigd Koninkrijk;

b)

importeurs in de Unie:

Mitsui & Co. Benelux NV, Brussel, België;

c)

gebruikers in de Unie:

DSM Powder Coating Resins bv, Zwolle, Nederland;

M&G Polimeri Italia SPA, Patrica (Frosinone), Italië;

NOVAPET SA, Barbastro (Huesca), Spanje;

UAB Neo Group, Klaipeda, Litouwen;

d)

producenten-exporteurs in Thailand:

TPT Petrochemicals Public Company Ltd, Bangkok, Thailand („TPT”);

Indorama Petrochem Ltd, Bangkok, Thailand („Indorama”);

Siam Mitsui PTA Company Ltd, Bangkok, Thailand („SMPC”);

e)

verbonden exporteur:

Mitsui Chemicals Inc, Tokyo, Japan („MCI”) — vertegenwoordiger voor de uitvoer en aandeelhouder van SMPC.

(8)

Daar TPT en Indorama beide eigendom zijn van dezelfde holding, worden zij hierna als de „Indorama-groep” aangeduid.

1.3.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(9)

Het onderzoek naar de dumping en schade had betrekking op de periode van 1 december 2008 tot en met 30 november 2009 („het onderzoektijdvak” of „het OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2006 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(10)

Het betrokken product is tereftalaatzuur en de zouten daarvan met een zuiverheid van ten minste 99,5 gewichtspercenten, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2917 36 00 („het betrokken product”).

(11)

PTA wordt verkregen door de zuivering van ruw tereftalaatzuur, dat op zijn beurt wordt verkregen door paraxyleen (PX) te laten reageren met een oplosmiddel en een katalysatoroplossing.

2.2.   Soortgelijk product

(12)

Vastgesteld werd dat het betrokken product en het PTA die in Thailand wordt geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht, en het PTA dat door de bedrijfstak van de Unie in de Unie wordt geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht, dezelfde fysische en chemische basiskenmerken hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Zij zijn derhalve soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   DUMPING

3.1.   Opmerkingen vooraf

(13)

Elk van de drie in de klacht genoemde Thaise producenten-exporteurs heeft antwoorden op de vragenlijsten verstrekt. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen andere Thaise producent-exporteur van PTA bestaat en dat de antwoorden de Thaise uitvoer naar de Europese Unie voor 100 % dekten.

(14)

De drie ondernemingen verzochten dumpingberekeningen uit te voeren op basis van de maandelijkse gegevens, op grond dat de kosten van de voornaamste grondstof en bijgevolg de prijzen van het betrokken product gedurende het OT aanzienlijk varieerden. Om de hierna in overweging 26 aangegeven redenen werd gebruikmaking van de gevraagde berekeningsmethode niet gerechtvaardigd geacht.

(15)

De verkopen op de binnenlandse markt en op de EU-markt vonden plaats op basis van prijzen op de spotmarkt, contracten gebaseerd op de kosten van PX (de voornaamste grondstof) of op een formule gebaseerd op een PTA-prijsindex in China. In laatstgenoemd geval was er in een aantal gevallen sprake van een aanzienlijk tijdsverloop waarna de definitieve index beschikbaar was. Om de formule te kunnen toepassen moest er een factureringsregeling worden uitgevoerd waarbij de definitieve prijs een aantal maanden na afgifte van de eerste voorlopige factuur kon worden vastgesteld. In verband met de correctie van de in de overeenkomst afgesproken definitieve prijs werden debet/creditnota’s afgegeven.

(16)

De hieronder beschreven algemene werkwijze is op alle medewerkende producenten-exporteurs in Thailand toegepast.

3.2.   Normale waarde

(17)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening is de Commissie eerst nagegaan of de binnenlandse verkopen van de Thaise producent voldoende representatief waren, m.a.w. of het totale volume ervan minstens 5 % van hun totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie vertegenwoordigde. De binnenlandse verkoop van de Thaise producenten tijdens het OT werd representatief geacht.

(18)

De Commissie heeft vervolgens onderzocht of de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 4, van de basisverordening. Hiertoe werd voor het op de binnenlandse markt verkochte soortgelijke product het aandeel van de winstgevende binnenlandse verkoop aan onafhankelijke afnemers gedurende het OT vastgesteld.

(19)

Aangezien de met winst verkochte hoeveelheid van het soortgelijke product voor alle drie de producenten meer dan 80 % van de totale in het binnenland verkochte hoeveelheid van het soortgelijke product bedroeg, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, die werd berekend als de gewogen gemiddelde prijs van de binnenlandse verkoop.

3.3.   Uitvoerprijs

(20)

Uit dit onderzoek is gebleken dat een van de medewerkende producenten-exporteurs (SMPC) naar de EU-markt verkocht via zijn grootste aandeelhouder (MCI, een in Japan gevestigde onderneming), die wederverkocht aan een aantal Japanse handelaren, die uiteindelijk aan partijen op de EU-markt verkochten. Er is onderzocht of MCI en de grootste Japanse handelaar met elkaar verbonden waren en of die verbondenheid gevolgen had voor de prijzen.

(21)

Er is gebleken dat de belangrijkste relatie gemeenschappelijke deelnemingen betrof van een zeer gering percentage dat wordt gehouden door Japanse banken namens talrijke trustees. Derhalve is vastgesteld dat de relatie niet zodanig van aard was dat deze gevolgen had voor de prijsniveaus. De prijzen zijn inderdaad, gegeven i) de hierboven geschetste prijsstelling/contractuele regelingen die typisch tot deze bedrijfstak horen, en ii) de aard van de relatie tussen de ondernemingen zoals hiervoor omschreven, objectief vastgesteld. Derhalve is bepaald dat de exportprijs van het betrokken product kan worden vastgesteld op basis van MCI’s verkopen aan de Japanse handelaren.

(22)

Aan MCI is een brief gestuurd waarin zij op de hoogte is gesteld van de gevolgen van niet-medewerking, omdat de ambtenaren gedurende de verificatie in Tokyo geen volledige toegang kregen tot accountinggegevens over bepaalde correcties.

(23)

De correcties werden derhalve overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens. Derhalve werd de volgende berekeningsmethode gebruikt. Voor vervoerskosten werd naar boven gecorrigeerd op basis van de ter plaatse ingewonnen informatie. Voor de overige correcties werden zowel de opgegeven bedragen als de nettoverkoopprijzen onderzocht door vergelijking met andere onafhankelijke bronnen, in dit geval informatie die was vastgesteld met betrekking tot de andere twee Thaise producenten-exporteurs en kwam ervan vast te staan dat zij spoorden met hetzelfde soort verkopen. Over een alternatieve methode, namelijk gebruikmaking van Eurostatprijzen als alternatief, is nagedacht maar deze is niet gehanteerd omdat voor dit product de waarde in Eurostat de cif-prijs was op de datum van invoer en niet de gecorrigeerde definitieve prijs die is vastgesteld in overeenstemming met de hierboven geschetste regeling van verkoopovereenkomsten en facturering. Deze benadering was buitengewoon adequaat gelet op de structuur van de markt als hiervoor in overweging 15 uiteengezet. Opgemerkt zij dat het overgrote merendeel van de correcties reeds in Thailand was onderzocht.

3.4.   Vergelijking

(24)

De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken in het stadium af fabriek.

(25)

Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In dit verband werden waar nodig en gerechtvaardigd correcties voor vervoers-, verzekerings-, verpakkings-, krediet-, handling- en commissiekosten toegepast.

(26)

De uitvoerprijs werd met de normale waarde vergeleken op jaarbasis. Het verzoek van de producenten-exporteurs om vergelijkingen op maandbasis te maken, is in overweging genomen maar niet gehonoreerd omdat duidelijk was dat dit de uiteindelijke conclusie ten aanzien van dumping, d.w.z. de minimale dumping door het hele land, niet zou hebben gewijzigd.

3.5.   Dumpingmarge

(27)

Ingevolge artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumpingmarge voor de medewerkende producenten-exporteurs in Thailand vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde uitvoerprijs, zoals hierboven vastgesteld.

(28)

Op basis van deze wijze van berekening werden de dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, vastgesteld op:

 

Dumpingmarge

Indorama-groep

3,7  %

SMPC

Geen dumping

(29)

De drie producenten-exporteurs (de twee van de Indorama-groep en SMPC) vertegenwoordigen alle uitvoer van oorsprong uit Thailand bij vergelijking met de Eurostatgegevens. Om te beoordelen of de dumpingmarge voor het gehele land minimaal was, werd een gewogen gemiddelde dumpingmarge voor het gehele land vastgesteld. Er is vastgesteld dat deze marge onder de de-minimisdrempel lag, d.w.z. 1,8 %.

(30)

Gelet op de minimale dumpingmarge door het hele land, hoeven er geen voorlopige maatregelen op de invoer van PTA van oorsprong uit Thailand te worden opgelegd.

4.   SCHADE, OORZAKELIJK VERBAND EN BELANG VAN DE UNIE

(31)

Gezien de bovenstaande bevindingen met betrekking tot dumping wordt het niet nodig geacht analyses te overleggen inzake schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie.

5.   BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE

(32)

De procedure moet derhalve worden beëindigd, aangezien de voor Thailand vastgestelde dumpingmarge minder is dan 2 %. De belanghebbenden zijn hiervan in kennis gesteld en zij hebben de gelegenheid gekregen opmerkingen te maken.

(33)

Met betrekking tot de dumpingkwesties werden opmerkingen ontvangen van een van de klagers inhoudende dat de Commissie aan SMPC de dumpingmarge had moeten toerekenen die voor de twee andere producenten–exporteurs was vastgesteld (3,7 %), naar aanleiding van de beschikbare feiten. In een dergelijk geval werd betoogd dat er sprake was van een minimale dumpingmarge. Dit moest van de hand worden gewezen. De Commissie heeft met betrekking tot de Japanse verbonden onderneming de beschikbare feiten gehanteerd, door de beschikbare gegevens van de onderneming te gebruiken, deze naar boven bij te stellen en te vergelijken met andere verifieerbare bronnen. Toerekening van de dumpingmarge van de andere exporteurs zou in deze omstandigheden tegen artikel 18 hebben ingedruist.

(34)

Dezelfde klager heeft voorts betoogd dat andere overheden anders naar onderzoeken inzake PTA voor een soortgelijk OT kijken. Deze redenering kan niet worden gevolgd. Het door de belanghebbende aangeleverde bewijsmateriaal verwijst naar een antidumpingrecht dat door de Volksrepubliek China is ingesteld op invoer van PTA uit Korea en Thailand. De verstrekte informatie kan de betrokken stelling van de belanghebbende niet schragen, daar er geen bewijs voorhanden is over hoe de normale waarde en de uitvoerprijs in deze Chinese antidumpingprocedure werden vastgesteld. Voorts liep het OT in het onderzoek door de Chinese autoriteiten van 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008, terwijl het in het EU-onderzoek gebruikte OT van 1 december 2008 tot en met 30 november 2009 liep. De tijdvakken die in de EU- en in de Chinese onderzoeken in aanmerking werden genomen, waren derhalve zeer verschillend.

(35)

Met betrekking tot schade hebben de belanghebbenden geen opmerkingen ingediend.

(36)

De conclusie luidt dus dat de opmerkingen van belanghebbenden geen aanleiding geven om de bevindingen van het onderzoek, namelijk dat beschermende maatregelen overbodig zijn, aan te passen.

(37)

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie derhalve dat de antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Unie van gezuiverd tereftalaatzuur en de zouten daarvan van oorsprong uit Thailand moet worden beëindigd zonder dat antidumpingmaatregelen moeten worden ingesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Enig artikel

De antidumpingprocedure betreffende de invoer van tereftalaatzuur en de zouten daarvan met een zuiverheid van ten minste 99,5 gewichtspercenten, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2917 36 00 , van oorsprong uit Thailand, wordt hierbij beëindigd.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB C 313 van 22.12.2009, blz. 17.

(3)   PB C 313 van 22.12.2009, blz. 22.

(4)  Zie bladzijde 17 van dit Publicatieblad.