28.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 24/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 77/2010 VAN DE RAAD

van 19 januari 2010

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 452/2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op strijkplanken van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (2) („de basisverordening”), en met name op artikel 11, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009,

Gezien het voorstel dat de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   GELDENDE MAATREGELEN

(1)

Momenteel zijn op strijkplanken van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China („China”) definitieve antidumpingrechten van toepassing die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 452/2007 van de Raad (3). Bij dezelfde verordening zijn ook antidumpingrechten ingesteld op strijkplanken van oorsprong uit Oekraïne.

B.   HUIDIG ONDERZOEK

1.   Verzoek om een nieuw onderzoek

(2)

Dit nieuwe onderzoek voor een „nieuwe exporteur” werd geopend op grond van een door Greenwood Houseware (Zhuhai) Ltd („de indiener van het verzoek” of „Greenwood Houseware”), een exporteur in China, ingediend verzoek en de door die onderneming verstrekte informatie. De indiener van het verzoek verklaarde niet verbonden te zijn met de producenten/exporteurs in China voor wie de antidumpingmaatregelen op strijkplanken gelden. Voorts verklaarde hij dat hij tijdens het oorspronkelijke onderzoektijdvak (de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005) geen strijkplanken naar de Unie had uitgevoerd, maar pas na afloop van die periode met de uitvoer van strijkplanken naar de Unie was begonnen.

2.   Opening van een nieuw onderzoek voor een nieuwe exporteur

(3)

De Commissie heeft het door de indiener van het verzoek ingediende bewijsmateriaal onderzocht en achtte het toereikend om een nieuw onderzoek te openen overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening. Na raadpleging van het Raadgevend Comité en na de bedrijfstak in de Unie de gelegenheid te hebben gegeven opmerkingen te maken, heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 356/2009 (4) een procedure ingeleid tot herziening van Verordening (EG) nr. 452/2007 met betrekking tot de indiener van het verzoek, en is zij met haar onderzoek begonnen.

(4)

Overeenkomstig de verordening van de Commissie tot opening van het nieuwe onderzoek werd het antidumpingrecht van 38,1 %, dat bij Verordening (EG) nr. 452/2007 op de invoer van de door de indiener van het verzoek geproduceerde strijkplanken was ingesteld, ingetrokken. Tegelijkertijd werd de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening opdracht gegeven passende maatregelen te nemen om deze invoer te registreren.

3.   Betrokken product

(5)

Het bij dit nieuwe onderzoek betrokken product is hetzelfde als bij het onderzoek dat leidde tot de instelling van de thans geldende maatregelen ten aanzien van de invoer van strijkplanken van oorsprong uit onder meer China, d.w.z. strijkplanken, al dan niet op poten, al dan niet met een stoomafzuigend, verwarmd en/of blazend werkblad, met inbegrip van mouwplanken, en belangrijke onderdelen daarvan, zoals de poten, het werkblad en de strijkijzersteun (het treefje), momenteel vallende onder de GN-codes ex 3924 90 00 , ex 4421 90 98 , ex 7323 93 90 , ex 7323 99 91 , ex 7323 99 99 , ex 8516 79 70 en ex 8516 90 00 en van oorsprong uit China.

4.   Betrokken partijen

(6)

De Commissie heeft de indiener van het verzoek, de bedrijfstak in de Unie en de vertegenwoordigers van het land van uitvoer officieel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. Alle belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en te worden gehoord.

(7)

De Commissie heeft de indiener van het verzoek ook een aanvraagformulier voor behandeling als marktgerichte onderneming/individuele behandeling („BMO/IB”) en een vragenlijst toegestuurd en heeft binnen de daarvoor gestelde termijn een antwoord ontvangen.

(8)

De Commissie heeft alle gegevens ingewonnen en gecontroleerd die zij voor BMO/IB en de vaststelling van dumping nodig achttte. Op de volgende plaatsen zijn controles uitgevoerd:

a)

Producent/exporteur in China

Greenwood Houseware (Zhuhai) Ltd, Volksrepubliek China

b)

Met de producent/exporteur verbonden ondernemingen

Brabantia S&S, Hongkong

Brabantia S&L Belgium NV, Overpelt, België

Brabantia Belgium NV, Overpelt, België

Brabantia International BV, Valkenswaard, Nederland

Brabantia Branding BV, Valkenswaard, Nederland

Brabantia Export, Valkenswaard, Nederland

Brabantia S&L (UK) Ltd, Bristol, Verenigd Koninkrijk

Brabantia UK Ltd, Bristol, Verenigd Koninkrijk.

(9)

Omdat voor een producent/exporteur in China die niet als marktgerichte onderneming kan worden beschouwd, een normale waarde moet worden vastgesteld op basis van de gegevens van een producent in de Unie, vond een controlebezoek plaats bij de onderstaande onderneming:

Vale Mill Ltd, Rochdale, Verenigd Koninkrijk.

5.   Onderzoektijdvak

(10)

Het onderzoek naar dumping had betrekking op de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 maart 2009 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Er werd voor een onderzoektijdvak van 18 maanden geopteerd om de gegevens ook te kunnen gebruiken bij een parallel onderzoek met betrekking tot de indiener van het verzoek in verband met terugbetalingen.

C.   RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

1.   Status van „nieuwe exporteur”

(11)

Uit het onderzoek bleek dat de indiener van het verzoek het betrokken product tijdens het oorspronkelijke OT niet had uitgevoerd en pas later met de uitvoer naar de Unie was begonnen. Tijdens het oorspronkelijke OT heeft de verbonden handelsonderneming van de indiener van het verzoek strijkplanken uitgevoerd die hij bij één andere Chinese producent had gekocht. Deze handelsactiviteit vormt echter geen inbreuk op artikel 11, lid 4, van de basisverordening.

(12)

Bovendien kon de indiener van het verzoek aantonen dat hij niet was verbonden met de producenten/exporteurs in China voor wie de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van strijkplanken van oorsprong uit China gelden.

(13)

Bijgevolg wordt bevestigd dat de indiener van het verzoek overeenkomstig artikel 11, lid 4, van de basisverordening als „nieuwe exporteur” moet worden beschouwd.

2.   Behandeling als marktgerichte onderneming

(14)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken inzake invoer van oorsprong uit China bepaald volgens artikel 2, leden 1 tot en met 6, van de basisverordening voor producenten/exporteurs die hebben aangetoond dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, namelijk dat zij het soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Voor de duidelijkheid zijn deze criteria hieronder nog eens kort samengevat:

1.

besluiten van ondernemingen worden genomen en kosten gemaakt als reactie op marktomstandigheden, zonder staatsinmenging van betekenis, en kosten geven marktvoorwaarden weer;

2.

ondernemingen beschikken over een duidelijke boekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen („IAS”) en die alle terreinen bestrijkt;

3.

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4.

faillissements- en eigendomswetten verschaffen juridische zekerheid en stabiliteit;

5.

munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend.

(15)

De indiener van het verzoek verzocht overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening om een BMO en werd gevraagd het desbetreffende aanvraagformulier in te vullen. Hij heeft het ingevulde BMO-formulier binnen de daarvoor gestelde termijn teruggestuurd.

(16)

De Commissie heeft alle gegevens die zij noodzakelijk achtte ingewonnen en heeft de gegevens die in het aanvraagformulier waren verstrekt ter plaatse bij de onderneming gecontroleerd.

(17)

Geconcludeerd werd dat de status van marktgerichte onderneming niet aan de indiener van het verzoek moest worden toegekend, omdat hij niet voldeed aan het tweede en derde criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

(18)

Met betrekking tot het tweede criterium werd ter plaatse vastgesteld dat fundamentele beginselen van de International Accounting Standards („IAS”) — en met name IAS 1 — zowel in de boekhouding als bij de audit ervan niet werden nageleefd (registratie op transactiebasis, soldering, geen getrouwe weergave van transacties, foutieve rapportage van basisinformatie over het op de onderneming toepasselijke belastingstelsel), waardoor twijfel rees over de betrouwbaarheid van de boekhouding van de onderneming. Daarom werd geconcludeerd dat de onderneming niet heeft aangetoond aan het tweede criterium te voldoen.

(19)

Met betrekking tot het derde criterium werd ter plaatse vastgesteld dat de onderneming profiteerde van specifieke fiscale regelingen die nog voortvloeiden uit het systeem zonder markteconomie. Uit de controle ter plaatse bleek immers dat de indiener van het verzoek tijdens het OT geen inkomstenbelasting betaalde omdat de onderneming onder de speciale fiscale regeling voor buitenlandse ondernemingen viel („Two Free, Three Year Half”), waarbij ondernemingen tijdens de eerste twee winstgevende jaren van inkomstenbelasting zijn vrijgesteld en tijdens de volgende drie jaar slechts de helft van het geldende belastingtarief (25 %) moeten betalen. Dit betekent dat de onderneming in het onderhavige geval tot 2012 kan profiteren van een vermindering van de inkomstenbelasting met 50 %. De onderneming hoefde ook een aantal andere belastingen niet te betalen (onder meer de belasting voor stadsonderhoud, de kosten voor de bescherming van dijken, douanerechten en de btw op de aankoop van materiaal). Het onderzoek bracht ook verstoringen van betekenis aan het licht met betrekking tot de grondgebruiksrechten van de indiener van het verzoek. Geconcludeerd werd dat de grondgebruiksrechten niet aan de marktvoorwaarden beantwoordden. Rekening houdend met het bovenstaande werd daarom geconcludeerd dat de onderneming niet heeft aangetoond aan het derde criterium te voldoen.

(20)

De indiener van het verzoek en de bedrijfstak in de Unie werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen over de bovenstaande bevindingen te maken. De bedrijfstak in de Unie was het met de bovenstaande bevindingen eens, maar beweerde ook dat de Commissie het effect van de verstoorde staalprijzen op de Chinese markt had moeten evalueren. Met betrekking tot het tweede criterium beweerde de indiener van het verzoek aan de IAS te voldoen. Met betrekking tot het derde criterium legde de indiener van het verzoek opmerkingen en toelichtingen voor over zijn belastingstelsel en de door de Commissie opgeworpen kwesties in verband met de grondgebruiksrechten.

(21)

Opgemerkt zij dat de door de bedrijfstak in de Unie opgeworpen kwestie van de verstoorde staalprijzen op de Chinese markt niet is onderzocht, omdat er met betrekking tot de BMO al andere duidelijke tekortkomingen waren vastgesteld. Er is bijgevolg op dit punt geen conclusie getrokken.

(22)

De Commissie heeft de opmerkingen van de indiener van het verzoek grondig bestudeerd en onderzocht. Met betrekking tot het tweede criterium deden de toelichtingen geen afbreuk aan de feitelijke basis waarop de boekhoudkundige discrepanties waren vastgesteld, terwijl de toelichtingen over de toepasselijke IAS-regels irrelevant werden gevonden. Met betrekking tot het derde criterium — en vooral met betrekking tot de vrijstelling van de kosten voor de bescherming van dijken, de douanerechten en de btw — werden de toelichtingen en de informatie van de indiener van het verzoek aanvaard. De toelichtingen en de informatie van de indiener van het verzoek konden echter geen twijfel doen rijzen over de duidelijke tekortkomingen met betrekking tot het derde criterium (de koppeling van de toewijzing van grond aan ondernemingen, de bouw van openbare faciliteiten zonder compensatie en het gebrek aan schommelingen van de prijs van grondgebruiksrechten in de tijd). Gezien de resterende duidelijke tekortkomingen met betrekking tot het derde criterium werd geconcludeerd dat nog steeds niet aan dit criterium is voldaan.

(23)

Op basis van het bovenstaande werd geconcludeerd dat de indiener van het verzoek niet heeft aangetoond aan alle criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening te voldoen, en dat de onderneming daarom niet voor BMO in aanmerking komt.

3.   Individuele behandeling

(24)

Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening wordt voor landen waarop artikel 2, lid 7, onder a), van toepassing is, in voorkomend geval een voor het gehele land geldend recht vastgesteld, behalve wanneer ondernemingen kunnen aantonen dat zij aan de criteria van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldoen en hun dus IB kan worden toegekend.

(25)

Greenwood Houseware verzocht om IB als geen BMO zou worden toegekend.

(26)

Op basis van de beschikbare informatie werd vastgesteld dat de onderneming aan de bepalingen van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldeed. Daarom werd geconcludeerd dat aan de indiener van het verzoek IB kon worden toegekend.

4.   Normale waarde

4.1.   Referentieland

(27)

Volgens artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening moet bij invoer uit landen zonder markteconomie en voor zover geen BMO kon worden toegekend, voor de in artikel 2, lid 7, onder b), van die verordening genoemde landen de normale waarde worden vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een referentieland.

(28)

In het bericht van inleiding vermeldde de Commissie voornemens te zijn Turkije te kiezen als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde voor China. De belanghebbenden konden hierover opmerkingen maken. Turkije werd ook bij het oorspronkelijke onderzoek als referentieland gebruikt.

(29)

Er werden geen opmerkingen ontvangen over de keuze van Turkije als referentieland voor het vaststellen van de normale waarde.

(30)

De Commissie verzocht producenten in Turkije om medewerking. Er werden brieven en vragenlijsten naar drie ondernemingen in Turkije verstuurd. Geen van deze ondernemingen heeft aan het onderzoek meegewerkt of relevante informatie verstrekt. De Commissie heeft daarop opnieuw contact met alle bekende producenten in Turkije opgenomen, maar zonder resultaat. De bedrijfstak in de Unie en de indiener van het verzoek zijn van deze situatie op de hoogte gebracht en ze werden verzocht relevante opmerkingen te maken over methoden om een derde land met een markteconomie te selecteren. Er werden geen opmerkingen ontvangen.

(31)

Daarom werd het dienstig geacht de bedrijfstak in de Unie overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening te vragen of hij bereid was mee te werken om de Commissie in staat te stellen de nodige informatie in te winnen om de normale waarde vast te stellen.

(32)

Er werden brieven en vragenlijsten naar de producenten in de Unie verstuurd om de nodige informatie in te winnen om de normale waarde vast te stellen. Greenwood Houseware werd verzocht hierover opmerkingen te maken.

(33)

Er werden geen opmerkingen van Greenwood Houseware ontvangen over het gebruik van informatie van de bedrijfstak in de Unie voor het vaststellen van de normale waarde.

(34)

Eén Europese producent verstrekte tijdig alle nodige informatie voor het vaststellen van de normale waarde en was bereid aan het onderzoek mee te werken. Daarom werd beslist de normale waarde op deze basis vast te stellen.

4.2.   Vaststelling van de normale waarde

(35)

Nadat ervoor geopteerd was de gegevens van de bedrijfstak in de Unie te gebruiken, werd de normale waarde berekend op basis van de ter plaatse gecontroleerde informatie van de meewerkende producent in de Unie, namelijk Vale Mill Ltd.

(36)

De verkoop van de producent in de Unie van het soortgelijke product op de binnenlandse markt bleek representatief te zijn voor een vergelijking met de uitvoer van de Chinese producent/exporteur naar de Unie.

(37)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor China vastgesteld op basis van de gecontroleerde informatie van de enige meewerkende producent in de Unie, d.w.z. op basis van de betaalde of te betalen prijzen op de communautaire markt voor vergelijkbare productsoorten in het kader van normale handelstransacties, of — bij gebrek aan de verkoop van vergelijkbare productsoorten op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties — op basis van berekende waarden, d.w.z. op basis van de productiekosten van de door de producent in de Unie geproduceerde strijkplanken, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten (VAA-kosten) en winst. De gebruikte winstmarge komt overeen met de in het oorspronkelijke onderzoek gebruikte winstmarge.

5.   Uitvoerprijs

(38)

De volledige uitvoer van de indiener van het verzoek naar de Unie gebeurde via verbonden handelsondernemingen en makelaars zowel buiten de Unie (één in Hongkong geregistreerde onderneming) als binnen de Unie (25 in verschillende lidstaten van de Europese Unie (EU) geregistreerde ondernemingen).

(39)

Aangezien de volledige uitvoer naar de Unie via verbonden handelsondernemingen gebeurde, werden de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijzen waartegen de verbonden handelsondernemingen het product aan de eerste onafhankelijke afnemer verkochten.

(40)

Greenwood Houseware maakte gebruik van een groot aantal verbonden handelsondernemingen voor de verkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie. Het betrokken product werd in de Unie voor het eerst in het vrije verkeer gebracht door één met de indiener van het verzoek verbonden onderneming. Daarna werd het aan verschillende verbonden ondernemingen verkocht die handels- en andere activiteiten ontplooiden voor de indiener van het verzoek in verschillende lidstaten van de Unie. De indiener van het verzoek verzocht de dumpingberekeningen te beperken tot de transacties met zijn drie belangrijkste verbonden partijen, die het betrokken product in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en België verkopen. Deze transacties zijn goed voor een belangrijk deel van de verkoop in de Unie. Gezien het grote totale aantal verbonden partijen en de onderzoekstermijnen wordt het dienstig geacht de bevindingen inzake dumping te baseren op de bovenvermelde belangrijkste markten van de indiener van het verzoek in de Unie. De Commissie heeft de totale uitvoer uit China via Hongkong gecontroleerd tot het punt waar het betrokken product in de Unie in het vrije verkeer werd gebracht en aan de verschillende handelsondernemingen werd doorverkocht. Pas vanaf dat punt heeft de Commissie haar dumpingberekening beperkt tot de drie belangrijkste bovenvermelde markten.

(41)

Om die reden werden de uitvoerprijzen overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de prijzen waartegen het ingevoerde product voor het eerst werd doorverkocht aan onafhankelijke afnemers in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en België. Alle kosten tussen invoer en doorverkoop — met inbegrip van de verkoopkosten, de algemene kosten en de administratiekosten van de invoerende ondernemingen tijdens het OT — moesten in mindering worden gebracht. Deze kosten werden ter plaatse bij de respectieve ondernemingen gecontroleerd.

(42)

Ook de winstmarges die de activiteiten van de indiener van het verzoek met betrekking tot het betrokken product tijdens het OT dekken, moesten in mindering worden gebracht. De werkelijke winst van de verbonden handelaars kon in dit verband niet worden gebruikt, aangezien de relatie tussen de producenten/exporteurs en de verbonden handelaars deze winstmarges onbetrouwbaar maakte. Bovendien verklaarde de onderneming tijdens de controle ter plaatse dat het normaliter geen rekenschap geeft van de winst op de door het onderzoek vereiste wijze. De indiener van het verzoek stelde de Commissie daarom voor de normale winstmarge van het vorige onderzoek te gebruiken. Bij gebrek aan andere cijfers werd daarom beslist de winstmarge van het oorspronkelijke onderzoek te gebruiken.

6.   Vergelijking

(43)

Ingevolge artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumpingmarge voor Greenwood Houseware vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort met een gewogen gemiddelde uitvoerprijs per productsoort, zoals hierboven vastgesteld.

(44)

De vergelijking werd gemaakt in hetzelfde handelsstadium, namelijk af fabriek.

(45)

Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Er werden correcties toegepast voor verschillen in indirecte belastingen, de kosten van vervoer, verzekering, laden, lossen en aanverwante kosten, verpakking, krediet, garantie en commissies, voor zover deze konden worden gerechtvaardigd.

7.   Dumpingmarge

(46)

Uit de vergelijking bleek dat er sprake was van dumping. Deze dumpingmarge bedraagt 22,7 % van de nettoprijs, franco grens Europese Unie, vóór inklaring.

D.   HEFFING VAN HET ANTIDUMPINGRECHT MET TERUGWERKENDE KRACHT

(47)

Gezien de bovenstaande bevindingen moet het antidumpingrecht dat op de indiener van het verzoek van toepassing is, met terugwerkende kracht worden geheven op het betrokken product, waarvan de invoer overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 356/2009 moet worden geregistreerd.

E.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(48)

De belanghebbenden werden in kennis gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan werd overwogen een gewijzigd definitief antidumpingrecht in te stellen op door de indiener van het verzoek vervaardigde strijkplanken en dit recht met terugwerkende kracht te heffen op geregistreerde invoer.

(49)

Alle belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Hun opmerkingen werden in overweging genomen en waar nodig werd er rekening mee gehouden. Ze waren echter niet van dien aard dat de conclusies nog werden gewijzigd.

(50)

Dit nieuwe onderzoek is niet van invloed op de datum waarop de bij Verordening (EG) nr. 452/2007 ingestelde maatregelen ingevolge artikel 11, lid 2, van de basisverordening verstrijken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tabel in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 452/2007 wordt gewijzigd door het volgende in te voegen:

„Land

Fabrikant

Recht

(%)

Aanvullende Taric-code

Volksrepubliek China

Greenwood Houseware (Zhuhai) Ltd

22,7  (*1)

A953

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 januari 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

E. SALGADO


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(3)   PB L 109 van 26.4.2007, blz. 12.

(4)   PB L 109 van 30.4.2009, blz. 6.

(*1)  Het hierbij ingestelde recht wordt met terugwerkende kracht geheven op de invoer van het betrokken product die is geregistreerd overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 356/2009 van de Commissie (*2). De douane wordt opgedragen de registratie te beëindigen van de invoer van het door Greenwood Houseware (Zhuhai) Ltd geproduceerde betrokken product van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

(*2)   PB L 109 van 30.4.2009, blz. 6.”