|
31.8.2010 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 228/10 |
RICHTLIJN 2010/60/EU VAN DE COMMISSIE
van 30 augustus 2010
tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor het in de handel brengen van zaaizaadmengsels van groenvoedergewassen die bestemd zijn voor gebruik bij het behoud van de natuurlijke omgeving
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (1), en met name artikel 13, lid 1, vierde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De thema’s biodiversiteit en instandhouding van plantgenetische hulpbronnen hebben de laatste jaren aan belang gewonnen, zoals blijkt uit verschillende ontwikkelingen op internationaal en EU-niveau. Voorbeelden daarvan zijn onder meer Besluit 93/626/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake biologische diversiteit (2), Besluit 2004/869/EG van de Raad van 24 februari 2004 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van het Internationaal Verdrag inzake plantgenetische hulpbronnen voor voeding en landbouw (3), Verordening (EG) nr. 870/2004 van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van een communautair programma inzake de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw en houdende intrekking van Verordening (EG) nr. 1467/94 (4), en Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (5). Er moeten specifieke voorwaarden worden vastgesteld krachtens de EU-wetgeving voor het in de handel brengen van zaaizaadmengsels van groenvoedergewassen, namelijk Richtlijn 66/401/EEG, teneinde rekening te houden met deze thema’s. |
|
(2) |
Met het oog op het in de handel brengen van zaaizaadmengsels van groenvoedergewassen die bestemd zijn voor gebruik bij het behoud van de natuurlijke omgeving in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen (hierna „instandhoudingsmengsels” genoemd), is het nodig in bepaalde afwijkingen te voorzien, zelfs indien de bestanddelen van die mengsels niet voldoen aan sommige van de algemene voorschriften voor het in de handel brengen, als vastgesteld in Richtlijn 66/401/EEG. |
|
(3) |
Om ervoor te zorgen dat mengsels die als instandhoudingsmengsels in de handel worden gebracht aan de voorschriften van die afwijkingen voldoen, is het nodig het in de handel brengen van deze mengsels aan een vergunning te verbinden. De vergunning moet op aanvraag worden verleend. |
|
(4) |
Ten aanzien van instandhoudingsmengsels die instandhoudingsrassen omvatten in de zin van Richtlijn 2008/62/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en rassen (6), moet deze richtlijn echter Richtlijn 2008/62/EG onverlet laten. |
|
(5) |
In speciale beschermingszones die door de lidstaten worden aangewezen overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (7) komen natuurlijke en halfnatuurlijke habitats voor die het waard zijn in stand te worden gehouden. Dergelijke zones moeten als brongebieden voor instandhoudingsmengsels worden beschouwd. De lidstaten moeten ook de mogelijkheid hebben om andere gebieden die bijdragen aan de instandhouding van plantgenetische hulpbronnen aan te wijzen, als deze aan vergelijkbare regels voldoen. |
|
(6) |
Ook moet worden bepaald dat de bestanddelen van het instandhoudingsmengsel als soorten en, indien van toepassing, als ondersoorten in de vergunning en op het etiket worden vermeld. Het specifieke kiemkrachtcijfer voor bestanddelen van het mengsel die vallen onder Richtlijn 66/401/EEG en die niet voldoen aan de kiemkrachtvoorschriften van bijlage II bij die richtlijn moet ook worden aangegeven. Ten aanzien van deze voorschriften is het nodig om voor rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels rekening te houden met de oogstmethode. |
|
(7) |
Het is nodig te voorzien in afwijkingen met betrekking tot het onderzoek van het instandhoudingsmengsel door de lidstaten voordat het in de handel brengen mag worden gebracht. De wijze waarop deze mengsels worden onderzocht moet in bepaalde gevallen ook rekening houden met de verschillen tussen de oogstmethoden van als gewas geteelde en van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels. |
|
(8) |
Om ervoor te zorgen dat het in de handel brengen van instandhoudingsmengsels geschiedt in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen, moet worden voorzien in beperkingen, met name wat het gebied van oorsprong en het brongebied betreft. |
|
(9) |
Er moet een maximumhoeveelheid voor het in de handel brengen van instandhoudingsmengsels worden vastgesteld. Om ervoor te zorgen dat deze maximumhoeveelheid in acht wordt genomen, moeten de lidstaten de producenten verplichten kennisgeving te doen van de hoeveelheden van instandhoudingsmengsels waarvoor zij voornemens zijn een vergunning aan te vragen en moeten de lidstaten de hoeveelheden zo nodig aan de producenten toewijzen. |
|
(10) |
Door middel van passende sluitings- en etiketteringsvoorschriften moet worden gezorgd voor de traceerbaarheid van de instandhoudingsmengsels. |
|
(11) |
Om ervoor te zorgen dat de voorschriften van deze richtlijn correct worden toegepast, moet officieel toezicht worden uitgevoerd. |
|
(12) |
Na een passende periode moet de Commissie beoordelen of de in deze richtlijn vervatte maatregelen doeltreffend zijn. |
|
(13) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) „brongebied”:
|
i) |
een gebied dat door een lidstaat als speciale beschermingszone is aangewezen overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG, of |
|
ii) |
een gebied dat bijdraagt aan de instandhouding van plantgenetische hulpmiddelen en dat door een lidstaat is aangewezen overeenkomstig een nationale procedure die gebaseerd is op vergelijkbare criteria als die waarin wordt voorzien in artikel 4, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG juncto artikel 1, onder k) en l) van die richtlijn, en dat wordt beheerd en beschermd en waarop toezicht wordt uitgeoefend op een wijze die gelijkwaardig is aan artikel 6 en artikel 11 van die richtlijn; |
b) „verzamellocatie”: een gedeelte van het brongebied waar het zaaizaad verzameld is;
c) „rechtstreeks geoogst mengsel”: een zaaizaadmengsel dat in de handel wordt gebracht zoals het is verzameld op de verzamellocatie, met of zonder reiniging;
d) „als gewas geteeld mengsel”: een zaaizaadmengsel dat geproduceerd wordt volgens het volgende proces:
|
i) |
zaaizaad van individuele soorten wordt op de verzamellocatie genomen; |
|
ii) |
het in punt i) bedoelde zaaizaad wordt als enkele soort buiten de verzamellocatie vermeerderd; |
|
iii) |
de zaden van die soorten worden vervolgens gemengd om een mengsel te creëren dat bestaat uit die geslachten, soorten en, indien van toepassing, ondersoorten die kenmerkend zijn voor het habitattype van de verzamellocatie. |
Artikel 2
Instandhoudingsmengsels
1. In afwijking van artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn 66/401/EEG, mogen lidstaten vergunningen verlenen voor het in de handel brengen van mengsels van diverse geslachten, soorten en, indien van toepassing, ondersoorten, bestemd voor gebruik bij het behoud van de natuurlijke omgeving in het kader van de instandhouding van plantgenetische hulpbronnen, als bedoeld in artikel 22 bis, lid 1, onder b), van die richtlijn.
Dergelijke mengsels mogen zaaizaad bevatten van groenvoedergewassen die onder Richtlijn 66/401/EEG vallen en, bovendien, zaaizaad van gewassen die geen groenvoedergewassen zijn in de zin van die richtlijn.
Dergelijke mengsels worden hierna „instandhoudingsmengsels” genoemd.
2. Indien een instandhoudingsmengsel een instandhoudingsras bevat, is Richtlijn 2008/62/EG van toepassing.
3. Tenzij in deze richtlijn anders wordt bepaald, is Richtlijn 66/401/EEG van toepassing.
Artikel 3
Regio van oorsprong
Indien een lidstaat een vergunning verleent voor het in de handel brengen van een instandhoudingsmengsel, stelt de lidstaat de regio vast waarmee dat mengsel van nature in verband wordt gebracht, hierna „regio van oorsprong” genoemd. Hij houdt rekening met de informatie van voor plantgenetische hulpbronnen bevoegde instanties of daartoe door de lidstaten erkende organisaties. Indien de regio van oorsprong in meer dan één lidstaat gelegen is, wordt hij door alle betrokken lidstaten in gezamenlijk overleg vastgesteld.
Artikel 4
Vergunning
1. De lidstaten kunnen vergunningen verlenen voor het in de handel brengen van instandhoudingsmengsels in hun regio van oorsprong, mits die mengsels voldoen aan de voorschriften van artikel 5 in het geval van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels of de voorschriften van artikel 6 in het geval van als gewas geteelde instandhoudingsmengsels.
2. De vergunning bevat de volgende informatie:
|
a) |
de naam en het adres van de producent; |
|
b) |
oogstmethode: rechtstreeks geoogst of als gewas geteeld; |
|
c) |
het gewichtspercentage van de bestanddelen als soorten en, indien van toepassing, ondersoorten; |
|
d) |
in het geval van als gewas geteelde instandhoudingsmengsels, een specifiek kiemkrachtcijfer voor bestanddelen van het mengsel die vallen onder Richtlijn 66/401/EEG en die niet voldoen aan de kiemkrachtvoorschriften van bijlage II bij die richtlijn; |
|
e) |
de hoeveelheid van het mengsel waarop de vergunning van toepassing is; |
|
f) |
de regio van oorsprong; |
|
g) |
beperking tot het in de handel brengen in de regio van oorsprong; |
|
h) |
brongebied; |
|
i) |
verzamellocatie en, in het geval van een als gewas geteeld instandhoudingsmengsel, bovendien de vermeerderingslocatie; |
|
j) |
habitattype van de verzamellocatie, en |
|
k) |
verzameljaar. |
3. Ten aanzien van lid 2, onder c), kan voor rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels worden volstaan met het vermelden van die bestanddelen als soorten en, indien van toepassing, ondersoorten die kenmerkend zijn voor het habitattype van de verzamellocatie en die als bestanddelen van het mengsel van belang zijn voor het behoud van de natuurlijke omgeving in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen.
Artikel 5
Vergunningsvoorschriften voor rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels
1. Een rechtstreeks geoogst instandhoudingsmengsel is verzameld in het brongebied op een verzamellocatie die in de veertig jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag van de producent, bedoeld in artikel 7, lid 1, niet is ingezaaid. Het brongebied bevindt zich in de regio van oorsprong.
2. Het percentage van de bestanddelen van het rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsel die soorten en, indien van toepassing, ondersoorten zijn die kenmerkend zijn voor het habitattype van de verzamellocatie en die als bestanddelen van het mengsel van belang zijn voor het behoud van de natuurlijke omgeving in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen, is passend om het habitattype van de verzamellocatie te recreëren.
3. Het kiemkrachtcijfer van de bestanddelen, bedoeld in lid 2, is voldoende om het habitattype van de verzamellocatie te recreëren.
4. Het maximumgehalte aan soorten en, indien van toepassing, ondersoorten die niet voldoen aan lid 2 mag niet meer bedragen dan 1 gewichtspercent. Het rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsel is vrij van Avena fatua, Avena sterilis en Cuscuta spp. Het maximumgehalte aan Rumex spp., anders dan Rumex acetosella en Rumex maritimus, mag niet meer bedragen dan 0,05 gewichtspercent.
Artikel 6
Vergunningsvoorschriften voor als gewas geteelde instandhoudingsmengsels
1. Ten aanzien van als gewas geteelde instandhoudingsmengsels is het verzamelde zaaizaad waarvan het als gewas geteelde mengsel geproduceerd wordt, verzameld in het brongebied op een verzamellocatie die in de veertig jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag van de producent, bedoeld in artikel 7, lid 1, niet is ingezaaid. Het brongebied bevindt zich in de regio van oorsprong.
2. Het zaaizaad van het als gewas geteelde instandhoudingsmengsel is afkomstig van soorten en, indien van toepassing, ondersoorten die kenmerkend zijn voor het habitattype van de verzamellocatie en die als bestanddelen van het mengsel van belang zijn voor het behoud van de natuurlijke omgeving in het kader van de instandhouding van genetische hulpbronnen.
3. De bestanddelen van een als gewas geteeld instandhoudingsmengsel die zaden zijn van groenvoedergewassen in de zin van Richtlijn 66/401/EEG voldoen, alvorens gemengd te worden, aan de voorschriften voor handelszaad, als vastgesteld in deel III van bijlage II bij Richtlijn 66/401/EEG ten aanzien van mechanische zuiverheid, als vastgesteld in de kolommen 4 tot en met 11 van de tabel in deel I, punt 2A, van die bijlage, ten aanzien van het maximumgehalte van andere plantensoorten in een monster van het gewicht vermeld in kolom 4 van bijlage III (totaal per kolom), als vastgesteld in de kolommen 12, 13 en 14 van de tabel in deel I, punt 2A, van bijlage II, en ten aanzien van de voorwaarden met betrekking tot Lupine-zaden, als vastgesteld in kolom 15 van de tabel in deel I, punt 2A, van die bijlage.
4. Vermeerdering mag vijf generaties lang plaatsvinden.
Artikel 7
Procedurevoorschriften
1. De vergunning wordt verleend op aanvraag van de producent.
De aanvraag gaat vergezeld van de informatie die nodig is om na te gaan of voldaan is aan de artikelen 4 en 5 in het geval van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels of aan de artikelen 4 en 6 in het geval van als gewas geteelde instandhoudingsmengsels.
2. Ten aanzien van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels voert de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de verzamellocatie bevindt visuele inspecties uit.
Die visuele inspecties worden tijdens de groeiperiode met passende tussenpozen op de verzamellocatie uitgevoerd om ervoor te zorgen dat het mengsel ten minste voldoet aan de vergunningsvoorschriften van artikel 5, leden 2 en 4.
De lidstaat die de visuele inspecties heeft uitgevoerd, documenteert de resultaten daarvan.
3. Ten aanzien van als gewas geteelde instandhoudingsmengsels voert een lidstaat bij het onderzoeken van een aanvraag tests uit of laat hij deze onder officieel toezicht van de lidstaat uitvoeren om na te gaan of het instandhoudingsmengsel ten minste voldoet aan de vergunningsvoorschriften van artikel 6, leden 2 en 3.
Deze tests worden uitgevoerd volgens de gangbare internationale methoden of, indien deze niet bestaan, volgens geschikte methoden.
Voor deze tests ziet de betrokken lidstaat erop toe dat de bemonstering geschiedt uit homogene partijen. Hij zorgt ervoor dat de voorschriften betreffende het gewicht van de partijen en het gewicht van de monsters worden toegepast die zijn vastgesteld in artikel 7, lid 2, van Richtlijn 66/401/EEG.
Artikel 8
Kwantitatieve beperking
Elke lidstaat zorgt ervoor dat de totale hoeveelheid zaaizaad van instandhoudingsmengsels die jaarlijks in de handel wordt gebracht, niet meer bedraagt dan 5 % van het totale gewicht van alle zaaizaadmengsels van groenvoedergewassen die onder Richtlijn 66/401/EEG vallen en die in het respectieve jaar in de betrokken lidstaat in de handel gebracht worden.
Artikel 9
Toepassing van kwantitatieve beperkingen
1. In het geval van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels zorgen de lidstaten ervoor dat de producenten hen vóór het begin van elk teeltseizoen in kennis stellen van de hoeveelheid zaaizaad van instandhoudingsmengsels waarvoor zij een vergunning willen aanvragen, tezamen met de grootte en de ligging van de beoogde verzamellocatie(s).
In het geval van als gewas geteelde instandhoudingsmengsels zorgen de lidstaten ervoor dat de producenten hen vóór het begin van elk teeltseizoen in kennis stellen van de hoeveelheid zaaizaad van instandhoudingsmengsels waarvoor zij een vergunning willen aanvragen, tezamen met de grootte en de ligging van de beoogde verzamellocatie(s) en de grootte en de ligging van de beoogde vermeerderingslocatie(s).
2. Indien de in artikel 8 vastgestelde hoeveelheden op grond van de in lid 1 bedoelde kennisgevingen waarschijnlijk zullen worden overschreden, wijzen de lidstaten aan elke betrokken producent de hoeveelheid toe die hij in het respectieve teeltseizoen in de handel mag brengen.
Artikel 10
Sluiten van zakken en recipiënten
1. De lidstaten zorgen ervoor dat instandhoudingsmengsels alleen in gesloten zakken of recipiënten met een sluitingssysteem in de handel wordt gebracht.
2. Voor een goede sluiting omvat het sluitingssysteem ten minste het etiket of het aanbrengen van een zegel.
3. De zakken en recipiënten, als bedoeld in lid 1, worden op zodanige wijze gesloten dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of het etiket van de producent of de zak of de recipiënt sporen van manipulatie vertoont.
Artikel 11
Etikettering
1. De lidstaten zorgen ervoor dat verpakkingen of recipiënten die instandhoudingsmengsels bevatten, worden voorzien van een etiket van de producent of een gedrukte of gestempelde tekst met ten minste de volgende gegevens:
|
a) |
de woorden „EU-voorschriften en -normen”; |
|
b) |
de naam en het adres of het identificatiemerk van de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; |
|
c) |
de oogstmethode: rechtstreeks geoogst of als gewas geteeld; |
|
d) |
het jaar van sluiting, aangegeven als volgt: „gesloten in …” (jaar); |
|
e) |
de regio van oorsprong; |
|
f) |
het brongebied; |
|
g) |
de verzamellocatie; |
|
h) |
het habitattype van de verzamellocatie; |
|
i) |
de woorden „instandhoudingszaaizaadmengsel van groenvoedergewas, bestemd voor gebruik in een gebied met hetzelfde habitattype als de verzamellocatie, geen rekening houdend met de biotische omstandigheden”; |
|
j) |
het referentienummer van de partij, toegekend door de persoon die verantwoordelijk is voor het aanbrengen van de etiketten; |
|
k) |
het gewichtspercentage van de bestanddelen als soorten en, indien van toepassing, ondersoorten; |
|
l) |
het opgegeven netto- of brutogewicht; |
|
m) |
wanneer korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de aard van het toevoegingsmiddel alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de kluwens of zuivere zaden en het totale gewicht, en |
|
n) |
in het geval van als gewas geteelde instandhoudingsmengsels, een specifiek kiemkrachtcijfer voor bestanddelen van het mengsel die vallen onder Richtlijn 66/401/EEG en die niet voldoen aan de kiemkrachtvoorschriften van bijlage II bij die richtlijn. |
2. Ten aanzien van lid 1, onder k), kan worden volstaan met het vermelden van de bestanddelen van rechtstreeks geoogste instandhoudingsmengsels overeenkomstig artikel 4, lid 3.
3. Ten aanzien van lid 1, onder n), kan men volstaan met het vermelden van een gemiddelde van deze vereiste specifieke kiemkrachtcijfers ingeval het aantal vereiste specifieke kiemkrachtcijfers meer is dan vijf.
Artikel 12
Toezicht
De lidstaten zorgen er door officieel toezicht voor dat aan deze richtlijn wordt voldaan.
Artikel 13
Rapportering
De lidstaten zorgen ervoor dat de leveranciers die op hun grondgebied opereren, voor elk teeltseizoen verslag uitbrengen over de in de handel gebrachte hoeveelheid instandhoudingsmengsels.
De lidstaten brengen op verzoek aan de Commissie en de andere lidstaten verslag uit over de op hun grondgebied in de handel gebrachte hoeveelheid instandhoudingsmengsels.
Artikel 14
Kennisgeving van de erkende organisaties op het gebied van plantgenetische hulpbronnen
De lidstaten stellen de Commissie op verzoek in kennis van de voor plantgenetische hulpbronnen bevoegde instanties of van de daartoe door de lidstaten erkende organisaties.
Artikel 15
Evaluatie
Uiterlijk 31 december 2014 evalueert de Commissie de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.
Artikel 16
Omzetting
1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 november 2011 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 17
Inwerkingtreding
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 18
Adressaten
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 30 augustus 2010.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB 125 van 11.7.1966, 2298/66.
(2) PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1.
(3) PB L 378 van 23.12.2004, blz. 1.
(4) PB L 162 van 30.4.2004, blz. 18.
(5) PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1.