20.5.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 124/5


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 12 mei 2010

tot wijziging van Beschikking 2006/968/EG tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad wat betreft richtsnoeren en procedures voor de elektronische identificatie van schapen en geiten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2010) 3009)

(Voor de EER relevante tekst)

(2010/280/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gelet op Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (1), en met name op artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 21/2004 bepaalt dat elke lidstaat een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten overeenkomstig die verordening moet vaststellen. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 21/2004 worden schapen en geiten geïdentificeerd met een eerste en een tweede identificatiemiddel. Een van die identificatiemiddelen moet een elektronisch identificatiemiddel zijn en het andere moet een zichtbaar identificatiemiddel zijn.

(2)

Beschikking 2006/968/EG van de Commissie (2) stelt richtsnoeren en procedures vast voor de erkenning van identificatoren en uitleesapparaten voor de elektronische identificatie van schapen en geiten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 21/2004. Die beschikking stelt minimumvoorschriften vast betreffende bepaalde conformiteits- en prestatietests voor de goedkeuring van die apparaten om ervoor te zorgen dat elektronische identificatoren in de gehele Unie leesbaar zijn en voldoen aan de in Verordening (EG) nr. 21/2004 vastgestelde minimale afleesafstanden.

(3)

Die testprocedures zijn vastgesteld overeenkomstig de methoden die worden beschreven in de International Agreement on Recording Practices van het International Committee on Animal Recording (ICAR-richtsnoeren). De ICAR-richtsnoeren zijn verder ontwikkeld en zijn nu vervangen door de ISO-normen 24631-1, 24631-2, 24631-3 en 24631-4. Voor de transparantie moet een directe verwijzing naar de relevante punten in de ISO-normen worden vastgesteld.

(4)

Tijdens hun gehele leven kunnen dieren worden verplaatst en aldus in verschillende bedrijven worden gehouden. Er moeten minimale prestatiecriteria voor elektronische identificatoren worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat die apparaten onder verschillende omstandigheden in de gehele Unie leesbaar zijn.

(5)

Om de potentiële administratieve last te verminderen moeten de voorschriften voor de goedkeuringsprocedure voor uitleesapparaten worden verduidelijkt. In tegenstelling tot identificatoren is het niet nodig dat voor uitleesapparaten bindende voorschriften op het niveau van de Unie worden vastgesteld. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid hebben om aanvullende criteria vast te stellen om zo nodig te zorgen voor de functionaliteit van de elektronische identificatie onder hun specifieke geografische, klimatologische en beheersomstandigheden.

(6)

Uit de praktische ervaring met de toepassing van Verordening (EG) nr. 21/2004 is gebleken dat maar een klein aantal laboratoria toereikend is om alle in die verordening bedoelde tests uit te voeren. Een specifieke procedure voor de aanwijzing van nationale testlaboratoria in alle lidstaten is daarom niet nodig. Het is voldoende dat de tests worden uitgevoerd in laboratoria die voor deze tests zijn geaccrediteerd overeenkomstig norm EN ISO/IEC 17025.

(7)

Beschikking 2006/968/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Beschikking 2006/968/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing met ingang van 1 juli 2010.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 mei 2010.

Voor de Commissie

John DALLI

Lid van de Commissie


(1)   PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8.

(2)   PB L 401 van 30.12.2006, blz. 41.


BIJLAGE

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1)

In hoofdstuk I worden de punten f) en g) geschrapt.

2)

Hoofdstuk II wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten 1 en 2 worden vervangen door:

„1.

De bevoegde autoriteit staat alleen het gebruik van identificatoren toe die met gunstig resultaat zijn getest op hun:

a)

conformiteit met de ISO-normen 11784 en 11785, overeenkomstig de testprocedures beschreven in punt 7 van de ISO-norm 24631-1, en

b)

minimumprestaties bij uitleesafstanden als vastgesteld in punt 2, overeenkomstig de procedures beschreven in punt 7 van de ISO-norm 24631-3.

2.

Om de uitleesafstanden, als vastgesteld in punt c) van sectie A.6 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 21/2004, te bereiken, moet de transponder aan de volgende parameters voldoen:

a)

transponders op basis van de HDX-technologie moeten een magnetische minimumactiveringsveldsterkte van minder dan of gelijk aan 1,2 A/m hebben, als gemeten overeenkomstig de ISO-norm 24631-3, deel 7.6.5 „Minimal activating magnetic field strength in HDX mode” en moeten een modulatieamplitude ontwikkelen die gelijkwaardig is aan 10 mV, als gemeten overeenkomstig de ISO-norm 24631-3, deel 7.6.7 „Modulation amplitude in HDX mode” bij een magnetische veldsterkte van minder dan of gelijk aan 1,2 A/m;

b)

transponders op basis van de FDX-B-technologie moeten een magnetische minimumactiveringsveldsterkte van minder dan of gelijk aan 1,2 A/m hebben, als gemeten overeenkomstig de ISO-norm 24631-3, deel 7.6.4 „Minimal activating magnetic field strength in FDX-B mode” en moeten een modulatieamplitude ontwikkelen die gelijkwaardig is aan 10 mV, als gemeten overeenkomstig de ISO-norm 24631-3, deel 7.6.6 „Modulation amplitude in FDX-B mode” bij een magnetische veldsterkte van minder dan of gelijk aan 1,2 A/m.”;

b)

het volgende punt 6 wordt toegevoegd:

„6.

Tot en met 30 juni 2010 door de bevoegde autoriteit verleende goedkeuringen voor identificatoren die worden getest overeenkomstig de tot die datum van toepassing zijnde methoden voor de goedkeuring van identificatoren blijven geldig.”.

3)

De hoofdstukken III en IV worden vervangen door:

„HOOFDSTUK III

Uitleesapparaten

Indien nodig voor de correcte lezing van de identificatoren onder lokale geografische, klimatologische en/of beheersomstandigheden kan de bevoegde autoriteit specifieke prestatiecriteria voorschrijven voor uitleesapparaten die worden gebruikt in een specifiek bedrijf of in een specifiek bedrijfstype. De beheersomstandigheden die dergelijke specifieke prestatiecriteria rechtvaardigen, doen zich waarschijnlijk het meest voor in bedrijven met een hoge doorstroom van dieren die zijn gemerkt met identificatoren op basis van de HDX- en FDX-B-technologie en/of bedrijven waar een synchronisatie van de uitleesapparaten nodig is overeenkomstig punt 7.7.3 van de ISO-norm 24631-2.

HOOFDSTUK IV

Testlaboratoria en procedure

De in de punten 1-4 van hoofdstuk II beschreven tests worden uitgevoerd in testlaboratoria die opereren en worden beoordeeld en geaccrediteerd voor die tests overeenkomstig de norm EN ISO/IEC 17025 inzake „General requirements for the competence of testing and calibration laboratories”. Producenten van identificatoren die een aanvraag indienen voor deze tests, kunnen een vrije keuze maken uit de geaccrediteerde testlaboratoria.”.