BIJLAGE II
VERPLICHTE CONTROLEPUNTEN
De controle moet op zijn minst betrekking hebben op de onderstaande punten, mits deze de verplichte uitrusting betreffen van het voertuig dat in de betrokken lidstaat wordt goedgekeurd.
De in deze bijlage bedoelde controles mogen worden uitgevoerd zonder demontage van de onderdelen van het voertuig.
Indien het voertuig gebreken vertoont op onderstaande controlepunten, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in een procedure de voorwaarden vast waaronder het voertuig aan het verkeer mag deelnemen totdat het voldoet aan een nieuwe technische keuring.
VOERTUIGEN IN DE CATEGORIEËN 1, 2, 3, 4, 5 EN 6
1. Reminstallatie
De controle van de reminstallatie heeft betrekking op de volgende punten. De tijdens de controle verkregen waarden moeten, voor zover dat doenlijk is, voldoen aan de technische normen van Richtlijn 71/320/EEG.
|
Te controleren punten
|
Redenen voor afkeuring
|
|
1.1.
|
Mechanische toestand en werking
|
|
|
|
1.1.1.
|
Draaipunten van het voetrempedaal
|
|
|
—
|
Heeft versleten lagering
|
|
—
|
Vertoont te veel slijtage/speling
|
|
|
1.1.2.
|
staat en slag van het bedieningspedaal
|
|
|
—
|
De vrije slag is te groot of te klein
|
|
—
|
De remschakeling komt moeilijk terug in de rustpositie
|
|
—
|
Het antisliprubber op het rempedaal ontbreekt, zit los of is door slijtage glad geworden
|
|
|
1.1.3.
|
Vacuümpomp of compressor en reservoirs
|
|
|
—
|
De voor het efficiënt functioneren van de remmen benodigde lucht- en/of vacuümdruk komt te traag tot stand
|
|
—
|
Er is te weinig lucht- en/of vacuümdruk voor het ten minste tweemaal aantrekken van de rem nadat het waarschuwingssignaal heeft gewerkt (of een meetinstrument gevaar signaleert)
|
|
—
|
Er is duidelijk drukverlies ten gevolge van een luchtlek of er zijn waarneembare luchtlekken
|
|
|
1.1.4.
|
Lagedrukverklikker of -manometer
|
|
|
—
|
De lagedrukindicator/manometer werkt slecht of is defect
|
|
|
|
|
—
|
Vertoont barsten of beschadiging, te grote slijtage
|
|
—
|
De regelklep werkt slecht
|
|
—
|
De bedieningsschakelaar is niet goed op de klepstang bevestigd of het afsluiterhuis zit los
|
|
—
|
De koppelingen zitten los of het systeem lekt
|
|
—
|
Functioneert niet behoorlijk
|
|
|
1.1.6.
|
Parkeerrem, bedieningshandel, parkeerremvergrendeling
|
|
|
—
|
De vergrendeling blijft niet goed vastzitten
|
|
—
|
De scharnierpin van de hefboom of de vergrendeling vertonen te veel slijtage
|
|
—
|
Te grote beweeglijkheid van de handel wijst op een verkeerde afstelling
|
|
|
1.1.7.
|
Remkleppen (voetkleppen, ontluchtingsventielen, regelkleppen enz.)
|
|
|
—
|
Er is beschadiging, te grote luchtlekkage
|
|
—
|
Het olieverlies uit de compressor is te groot
|
|
—
|
Zitten los/zijn slecht gemonteerd
|
|
—
|
Er is verlies van remvloeistof
|
|
|
1.1.8.
|
Koppelingskoppen voor remmen voor aanhangwagen
|
|
|
—
|
Afsluitkranen of zelfsluitende kleppen defect
|
|
—
|
Zitten los/zijn slecht gemonteerd
|
|
|
1.1.9.
|
Energie- of drukreservoir
|
|
|
—
|
Is beschadigd, gecorrodeerd, lekt
|
|
—
|
Het ontwateringsventiel werkt niet
|
|
—
|
Zit los/is slecht gemonteerd
|
|
|
1.1.10.
|
Rembekrachtiging, hoofdcilinder (hydraulische systemen)
|
|
|
—
|
De rembekrachtiging is defect of ineffectief
|
|
—
|
De hoofdcilinder is defect of lekt
|
|
—
|
De hoofdcilinder zit los
|
|
—
|
Er is te weinig remvloeistof
|
|
—
|
De kap van het reservoir van de hoofdcilinder ontbreekt
|
|
—
|
Het controlelampje voor de remvloeistof licht op of is defect
|
|
—
|
Het waarschuwingssignaal met betrekking tot de remvloeistof werkt slecht
|
|
|
1.1.11.
|
Niet-flexibele remleidingen
|
|
|
—
|
Er is gevaar voor defecten of breuken
|
|
—
|
Er zijn lekken in leidingen of koppelingen
|
|
—
|
Er is beschadiging of te veel corrosie
|
|
—
|
De leidingen zijn verkeerd gemonteerd
|
|
|
|
|
—
|
Er is gevaar voor defecten of scheuren
|
|
—
|
De remslangen zijn beschadigd, doorgeschuurd, te kort, getordeerd
|
|
—
|
De slangen of koppelingen vertonen lekken
|
|
—
|
De slangen vertonen door de druk veroorzaakte verwijdingen
|
|
—
|
De slangen vertonen porositeit
|
|
|
1.1.13.
|
Remvoeringen/remblokken
|
|
|
—
|
Vertonen te veel slijtage
|
|
—
|
Zijn vervuild (olie, vet enz.)
|
|
|
1.1.14.
|
Remtrommels, remschijven
|
|
|
—
|
Vertonen te veel slijtage, kerven, scheuren, zitten los of zijn gebroken
|
|
—
|
Zijn vuil (olie, vet enz.)
|
|
|
1.1.15.
|
Remkabels, stangen, handels, overbrenging
|
|
|
—
|
De kabels zijn beschadigd, geknikt
|
|
—
|
Er is te veel slijtage of corrosie
|
|
—
|
De bevestiging van de kabels of stangen zijn niet geborgd
|
|
—
|
De kabelgeleiding is defect
|
|
—
|
De werking van het remsysteem wordt belemmerd
|
|
—
|
Abnormale beweeglijkheid van de handels/stangen/overbrenging wijst op slechte afstelling of te veel slijtage
|
|
|
1.1.16.
|
Remcilinders (veerremcilinders en hydraulische remcilinders inbegrepen)
|
|
|
—
|
Vertonen barsten of beschadiging
|
|
—
|
Zitten los/zijn niet goed gemonteerd
|
|
—
|
Vertonen te veel corrosie
|
|
—
|
De slag van de zuiger of van het diafragmamechanisme is te groot
|
|
—
|
De stofkap ontbreekt of vertoont te veel beschadiging
|
|
|
1.1.17.
|
Automatische lastafhankelijke remkrachtregelaar
|
|
|
—
|
De overbrenging is defect
|
|
—
|
Is niet juist afgesteld
|
|
—
|
Is geblokkeerd, werkt niet
|
|
|
1.1.18.
|
Zelfafstellende remhefbomen (indien aanwezig)
|
|
|
—
|
Is geblokkeerd of vertoont abnormale beweeglijkheid die wijst op te veel slijtage of verkeerde afstelling
|
|
|
1.1.19.
|
Retarder (indien gemonteerd of voorgeschreven)
|
|
|
—
|
De koppelstukken of bevestigingen zijn slecht
|
|
|
1.2.
|
Remkracht en bedrijfszekerheid van de bedrijfsrem
|
|
|
|
1.2.1.
|
Remkracht (geleidelijk tot maximum opgevoerde kracht)
|
|
|
—
|
Onvoldoende remkracht op een of meer wielen
|
|
—
|
De remkracht is voor een of meer wielen kleiner dan 70 % van de hoogste geregistreerde remkracht voor een ander wiel op dezelfde as. In geval van een remtest op de weg wijkt het voertuig te veel af van de rechte weg
|
|
—
|
De remkracht loopt niet geleidelijk op (blokkering)
|
|
—
|
Abnormaal hoge reactietijd voor een of meer wielen
|
|
—
|
De remkracht vertoont te grote schommelingen doordat de remschijven vervormd of de remtrommels ovaal zijn
|
|
|
|
|
—
|
Een rempercentage dat bij de maximaal toegestane massa of, in het geval van opleggers, bij de som van de toegestane belasting op de assen, indien uitvoerbaar, minder bedraagt dan:
Minimumbedrijfszekerheid remsystemen
|
|
—
|
of
de remkracht is kleiner dan de referentiewaarden, indien deze door de fabrikant van het voertuig voor de as van het voertuig (5) zijn opgegeven
|
|
|
1.3.
|
Remkracht en bedrijfszekerheid van de hulprem (indien afzonderlijk werkend systeem)
|
|
|
|
|
|
—
|
Rem werkt aan één kant niet
|
|
—
|
De remkracht is voor een of meer wielen kleiner dan 70 % van de hoogste geregistreerde remkracht voor een ander wiel op dezelfde as
|
|
—
|
De remkracht loopt niet geleidelijk op (blokkering)
|
|
—
|
Het automatisch remsysteem voor de aanhanger werkt niet
|
|
|
|
|
—
|
Voor alle categorieën voertuigen een rempercentage kleiner dan 50 % (6) van de in punt 1.2.2 beschreven remkracht van de bedrijfsrem bij de maximaal toegestane massa of, in het geval van opleggers, bij de som van de toegestane belasting op de assen
|
|
|
1.4.
|
Remkracht en bedrijfszekerheid van de parkeerrem
|
|
|
|
|
|
—
|
De rem werkt aan één kant niet
|
|
|
|
|
—
|
Voor alle categorieën voertuigen een rempercentage kleiner dan 16 % bij de maximaal toegestane massa, of, voor motorvoertuigen, kleiner dan 12 % bij de maximummassa van de voertuigcombinatie, waarbij moet worden uitgegaan van de grootste waarde
|
|
|
1.5.
|
Remkracht van de retarder of motorrem
|
|
|
—
|
Niet regelbaar (retarder)
|
|
|
|
|
—
|
Het waarschuwingssignaal van het antiblokkeersysteem is defect
|
|
|
VOERTUIGEN IN DE CATEGORIEËN 1, 2 EN 3
|
VOERTUIGEN IN DE CATEGORIEËN 4, 5 EN 6
|
|
2.
|
Stuurinrichting en stuurwiel
|
|
|
|
2.1.
|
Mechanische toestand
|
|
|
2.1.
|
Mechanische toestand
|
|
|
|
|
2.2.
|
Speling in de stuurinrichting
|
|
|
2.3.
|
Speling in de stuurinrichting
|
|
|
2.3.
|
Bevestiging van de stuurinrichting
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.2.
|
Toestand van de ruiten
|
|
|
3.2.
|
Toestand van de ruiten
|
|
|
3.3.
|
Achteruitkijkspiegels
|
|
|
3.3.
|
Achteruitkijkspiegels
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4.
|
Lichten, reflecterende inrichtingen en elektrische installaties
|
|
|
4.
|
Verlichtingsinstallatie
|
|
|
4.1.
|
Groot licht en dimlicht
|
|
|
4.1.
|
Groot licht en dimlicht
|
|
|
4.1.1.
|
Toestand en werking
|
|
|
4.1.1.
|
Toestand en werking
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4.2.
|
Breedtelichten, achterlichten en markeringslichten
|
|
|
4.2.
|
Toestand en werking, gaafheid van de lenzen, kleur en zichtbaarheid van:
|
|
|
4.2.1.
|
Toestand en werking
|
|
|
4.2.1.
|
Breedte- en achterlichten
|
|
|
4.2.2.
|
Kleur en zichtbaarheid
|
|
|
|
|
|
4.2.3.
|
Richtingaanwijzers
|
|
|
|
|
4.2.4.
|
Achteruitrijlichten
|
|
|
|
|
|
|
|
4.2.6.
|
Achterkentekenplaatverlichting
|
|
|
|
|
|
|
|
4.2.8.
|
Waarschuwingsknipperlichten
|
|
|
|
|
|
4.3.1.
|
Toestand en werking
|
|
|
|
4.3.2.
|
Kleur en zichtbaarheid
|
|
|
|
|
|
|
4.4.1.
|
Toestand en werking
|
|
|
|
4.4.2.
|
Kleur en zichtbaarheid
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4.5.
|
Mistlichten voor en achter
|
|
|
|
|
|
|
4.5.2.
|
Toestand en werking
|
|
|
|
4.5.3.
|
Kleur en zichtbaarheid
|
|
|
|
|
|
|
4.6.1.
|
Toestand en werking
|
|
|
|
4.6.2.
|
Kleur en zichtbaarheid
|
|
|
|
4.7.
|
Achterkentekenplaatverlichting
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4.10.
|
Elektrische verbindingen tussen trekkend voertuig en aanhangwagen of oplegger
|
|
|
|
4.11.
|
Elektrische bedrading
|
|
|
|
5.
|
Assen, wielen, banden, vering
|
|
|
5.
|
Assen, wielen, banden, vering
|
|
|
|
|
|
|
|
|
5.3.
|
Vering (wielophanging)
|
|
|
5.3.
|
Vering (wielophanging)
|
|
|
6.
|
Chassis en met het chassis verbonden delen
|
|
|
6.
|
Chassis en met het chassis verbonden delen
|
|
|
6.1.
|
Chassis of frame en bevestigingen
|
|
|
6.1.
|
Chassis of frame en bevestigingen
|
|
|
|
|
|
6.1.2.
|
Uitlaatpijpen en dempers
|
|
|
6.1.2.
|
Uitlaatpijpen en dempers
|
|
|
6.1.3.
|
Tanks en brandstofleidingen
|
|
|
6.1.3.
|
Tanks en brandstofleidingen
|
|
|
6.1.4.
|
Geometrische kenmerken en staat van de bescherming aan de achterzijde van bedrijfsvoertuigen
|
|
|
6.1.4.
|
Bevestiging van het reservewiel
|
|
|
6.1.5.
|
Bevestiging van het reservewiel
|
|
|
6.1.5.
|
Veiligheid van de koppelingsinrichting (indien aanwezig)
|
|
|
6.1.6.
|
Koppelingsinrichting van trekkende voertuigen, aanhangwagens en opleggers
|
|
|
|
|
|
|
|
|
6.2.1.
|
Toestand van de structuur
|
|
|
|
|
6.2.2.
|
Portieren en sloten
|
|
|
6.2.3.
|
Portieren en sloten
|
|
|
|
|
|
|
6.2.5.
|
Bestuurderszitplaats
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
7.1.
|
Bevestiging van de bestuurderszitplaats
|
|
|
|
|
7.2.
|
Bevestiging van de accu
|
|
|
7.3.
|
Sloten en beveiligingen tegen diefstal
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
7.5.1.
|
Veiligheid van de bevestigingen
|
|
|
|
|
|
7.5.2.
|
Toestand van de gordels
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
7.9.
|
Tachograaf (aanwezigheid en verzegeling)
|
—
|
controleer de geldigheid van de tachograafplaat indien deze is voorgeschreven krachtens Verordening (EEG) nr. 3821/85 (7)
|
|
—
|
controleer bij twijfel of de omtrek van de banden of de afmeting ervan overeenkomt met de gegevens op de tachograafplaat
|
|
—
|
waar mogelijk, controleer of de zegels van de tachograaf, en van alle andere eventuele voorzieningen ter bescherming van de verbindingen tegen bedrog, intact zijn
|
|
|
|
|
7.10.
|
Snelheidsbegrenzer
|
—
|
waar mogelijk, controleer of de snelheidsbegrenzer is geïnstalleerd, indien deze is voorgeschreven krachtens Richtlijn 92/6/EEG (8)
|
|
—
|
controleer de geldigheid van de snelheidsbegrenzerplaat
|
|
—
|
waar mogelijk, controleer of de zegels van de snelheidsbegrenzer, en van alle andere eventuele voorzieningen ter bescherming van de verbindingen tegen bedrog, intact zijn
|
|
—
|
waar mogelijk, controleer of de snelheidsbegrenzer voorkomt dat de snelheid van de in artikel 2 c.q. artikel 3 van Richtlijn 92/6/EEG bedoelde voertuigen de voorgeschreven waarden overschrijdt
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
VOERTUIGEN IN DE CATEGORIEËN 1, 2, 3, 4, 5 EN 6
8.2. Uitlaatemissies
8.2.1. Motorvoertuigen uitgerust met een benzinemotor met elektrische ontsteking
|
a)
|
De uitlaatemissies worden niet geregeld door een geavanceerd emissiebestrijdingssysteem zoals een driewegkatalysator met een lambdasonde:
|
1.
|
visuele controle van het uitlaatsysteem om na te gaan of het compleet is en in een bevredigende staat en of er geen lekken zijn;
|
|
2.
|
visuele controle van enig door de fabrikant gemonteerd emissiebestrijdingssysteem om na te gaan of het compleet is en in een bevredigende staat en of er geen lekken zijn.
Na een redelijke warmloopperiode van de motor (rekening houdend met de aanbevelingen van de fabrikant) wordt het koolmonoxide(CO)-gehalte van de uitlaatgassen gemeten waarbij de motor stationair (onbelast) loopt.
Het maximaal toelaatbare CO-gehalte van de uitlaatgassen is de door de voertuigfabrikant opgegeven waarde. Indien dit gegeven niet beschikbaar is of de bevoegde instanties van de lidstaten besluiten dit niet als een referentiewaarde te gebruiken, mag het CO-gehalte niet groter zijn dan de volgende waarden:
|
i)
|
bij voertuigen die geregistreerd zijn of voor het eerst in gebruik zijn genomen tussen de datum waarop de lidstaten verlangen dat de voertuigen aan Richtlijn 70/220/EEG (9) voldoen en 1 oktober 1986: 4,5 vol. %;
|
|
ii)
|
bij voertuigen die geregistreerd zijn of voor het eerst in gebruik zijn genomen na 1 oktober 1986: 3,5 vol. %.
|
|
|
|
b)
|
Indien de uitlaatemissies worden geregeld door een geavanceerd emissiebestrijdingssysteem zoals een driewegkatalysator met een lambdasonde:
|
1.
|
visuele controle van het uitlaatsysteem om na te gaan of het compleet is en in een bevredigende staat en of er geen lekken zijn;
|
|
2.
|
visuele controle van enig door de fabrikant gemonteerd emissiebestrijdingssysteem om na te gaan of het compleet is en in een bevredigende staat en of er geen lekken zijn;
|
|
3.
|
bepaling van de doelmatigheid van het emissiebestrijdingssysteem van het voertuig door meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van de uitlaatgassen overeenkomstig punt 4 of volgens de procedures van de fabrikant die ten tijde van de typegoedkeuring zijn goedgekeurd. Bij elke proef laat men de motor warm lopen overeenkomstig de aanbevelingen van de voertuigfabrikant;
|
|
4.
|
uitlaatemissies — grenswaarden
Het maximaal toelaatbare CO-gehalte van de uitlaatgassen is de door de voertuigfabrikant opgegeven waarde.
Indien dit gegeven niet beschikbaar is, mag het CO-gehalte niet groter zijn dan de volgende waarden:
|
i)
|
meting bij stationair toerental van de motor:
het maximaal toelaatbare CO-gehalte van de uitlaatgassen mag niet meer bedragen dan 0,5 vol. %, en voor wat betreft voertuigen die een typegoedkeuring hebben gekregen overeenkomstig de grenswaarden in rij A of rij B van de tabel in punt 5.3.1.4 van bijlage I bij Richtlijn 70/220/EEG, mag het maximale CO-gehalte niet meer bedragen dan 0,3 vol. %. Wanneer overeenstemming met Richtlijn 70/220/EEG niet mogelijk is, dan geldt het bovenstaande voor voertuigen die zijn ingeschreven of in gebruik zijn genomen na 1 juli 2002;
|
|
ii)
|
meting bij het hoge onbelaste toerental, ontkoppeld (motortoerental minstens 2 000 min-1):
CO-gehalte: maximaal 0,3 vol. % en voor wat betreft voertuigen die de typegoedkeuring hebben gekregen in overeenstemming met de grenswaarden in rij A of rij B van de tabel in punt 5.3.1.4 van bijlage I bij Richtlijn 70/220/EEG, mag het maximale CO-gehalte niet meer bedragen dan 0,2 vol. %. Wanneer overeenstemming met Richtlijn 70/220/EEG niet mogelijk is, dan geldt het bovenstaande voor voertuigen die zijn ingeschreven of in gebruik zijn genomen na 1 juli 2002.
Lambda: 1 ± 0,03 of overeenkomstig de specificaties van de fabrikant;
|
|
iii)
|
bij motorvoertuigen die overeenkomstig Richtlijn 70/220/EEG met een eigendiagnosesysteem (OBD-systeem) zijn uitgerust mag de correcte werking van het emissiesysteem in plaats van met de onder i) beschreven test worden gecontroleerd door de relevante gegevens uit het OBD-systeem uit te lezen en gelijktijdig de correcte werking van het OBD-systeem te controleren.
|
|
|
8.2.2. Motorvoertuigen uitgerust met (diesel)motoren met compressieontsteking
|
a)
|
De opaciteit van de uitlaatgassen wordt gemeten tijdens een vrije acceleratie (bij niet-belaste motor wordt het toerental opgevoerd van het stationair toerental tot het toerental waarbij de regelaar van de brandstoftoevoer in werking treedt) met de versnellingspook in de vrije stand en niet-ontkoppelde motor.
|
|
b)
|
Conditionering van het voertuig
|
1.
|
Voertuigen kunnen worden gecontroleerd zonder voorafgaande conditionering, maar om veiligheidsredenen moet eerst worden nagegaan of de motor warm is en in een bevredigende mechanische staat verkeert.
|
|
2.
|
Behalve in het onder d), punt 5), bedoelde geval kan een voertuig niet worden afgekeurd tenzij het eerst volgens de onderstaande voorschriften is geconditioneerd:
|
i)
|
de motor moet op temperatuur zijn, hetgeen bijvoorbeeld kan worden geconstateerd wanneer de temperatuur van de motorolie, gemeten door middel van een in de opening voor de oliepeilstok ingebrachte voeler, ten minste 80 °C bedraagt, of de normale bedrijfstemperatuur wanneer deze lager is, dan wel wanneer de temperatuur van het motorblok, bepaald aan de hand van de hoeveelheid infraroodstraling, tenminste een vergelijkbare waarde bedraagt. Indien door de constructie van het voertuig deze meting in de praktijk moeilijk uitvoerbaar is, kan op een andere wijze worden nagegaan of de motor zijn normale bedrijfstemperatuur heeft bereikt, bijvoorbeeld door te wachten tot de ventilator aanslaat;
|
|
ii)
|
het uitlaatsysteem moet worden doorgeblazen door middel van ten minste drie vrije acceleratiecycli of een daarmee vergelijkbare methode.
|
|
|
|
c)
|
Controleprocedure
|
1.
|
Visuele controle van enige door de fabrikant gemonteerde emissiebestrijdingsapparatuur om na te gaan of deze compleet is en in een bevredigende staat en of er geen lekken zijn.
|
|
2.
|
De motor en de eventueel gemonteerde druklader moeten stationair draaien voor het begin van elke vrije acceleratiecyclus. Bij zware dieselmotoren moet ten minste 10 seconden worden gewacht na het loslaten van het gaspedaal.
|
|
3.
|
Bij de aanvang van elke vrije acceleratiecyclus moet het gaspedaal snel en ononderbroken (d.i. in minder dan 1 seconde) maar wel rustig volledig worden ingedrukt, teneinde een maximum brandstoftoevoer door de injectiepomp te verkrijgen.
|
|
4.
|
Tijdens elke vrije acceleratiecyclus moet de motor het toerental bereiken waarbij de regelaar van de brandstoftoevoer in werking treedt of, voor voertuigen met een automatische transmissie, het door de fabrikant voorgeschreven toerental dan wel, indien dit niet bekend is, een toerental dat tweederde bedraagt van het toerental waarbij de regelaar van de brandstoftoevoer in werking treedt, alvorens het gaspedaal wordt losgelaten. Dit kan worden gecontroleerd door bijvoorbeeld het toerental te meten of door voldoende tijd te laten verlopen tussen het indrukken en het loslaten van het gaspedaal, namelijk, bij voertuigen van de categorie 1 en 2 van bijlage I, ten minste 2 seconden.
|
|
|
d)
|
Grenswaarden
|
1.
|
Het concentratieniveau mag het niveau niet overschrijden dat overeenkomstig Richtlijn 72/306/EEG (10) op de plaat is genoteerd.
|
|
2.
|
Wanneer deze gegevens niet beschikbaar zijn of wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten besluiten deze waarde niet als referentie te gebruiken, mag het concentratieniveau niet hoger zijn dan het door de fabrikant vermelde niveau of de volgende grenswaarden voor de absorptiecoëfficiënt:
maximum-absorptiecoëfficiënt bij:
|
—
|
dieselmotoren met natuurlijke aanzuiging: 2,5 m-1
|
|
—
|
dieselmotoren met drukvulling: 3,0 m-1
|
|
—
|
een grenswaarde van 1,5 m-1 is van toepassing op de volgende voertuigen die een typegoedkeuring hebben gekregen in overeenstemming met de grenswaarden in:
|
a)
|
rij B van de tabel in punt 5.3.1.4 van bijlage I bij Richtlijn 70/220/EEG (licht bedrijfsvoertuig diesel — Euro4);
|
|
b)
|
rij B1 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij Richtlijn 88/77/EEG (11) (zwaar bedrijfsvoertuig diesel — Euro 4);
|
|
c)
|
rij B2 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij Richtlijn 88/77/EEG (zwaar bedrijfsvoertuig diesel — Euro 5);
|
|
d)
|
rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I bij Richtlijn 88/77/EEG (zwaar bedrijfsvoertuig — EEV),
|
of de grenswaarden in latere wijzigingen van Richtlijn 70/220/EEG of de grenswaarden in latere wijzigingen van Richtlijn 88/77/EEG of equivalente waarden wanneer gebruik wordt gemaakt van apparatuur van een type dat afwijkt van dat welke bij de EG-typegoedkeuring is gebruikt.
|
Wanneer overeenstemming met punt 5.3.1.4 van bijlage I bij Richtlijn 70/220/EEG of in punt 6.2.1 van bijlage I bij Richtlijn 88/77/EEG niet mogelijk is, dan geldt het bovenstaande voor voertuigen die zijn ingeschreven of in gebruik zijn genomen na 1 juli 2008.
|
|
3.
|
Voertuigen die voor de eerste keer vóór 1 januari 1980 zijn geregistreerd of in gebruik genomen, zijn vrijgesteld van deze voorschriften.
|
|
4.
|
Voertuigen dienen alleen te worden afgekeurd, indien het rekenkundig gemiddelde van ten minste de laatste drie vrije acceleratiecycli meer bedraagt dan de grenswaarde. Dit kan worden berekend, wanneer sterk van het gemeten gemiddelde afwijkende metingen of het resultaat van een andere statistische berekening die rekening houdt met de verstrooiing van de metingen buiten beschouwing worden gelaten. De lidstaten kunnen het aantal testcycli aan een maximum verbinden.
|
|
5.
|
Om onnodige controles te vermijden kunnen de lidstaten, in afwijking van het bepaalde in punt 8.2.2, onder d), punt 4, voertuigen afkeuren waarbij aanzienlijk hogere waarden dan de grenswaarden zijn gemeten na minder dan drie vrije acceleratiecycli of na het doorblazen (of vergelijkbare methode) zoals vermeld in punt 8.2.2, onder b), punt 2, ii). Om onnodige controles te vermijden kunnen de lidstaten ook, in afwijking van het bepaalde in punt 8.2.2, onder d), punt 4, voertuigen goedkeuren, waarbij na minder dan drie vrije acceleratiecycli of na het doorblazen (of vergelijkbare methode) zoals vermeld in punt 8.2.2, onder b), punt 2, ii), aanzienlijk lagere waarden dan de grenswaarden zijn gemeten.
|
|
8.2.3. Controleapparatuur
De voertuigemissies worden gemeten met apparatuur die ontworpen is om nauwkeurig vast te stellen of aan de voorgeschreven of aan de door de fabrikant aangegeven grenswaarden wordt voldaan.
8.2.4. Mocht een voertuigtype bij de EG-typegoedkeuring niet kunnen voldoen aan de bij deze richtlijn vastgestelde grenswaarden, dan kunnen de lidstaten voor dit voertuigtype hogere grenswaarden vaststellen op basis van door de constructeur verstrekt bewijsmateriaal. Zij delen dit onmiddellijk mede aan de Commissie, die op haar beurt de andere lidstaten daarvan in kennis stelt.
|
VOERTUIGEN IN DE CATEGORIEËN 1, 2 EN 3
|
VOERTUIGEN IN DE CATEGORIEËN 4, 5 EN 6
|
|
|
|
|
9.
|
Aanvullende controles voor voertuigen voor het openbaar vervoer van personen
|
|
|
|
9.1.
|
Nooduitgang(en) (met inbegrip van hamers om ruiten in te slaan), borden met opschrift „nooduitgang”
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
10.
|
Identificatie van het voertuig
|
|
|
10.
|
Identificatie van het voertuig
|
|
|
|
|
|
|
|
(1) 48 % voor voertuigen van categorie 1 die niet zijn uitgerust met ABS of die vóór 1 oktober 1991 zijn goedgekeurd (datum met ingang waarvan het voor de eerste maal in het verkeer brengen zonder Europese typegoedkeuring voor onderdelen verboden is) (Richtlijn 71/230/EEG).
(2) 45 % voor de na 1988 ingeschreven voertuigen of vanaf de datum van toepassing van Richtlijn 71/320/EEG, in de nationale wetgeving van de lidstaten, afhankelijk van de vraag welke van deze data het laatste valt.
(3) 43 % voor opleggers en aanhangwagens met trekstang die zijn ingeschreven na 1988 of vanaf de datum van toepassing van Richtlijn 71/320/EEG, in de nationale wetgeving van de lidstaten, afhankelijk van de vraag welke van deze data het laatste valt.
(4) 50 % voor voertuigen van categorie 5 die zijn ingeschreven na 1988 of vanaf de datum van toepassing van Richtlijn 71/320/EEG, in de nationale wetgeving van de lidstaten, afhankelijk van de vraag welke van deze data het laatste valt.
(5) De referentiewaarde voor de as van het voertuig is de in Newton uitgedrukte remkracht die nodig is om deze voorgeschreven minimumremkracht bij het gewicht dat het voertuig bij zijn presentatie heeft, te verkrijgen.
(6) Voor voertuigen van de categorieën 2 en 5 zal de minimale remkracht van de hulprem (die niet viel onder Richtlijn 71/320/EEG) 2,2 m/s2 zijn.
(7) Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8).
(8) Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB L 57 van 2.3.1992, blz. 27).
(9) Richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PB L 76 van 6.4.1970, blz. 1).
(10) Richtlijn 72/306/EEG van de Raad van 2 augustus 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van voertuigen (PB L 190 van 20.8.1972, blz. 1).
(11) Richtlijn 88/77/EEG van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door motorvoertuigen met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PB L 36 van 9.2.1988, blz. 33).