11.3.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/3


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 18 juli 2007

betreffende Steunmaatregel C 27/2004 door de Tsjechische Republiek ten uitvoer gelegd ten gunste van GE Capital Bank a.s. en GE Capital International Holdings Corporation, USA

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2007) 1965)

(Slechts de tekst in de Tsjechische taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/214/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben uitgenodigd hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Op 18 december 2003 heeft de Commissie een kennisgeving ontvangen in verband met steunmaatregelen ten gunste van Agrobanka, Praha a.s. (hierna „AGB” genoemd) en GE Capital Bank, a.s. (1) (hierna „GECB” genoemd), in het kader van de procedure met betrekking tot steunmaatregelen (hierna „het interimmechanisme” genoemd) zoals voorzien in bijlage IV, punt 3, bij de op 16 april 2003 ondertekende Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en zoals tevens voorzien in de aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest (2) (hierna „de Toetredingsakte ”genoemd).

(2)

In een door de Commissie op 30 april 2004 ontvangen schrijven deelde de Tsjechische Republiek („Tsjechië”) mee dat de betreffende kennisgeving werd ingetrokken, waarna op dezelfde dag een nieuwe kennisgeving werd ingediend met betrekking tot hetzelfde onderwerp.

(3)

Bij besluit van 14 juli 2004 heeft de Commissie verklaard dat de meeste aangemelde steunmaatregelen niet van toepassing waren na de toetreding, maar zij besloot niettemin om met betrekking tot andere steunmaatregelen op grond van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag een procedure in gang te zetten, aangezien de Commissie van mening was dat laatstgenoemde maatregelen wel van toepassing waren na de toetreding. In dat verband heeft de Commissie ernstige twijfels geuit over de verenigbaarheid van die maatregelen met de gemeenschappelijke markt. Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (3). De Commissie heeft belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen te maken.

(4)

Bij schrijven van 30 juli 2004, 16 augustus 2004, 22 september 2005 en 18 mei 2006 heeft Tsjechië zijn visie kenbaar gemaakt op het besluit om een procedure in gang te zetten en op 17 december 2004 heeft GECB haar opmerkingen ingediend. Op 19 september en 11 november 2005 heeft GECB aanvullende opmerkingen overgelegd. Bij schrijven van 2 mei 2006 heeft de Commissie aan GECB bevestigd dat de periode waarin opmerkingen ingediend konden worden, verlengd werd tot november 2005 op grond van de laatste zin van artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (4) (de „procedureverordening”). Bij schrijven van 10 mei 2006, ingekomen op 18 mei 2006, informeerde Tsjechië de Commissie dat het de door GECB ingediende opmerkingen had ontvangen. Op 24 juni, 29 september en 25 oktober 2005 en op 11 januari en 7 maart 2006 vonden gesprekken plaats met vertegenwoordigers van Tsjechië en GECB. Op 13 maart 2007, ingekomen op 14 maart 2007, heeft Tsjechië nadere inlichtingen verstrekt. Op grond van de laatste zin van artikel 6, lid 1, van de Procedureverordening heeft de Commissie aan Tsjechië bevestigd dat de periode waarin opmerkingen ingediend konden worden, verlengd werd tot 14 maart 2007.

2.   ACHTERGROND

2.1.   Begunstigden van de steun

(5)

AGB, opgericht in 1990, was vroeger actief als een algemene commerciële bank. Tegen 1995 was AGB uitgegroeid tot de op vier na grootste bank in Tsjechië en was zij de grootste bank in particuliere handen. Als gevolg van financiële problemen is in september 1998 de bankvergunning van AGB echter weer ingetrokken. De bank verkeert momenteel in staat van faillissement.

(6)

De oprichters van AGB waren Československá obchodní banka, a.s. (hierna „CSOB” genoemd), het Tsjechische ministerie van Landbouw, Agropol, a.s., Agrodat, státní podnik en Stavoinvest Banská Bystrica. In 1995 verwierf de particuliere Motoinvest Group de zeggenschap over AGB.

(7)

Na de ondercuratelestelling op 17 september 1996 werd AGB in twee aparte onderdelen opgesplitst: AGB1 en AGB2. AGB1 omvatte de bancaire kernactiviteiten van AGB. In juni 1998 werd AGB1 middels een activatransactie aan GECB verkocht. De resterende onderdelen van AGB verkeren nog steeds in staat van faillissement.

(8)

GECB is in 1998 opgericht met als doel de overname van AGB1. GECB fungeert thans als een algemene bank in Tsjechië. Op 17 januari 2005 is GECB omgedoopt tot GE Money Bank, a.s. GECB is volledig eigendom van GE Capital International Holdings Corporation, USA (GECIH).

2.2.   De financiële situatie van AGB

(9)

De problemen van AGB dateren al van 1993-1994. In het midden van de jaren negentig werd de gehele Tsjechische bancaire sector met een ernstige economische crisis geconfronteerd die ook van invloed was op AGB. Daarnaast leidde de snelle uitbreiding van AGB in combinatie met tekortkomingen in het risicobeheer en een gebrek aan interne controles tot een geleidelijke aftakeling van de kredietportefeuille van AGB. In 1993 leed AGB een verlies van 2 000 miljoen CZK en had de bank een negatief eigen vermogen (– 515 miljoen CZK).

(10)

In 1993 heeft de CBT (de Centrale Bank van Tsjechië) verordonneerd dat AGB een consolidatieprogramma moest opstellen en uitvoeren om haar solvabiliteit c.q. kapitaaltoereikendheid te herstellen. Door Tsjechië is verklaard dat dit consolidatieprogramma geen maatregelen omvatte die door de staat toegewezen of gefinancierd werden. Het programma was veeleer bedoeld om de mate van toezicht op AGB te vergroten. In 1996 voldeed AGB niet langer aan de voorwaarden van het programma en werden transacties met hoge risico’s uitgevoerd, waardoor liquiditeitsproblemen dreigden en de balanspositie verslechterde. De liquiditeitscrisis en het feit dat de aandeelhouders niet bereid waren om adequate corrigerende maatregelen te nemen, leidde op 17 september 1996 tot de ondercuratelestelling van AGB.

(11)

Voor wat betreft de financiële situatie van AGB: uit een accountantscontrole ten tijde van de ondercuratelestelling (balans per 16 september 1996) blijkt dat bij AGB een verlies was ontstaan van 8 487 miljoen CZK en dat zij een eigen vermogen van –5 476 miljoen CZK had. De gewone jaarlijkse controle met als balansdatum 31 december 1996 zou een verlies van 10 097 miljoen CZK en een eigen vermogen van –6 328 miljoen te zien hebben gegeven.

(12)

Ter afwenteling van mogelijke negatieve gevolgen voor de gehele bancaire sector in het land zijn door Tsjechië maatregelen in gang gezet om de redding en herstructurering van AGB zeker te stellen. Aangezien in het kader van de bovengenoemde accountantscontroles, uitgevoerd na de ondercuratelestelling, verliezen zijn geconstateerd die groter zijn dan het eigen vermogen van de bank, leek het creëren van een aparte organisatorische entiteit (AGB1) voor de bancaire kernactiviteiten de beste manier om de levensvatbaarheid van AGB op de lange termijn te waarborgen. AGB2 omvatte voornamelijk oninbare leningen, leningen aan geselecteerde dochtermaatschappijen of andere groepsmaatschappijen van AGB, een geselecteerde activaportefeuille, alle immateriële activa en een aantal materiële activa. Het was de bedoeling om AGB1 vervolgens via een open, onvoorwaardelijke en transparante aanbestedingsprocedure aan een strategische investeerder te verkopen.

2.3.   De aanbestedingsprocedure

(13)

In april 1997 heeft de curator de openbare verkoop van AGB1 aangekondigd. In de daaropvolgende procedure bleef GE Capital Corporation als enige partij over die geïnteresseerd was in de overname van AGB1. Op 22 juni 1998 is AGB1 voor circa 304 miljoen CZK aan GECB verkocht op voorwaarde van een aantal garanties en een putoptie. De garanties worden nader omschreven in de overwegingen 19 tot en met 26 en de putoptie in de overwegingen 27 tot en met 32.

(14)

Een van de maatregelen die verder geen aandacht behoeft is de depositogarantie die door de CBT aan alle crediteuren van AGB werd verstrekt op het moment dat de bank in september 1996 voor de eerste keer in de problemen raakte. De depositogarantie omvatte all passiva van AGB (inclusief de verschuldigde rente) die op 17 september 1996 in de boekhouding van AGB waren opgenomen. Alle passiva die binnen een bepaalde periode opeisbaar werden, waren tot aan hun respectieve vervaldatum gedekt door de depositogarantie. Passiva zonder een vaste vervaldatum werden voor een periode van twaalf maanden na opheffing van de ondercuratelestelling van AGB gegarandeerd. Passiva die na 17 september 1996 bij AGB opkwamen, waren gegarandeerd tot ofwel hun vervaldatum ofwel — indien eerder — gedurende een periode van twaalf maanden na de opheffing van de ondercuratelestelling van AGB. In de depositogarantie waren ten opzichte van de crediteuren van AGB geen plafonds opgenomen voor de gegarandeerde passiva. Per 31 december 2003 resteerde er nog slechts één deposito, ter waarde van 867 882 CZK dat eventueel aanspraak zou kunnen maken op de depositogarantie (5).

(15)

In het kader van de verkoop heeft GECIH, de moedermaatschappij van GECB, de verplichtingen van de CBT op grond van de depositogarantie overgenomen middels een contragarantie. Vanaf het begin is afgesproken dat de contragarantie zou worden ingetrokken op het moment dat GECIH haar putoptie zou uitoefenen met betrekking tot de aandelen in GECB. Sinds de verkoop van AGB1 aan GECB verkeren de resterende onderdelen van AGB, inclusief AGB2, in staat van faillissement. De CBT is in het huidige faillissementsproces de enige crediteur van AGB.

2.4.   Financiële situatie van GECB

(16)

Sinds de overname door GECB zijn de resultaten van de bancaire activiteiten van AGB aanzienlijk verbeterd.

Jaar

Netto-inkomsten

(× miljoen CZK)

Solvabiliteitsratio

(niveau 2)

1998

–16 500

negatief (6)

1999

980

74  %

2000

720

48  %

2001

840

41  %

2002

911

30  %

2003

1 988

25  %

2004

2 242

24  %

2.5.   Herstructureringsmaatregelen van AGB, GECB en GECIH

(17)

Tsjechië en GECB staan op het standpunt dat AGB, GECB en GECIH maatregelen hebben genomen om de betrokkenheid van de staat bij de herstructurering van AGB te beperken. De compenserende maatregelen van AGB hadden betrekking op het liquide maken van de eigen activa en met name op de verkoop van bepaalde dochterondernemingen van AGB aan Raiffeisen Bank. Hierdoor verminderde het marktaandeel van AGB in verhouding tot het aandeel van AGB in de totale bancaire activa c.q. bepaalde soorten van activa. Daarnaast heeft AGB het aantal werknemers teruggebracht van circa 3 500 in 1996 tot ongeveer 2 500 werknemers in 1998.

(18)

Aangevoerd is dat GECB en GECIH een bijdrage aan de herstructurering hebben geleverd door het betalen van de aankoopprijs, door de garanties van de koper in de akte van garantiestelling waarnaar in overweging 20 wordt verwezen en door de contragarantie in de eveneens in die overweging genoemde schadeloosstellingsovereenkomst, op grond waarvan GECIH de verplichtingen van de CBT heeft overgenomen (hierna „depositogarantie” genoemd) jegens de crediteuren van AGB. Bovendien is de GE-groep van mening dat zij niet alleen door de putoptie een bijdrage heeft geleverd aan die herstructurering, maar ook door haar uitstekende reputatie.

3.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN

(19)

In haar besluit van 14 juli 2004 heeft de Commissie de bij haar aangemelde steunmaatregelen beoordeeld en geconcludeerd dat de meerderheid ervan buiten het toepassingsgebied van de overgangsregeling in het Toetredingsverdrag valt. De betreffende maatregelen zouden immers na de toetreding niet tot een nieuwe financiële exposure van Tsjechië leiden, zodat zij na de toetreding ook niet van toepassing waren. Met betrekking tot twee pakketten maatregelen werd echter geconcludeerd dat deze wel van toepassing waren na de toetreding. Die maatregelen (in de eerste plaats de garanties en schadeloosstellingen en in de tweede plaats de putoptie) zouden mogelijk een vorm van staatssteun kunnen zijn die niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

De „garanties en schadeloosstellingen”

(20)

In het kader van de verkoop van AGB1 aan GECB heeft AGB als de verkopende partij ingestemd met een aantal garantieregelingen ten gunste van GECB. Deze regelingen staan beschreven in een op 21 juni 1998 getekende akte van garantiestelling. De CBT is geen partij bij deze overeenkomst, maar de toezeggingen van AGB in deze akte zijn wel door de CBT ondersteund in een schadeloosstellingsovereenkomst die op 22 juni 1998 is ondertekend en op 25 april 2004 bij amendement nr. 1 is gewijzigd (de „schadeloosstellingsovereenkomst”) (7).

(21)

De Tsjechische autoriteiten hebben als onderdeel van het reddings- en herstructureringsplan dat opgenomen is in de kennisgeving, een overzicht ter beschikking gesteld van de garantieregelingen.

(22)

In die kennisgeving meldt Tsjechië dat het overzicht met betrekking tot de akte van garantiestelling „niet uitputtend” is. In zijn commentaar op het besluit van de Commissie om een formele onderzoeksprocedure in te leiden, heeft Tsjechië echter aangegeven dat het overzicht wel degelijk uit een uitputtende lijst met alle potentiële vorderingen bestaat. De formulering „niet uitputtend” was alleen maar bedoeld om aan te geven dat de overzichten niet de volledige teksten van de onderliggende overeenkomsten bevatten. GECB was van mening dat eigenlijk uitsluitend het — uitputtende — overzicht met betrekking tot de schadeloosstellingsovereenkomst relevant was, aangezien de andere overzichten slechts verband hielden met vorderingen op grond van de akte van garantiestelling. Die laatste akte was een overeenkomst tussen particuliere partijen en als zodanig niet relevant met het oog op het verlenen van staatssteun.

(23)

Veel potentiële vorderingen waren al opeisbaar geworden vóór de toetreding van Tsjechië tot de Europese Unie. In haar besluit van 14 juli 2004 heeft de Commissie verklaard dat de maatregelen die al vóór de toetreding verlopen waren, na de toetreding niet van toepassing waren. Met betrekking tot de andere maatregelen heeft de Commissie de formele onderzoeksprocedure ingeleid.

(24)

De formele onderzoeksprocedure had ook betrekking op maatregelen waarvoor Tsjechië in het kader van de overgangsregeling niet om een beoordeling had verzocht, Dit gold met name voor garanties en schadeloosstellingen en de putoptie, die weliswaar in de kennisgeving werden beschreven, maar niet waren opgenomen in het beoordelingsverzoek. In haar besluit om de formele onderzoeksprocedure in te leiden, gaf de Commissie aan dat de toetredingslanden op grond van de overgangsregeling van bijlage IV, punt 3, van de Toetredingsakte niet verplicht waren om maatregelen aan te melden. Dat betekent dat het in beginsel mogelijk is om het toepassingsgebied van de kennisgeving te beperken. De Commissie overwoog echter dat de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie onlosmakelijk verbonden waren met de aangemelde steunmaatregelen en dat deze niet op kunstmatige wijze losgeweekt konden worden. Dat betekende dat de Commissie de maatregelen in hun geheel diende te beoordelen.

(25)

De garantieregelingen waarvoor de Commissie de procedure heeft ingeleid, kunnen als volgt samengevat worden:

(26)

Tabel 1

Garanties en schadeloosstellingen die op 22 juni 2008 verlopen

Inhoud

Plafondbedrag

1.

Schadeloosstelling in het kader van juridische procedures die van invloed zijn op de bancaire activiteiten: AGB heeft ermee ingestemd om GECIH, GECB en andere aankopende gevrijwaarde entiteiten (de „koper”) schadeloos te stellen voor alle schade voortvloeiende uit vorderingen op koper in verband met kwesties die zich voordoen vóór de overnamedatum en die negatieve gevolgen hebben voor de bancaire activiteiten. Artikel 5, lid 1, onder a), i)  (8)

Totale limiet van 2 miljard CZK

2.

Schadeloosstelling voor wetsovertredingen: AGB heeft ermee ingestemd om koper schadeloos te stellen voor alle schade als gevolg van overtredingen door verkoper vóór de overnamedatum van de geldende wet en regelgeving met een negatief effect op de bancaire activiteiten. Artikel 5, lid 1, onder a), ii)

Totale limiet van 2 miljard CZK

3.

Schadeloosstelling in verband met juridische procedures door werknemers: AGB heeft ermee ingestemd om koper schadeloos te stellen voor alle schade als gevolg van vorderingen van werknemers op GECB met betrekking tot enig feitelijk of beweerdelijk handelen of nalaten door verkoper vóór de overnamedatum. Artikel 5, lid 1, onder a), v)

Totale limiet van 2 miljard CZK

4.

Schadeloosstelling in verband met juridische procedures door werknemers: AGB heeft ermee ingestemd om koper schadeloos te stellen voor alle schade als gevolg van vorderingen in verband met contractuele verplichtingen of enige werkgeversaansprakelijkheid ten opzichte van overgenomen werknemers of voormalige, huidige of toekomstige werknemers van AGB2. Artikel 5, lid 1, onder a), vi)

Totale limiet van 2 miljard CZK

5.

Procedure tot nietigverklaring van de overeenkomst betreffende de verkoop van AGB1 aan GECB, die op 27 juli 1998 door Václav Sládek bij de regionale burgerlijke rechtbank (sectie Handelsrecht) aanhangig is gemaakt tegen AGB (in liquidatie) en koper en waarbij andere minderheidsaandeelhouders van AGB zich als mede-eiser hebben gevoegd. (Schadeloosstelling op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst)

Totale limiet van 15 miljard CZK

6.

Procedure tot nietigverklaring van de overeenkomst betreffende de verkoop van AGB1 aan GECB, die op 22 juni 2001 door Petr Maur, František Vysloužil, Pavel Tykač, Karel Tománek, Pavel Šimek en Tomáš Fohler bij de regionale burgerlijke rechtbank (sectie Handelsrecht) aanhangig is gemaakt tegen AGB (in liquidatie), koper en Jiři Klumpar en waarbij andere minderheidsaandeelhouders van AGB zich als mede-eiser hebben gevoegd. (Schadeloosstelling op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst)

Totale limiet van 15 miljard CZK

7.

Procedure tot geldigverklaring van de overeenkomst betreffende de verkoop van AGB1, die op 18 juni 2002 door HZ Praha, spol. s.r.o. bij de gemeentelijke rechtbank in Praag aanhangig is gemaakt tegen AGB (in liquidatie), koper en Jiři Klumpar. (Schadeloosstelling op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst)

Totale limiet van 15 miljard CZK

8.

Aanvraag van 18 oktober 1999 voor registratie van de verkoop van AGB1 in het Handelsregister in het kader waarvan AGB (in liquidatie) op dit moment als aanvrager optreedt en het Gemeentelijke OM van de stad Praag zich als partij bij de procedure heeft gevoegd. (Schadeloosstelling op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst)

Totale limiet van 15 miljard CZK

9.

Alle vorderingen tot schadeloosstelling met betrekking tot de rechtsgeldigheid of legitimiteit van de verkoop van AGB1 aan koper door:

verkoper, de CBT, een aandeelhouder, vereffenaar, curator, accountant of bewindvoerder van verkoper;

een lid van een bedrijfsorgaan van verkoper of koper;

een werknemer, geldlener, cliënt, geldgever of crediteur van verkoper of koper;

een of meer erfgenamen, rechtsopvolgers of rechtverkrijgenden, vereffenaars, curatoren, bewindvoerders, beheerders of administrateurs (of personen met soortgelijke bevoegdheden) van een of meer van bovengenoemde personen of entiteiten; of

een landelijke Tsjechische officier van justitie, een Tsjechische strafrechtelijke instantie, of een fiscale Tsjechische instantie onder wiens jurisdictie de verkoper of koper valt.

(Schadeloosstelling op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst)

Totale limiet van 15 miljard CZK


Tabel 2

Garanties en schadeloosstellingen die op 22 juni 2010 verlopen

Inhoud

Plafondbedrag

1.

Belastingen: AGB garandeert dat:

i)

zij alle relevante bronbelastingen heeft ingehouden waartoe zij op grond van de geldende wet- en regelgeving verplicht is;

ii)

zij koper op de hoogte heeft gesteld van alle belastingheffingen door fiscale instanties die door AGB verschuldigd zijn;

iii)

er geen fiscaal onderzoek loopt dan wel, voor zover AGB bekend, geen boekenonderzoek te verwachten valt met betrekking tot verschuldigde belastingheffingen;

iv)

zij geen geldende fiscale wetgeving heeft geschonden of schendt die tot verplichtingen voor koper kunnen leiden; en dat

v)

koper geen belastingheffing opgelegd zal krijgen door het aangaan van de voorgenomen transacties. Artikel 2, lid 14, onder c) en d)

Totale limiet van 2 miljard CZK

2.

Milieukwesties: AGB garandeert dat zich, voor zover haar bekend is, geen gevaarlijke stoffen op de bedrijfslocaties van AGB1 bevinden die de concentraties overschrijden zoals die op grond van de geldende wetgeving zijn toegestaan. Artikel 2, lid 20.

Totale limiet van 5 miljard CZK

3.

Belastingen in verband met de transactie: AGB garandeert dat koper geen belastingheffing opgelegd zal krijgen als gevolg van het aangaan van de verkoop. Artikel 2, lid 14, onder e)

Totale limiet van 15 miljard CZK

4.

Niet-bedrijfsmatige activa en passiva: AGB heeft ermee ingestemd koper schadeloos te stellen voor enige schade als gevolg van vorderingen verband houdende met niet-bedrijfsmatige activa of passiva. Artikel 5, lid 1, onder a), iv)

Totale limiet van 5 miljard CZK

5.

Douaneheffingen en accijnzen: AGB heeft ermee ingestemd koper schadeloos te stellen voor enige schade als gevolg van vorderingen van de Tsjechische douane- of accijnsinstanties verband houdende met de douanegarantie van AGB. Artikel 5, lid 1, onder a), iv)

Totale limiet van 5 miljard CZK


Tabel 3

Garanties en schadeloosstellingen die op 22 juni 2013 verlopen

Inhoud

Plafondbedrag

1.

Bedrijfsactiviteiten van AGB1: AGB garandeert dat er, met uitzondering van de verklaringen in de bijlagen bij de transactiedocumenten, geen andere activa of passiva deel uitmaken van AGB1. Artikel 2, lid 22

Totale limiet van 2 miljard CZK

2.

Bevoegdheid: AGB garandeert dat zij volledig bevoegd is om de contractdocumenten te ondertekenen en de transactie aan te gaan. Daarnaast garandeert AGB dat de contracten bindend zijn en nakoming ervan jegens haar afgedwongen kan worden. Artikel 2, lid 4

Totale limiet van 2 miljard CZK

3.

Rechtsgeldigheid van de verkoop: AGB heeft ermee ingestemd om koper schadeloos te stellen voor enige schade als gevolg van vorderingen verband houdende met de rechtsgeldigheid of totstandkoming van de verkoop van AGB1. Artikel 5, lid 1, onder a), iii)

Totale limiet van 2 miljard CZK


Tabel 4

Garanties en schadeloosstellingen die vijftien jaar na de overnamedatum verlopen

Inhoud

Plafondbedrag

1.

Milieuschade: AGB heeft ermee ingestemd om koper schadeloos te stellen voor enige milieuschade die koper lijdt met betrekking tot de bedrijfslocaties van AGB1 voor zover die schade een gevolg is van een omstandigheid die reeds vóór de overnamedatum bestond. Artikel 5, lid 1, onder b)

Totale limiet van 5 miljard CZK

De putoptie

(27)

Op 22 juni 1998 hebben de CBT en GECIH een overeenkomst inzake een putoptie gesloten waarin vastgelegd is dat GECIH, onder bepaalde omstandigheden, het recht heeft om te eisen dat de CBT alle aandelen koopt die GECIH houdt in het kapitaal van GECB.

(28)

Er kunnen zich thans nog twee omstandigheden voordoen waarin GECIH het recht heeft om de putoptie uit te oefenen:

a)

een uitspraak of vonnis waarin de transacties uit hoofde van de koopovereenkomst nietig of niet rechtsgeldig worden verklaard of waarin wordt verordonneerd dat deze ongedaan worden gemaakt of dat delen van de activa van AGB1 geretourneerd dienen te worden; of

b)

een besluit van de CBT om geen schadeloosstelling op grond van de schadeloosstellingsovereenkomst te betalen boven een bedrag van 2 000 miljoen CZK of enig verzuim van de CBT tot het verrichten van dergelijke betalingen.

(29)

Na de toelichtingen van Tsjechië en GECB heeft de Commissie geconcludeerd dat de omstandigheid als bedoeld onder b) van overweging 28 slechts verwijst naar een weigering om op grond van artikel 4, lid 1, en artikel 8, lid 3, van de schadeloosstellingsovereenkomst betalingen te verrichten die betrekking hebben op vorderingen tot nietigheid van de verkoop van AGB1 aan GECB (9).

(30)

De CBT heeft het recht om een omstandigheid die aanleiding kan zijn voor het uitoefenen van de putoptie, te zuiveren door ervoor te zorgen dat GECB en GECIH in eenzelfde positie komen te verkeren als wanneer die omstandigheid zich niet zou hebben voorgedaan. Vastgelegd is dat daarbij ook sprake kan zijn van betalingen of van de overdracht van activa aan GECB. De putoptie verloopt op 22 juni 2008.

De „putkoers”

(31)

De koers waartegen de CBT alle aandelen in GECB dient te kopen, is afhankelijk van de datum waarop de putoptie wordt uitgeoefend. Vanaf juni 2003 tot aan de datum waarop de putoptie verloopt, is de putkoers het hoogste bedrag van een van de volgende drie alternatieven:

a)

het gecorrigeerde liquidatiebedrag;

b)

de nettowaarde van GECB per de datum waarop de putkoers wordt vastgesteld;

c)

de waarde van GECB in het economische verkeer per de datum waarop de putkoers wordt vastgesteld.

Indien de koopprijs wordt vastgesteld aan de hand van de waarde in het economische verkeer zoals bedoeld onder c), zal er geen rekening worden gehouden met de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de uitoefening van de putoptie.

(32)

Tsjechië heeft de Commissie laten weten dat de CBT en GECB van mening zijn dat voor het vaststellen van de putkoers te allen tijde advies van een onafhankelijke derde ingewonnen dient te worden. Een dergelijk advies heeft voor alle partijen een bindend karakter.

4.   ONTVANGEN OPMERKINGEN NA HET INLEIDEN VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

4.1.   Opmerkingen van Tsjechië

(33)

Tsjechië is van mening dat de maatregelen die ter beoordeling voorliggen, na de toetreding niet van toepassing zijn. De eventuele aansprakelijkheid van de staat is in tijd en omvang beperkt, aangezien de maximale exposure van Tsjechië een vast bedrag is en in de toekomst niet verder kan oplopen. Daarnaast is het overzicht met betrekking tot de akte van garantiestelling uitputtend. Een nadere, uitgewerkte definitie van de eventuele exposure is niet noodzakelijk. Tsjechië begrijpt met name niet wat de relevantie is van een mogelijke voorspelling van wie er op welke gronden een vordering in zou kunnen stellen. Tsjechië beroept zich ook op de garantie die de staat ten gunste van Komercni banka heeft verstrekt. Destijds heeft de Commissie immers een soortgelijke definitie voldoende geacht om de maatregel na de toetreding niet van toepassing te verklaren. In het geval van Slovenska sporitelna heeft de Commissie zelfs een mindere definitie geaccepteerd omdat er slechts van eventuele vorderingen van een besloten groep eisers sprake was en niet van individuele vorderingen. Met betrekking tot de vier afzonderlijke rechtsvorderingen op grond van artikel 4, lid 1, is in ieder geval aan de voorwaarden van de Commissie voldaan om een maatregel aan te merken als niet van toepassing zijnde na de toetreding. Bovendien heeft Tsjechië in mei 2006 een overzicht ingediend met de namen van alle aandeelhouders van AGB per 30 april 2004. Tsjechië is van mening dat met betrekking tot vorderingen van deze met naam en toenaam bekende aandeelhouders op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst wordt voldaan aan het uitsplitsingsvereiste van de Commissie.

(34)

Met betrekking tot de putoptie is Tsjechië van mening dat het specifieke karakter van de putoptie betekent dat deze niet onderworpen hoeft te worden aan een beoordeling op grond van de overgangsregeling of in het kader van de huidige procedure, aangezien die optie pas in de toekomst uitgeoefend wordt. Tsjechië geeft aan bereid te zijn om de putoptie na uitoefening voor beoordeling bij de Commissie aan te melden. Met betrekking tot de vier afzonderlijke vorderingen tot nietigheid op grond van artikel 4, lid 1, voldoet de putoptie in ieder geval aan de voorwaarden van de Commissie om aangemerkt te worden als niet van toepassing zijnde na de toetreding. De maximale putkoers wordt bovendien begrensd via een formule die door een onafhankelijke deskundige wordt toegepast.

(35)

Los daarvan blijft Tsjechië bij zijn standpunt dat de maatregelen geen staatssteun vormen, aangezien het voor de staat veel duurder zou zijn geweest om AGB te liquideren dan om de betreffende maatregelen te nemen met het oog op het bevorderen van de verkoop van AGB. Daarnaast vormen de in het geding zijnde maatregelen gangbare handelspraktijken, waarbij geen sprake is van een ongebruikelijk voordeel en waarbij de invloed op de handel gering is. Aangezien AGB1 bovendien middels een onvoorwaardelijke en transparante aanbestedingsprocedure is verkocht, heeft GECB geen voordelen genoten daar het de marktprijs voor de bancaire activiteiten van AGB heeft betaald. Elk voordeel voor de verkoper (AGB) zou bovendien zijn verdwenen nu AGB in staat van faillissement verkeert en niet meer actief is op de markt.

(36)

Indien de maatregel desalniettemin als staatssteun aangemerkt zou worden, is Tsjechië van mening dat die steun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Gezien de specifieke situatie in Tsjechië en de typische kenmerken van het toetredingsproces zou de Commissie de voorschriften van het Verdrag en de communautaire kaderregeling van 1994 voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (10) (de „kaderregeling uit 1994”) ruimhartiger moeten interpreteren dan gebeurd is bij het besluit om een formele onderzoeksprocedure in te leiden.

(37)

Tsjechië is daarnaast van oordeel dat artikel 87, lid 2, onder b), en artikel 87, lid 3, onder b), van het EG-Verdrag in de huidige context van toepassing zijn, waardoor de maatregelen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.

(38)

Met betrekking tot de kaderregeling van 1994 wijst Tsjechië erop dat er een algemeen concept beschikbaar was voor de herstructurering van de bancaire activiteiten van AGB en dat de Commissie in andere gevallen niet stelselmatig vastgehouden heeft aan de aanwezigheid van een tot in detail uitgewerkt herstructureringsplan. Tsjechië is daarnaast van mening dat de maatregelen uitsluitend als steun voor AGB aangemerkt kunnen worden, maar niet als steun voor GECB of GECIH, aangezien alle maatregelen uitsluitend bedoeld waren om één enkele doelstelling te verwezenlijken, namelijk het waarborgen van de levensvatbaarheid van de bancaire activiteiten van AGB op de lange termijn. Los daarvan is het op grond van de kaderregeling van 1994 niet verboden om steun te verlenen aan nieuw opgerichte vennootschappen. Aangezien er geen sprake was van een structureel capaciteitsoverschot, zou er geen strikte eis gehanteerd mogen worden ten aanzien van de vermindering of opheffing van de capaciteit. Er is ook geen sprake geweest van een liquiditeitsoverschot bij AGB/GECB, hetgeen met het oog op de proportionaliteit het belangrijkste vereiste is op grond van de kaderregeling van 1994. Bovendien was de inbreng van de investeerders ook afdoende. De relatieve hoge solvabiliteitsratio’s waren slechts een technisch bijeffect van de gekozen methode voor kapitaalinbreng.

(39)

Tsjechië is daarnaast van mening dat artikel 46, lid 2, van de Europaovereenkomst (hierna „EO” genoemd) in de huidige context van toepassing is. Op grond van dat artikel worden er geen beperkingen opgelegd aan het soort steunmaatregelen dat toegestaan is en is er ook geen verbod van kracht op steunmaatregelen door de staat. Bovendien heeft de Commissie in de zaak Komercni banka eveneens artikel 46, lid 2, van de EO toegepast.

(40)

Indien de Commissie desondanks tot de conclusie zou komen dat de maatregelen na de toetreding wel van toepassing zijn en als onverenigbare staatssteun aangemerkt moeten worden, dan zou de Commissie ruimte moeten bieden voor een adequate afbouw van de garanties en schadeloosstellingen en van de putoptie. Dat is niet meer dan billijk, aangezien de CBT en GE legitieme verwachtingen mogen koesteren omtrent het bindende karakter van deze bepalingen.

(41)

Op 13 maart 2007 heeft Tsjechië de Commissie op de hoogte gesteld van het feit dat GECIH en GECB op 28 februari 2007 op grond van artikel 3, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst unilateraal en onvoorwaardelijk afstand hebben gedaan van de garanties en schadeloosstellingen met betrekking tot alle schade voortvloeiende uit enig verzuim van de verkoper van AGB1 bij de nakoming van de verplichtingen ingevolge de garanties en schadeloosstellingen die de verkoper heeft verstrekt in artikel 5, lid 1, onder a), i), artikel 5, lid 1, onder a), ii), artikel 5, lid 1, onder a), iii), artikel 5, lid 1, onder a), v), artikel 5, lid 1, onder a), vi) en artikel 5, lid 1, onder b). Deze verplichtingen corresponderen met de garanties en schadeloosstellingen zoals beschreven in overweging 26 in:

a)

tabel 1, punt 1 („Schadeloosstelling in het kader van juridische procedures die van invloed zijn op de bancaire activiteiten”);

b)

tabel 1, punt 2 („Schadeloosstelling voor wetsovertredingen”);

c)

tabel 1, punt 3 („Schadeloosstelling in verband met juridische procedures door werknemers”);

d)

tabel 1, punt 4 („Schadeloosstelling in verband met juridische procedures door werknemers”);

e)

tabel 3, punt 3 („Rechtsgeldigheid van de verkoop”);

f)

tabel 4, punt 1 („Milieuschade”).

(42)

De verklaring van afstand is in werking getreden ab initio van deze garanties en schadeloosstellingen, hetgeen betekent dat deze met terugwerkende kracht nietig zijn vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomst. Tsjechië heeft de Commissie daarnaast meegedeeld dat er op grond van deze bepalingen tot aan de datum van de verklaring van afstand geen vorderingen door GECIH of GECB zijn ingediend.

4.2.   Opmerkingen van GECB

(43)

De argumentatie van GECB heeft een soortgelijke strekking als die van de Tsjechische autoriteiten. GECB bestrijdt eveneens dat de steunmaatregelen van toepassing zijn na de toetreding en dat er sprake zou zijn van staatssteun. Als de maatregelen al een vorm van staatssteun zouden zijn, is GECB van mening dat zij dan in ieder geval verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt.

(44)

GECB wijst erop dat de partijen zes tot acht jaar voor de toetreding niet konden voorzien dat er een overgangsregeling geïntroduceerd zou worden ter beoordeling van staatssteun die vóór de toetreding is verleend. De Commissie had met deze omstandigheid rekening moeten houden bij het beoordelen van de toepasselijkheid na toetreding en bij het toepassen van de regels voor staatssteun.

(45)

GECB is van mening dat wat de garantie betreft, de interpretatie van de Commissie van de term „toepasselijkheid na” zoals die is toegepast in het besluit om een procedure in te leiden, te beperkt is. In het onderhavige geval zijn alle potentiële vorderingen gelimiteerd qua maximumbedragen en qua tijd. De vorderingen zoals die in de ingediende lijsten zijn opgenomen, zijn uitputtend in de zin dat er een overzicht wordt gegeven van alle mogelijke aanleidingen voor vorderingen. De formulering „niet uitputtend” is uitsluitend bedoeld om aan te geven dat de overzichten niet de volledige teksten van de onderliggende overeenkomsten bevatten. Daarnaast zou het bedrag dat met de putoptie is gemoeid, nooit hoger kunnen worden dan de maximumbedragen die in de schadeloosstellingsovereenkomst zijn vastgelegd, aangezien de putoptie alleen betrekking heeft op specifieke vorderingen op grond van de schadeloosstellingsovereenkomst en zelf ook aan een maximum gebonden is.

(46)

Het criterium voor „toepasselijkheid na” dat de Commissie in haar besluit van 14 juli 2004 hanteert, zou betekenen dat uitsluitend lopende of dreigende rechtszaken aangemerkt kunnen worden als zijnde niet van toepassing na de toetreding. Zelfs als deze zeer beperkte interpretatie wordt gebruikt, is GECB van mening dat de vier afzonderlijke rechtsvorderingen op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst volledig aan de toetsingscriteria van de Commissie voldoen. Bovendien voldoen ook de fiscale vorderingen uit hoofde van artikel 2, lid 14, onder c), d) en e), aan de vereisten van de Commissie, aangezien de toekomstige eiser (de Tsjechische autoriteiten) al bekend is vanwege de aard van deze vorderingen.

(47)

GECB is daarnaast van mening dat de putoptie „niet van toepassing is na de toetreding”, daar de omstandigheden waaronder de putoptie uitgeoefend kan worden duidelijk vastgelegd zijn en ook de putkoers eenduidig gedefinieerd is. Met betrekking tot die omstandigheden is de putoptie in ieder geval afdoende gedefinieerd wat de vier specifiek vermelde geldigheidsclaims betreft. Met betrekking tot de putkoers verwijst GECB naar de zaak Ceska sporitelna, waarbij de Commissie van oordeel was dat een achtergestelde schuld en sociale leningen niet van toepassing waren na de toetreding.

(48)

Subsidiair, indien de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie wel „van toepassing na de toetreding” zouden zijn, zou er nog geen sprake van staatssteun zijn, aangezien de CBT moet worden beschouwd als de feitelijke eigenaar van AGB met een financieel belang bij de verkoop van AGB. Bovendien zijn de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie via onderhandelingen tussen de partijen tot stand gekomen, hetgeen ook tot uiting komt in de prijs die door GECB is betaald. Los daarvan hebben de maatregelen geen selectief karakter, aangezien deze voor alle gegadigden openstonden. Er is ook geen sprake van een verstoring van de mededinging, aangezien GECIH de marktprijs heeft betaald na een onvoorwaardelijke en transparante aanbestedingsprocedure. Tot slot is de handel niet beïnvloed omdat geen enkele andere bank belangstelling heeft getoond voor het aandeel van AGB in de Tsjechische detailhandelsmarkt.

(49)

Met betrekking tot de verenigbaarheid van de maatregelen met de gemeenschappelijke markt voert GECB aan dat alle steunmaatregelen verenigbaar zijn op grond van artikel 87, lid 2, onder b), en artikel 87, lid 3, onder b), van het EG-Verdrag en uit hoofde van de kaderregeling uit 1994.

(50)

GECB is van mening dat artikel 87, lid 2, onder b), van het EG-Verdrag in de huidige context van toepassing is, aangezien er sprake was van een ernstige bedreiging van een welhaast catastrofale omvang voor de stabiliteit van de gehele bancaire sector. Daarnaast is ook artikel 87, lid 3, onder b), van het EG-Verdrag van toepassing, daar de Commissie een systemische crisis van de bancaire sector heeft gekwalificeerd als een potentiële „ernstige verstoring in de economie van een lidstaat”. Aan de eis dat de steun op neutrale wijze aan alle kredietinstellingen verleend moet worden, is in Tsjechië voldaan omdat de gehele bancaire sector in een crisis verkeerde en alle banken steun kregen van de staat.

(51)

Met betrekking tot de kaderregeling uit 1994 wijst GECB erop dat de Commissie haar bevoegdheden te ruim opvat waar zij bij het beoordelen van de verenigbaarheid niet uitsluitend de maatregelen in ogenschouw neemt die van toepassing zijn na de toetreding, maar ook de volledige herstructurering. Wat de begunstigden van de steun betreft, bevat de kaderregeling uit 1994 geen strikte beperking voor nieuw opgerichte ondernemingen. Bovendien heeft de Commissie ook geen verbod op herstructureringssteun opgelegd voor nieuw opgerichte ondernemingen in voormalig Oost-Duitsland. In voetnoot 10 van de communautaire richtsnoeren uit 1999 voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (11) (de „richtsnoeren uit 1999”) wordt deze steunmogelijkheid expliciet vermeld.

(52)

GECB betoogt verder dat de Commissie in het onderhavige geval geen volledig herstructureringsplan mag verlangen, omdat het immers onmogelijk was om deze eis te voorzien op het moment dat de steunmaatregelen werden verleend. Daarnaast is er geen sprake van enige ongepaste verstoring van de mededinging, aangezien in de richtsnoeren uit 1999 expliciet wordt vermeld dat de voorwaarden voor het goedkeuren van steun in steungebieden, zoals Tsjechië, ten aanzien van de tenuitvoerlegging van compenserende maatregelen minder streng mogen zijn om in te kunnen spelen op de ernst van regionale problemen. Tot slot verklaart GECB dat de solvabiliteitsratio van GECB op zich niet de conclusie rechtvaardigt dat de steun niet in verhouding staat tot de kosten en baten van de herstructurering. De hoge solvabiliteitsratio van GE is veeleer een weerspiegeling van het behoudende kredietbeleid van GE.

5.   BEOORDELING

5.1.   Toepasselijkheid na de toetreding

(53)

Zoals hierboven beschreven, betwisten Tsjechië en GECB de bevoegdheid van de Commissie om steunmaatregelen te beoordelen die vóór de toetreding zijn uitgevoerd, GECB is met name ook van mening dat de Commissie de wetgeving met terugwerkende kracht toepast en een uitzondering creëert op de eerder aangenomen regel dat pretoetredingssteun die door een toetredende lidstaat is verleend, als bestaande steun aangemerkt dient te worden.

(54)

In bijlage IV, punt 3, onder 1, van de Toetredingsakte worden slechts drie categorieën maatregelen als bestaande steun gedefinieerd:

a)

steunmaatregelen die vóór 10 december 1994 in werking zijn getreden;

b)

steunmaatregelen die — naar het oordeel van de Commissie — opgenomen zijn in de lijst die als bijlage aan het Toetredingsverdrag is gehecht; en

c)

steunmaatregelen die goedgekeurd worden op grond van de zogeheten overgangsregeling.

Alle maatregelen die aangemerkt kunnen worden als staatssteun en die na de toetredingsdatum nog steeds van toepassing zijn en niet in een van die drie categorieën vallen, worden op het moment van toetreding als nieuwe steun beschouwd. Dat betekent dat de Commissie volledig bevoegd is om de toepassing van dergelijke steunmaatregelen te verbieden en de terugvordering te verlangen van bedragen die onverschuldigd in het kader van die maatregelen na de toetreding zijn betaald. Een dergelijke interpretatie van de regels voor staatssteun met betrekking tot de toekomstige effecten van maatregelen die na toetreding nog steeds van toepassing zijn, vormt géén toepassing van de communautaire regels voor staatssteun met terugwerkende kracht en is in ieder geval toegestaan op grond van de Toetredingsakte.

(55)

De overgangsregeling wordt in bijlage IV, punt 3, onder 2, van de Toetredingsakte beschreven. Die regeling biedt een juridisch kader voor het beoordelen van steunprogramma’s en van individuele steunmaatregelen die in een nieuwe lidstaat zijn uitgevoerd vóór de toetredingsdatum en nog steeds van toepassing zijn na de toetreding.

(56)

Om een maatregel aan te kunnen merken als van toepassing zijnde na de toetreding, dient deze een extra voordeel op te leveren dat niet, of niet precies bekend was op het moment dat de steun werd verstrekt. Aan de andere kant is de Commissie op grond van de overgangsregeling niet bevoegd om steunmaatregelen te beoordelen als deze vóór de toetreding al definitief en onvoorwaardelijk en voor een specifiek bedrag zijn uitgevoerd.

(57)

Garantieregelingen met mogelijke uitbetalingen na de toetreding vallen buiten de definitie van „toepasselijkheid na” indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan (12):

a)

de omstandigheden die aanleiding zijn voor de gegarandeerde risico’s zijn nauwkeurig gedefinieerd en opgenomen in een uitputtende lijst die op de datum van toetreding definitief dient te zijn;

b)

de steunbetalingen van de staat zijn gebonden aan een specifiek maximum en gelden voor een beperkte termijn; en

c)

de garantie/schadeloosstelling heeft betrekking op gebeurtenissen die reeds hebben plaatsgevonden op de datum van het verstrekken van die garantie/schadeloosstelling en dus niet op toekomstige gebeurtenissen.

Beoordeling

(58)

Zoals toegelicht in haar besluit van 14 juli 2004 is de Commissie van mening dat alle garanties en schadeloosstellingen evenals de putoptie waarvoor zij de formele onderzoeksprocedure heeft ingeleid, ook na de toetreding van toepassing zijn. Nu de Commissie geconcludeerd heeft dat al deze maatregelen na de toetreding van toepassing zijn, kan de verklaring van afstand door GECIH en GECB met betrekking tot bepaalde garanties en schadeloosstellingen de effecten daarvan zoals vastgesteld in het besluit van de Commissie van 14 juli 2004, niet opheffen voor zover zij na de toetreding van kracht blijven.

(59)

De Commissie herhaalt en bevestigt haar conclusie over de „toepasselijkheid na” voor alle maatregelen die opgenomen zijn in de tabellen in overweging 26. Met betrekking tot de aangevoerde argumenten tegen het besluit om een procedure in te leiden, wil de Commissie allereerst de volgende algemene opmerkingen maken:

(60)

Tsjechië en GECB stellen dat eventuele vorderingen uitputtend zijn beschreven in de kennisgeving en dat ook de maximale financiële exposure van Tsjechië daarin is vastgelegd. Hoewel de lijst mogelijk alle potentiële gronden voor vorderingen bevat, zijn die gronden — op een paar uitzonderingen na zoals hieronder nader wordt toegelicht — in abstracte termen beschreven. Daarnaast is de Commissie van mening dat een algemeen plafond zonder duidelijk overzicht (specificatie) van de specifieke gebeurtenissen die de aanleiding kunnen vormen voor een schadeloosstelling, de betaling van die schadeloosstelling na de toetreding niet op een definitieve en onvoorwaardelijke wijze koppelt aan een specifieke gebeurtenis die zich vóór de toetreding heeft voorgedaan. In een aantal opzichten heeft Tsjechië de financiële exposure weliswaar theoretisch beperkt, maar de staat heeft niet duidelijk de specifieke omstandigheden gedefinieerd die de directe aanleiding kunnen vormen voor uitbetalingen.

(61)

In tegenstelling tot de argumentatie van Tsjechië en GECB sluit dit ook aan bij de zaken Komercni banka (13) en Ceska sporitelna (14). De garanties die in deze gevallen zijn gegeven en die aangemerkt zijn als niet van toepassing zijnde na de toetreding, voldoen wel aan bovengenoemde criteria, aangezien het om duidelijk gedefinieerde en een beperkt aantal afgescheiden activa gaat die vóór de toetreding exact en uitputtend gedefinieerd zijn en waarvan de waarde door de staat gegarandeerd is. Ook in het geval van Slovenska sporitelna (15) had de juridische procedure over de schadeloosstelling betrekking op lopende of dreigende rechtszaken die opgenomen waren in een uitputtende en juridisch bindende lijst.

(62)

Zoals hierna nader zal worden toegelicht, is de financiële exposure van Tsjechië bovendien niet voldoende beperkt met betrekking tot de schadeloosstellingen in verband met de rechtsgeldigheid van de verkoop in zowel artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst als in de putoptie.

Specifieke opmerkingen met betrekking tot bepaalde individuele maatregelen

Schadeloosstelling voor fiscale kwesties en douane- en accijnsverplichtingen (tabel 2, punten 1, 3 en 5)

(63)

Tsjechië en GECB zijn van mening dat de schadeloosstellingen voor fiscale kwesties aan de vereisten van de Commissie voldoen om een maatregel aan te merken als niet van toepassing zijnde na de toetreding, aangezien bekend is wie de toekomstige eiser is (de Tsjechische autoriteiten) als gevolg van de aard van deze vorderingen.

(64)

Indien deze redenering geldig zou zijn, overweegt de Commissie dat deze dan niet alleen van toepassing is op fiscale kwesties, maar ook op de schadeloosstellingen in verband met douane- en accijnsverplichtingen. De schadeloosstellingen voor zowel fiscale kwesties als voor de douane- en accijnsverplichtingen op grond van artikel 2, lid 14, onder c), d) en e), en artikel 5, lid 1, onder a), iv), zijn niet afdoende gespecificeerd. Een vordering voor een schadeloosstelling is voldoende gespecificeerd indien de potentiële eiser én de onderliggende gebeurtenis specifiek omschreven zijn. In het onderhavige geval kan echter een ongelimiteerd aantal vorderingen met het oog op een schadeloosstelling worden ingediend, zodat de betreffende bepalingen de exposure van Tsjechië niet afdoende specificeren. De Commissie overwoog en overweegt dan ook dat de schadeloosstellingen voor fiscale kwesties en douane- en accijnsverplichtingen van toepassing zijn na de toetreding.

Vorderingen op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst (tabel 1, punten 5 t/m 9)

(65)

De vorderingen als omschreven in tabel 1, punt 9, hebben betrekking op schadeloosstellingen indien de verkoop van AGB1 aan GECB nietig of niet rechtsgeldig wordt bevonden. De potentiële aanleidingen hiervoor worden echter in algemene termen beschreven en vormen derhalve geen beperking voor de financiële exposure van Tsjechië, zelfs niet indien sommige groepen potentiële eisers — zoals de aandeelhouders van AGB op een specifiek tijdstip — beschouwd zouden worden als een vertegenwoordiging van een besloten groep individuen. Ondanks het feit dat de groepen extreem groot zijn en er vanuit gegaan mag worden dat zij ook de rechtsopvolgers van de individuen omvatten, zijn de potentiële vorderingen van deze groepen niet gespecificeerd zodat in principe een onbeperkt aantal potentiële vorderingen mogelijk is. Als gevolg hiervan kan het risico voor Tsjechië niet als voldoende nauwkeurig gedefinieerd worden aangemerkt.

(66)

Met betrekking tot de vier rechtsvorderingen op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst (zoals beschreven in tabel 1, punten 5, 6, 7 en 8) is de Commissie van mening dat zelfs als die vorderingen al afdoende gedefinieerd zouden zijn in de zin van het eerste van de bovengenoemde criteria (aangezien deze vorderingen betrekking hebben op individuele procedures door met naam en toenaam bekende eisers), er niet voldaan wordt aan het vereiste van een algemeen plafond aan de aansprakelijkheid van de staat. Dat geldt voor alle vorderingen op grond van artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst (zoals beschreven in tabel 1, punten 5, 6, 7, 8 en 9).

(67)

De financiële exposure van de CBT lijkt te zijn beperkt tot een bedrag van 15 miljard CZK voor iedere apart in artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst genoemde schadeloosstelling. Deze beperking wordt echter opgeheven doordat GECIH de putoptie kan uitoefenen wanneer de CBT weigert meer dan 2 miljard CZK uit te betalen. Wanneer de CBT weigert betalingen boven dit bedrag te doen, heeft GECIH het recht de putoptie uit te oefenen. Hiermee zou de CBT, om te voorkomen dat de putoptie wordt uitgeoefend, zich gedwongen kunnen zien meer te betalen dan het maximum van 15 miljard CZK voor apart genoemde schadeloosstellingen dat is voorzien in artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst. Zoals hieronder wordt beschreven is de putoptie zelf bovendien niet goed genoeg gedefinieerd en gemaximeerd.

(68)

De Commissie is derhalve van mening dat artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst, zoals beschreven in de ppunten 5, 6, 7, 8 en 9 van tabel 1, na toetreding van toepassing is.

De putoptie

(69)

Zoals hierboven uiteengezet, zijn er in principe twee soorten gebeurtenissen waarna de putoptie kan worden uitgeoefend. De eerste betreft een uitspraak of arrest waarmee de verkoop van AGB1 aan GECB nietig of ongeldig wordt verklaard. Uitoefening wordt ook mogelijk gemaakt door weigering van de CBT om betalingen van meer dan 2 miljard CZK te doen in verband met vorderingen betreffende geldigheid ingevolge artikel 4, lid 1, van de schadeloosstellingsovereenkomst.

(70)

De potentiële gebeurtenissen die tot uitoefening van de putoptie kunnen leiden zijn op geen enkele wijze zodanig nader gespecificeerd dat het aantal personen dat vorderingen kan indienen beperkt is, zodat op voorhand kan worden bepaald welke gerechtelijke procedures mogelijk zouden kunnen leiden tot een uitspraak inzake de ongeldigheid etc. van de verkoop van AGB1 aan GECB. Ten gevolge hiervan zijn de risico's voor Tsjechië onvoldoende duidelijk gedefinieerd en vastgesteld.

(71)

Bovendien is de financiële exposure voor Tsjechië niet gemaximeerd. In het geval van Ceska sporitelna was de Commissie van mening dat het risico voor Tsjechië met betrekking tot de compensatie voor sociale leningen voldoende was gedefinieerd, met een compensatie gelijk aan het verschil tussen het „voor de sociale lening bedongen tarief” en de Prague Interbank Offered Rate plus een vast percentage plus een vast bedrag per rekening per jaar. Maar in dat geval waren de variabelen beperkt tot een eenvoudige indexering ten opzichte van één enkele marktbenchmark en konden ze niet door de begunstigde worden beïnvloed.

(72)

In het onderhavige geval is de putkoers het hoogste van de volgende bedragen:

a)

het gecorrigeerde liquidatiebedrag;

b)

de nettowaarde van GECB per de datum waarop de putkoers wordt vastgesteld;

c)

de waarde van GECB in het economisch verkeer per de datum waarop de putkoers wordt vastgesteld.

(73)

Tsjechië heeft de Commissie laten weten dat de prijsbepaling in ieder geval wordt uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige en dat diens oordeel bindend is voor de betrokken partijen.

(74)

Niettegenstaande de betrokkenheid van een onafhankelijk deskundige, hetgeen wellicht de beoordeling objectiever doet zijn, is de Commissie van mening dat de methode voor de prijsbepaling als zodanig het financiële risico voor Tsjechië niet maximeert. De methoden voor de bepaling van de prijs maken gebruik van parameters die afhankelijk zijn van het bedrijfsresultaat van GECIH en GECB.

(75)

Bovendien wordt de volgens de putoptie te betalen prijs bepaald via een ingewikkelde berekening, waarin variabelen voorkomen waarvan de waarden onzeker waren op het moment dat de overeenkomst omtrent de steunmaatregelen werd gesloten, onzeker waren op het moment van toetreding en in de loop van de tijd zouden blijven veranderen. De in het kader van de putoptie te betalen prijs zou derhalve afhangen van onberekenbare grootheden die onderhevig waren aan toekomstige ontwikkelingen en alleen op een specifieke datum na de toetreding konden worden bepaald.

(76)

Gezien het voorgaande is het potentiële risico van de CBT onvoldoende gedefinieerd door middel van een formule. Ten gevolge hiervan wordt de putoptie als van toepassing na de toetreding beschouwd.

Conclusies inzake toepasselijkheid na toetreding

(77)

De Commissie bevestigt daarom haar besluit van 14 juli 2004 inzake de toepasselijkheid na toetreding van de steunmaatregelen aangaande welke zij de formele onderzoeksprocedure heeft ingeleid en is van mening dat al deze steunmaatregelen na de toetreding van toepassing zijn. Dit zijn de garanties en schadeloosstellingen als opgenomen in de tabellen 1, 2, 3 en 4, evenals de putoptie.

5.2.   Staatssteun

(78)

Artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag stelt dat iedere vorm van steun voor specifieke ondernemingen die met staatsmiddelen wordt bekostigd onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, indien deze steun de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

Staatsmiddelen

(79)

Middels the schadeloosstellingsovereenkomst staat de CBT, als openbaar lichaam, garant voor de door AGB in de garantieovereenkomst aangegane verplichtingen ten opzichte van GECB en GECIH. De garantiestellingsregelingen behelzen derhalve staatsmiddelen. Ook met betrekking tot de putoptie is sprake van staatsmiddelen, aangezien de CBT zich heeft verplicht alle aandelen in GECB over te nemen in het geval dat GECIH de putoptie uitoefent.

Economisch voordeel

(80)

Tsjechië en GECB stellen dat de maatregelen geen steun vormen, omdat het de staat meer zou hebben gekost om de bank te liquideren dan deze te verkopen. Ingevolge de in overweging 14 genoemde depositogarantie, zou de CBT verplicht zijn geweest de crediteuren van AGB schadeloos te stellen. Als AGB niet zou zijn geherstructureerd, zou de Tsjechische staat ingevolge die garantie veel te hoge kosten hebben moeten dragen. GECB stelt tevens dat de CBT moet worden gezien als de de facto-eigenaar van AGB, omdat de Tsjechische wet voorschrijft dat de curator wordt aangesteld door en in dienst is bij de CBT. Afgezien daarvan zouden de garantieregelingen standaard handelsgebruik zijn en tot uiting komen in de voor AGB1 betaalde prijs.

(81)

De Commissie is van mening dat in zijn rol als curator de CBT niet kan worden beschouwd als een de facto-eigenaar van de bank. Ook onder curatele gesteld blijft AGB eigenaar van de bank. Een curator kan de bevoegdheid hebben de bank te verkopen, maar dan handelt hij namens de bank. De CBT handelde derhalve om de verkoop van een particuliere bank aan een andere particuliere bank mogelijk te maken.

(82)

De Commissie is niet van mening dat de overname van de depositogarantie door de koper voldoende grond zou kunnen zijn voor een rationele marktspeler om de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie aan te gaan. Tsjechië stelt zelf expliciet in de beoordeling bij de kennisgeving dat „de CBT er nooit van uit is gegaan in het kader van de garantie te moeten uitbetalen”. De steunmaatregel zou slechts „psychologisch” bedoeld zijn geweest om de bevolking gerust te stellen. Tsjechië heeft inderdaad gemeld dat nooit een beroep is gedaan op de door de CBT op 17 september 1996 verleende depositogarantie, en op het moment dat AGB1 werd verkocht aan GECB moet het bijzonder onwaarschijnlijk hebben geleken dat er nog vorderingen zouden kunnen worden ingediend in het kader van de depositogarantie.

(83)

Met betrekking tot de putoptie betogen Tsjechië en GECB dat deze op zich geen werkelijk voordeel zou vertegenwoordigen, maar eerst door uitoefening een voordeel zou kunnen worden. De Commissie is echter van mening dat de putoptie al vanaf de dag dat deze werd toegekend, voor GECB een recht met een waarde vertegenwoordigt. Het voordeel van een putoptie ontstaat, net zoals dat bij een garantie het geval is, al op het moment dat de steunmaatregel wordt toegekend en niet pas wanneer de putoptie wordt uitgeoefend (dan wel een beroep wordt gedaan op de garantie) (16).

(84)

De partijen in de schadeloosstellingsovereenkomst waren de CBT, GECB en GECIH. De bij de overeenkomst inzake de putoptie betrokken partijen waren CBT en GECIH. GECB, GECIH alsmede AGB als de verkoper van AGB1 en het bankbedrijf AGB1 dat vóór 22 juni 1998 in het bezit was van AGB en daarna van GECB, zijn derhalve de mogelijke begunstigden van de steunmaatregelen.

Voordeel voor AGB

(85)

Ondanks het feit dat AGB als verkoper van AGB1 bij geen van beide overeenkomsten partij was, heeft het er wel voordeel van ondervonden aangezien het nu zijn bancaire activiteiten heeft kunnen verkopen — zonder de garanties en de putoptie van de CBT was dat mogelijk niet gelukt, maar in ieder geval was de prijs lager geweest. AGB heeft hiervoor geen enkele vergoeding betaald en de CBT was op geen enkele wijze tegenover de partijen verplicht om de schadeloosstellingsovereenkomst en de putoptie-overeenkomst aan te gaan. Het doel van de CBT was om, in het licht van de bankcrisis in Tsjechië, met de steunmaatregelen de bancaire activiteiten van AGB te herstructureren en zo negatieve gevolgen voor de Tsjechische economie te voorkomen.

(86)

Het feit dat bepaalde garanties en schadeloosstellingen standaard zijn in verkoop- en koopovereenkomsten, verandert niets aan het voordelige karakter van de steunmaatregelen. De akte van garantiestelling tussen de verkoper AGB en de koper GECB/GECIH moge dan standaard zijn, de schadeloosstellingsovereenkomst, een veelomvattende contragarantie van de staat en de putoptie, verleend om de verkoop van een particulier bedrijf te vergemakkelijken zijn dat echter niet. Ze bieden financieel voordeel aan zowel de verkoper als het verkochte bedrijf.

(87)

Met betrekking tot de putoptie betogen Tsjechië en GECB dat het vanwege het speciale karakter ervan nu niet mogelijk is om te beoordelen in hoeverre sprake is van staatssteun, aangezien de prijs waartegen GECB aan de CBT wordt verkocht pas in de toekomst zal worden bepaald. Dit is echter slechts een kwestie van kwantificering en doet niets af aan het feit dat de putoptie een onmiddellijk financieel voordeel vertegenwoordigde voor AGB. Dit voordeel behoeft niet precies te worden gekwantificeerd; het voordeel is overigens het verschil tussen de door GECB betaalde prijs en de prijs die AGB voor de verkoop van de bancaire activiteiten van AGB1 zou hebben gerealiseerd zonder de putoptie van de CBT.

Voordeel voor de bancaire activiteiten van AGB1 en GECB en GECIH

(88)

Met betrekking tot de bancaire activiteiten van AGB, AGB1, die via een overname van activa aan GECB zijn overgedaan, is de Commissie van mening dat de garantieregelingen en de putoptie voordelig zijn, aangezien zij het mogelijk maakten dat de activiteiten van AGB1 werden gecontinueerd. Het feit dat de bancaire activiteiten van AGB1 aan GECB zijn verkocht in een open en onvoorwaardelijke aanbestedingsprocedure doet niets af aan de voordelen, aangezien de koopprijs voor AGB1 negatief was: de waarde van de steunmaatregelen voor de bancaire activiteiten van AGB ging namelijk het bedrag te boven dat met de verkoop werd gerealiseerd.

(89)

De koopprijs van 304 miljoen CZK vormde geen compensatie voor de CBT in verband met de verleende steun tijdens de herstructurering, aangezien de CBT niet de eigenaar is van AGB1 en de koopprijs niet aan de CBT maar aan de verkoper (AGB) werd betaald.

(90)

Ook neutraliseerde de door zekerheid gedekte tegenvrijwaring waarmee GECIH de verplichtingen van de CBT uit hoofde van de depositogarantie op zich nam, de eerder door de CBT aan AGB verleende steunmaatregelen niet. In de schadeloosstellingsovereenkomst stemt GECB ermee in de verplichtingen van CBT overeenkomstig de depositogarantie over te nemen. De depositogarantie is een, na de ondercuratelestelling van AGB op 17 september 1996, door de CBT afgegeven garantie aan de crediteuren en deposanten van AGB om een run op de bank te voorkomen. De steunmaatregel is door Tsjechië gemeld in het kader van het interimmechanisme en is in het besluit van de Commissie van 14 juli 2004 als niet van toepassing na de toetreding aangemerkt. De Commissie is van mening dat overname van de verplichtingen uit hoofde van de depositogarantie de CBT niet compenseert voor het verlenen van de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie, aangezien de verplichtingen overeenkomstig de depositogarantie terugkeren bij de CBT indien GECIH de putoptie uitoefent. De Commissie is derhalve van mening dat de toezeggingen van GECIH niet kunnen worden beschouwd als een volledige overname van de verplichtingen van de CBT uit hoofde van de depositogarantie. Bovendien was ten tijde van de verkoop van AGB1 in juni 1998 het financiële risico van de CBT ten gevolge van de depositogarantie (verleend op 17 september 1996) verwaarloosbaar, aangezien de kans dat er nog een run op de bank zou plaatshebben minimaal was geworden omdat de ondercuratelestelling van AGB van alweer bijna twee jaar eerder dateerde. Tsjechië stelt zelf in de kennisgeving dat de CBT er nooit van uit is gegaan in het kader van de depositogarantie betalingen te moeten doen. Het is ook inderdaad zo dat tot op het moment dat GECB de activiteiten van AGB1 overnam, er geen betalingen hebben plaatsgevonden overeenkomstig de depositogarantie. Aangezien het risico voor de CBT slechts theoretisch was, kan GECB niet redelijkerwijs aanvoeren de CBT te hebben gecompenseerd door de verplichtingen overeenkomstig de depositogarantie over te nemen in ruil voor de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie.

(91)

De maximumbedragen voor de garanties en schadeloosstellingen met betrekking waartoe de Commissie procedures heeft ingeleid, komen samen al op 126 miljard CZK en overschrijden dus ruim de theoretisch maximale financiële exposure overeenkomstig de depositogarantie en ook de koopprijs van 304 miljoen CZK. Het Hof verduidelijkte in Duitsland tegen Commissie (17) dat een open, transparante en onvoorwaardelijke aanbestedingsprocedure op zich nog niet wil zeggen dat aan de beginselen omtrent de particuliere investeerder op de markt is voldaan, en derhalve staatssteun inhoudt wanneer een bedrijf tegen een negatieve prijs wordt verkocht en het dus goedkoper zou zijn geweest het te liquideren. De Commissie is derhalve van mening dat in het onderhavige geval de verkoop voor eigen rekening van de bancaire activiteiten van AGB1 door de eigenaren, de economische voordelen niet opheft; de voordelen die hier direct aan de orde zijn, zijn bij de verkoop van het bedrijf overgegaan op GECB. GECB en GECIH hebben voordeel gehad van de schadeloosstellingsovereenkomst en de putoptie-overeenkomst, aangezien ze rechten krachtens die overeenkomsten hebben verworven; ze hebben deze rechten verkregen met het oog op een herstructurering van AGB1.

Resultaat

(92)

Gezien het voorgaande behelzen de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie economische voordelen voor de verkoper (AGB) en GECB en het moederbedrijf GECIH met betrekking tot de exploitatie van het bankbedrijf AGB1.

Selectiviteit

(93)

GECB betoogt dat de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie niet selectief waren in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag, aangezien ze golden voor alle bieders op AGB1. Dit argument is onaanvaardbaar: de betreffende maatregelen waren specifiek beperkt tot de koper van AGB1 en daarmee selectief van aard. Bovendien is over de schadeloosstellingsovereenkomst en de putoptieovereenkomst onderhandeld nadat GECB de enige bieder op AGB1 was geworden; in de oproep voor inschrijving werd geen melding gemaakt van de beschikbaarheid van staatgaranties en het is al helemaal niet duidelijk dat dezelfde garanties geboden zouden worden aan alle bieders. De maatregelen zijn derhalve selectief.

Verstoring van de mededinging en van het handelsverkeer tussen de lidstaten

(94)

Voordat AGB onder curatele werd geplaatst, was het een van de grootste banken in Tsjechië. Gelet op het feit dat AGB in liquidatie is, is er geen sprake meer van concurrentieverstoring ten aanzien van de verkoper (AGB). Er is echter wel sprake van concurrentieverstoring ten aanzien van de bancaire activiteiten van AGB1 die aan GECB zijn verkocht. AGB1/GECB is actief in heel Tsjechië en behoort toe aan de GE-groep die wereldwijd actief is. De Tsjechische autoriteiten stellen zelf dat banken uit de EU in de betreffende periode de Tsjechische markt nauwkeurig in de gaten hielden, op zoek naar investeringsmogelijkheden. Indien het bankbedrijf AGB1 in liquidatie zou zijn gegaan, hadden andere Europese en niet-Europese banken het bedrijf in handen kunnen krijgen dat GECB nu behield. Gezien dit alles is de Commissie van mening dat de garantieregelingen en de putoptie de mededinging kunnen vervalsen en dat ze het handelsverkeer tussen de lidstaten beïnvloeden (18).

(95)

Aan alle elementen van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag wordt voldaan en daarom vormen die delen van de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie die van toepassing zijn na de toetreding, staatssteun aan GECB in de zin van het Verdrag, bij het overnemen van de bancaire activiteiten van AGB1.

6.   VERENIGBAARHEID VAN DE STAATSSTEUN

6.1.   Artikel 87, lid 2, onder b), en artikel 87, lid 3, onder b), van het EG-Verdrag

(96)

Artikel 87, leden 2 en 3, van het EG-Verdrag geven de voorwaarden waaronder steun verenigbaar is, of wordt beschouwd als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

(97)

In tegenstelling tot wat GECB betoogt, kan niet worden volgehouden dat in het onderhavige geval sprake was van buitengewone gebeurtenissen of iets „in de buurt van een natuurramp” krachtens artikel 87, lid 2, onder b), van het EG-Verdrag. Een mogelijk verlies van vertrouwen van het publiek in het banksysteem kan niet worden gezien als een „natuurramp” in de zin van die bepaling. Ook heeft de notie van buitengewone gebeurtenissen geen betrekking op financiële verliezen als gevolg van commerciële beslissingen van economische partijen. De gebeurtenissen die hebben geleid tot de steunverlening, kunnen niet worden opgevat als onvoorzienbare, buitengewone gebeurtenissen.

(98)

Evenmin kan voor de steun een uitzondering worden gemaakt op basis van artikel 87, lid 3, onder b). De steun is niet toegekend in het kader van een sectorale regeling die horizontaal gold voor alle Tsjechische banken (19).

6.2.   Artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en de kaderregeling inzake reddings- en herstructureringssteun

(99)

Aangezien het hoofddoel van de steun het herstel is van de levensvatbaarheid op lange termijn van een in moeilijkheden verkerende onderneming, kan staatssteun alleen worden goedgekeurd op basis van een vrijstelling krachtens artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag, die wordt verleend om de ontwikkeling van bepaalde economische sectoren te bevorderen, voor zover de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig door de steun worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang daardoor wordt geschaad.

(100)

Voor steunmaatregelen die zijn getroffen vóór 9 oktober 1999, bepaalt de kaderregeling uit 1994 de voorwaarden waaronder de steun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt beschouwd (20). De overeenkomsten betreffende de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie zijn getekend op 21 en 22 juni 1998 (21). Hoewel deze steunmaatregelen, zoals hierboven vastgesteld, nog steeds van toepassing zijn na de toetreding, en Tsjechië op basis daarvan nog steeds steun kan verlenen terwijl de aard en de hoogte ervan in wezen onbepaald zijn, zou zulks het geval zijn krachtens maatregelen die zijn getroffen toen de kaderregeling uit 1994 nog van kracht was, en is het derhalve passend om deze te bezien in het licht van de kaderregeling uit 1994. (22)

(101)

In haar besluit van 14 juli 2004 beschrijft de Commissie haar ernstige twijfels met betrekking tot de vraag of wel voldaan is aan de vereisten van de kaderregeling uit 1994. Met name de ernstige twijfels van de Commissie met betrekking tot het voldoen aan de formele criteria van de kaderregeling zijn niet weggenomen.

(102)

De Commissie kan alleen die steunmaatregelen beoordelen die van toepassing kunnen worden beschouwd te zijn na de toetreding. Om echter de verenigbaarheid van herstructureringssteun te kunnen beoordelen is het noodzakelijk te kijken naar de volledige reeks herstructureringsmaatregelen. In dit geval is besloten tot een reeks interventies door de Tsjechische autoriteiten. Al deze herstructureringsmaatregelen moeten gezamenlijk worden bezien bij het beoordelen van de verenigbaarheid van steunmaatregelen die na de toetreding nog steeds van toepassing zijn, aan de hand van de criteria in de kaderregeling uit 1994, zoals herstel van levensvatbaarheid, proportionaliteit van de steun en voorkoming van ongerechtvaardigde concurrentieverstoringen.

In aanmerking komen van de onderneming

(103)

Volgens de kaderregeling uit 1994 verkeert een onderneming in moeilijkheden als zij zich niet op eigen kracht of met middelen van de aandeelhouders of met vreemd vermogen kan herstellen.

(104)

In september 1996 had AGB een verlies van 8,487 miljard CZK en een vermogensbalans van minus 5,476 miljard CZK. Dit betekent dat AGB (inclusief de bancaire activiteiten die later werden ondergebracht in AGB1) niet in staat was zonder tussenkomst van de staat te herstellen en derhalve in moeilijkheden verkeerde in de zin van punt 2.1 van de kaderregeling uit 1994. GECB en GECIH verkeerden echter niet in financiële moeilijkheden; wat dit betreft wordt dus niet voldaan aan de vereisten van de kaderregeling uit 1994.

Reddingssteun

(105)

De kaderregeling uit 1994 omschrijft reddingssteun als maatregelen om een onderneming die wordt geconfronteerd met een aanzienlijke verslechtering van haar financiële situatie te helpen haar positie tijdelijk te handhaven. De steunmaatregelen mogen in het algemeen niet langer dan zes maanden duren. Aangezien de garanties en schadeloosstellingen en de putoptie niet tijdelijk zijn en daarmee langer duren dan zes maanden, geldt de steun niet als reddingssteun overeenkomstig punt 2.1 van de kaderregeling uit 1994.

Herstructureringssteun

Herstel van levensvatbaarheid (punt 3.2.2, onder i), van de kaderregeling uit 1994)

(106)

Volgens de kaderregeling uit 1994 moet herstructureringssteun gekoppeld zijn aan een bij de Commissie ingediend realistisch herstructurerings- of herstelprogramma.

(107)

Tsjechië en GECB betogen dat de Commissie geen compleet en alomvattend herstructureringsplan mag vereisen, omdat ten tijde van de goedkeuring van de steunmaatregelen niet kon worden voorzien dat de EU-regels inzake staatssteun toegepast zouden gaan worden. Bovendien is dit criterium ook in andere gevallen, met name in het voormalige Oost-Duitsland, niet strikt gehanteerd.

(108)

Als datum van het met de kennisgeving ingediende herstructureringsplan geldt december 2003. In 1996, toen de Tsjechische autoriteiten voor het eerst maatregelen namen met betrekking tot AGB, was er geen uitgebreid concept voor de herstructurering van AGB. De Commissie komt derhalve tot de slotsom dat niet is voldaan aan dit formele vereiste uit de kaderregeling van 1994.

(109)

Tegelijk moet worden benadrukt dat de steun in verband waarmee procedures zijn ingeleid, betrekking heeft op de verkoop van AGB1 aan GECB. In dit kader is het goed eraan te herinneren dat de Commissie traditioneel het onderbrengen van een in moeilijkheden verkerende onderneming bij een particuliere investeerder ziet als een centraal element bij het oplossen van de moeilijkheden uit het verleden en het mogelijk maken van een positieve economische ontwikkeling van die onderneming (of haar zakelijke activiteiten). Aangenomen mag worden dat de levensvatbaarheid op de lange termijn van een bedrijf waarschijnlijker wordt als het onder controle komt van een nieuwe, particuliere eigenaar met voldoende middelen om substantieel bij te dragen aan de herstructurering ervan. Daarom is duidelijk dat, hoewel er ten tijde van de verkoop in juni 1998 geen herstructureringsplan was in de strikte betekenis van het woord (en a fortiori ook niet in 1996), de voor eigen doeleinden gemaakte prognoses van GE en de in dit kader voorziene herstructureringsmaatregelen waren gericht op het verzekeren van de levensvatbaarheid van AGB op de lange termijn. GECB/GECIH, als uiteindelijk eigenaar van het bankbedrijf AGB1, was niet zelf een in moeilijkheden verkerende onderneming en GECB, immers niet de eigenaar van AGB1 op het moment dat dit in de problemen kwam, was derhalve ook niet verantwoordelijk voor het verval van AGB1; de aankoop door GECB van het bedrijf maakte herstructurering ervan mogelijk, maar dit zou niet zijn gebeurd als de eigen herstructureringsinspanningen van GECB/GECIH niet zouden zijn ondersteund door de steunmaatregelen in de schadeloosstellingsovereenkomst en de putoptie.

Het vermijden van buitensporige concurrentieverstoringen (punt 3.2.2, onder ii), van de kaderregeling uit 1994)

(110)

De kaderregeling uit 1994 stelt ook als voorwaarde dat steunmaatregelen, zo veel mogelijk, nadelige gevolgen voor de concurrentie moeten compenseren. Deze steunmaatregelen bestaan normaal gesproken uit de vermindering of de sluiting van capaciteit. De kaderregeling uit 1994 stelt echter dat wanneer op de door de ontvanger van de steun bediende markt geen sprake is van structurele overcapaciteit, de Commissie normaal gesproken geen capaciteitsvermindering zal vragen in ruil voor de steun.

(111)

Voor de Commissie is genoegzaam aangetoond dat er geen sprake was van structurele overcapaciteit op de Tsjechische bankmarkt op het moment dat de steun werd verleend. De Commissie erkent tevens dat AGB geen kasoverschot had waarmee de capaciteit verder had kunnen worden uitgebreid dan nodig was voor het herstel van de levensvatbaarheid. De Commissie merkt op dat Tsjechië ten tijde van de steunverlening volledig als steungebied zou hebben gegolden, hetgeen een minder strikte toepassing rechtvaardigt van het criterium van vermijding van buitensporige concurrentieverstoringen. Ten slotte merkt de Commissie op dat na het inleiden van de procedures geen commentaar van concurrenten is ontvangen. De Commissie concludeert derhalve dat er in het onderhavige geval geen voorwaarden en verplichtingen nodig waren om door de steun veroorzaakte concurrentieverstoringen tegen te gaan.

Steun in verhouding tot de kosten en baten van de herstructurering (punt 3.2.2, onder iii), van de kaderregeling uit 1994)

(112)

Het bedrag en de intensiteit van de steun moeten tot het voor de herstructurering van de onderneming noodzakelijke minimum worden beperkt. Derhalve wordt van de begunstigden van de steun verwacht dat zij met eigen middelen of via externe commerciële financiering een belangrijke bijdrage leveren aan het herstructureringsplan.

(113)

Tsjechië heeft aangevoerd dat GECB verscheidene investeringen heeft gedaan en operationele herstructureringsstappen heeft gezet. Zo heeft GECB 206 miljoen CZK betaald aan, hoofdzakelijk, afvloeiingskosten. Daarnaast heeft GECB tussen 1998 en 2002 direct geïnvesteerd voor een totaalbedrag van 2,040 miljard CZK. Deze investeringen hadden betrekking op de upgrading van de informatie- en banksystemen van GECB en de bijbehorende hardwarekosten, alsmede met de ontwikkeling van een geldautomaat- en kantorennet. GECB heeft bovendien geïnvesteerd in de optimalisatie van het kantorennet, personeelstraining, managementondersteuning en overdracht van knowhow.

(114)

Op basis van de door GECB verstrekte informatie erkent de Commissie dat deze kosten verband houden het de herstructurering van AGB1.

(115)

Het is uitermate moeilijk het bruto subsidie-equivalent te bepalen van de steunmaatregelen in de akte van garantiestelling en de schadeloosstellingsovereenkomst, evenals in de putoptie (vooral wanneer rekening moet worden gehouden met de gebeurtenissen waarna de putoptie uitgeoefend kan worden). De kans dat er nog vorderingen zullen worden ingediend lijkt in bepaalde gevallen uiterst klein of zelfs nul (bijvoorbeeld in verband met milieuzaken), maar hoger in andere (zie bijvoorbeeld clausule nr. 9 in tabel 1).

(116)

Bedacht moet worden dat AGB1 is verkocht via een open, transparante en onvoorwaardelijke aanbestedingsprocedure, hetgeen in dit geval geen steun uitsluit maar er normaal gesproken voor zorgt dat de verleende steun de minimaal benodigde is om de verkoop mogelijk te maken, alsmede de voortzetting van het bedrijf daarna. Het is in ieder geval zo dat GECIH de enige gegadigde voor de overname van AGB1 was. Verkoop aan GECB/GECIH, onder toepassing van de betreffende steunmaatregelen, leek de meest verstandige aanpak voor de herstructurering van AGB1.

(117)

De Commissie erkent tevens dat de hoge door GECB gerealiseerde solvabiliteitsratio niet is veroorzaakt door de garanties en schadeloosstellingen of de putoptie, aangezien deze steunmaatregelen geen gevolgen hebben voor de vermogenspositie van de bank.

Conclusie met betrekking tot de kaderregeling uit 1994

(118)

De Commissie concludeert tot zover dat, hoewel niet voldaan is aan de criteria van de kaderregeling uit 1994, wel is gehandeld naar de geest van die regeling: de verkoop aan een particuliere nieuwe eigenaar was duidelijk gericht op herstel van de levensvatbaarheid op de lange termijn van de bank; het was niet nodig specifieke voorwaarden en verplichtingen op te leggen; de ten tijde van de verkoop toegekende steun was inderdaad hetgeen minimaal nodig was om de herstructurering te bewerkstelligen, gegeven het feit dat dit gebeurde via een open, transparante en onvoorwaardelijke aanbestedingsprocedure.

(119)

Toch wordt met name niet voldaan aan enkele formele criteria van de kaderregeling uit 1994, die ook terugkomen in de richtsnoeren uit 1999. Het is daarom gerechtvaardigd de steun op verenigbaarheid te beoordelen in het licht van andere bepalingen van het communautair recht.

7.   ARTIKEL 87, LID 3, ONDER C), VAN HET EG-VERDRAG EN ARTIKEL 46, LID 2, VAN DE EUROPAOVEREENKOMST

(120)

Artikel 46, lid 2, van de Europaovereenkomst die van kracht was toen de steun werd verleend, luidt als volgt:

„Met betrekking tot de in bijlage XVIa omschreven financiële diensten doet deze Overeenkomst geen afbreuk aan het recht van partijen om de maatregelen te treffen die nodig zijn voor het door een partij gevoerde monetaire beleid of die op beleidsgronden nodig zijn ter bescherming van investeerders, deposanten, verzekeringnemers of diegenen jegens wie een fiduciaire verplichting is aangegaan of ter verzekering van de integriteit en stabiliteit van het financiële systeem. Deze maatregelen mogen de vennootschappen en onderdanen van de andere partij niet discrimineren op grond van nationaliteit ten opzichte van de eigen vennootschappen en onderdanen.”.

(121)

Deze bepaling vormt op zichzelf nog geen rechtsgrondslag om door Tsjechië in de betreffende context getroffen maatregelen in de vorm van staatssteun als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te beschouwen. Zij vormt echter wel een kader dat, tezamen met alle andere juridische en feitelijke aspecten van deze zaak, relevant is voor de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt.

(122)

Daarbij moet benadrukt worden dat het onderhavige geval niet op zichzelf bekeken moet worden. Op het moment dat de steun werd verleend, verkeerde de gehele Tsjechische banksector in zware moeilijkheden en de meeste banken stonden op de rand van faillissement. Dit geval is in feite slechts een van zestien gevallen, allemaal gemeld in het kader van het interimmechanisme (23), waarbij de Tsjechische staat moest interveniëren om de complete ineenstorting van de banksector in Tsjechië te voorkomen. Alle grote Tsjechische banken zijn hierbij betrokken.

(123)

Tegen deze achtergrond bezien is duidelijk dat de betreffende maatregelen gericht waren op de integriteit en stabiliteit van het financiële systeem van Tsjechië. Zij waren ook nodig voor de stabiliteit van het financiële systeem van Tsjechië omdat bij hun afwezigheid de banken verdwenen zouden zijn. Ze zijn dan ook door de CBT genomen in zijn hoedanigheid van toezichthoudende autoriteit van de financiële sector. Ze zijn van toepassing op de meeste van de financiële diensten die worden genoemd in bijlage XVIa van de Europaovereenkomst. Ze hebben niet geleid tot discriminatie op grond van nationaliteit.

8.   CONCLUSIE

(124)

Uit het bovenstaande volgt dat de in de loop van de verkoop van AGB1 verleende steun onderdeel is van de algemenere, systematisch door Tsjechië getroffen steunmaatregelen om het ineenstorten van de banksector te voorkomen. Hiermee hebben de Tsjechische autoriteiten, hoewel ze niet voldaan hebben aan alle criteria van de kaderregeling uit 1994, volledig gehandeld in de geest van en volgens de achterliggende beginselen van deze regeling. Rekening houdend met de extreme omstandigheden waar Tsjechië in de betreffende periode in verkeerde en met artikel 46, lid 2, van de Europaovereenkomst, is de Commissie tot de slotsom gekomen dat de steun in overeenstemming met artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag kan worden beschouwd als steun ter bevordering van de ontwikkeling van bepaalde economische activiteiten.

(125)

Op basis van het voorgaande concludeert de Commissie dat de schadeloosstellingen voor de in tabellen 1 tot en met 4 in overweging 26 genoemde vorderingen alsmede de putoptie, staatssteun zijn die van toepassing is na de toetreding en verenigbaar met de gemeenschappelijke markt,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De staatssteun vanaf 1 mei 2004 voor GE Capital Bank a.s. en GE Capital International Holdings Corporation, USA in de vorm van schadeloosstellingen voor de vorderingen als opgenomen in de tabellen 1, 2, 3 en 4, die zijn gebaseerd op de op 22 juni 1998 gesloten schadeloosstellingsovereenkomst tussen Česká národní banka en GE Capital International Holdings Corporation, USA, als gewijzigd bij amendement nr. 1 bij de schadeloosstellingsovereenkomst op 25 april 2004, en in de vorm van de putoptie op basis van de putoptieovereenkomst die op 22 juni 1998 is ondertekend door Česká národní banka en GE Capital International Holdings Corporation, USA, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot de Tsjechische Republiek.

Gedaan te Brussel, 18 juli 2007.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Lid van de Commissie


(1)  Op 17 januari 2005 is de naam van deze bank gewijzigd in GE Money Bank, a.s.

(2)   PB L 236 van 23.9.2003, blz. 23. De Tsjechische versie is in een bijzondere uitgave van het Publicatieblad van de Europese Unie van 23 september 2003 bekendgemaakt.

(3)   PB C 292 van 30.11.2004, blz. 3. Rectificatie gepubliceerd in PB C 10 van 14.1.2005, blz. 9.

(4)   PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(5)  De depositogarantie is een steunmaatregel die door Tsjechië is aangemeld op grond van de overgangsprocedure. In het besluit van 14 juli 2004, waarnaar in overweging 3 wordt verwezen, is geconcludeerd dat deze maatregel niet van toepassing is na de toetreding, aangezien er slechts één duidelijk gedefinieerde claim resteert waarvoor aanspraak op die depositogarantie zou kunnen worden gemaakt. De Commissie was daarom van mening dat de eventuele exposure van Tsjechië voorafgaand aan de toetreding duidelijk was afgebakend.

(6)  In de balans van AGB1 per 21 juni 1998 is een totaal eigen vermogen van –17 100 miljoen CZK opgenomen. GECB is opgericht met een aandelenkapitaal van 500 miljoen CZK.

(7)  Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, zijn alle verwijzingen naar de schadeloosstellingsovereenkomst, verwijzingen naar de schadeloosstellingsovereenkomst zoals gewijzigd bij amendement nr. 1 bij de schadeloosstellingsovereenkomst van 25 april 2004.

(8)  Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, zijn alle verwijzingen naar artikelen verwijzingen naar artikelen in de akte van garantiestelling.

(9)  Artikel 8, lid 3, bevat de garantieverklaring van de CBT dat zij volledig bevoegd is om de koopovereenkomst aan te gaan en uit te voeren en dat de ondertekening en uitvoering van de koopovereenkomst niet tot een schending van het geldende recht zal leiden. Artikel 4, lid 1, bevat een corresponderende verplichting tot schadeloosstelling.

(10)   PB C 368 van 23.12.1994, blz. 12.

(11)   PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2

(12)  De criteria zijn opgenomen in een brief aan Tsjechië dd. 19 maart 2004, welke bedoeld is om een nadere toelichting te geven op het concept „toepasselijkheid na” met betrekking tot schadeloosstellingen en vergelijkbare maatregelen.

(13)   PB C 72 van 23.3.2004, blz. 9. Rectificatie gepubliceerd in PB C 104 van 30.4.2004, blz. 70.

(14)   PB C 195 van 31.7.2004, blz. 2.

(15)   PB C 137 van 4.6.2005, blz. 4.

(16)  Zie voor garanties punt 2.1.2. van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 71 van 11.3.2000, blz. 14).

(17)  Arrest van 28 januari 2003, zaak C-334/99 Duitsland/Commissie, Jurispr. 2003, blz. I-1139, punt 142.

(18)  Zie voor de gevolgen van staatssteun voor de handel in de banksector ook het arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2005 in zaak C-148/04 Unicredito Italiano SpA, Jurispr. 2005, blz. I-11137, punten 53 tot en met 64.

(19)  Zie ook de redenering in de beschikking van de Commissie van 20 mei 1998 betreffende de door Frankrijk aan de groep Crédit Lyonnais verleende steun (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 28).

(20)  Overeenkomstig punt 101, onder b), van de richtsnoeren uit 1999.

(21)  Ook alle andere aan de Commissie gemelde interventies zijn voor 9 oktober 1999 aangenomen. Amendement nr. 1 bij de schadeloosstellingsovereenkomst houdt slechts een wijziging (en beperking) in van de eerder toegekende steunmaatregelen.

(22)  Hoe het ook zij, opgemerkt dient te worden dat de richtsnoeren uit 1999 op dezelfde beginselen zijn gebaseerd als de kaderregeling uit 1994.

(23)  CZ 15/2003 — Komerční banka, a.s., besluit van 16.12.2003 (PB C 72 van 23.3.2004, blz. 9, rectificatie gepubliceerd in PB C 104 van 30.4.2004, blz. 70).

CZ 14/2003 — Česká spořitelna, a.s., besluit van 28.1.2004 (PB C 195 van 31.7.2004, blz. 2).

CZ 47/2003 — eBanka, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 115 van 30.4.2004, blz. 39).

CZ 48/2003 — J&T BANKA, a.s. (tot 24 juni 1998 Podnikatelská banka, a.s.), besluit van 3.3.2004 (PB C 115 van 30.4.2004, blz. 39).

CZ 50/2003 — Ekoagrobanka, a.s. en Union banka, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 115 van 30.4.2004, blz. 40).

CZ 51/2003 — Pragobanka, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 137 van 4.6.2005, blz. 4).

CZ 52/2003 — Universal banka, besluit van 3.3.2004 (PB C 115 van 30.4.2004, blz. 40).

CZ 53/2003 — Banka Haná, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 242 van 7.10.2006, blz. 17).

CZ 54/2003 — Foresbank, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 242 van 7.10.2006, blz. 17).

CZ 55/2003 — Moravia banka, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 86 van 8.4.2005, blz. 10).

CZ 56/2003 — COOP Banka, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 137 van 4.6.2005, blz. 4).

CZ 57/2003 — Bankovní dům Skala, a.s./Union Banka, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 100 van 24.4.2004, blz. 23).

CZ 58/2003 — Evrobanka, a.s., besluit van 3.3.2004 (PB C 115 van 30.4.2004, blz. 40).

CZ 80/2004 — První městská banka, a.s., besluit van 19.5.2004 (PB C 137 van 4.6.2005, blz. 4).

CZ 46/2003 — Investiční a poštovní banka, a.s./Československá obchodní banka, a.s. (IPB/ČSOB), besluit van 14.7.2004 (PB C 137 van 4.6.2005, blz. 4).