|
5.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 337/17 |
VERORDENING (EG) Nr. 1787/2006 VAN DE COMMISSIE
van 4 december 2006
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 809/2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van reclame betreft
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (1), en met name op artikel 7, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (2) bepaalt dat ondernemingen die onder het recht van een lidstaat vallen en waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat zijn toegelaten, voor elk boekjaar, beginnend op of na 1 januari 2005, hun geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen overeenkomstig goedgekeurde internationale standaarden voor jaarrekeningen, die thans gewoonlijk International Financial Reporting Standards („IFRS”) worden genoemd. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van reclame betreft (3) schrijft voor dat de historische financiële informatie die door uitgevende instellingen uit derde landen in prospectussen voor de aanbieding van effecten aan het publiek of voor de toelating van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt wordt verstrekt, moet zijn opgesteld conform op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 goedgekeurde IFRS, dan wel overeenkomstig nationale standaarden voor jaarrekeningen van een derde land welke gelijkwaardig zijn aan eerstgenoemde standaarden. Indien de historische financiële informatie niet in overeenstemming met dergelijke standaarden is opgesteld, moet deze in de vorm van aangepaste financiële overzichten in het prospectus worden gepresenteerd. |
|
(3) |
Artikel 35 van Verordening (EG) nr. 809/2004 bevat evenwel overgangsbepalingen op grond waarvan uitgevende instellingen uit derde landen in een beperkt aantal gevallen worden vrijgesteld van de verplichting tot aanpassing van historische financiële informatie die niet is opgesteld conform de IFRS of overeenkomstig standaarden voor jaarrekeningen van een derde land welke gelijkwaardig zijn aan de IFRS. Krachtens deze overgangsbepalingen is de verplichting tot aanpassing van historische financiële informatie niet van toepassing op alle prospectussen die vóór 1 januari 2007 gedeponeerd zijn door een uitgevende instelling uit een derde land die bij de opstelling van haar historische financiële informatie gebruik heeft gemaakt van internationaal aanvaarde standaarden of van de nationale standaarden voor jaarrekeningen van een derde land, en waarvan vóór die datum effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten. In laatstgenoemd geval moet de historische financiële informatie, indien deze geen getrouw beeld geeft van het vermogen, de financiële positie en de resultaten van de uitgevende instelling, ook vergezeld gaan van de gedetailleerdere of aanvullende informatie die noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat wel een getrouw beeld wordt gegeven. |
|
(4) |
Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 809/2004 in de huidige formulering zullen deze overgangsbepalingen niet meer gelden voor na 1 januari 2007 gedeponeerde prospectussen, hetgeen inhoudt dat niet conform de IFRS of gelijkwaardige standaarden van derde landen gepresenteerde historische financiële informatie zal moeten worden aangepast. |
|
(5) |
Sinds de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1606/2002 hebben tal van landen de IFRS rechtstreeks in hun nationale standaarden voor jaarrekeningen overgenomen. Dit toont duidelijk aan dat de verwezenlijking van een van de doelstellingen van deze verordening — namelijk het aanmoedigen van een voortgaande onderlinge afstemming van standaarden voor jaarrekeningen zodat de IFRS internationaal worden aanvaard en tot waarlijk wereldwijde standaarden uitgroeien — zich aan het voltrekken is. Het is derhalve aangewezen dat aan uitgevende instellingen uit derde landen ontheffing wordt verleend van de verplichting om conform nationale standaarden voor jaarrekeningen opgestelde historische financiële informatie aan te passen, dan wel om een beschrijving van de verschillen te geven zoals bedoeld in artikel 1, punt 2, lid 5 bis, van deze verordening, mits deze informatie overeenkomstig IAS 1 „Presentatie van de jaarrekening” een expliciete en onvoorwaardelijke verklaring bevat dat zij in overeenstemming met de IFRS is opgesteld. |
|
(6) |
In zijn in juni 2005 uitgebracht advies was het bij Besluit 2001/527/EG van de Commissie (4) ingestelde Comité van Europese effectenregelgevers („CEER”) van oordeel dat de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen (Generally Accepted Accounting Principles — „GAAP”) van Canada, Japan en de Verenigde Staten elk in hun geheel genomen gelijkwaardig zijn aan de op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 goedgekeurde IFRS, onder voorbehoud van corrigerende maatregelen, zoals het verstrekken van aanvullende informatie en, in sommige gevallen, aanvullende financiële overzichten. |
|
(7) |
In januari 2005 hebben de Accounting Standards Board of Japan („ASBJ”) en de International Accounting Standards Board („IASB”) bekendgemaakt dat zij overeengekomen waren een gezamenlijk project op te zetten om de verschillen tussen de IFRS en de Japanse GAAP te verminderen en in maart 2005 hebben zij een aanvang gemaakt met een gezamenlijk werkprogramma met het oog op de afstemming van de Japanse GAAP op de IFRS. In januari 2006 heeft de Accounting Standards Board of Canada publiekelijk bekendgemaakt dat het zijn bedoeling is voor vennootschappen op één enkel samenstel van mondiaal aanvaarde hoogwaardige standaarden over te stappen, waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat dit doel het best kan worden bereikt door de Canadese standaarden voor jaarrekeningen binnen de vijf jaar op de IFRS af te stemmen. In februari 2006 hebben de IASB en de US Financial Accounting Standards Board een memorandum van overeenstemming gepubliceerd met een werkprogramma om tot een onderlinge afstemming tussen de IFRS en de US GAAP te komen; met dit werkprogramma wordt beoogd om uiterlijk in 2009 een van de voorwaarden van de US Securities and Exchange Commission (SEC) te vervullen waaraan moet worden voldaan voordat de SEC het aanpassingsvereiste afschaft voor bij de SEC geregistreerde buitenlandse uitgevende instellingen die van de IFRS gebruikmaken. |
|
(8) |
Het is evenwel van belang dat de kwaliteit van de financiële verslaggeving overeenkomstig de op beginselen gebaseerde IFRS bewaard blijft, dat de IFRS consequent worden toegepast, dat adequate rechtszekerheid wordt geboden aan ondernemingen en beleggers en dat EU-ondernemingen overal ter wereld op een gelijke behandeling van hun financiële overzichten kunnen rekenen. In de toekomst dient de toetsing van de gelijkwaardigheid te geschieden op basis van zowel een gedetailleerde technische en objectieve analyse van de verschillen tussen de IFRS en de standaarden voor jaarrekeningen van derde landen als de concrete toepassing van deze standaarden in vergelijking met de IFRS. De voortgang van het afstemmingsproces dient nauwlettend te worden gevolgd voordat een beslissing over de gelijkwaardigheid van de standaarden wordt getroffen. |
|
(9) |
In het licht van de inspanningen die de opstellers van standaarden voor jaarrekeningen van Canada, Japan en de Verenigde Staten zich hebben getroost om hun standaarden op de IFRS af te stemmen, is het aangewezen om de geldigheidsduur van de in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 809/2004 vervatte overgangsbepalingen op grond waarvan uitgevende instellingen uit derde landen zijn vrijgesteld van de verplichting om conform de standaarden voor jaarrekeningen van Canada, Japan of de Verenigde Staten opgestelde historische financiële informatie aan te passen, dan wel een beschrijving van de verschillen te geven (naar gelang van het geval), te verlengen met een periode van maximaal twee jaar, tijdens welke opstellers van standaarden en regelgevers actief met elkaar van gedachten wisselen, het afstemmingsproces voortduurt en het voortgangsverslag wordt voltooid. |
|
(10) |
Hoewel tal van landen de IFRS rechtstreeks in hun nationale GAAP hebben overgenomen, zijn er andere landen die hun nationale GAAP over een bepaalde periode op de IFRS afstemmen. In het licht hiervan is het aangewezen om gedurende een overgangsperiode van ten hoogste twee jaar ook uitgevende instellingen uit dergelijke derde landen vrij te stellen van de verplichting om historische financiële informatie aan te passen, dan wel een beschrijving van de verschillen te geven (naar gelang van het geval), mits de verantwoordelijke nationale autoriteit een publieke toezegging in deze zin heeft gedaan en een werkprogramma heeft opgesteld. Teneinde ervoor te zorgen dat deze vrijstelling alleen geldt in gevallen waarin aan bovenvermelde voorwaarden is voldaan, dienen uitgevende instellingen uit derde landen verplicht te zijn ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan te tonen dat hun nationale autoriteit een publieke toezegging heeft gedaan en een werkprogramma heeft opgesteld. Teneinde de consistentie binnen de Gemeenschap te waarborgen, dient het CEER de toetsing door de bevoegde autoriteiten of met betrekking tot de GAAP van afzonderlijke derde landen aan deze voorwaarden is voldaan, te coördineren. |
|
(11) |
Gedurende deze periode van twee jaar dient de Commissie niet alleen met de autoriteiten van de betrokken derde landen actief van gedachten te wisselen, maar ook nauwlettend de vooruitgang te volgen die wordt geboekt bij de onderlinge afstemming tussen de IFRS en de GAAP van Canada, Japan, de Verenigde Staten en andere derde landen die een afstemmingsprogramma hebben opgesteld, teneinde erop toe te zien dat zij in staat is ten minste zes maanden vóór 1 januari 2009 over de gelijkwaardigheid te beslissen. Voorts dient de Commissie actief te controleren in hoeverre de autoriteiten uit de betrokken derde landen vorderingen maken bij hun werkzaamheden om ervoor te zorgen dat uitgevende instellingen uit de Gemeenschap die zich op de financiële markten van een dergelijk derde land begeven, hun overeenkomstig de IFRS opgestelde financiële overzichten niet meer hoeven aan te passen. Aan het eind van de extra overgangsperiode zal de Commissie moeten beslissen dat uitgevende instellingen uit de Gemeenschap en uit niet-EU-landen op gelijke voet dienen te staan. |
|
(12) |
De Commissie dient het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement regelmatig op de hoogte te houden van de vorderingen die bij de afschaffing van de aanpassingsverplichtingen en bij het afstemmingsproces zijn gemaakt. De Commissie dient het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement dan ook vóór 1 april 2007 in kennis te stellen van het tijdschema dat de nationale autoriteiten voor de financiële verslaggeving van Canada, Japan en de Verenigde Staten voor de onderlinge afstemming hebben opgesteld. Voorts dient de Commissie vóór 1 april 2008 en na raadpleging van het CEER aan het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement verslag uit te brengen over de toetsing van de GAAP van derde landen waarvan gebruik wordt gemaakt door uitgevende instellingen die niet verplicht zijn historische financiële informatie aan te passen die is opgenomen in een prospectus dat op of na 1 januari 2009 bij een bevoegde autoriteit is gedeponeerd, dan wel daarin een beschrijving van de verschillen te geven (naar gelang van het geval). Ten slotte dient de Commissie vóór 1 januari 2008 na passend overleg met het CEER te zorgen voor een definitie van gelijkwaardigheid aan de hand waarvan op basis van een daartoe opgezet mechanisme wordt uitgemaakt of de GAAP van derde landen gelijkwaardig zijn aan de IFRS. |
|
(13) |
Het verdient derhalve aanbeveling artikel 35 van Verordening (EG) nr. 809/2004 zodanig te wijzigen dat uitgevende instellingen uit derde landen in de bovenbeschreven gevallen gedurende een maximumtermijn van twee jaar niet verplicht zijn historische financiële informatie aan te passen, dan wel een beschrijving van de verschillen te geven (naar gelang van het geval), zodat verder overleg kan plaatsvinden. In alle andere gevallen dienen uitgevende instellingen uit derde landen verplicht te zijn hun historische financiële informatie die is opgenomen in een prospectus dat op of na 1 januari 2007 is gedeponeerd, aan de goedgekeurde IFRS aan te passen, dan wel daarin een beschrijving van de verschillen te geven (naar gelang van het geval). |
|
(14) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 35 van Verordening (EG) nr. 809/2004 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Lid 5 komt als volgt te luiden: „5. Onverminderd lid 5 bis presenteren uitgevende instellingen uit derde landen zoals bedoeld in de leden 3 en 4, hun historische financiële informatie overeenkomstig de ingevolge Verordening (EG) nr. 1606/2002 goedgekeurde internationale standaarden voor jaarrekeningen, dan wel overeenkomstig nationale standaarden voor jaarrekeningen van een derde land welke gelijkwaardig zijn aan eerstgenoemde standaarden. Indien deze historische financiële informatie niet met dergelijke standaarden in overeenstemming is, moet zij worden gepresenteerd in de vorm van aangepaste financiële overzichten.”. |
|
2) |
De volgende leden 5 bis, 5 ter, 5 quater, 5 quinquies en 5 sexies worden ingevoegd: „5 bis. Uitgevende instellingen uit derde landen zijn niet onderworpen aan een vereiste uit hoofde van bijlage I, rubriek 20.1, bijlage IV, rubriek 13.1, bijlage VII, rubriek 8.2, bijlage X, rubriek 20.1, of bijlage XI, rubriek 11.1, om historische financiële informatie aan te passen dan wel aan een vereiste uit hoofde van bijlage VII, rubriek 8.2 bis, bijlage IX, rubriek 11.1, of bijlage X, rubriek 20.1 bis, om een beschrijving te geven van de verschillen tussen de ingevolge Verordening (EG) nr. 1606/2002 goedgekeurde internationale standaarden voor jaarrekeningen en de boekhoudkundige beginselen overeenkomstig welke dergelijke informatie is opgesteld, in een prospectus dat vóór 1 januari 2009 bij een bevoegde autoriteit is gedeponeerd, wanneer aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
5 ter. Uiterlijk op 1 april 2007 brengt de Commissie aan het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement een eerste verslag uit met het tijdschema van de werkzaamheden die de autoriteiten die in de Verenigde Staten, Japan en Canada voor de nationale standaarden voor jaarrekeningen verantwoordelijk zijn, voornemens zijn te verrichten om de onderlinge afstemming tussen de IFRS en de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen van hun land te bewerkstelligen. De Commissie ziet nauwlettend toe op en stelt het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement regelmatig in kennis van de vorderingen die zijn gemaakt bij de onderlinge afstemming tussen de International Financial Reporting Standards en de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen van Canada, Japan en de Verenigde Staten van Amerika en bij de afschaffing van de aanpassingsvereisten die in deze landen voor uitgevende instellingen uit de Gemeenschap gelden. Zij stelt het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement er met name onmiddellijk van in kennis indien bij dit proces geen bevredigende vooruitgang wordt geboekt. 5 quater. Tevens stelt de Commissie het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement regelmatig in kennis van het verloop van de gedachtewisselingen tussen de regelgevers, alsook van de vorderingen die zijn gemaakt bij de onderlinge afstemming tussen de International Financial Reporting Standards en de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen van de in lid 5 bis, onder c), bedoelde derde landen en bij de afschaffing van eventuele aanpassingsvereisten. Zij stelt het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement er met name onmiddellijk van in kennis indien bij dit proces geen bevredigende vooruitgang wordt geboekt. 5 quinquies. De Commissie voldoet aan de in de leden 5 ter en 5 quater neergelegde verplichtingen, opent en onderhoudt een periodieke dialoog met de autoriteiten van derde landen en brengt uiterlijk op 1 april 2008 aan het Europees Comité voor het effectenbedrijf en het Europees Parlement verslag uit over de vorderingen die zijn gemaakt bij de onderlinge afstemming en bij de afschaffing van eventuele aanpassingsvereisten die krachtens de regelgeving van een onder lid 5 bis, onder b) of c), vallend derde land gelden voor uitgevende instellingen uit de Gemeenschap. De Commissie kan vragen of verlangen dat een andere persoon het verslag opstelt. 5 sexies. Ten minste zes maanden vóór 1 januari 2009 neemt de Commissie een beslissing over de gelijkwaardigheid van de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen van derde landen aan de hand van een definitie van gelijkwaardigheid en een mechanisme die zij daartoe vóór 1 januari 2008 overeenkomstig de procedure zoals bedoeld in artikel 24 van Richtlijn 2003/71/EG heeft vastgesteld. Wanneer de Commissie aan dit lid uitvoering geeft, pleegt zij eerst overleg met het Comité van Europese effectenregelgevers over de adequaatheid van de definitie van gelijkwaardigheid, het mechanisme en de beslissing over de gelijkwaardigheid.”. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 december 2006.
Voor de Commissie
Charlie McCREEVY
Lid van de Commissie
(1) PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64.
(2) PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.
(3) PB L 149 van 30.4.2004, blz. 1, gerectificeerd in PB L 215 van 16.6.2004, blz. 3.