31.5.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 144/7


VERORDENING (EG) Nr. 800/2006 VAN DE COMMISSIE

van 30 mei 2006

betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van jonge mannelijke mestrunderen (1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (1), en met name op artikel 32, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens WTO-lijst CXL moet de Gemeenschap jaarlijks een tariefcontingent openen voor de invoer van 169 000 jonge mannelijke mestrunderen. Als gevolg van de onderhandelingen die hebben geleid tot de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 (2), welke overeenkomst is goedgekeurd bij Besluit 2006/333/EG van de Raad (3), heeft de Gemeenschap zich er evenwel toe verbonden een aanpassing van dat invoertariefcontingent op te nemen in haar lijst voor alle lidstaten.

(2)

Het is dienstig in de uitvoeringsbepalingen voor het beheer van dit tariefcontingent te bepalen dat de voor de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 beschikbare hoeveelheid overeenkomstig artikel 32, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 op passende wijze over die periode wordt gespreid.

(3)

In het vooruitzicht van de komende inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie en onverminderd artikel 39 van dat Verdrag dient, om de marktdeelnemers in die landen in staat te stellen vanaf de datum van toetreding van hun land van dit contingent te profiteren, de contingentsperiode in twee deelperioden te worden verdeeld, waarbij de in het kader van dit contingent beschikbare hoeveelheid over die deelperioden dient te worden gespreid met inachtneming van de traditionele handelspatronen tussen de Gemeenschap en de landen die in het kader van dit contingent mestrunderen leveren.

(4)

Om enerzijds voor een meer gelijke toegang tot het contingent en anderzijds voor een commercieel rendabel aantal dieren per aanvraag te zorgen, dient te worden bepaald dat in elke aanvraag voor invoercertificaten een minimum- en een maximumaantal dieren in acht moeten worden genomen.

(5)

Ter voorkoming van speculatie moeten de binnen het contingent beschikbare hoeveelheden toegankelijk worden gemaakt voor die marktdeelnemers die kunnen aantonen dat zij werkelijk op enige schaal invoer uit derde landen verrichten. Daarom en met het oog op een doelmatig beheer dient, in aanmerking genomen dat een partij van 50 dieren als een commercieel rendabele partij mag worden beschouwd, van de betrokken handelaren te worden verlangd dat zij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 30 april 2006 ten minste 50 dieren hebben ingevoerd.

(6)

Om controle op de naleving van dit criterium mogelijk te maken dient te worden bepaald dat de aanvragen moeten worden ingediend in de lidstaat waar de importeur is ingeschreven in een BTW-register.

(7)

Ter voorkoming van speculatie moet worden bepaald dat geen toegang tot het contingent wordt verleend aan importeurs die op 1 januari 2006 geen handel in levende runderen meer dreven, en dat de certificaten niet overdraagbaar zijn.

(8)

Het dient mogelijk te worden gemaakt de hoeveelheden waarvoor certificaataanvragen kunnen worden ingediend, pas na bedenktijd en zo nodig na toepassing van een uniforme toewijzingscoëfficiënt toe te wijzen.

(9)

De regeling moet worden beheerd met behulp van invoercertificaten. Daartoe dienen voorschriften betreffende de indiening van de aanvragen en de in de aanvragen en de certificaten op te nemen gegevens te worden vastgesteld, welke voorschriften zo nodig een aanvulling vormen op of afwijken van sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 1445/95 van de Commissie van 26 juni 1995 houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoer- en uitvoercertificatenregeling in de sector rundvlees en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/80 (4) en Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (5).

(10)

Blijkens de ervaring is het voor een goed beheer van het contingent ook nodig dat de titularis van het certificaat een echte importeur is. Daarom moet worden verlangd dat de importeur actief deelneemt aan de aankoop, het vervoer en de invoer van de betrokken dieren. Derhalve dient ten aanzien van de certificaatzekerheid het leveren van het bewijs van die activiteiten eveneens een primaire eis te zijn in de zin van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie van 22 juli 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten (6).

(11)

Met het oog op een strikte statistische controle op de in het kader van het contingent ingevoerde dieren dient te worden bepaald dat de tolerantie waarin artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 voorziet, niet geldt.

(12)

Voor de toepassing van dit tariefcontingent zijn doeltreffende controles met betrekking tot de specifieke bestemming van de ingevoerde dieren nodig. Daarom moeten de dieren worden gemest in de lidstaat die het invoercertificaat heeft afgegeven.

(13)

Een zekerheid dient te worden gesteld om te garanderen dat de dieren gedurende ten minste 120 dagen in de opgegeven productie-eenheden worden gemest. Het bedrag van de zekerheid moet op de datum waarop de betrokken dieren in het vrije verkeer worden gebracht, het verschil dekken tussen het recht van het gemeenschappelijk douanetarief en het toe te passen verlaagde recht.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2007 wordt een tariefcontingent geopend voor de invoer van 24 070 jonge mannelijke runderen van GN-code 0102 90 05 , 0102 90 29 of 0102 90 49 , bestemd om in de Gemeenschap te worden gemest.

Dit tariefcontingent heeft het volgnummer 09.4005.

2.   Het invoerrecht dat geldt in het kader van het in lid 1 vermelde tariefcontingent, bedraagt 16 % ad valorem, vermeerderd met 582 EUR per ton nettogewicht.

Het in de eerste alinea vermelde recht geldt op voorwaarde dat de ingevoerde dieren gedurende ten minste 120 dagen worden gemest in de lidstaat die het invoercertificaat heeft afgegeven.

3.   De in lid 1 vermelde hoeveelheid wordt als volgt gespreid:

a)

12 035 levende runderen voor de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006;

b)

12 035 levende runderen voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2007.

4.   Indien gedurende de in lid 3, onder a), vermelde periode de ingediende certificaataanvragen betrekking hebben op een kleinere hoeveelheid dan die welke voor die periode beschikbaar is, wordt de resterende hoeveelheid voor die periode opgeteld bij de hoeveelheid die beschikbaar is voor de in lid 3, onder b), vermelde periode.

Artikel 2

1.   Om voor het in artikel 1 vermelde contingent in aanmerking te komen moeten de aanvragers een natuurlijke of rechtspersoon zijn en moeten zij bij de indiening van hun aanvragen voor invoercertificaten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat aantonen dat zij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 30 april 2006 ten minste 50 dieren van GN-code 0102 90 hebben ingevoerd.

Onder voorbehoud van de inwerkingtreding van het Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië op 1 januari 2007 kunnen de marktdeelnemers in die landen invoercertificaten aanvragen ten aanzien van de hoeveelheid die beschikbaar is voor de bij artikel 1, lid 3, onder b), vastgestelde tweede deelperiode, op voorwaarde dat zij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 30 april 2006 ten minste 50 dieren van GN-code 0102 90 hebben ingevoerd.

De aanvragers moeten zijn ingeschreven in een nationaal BTW-register.

2.   Het bewijs van de invoer wordt uitsluitend geleverd door middel van het door de douaneautoriteiten naar behoren geviseerde douanedocument voor het vrije verkeer waarin de betrokken aanvrager wordt genoemd als de geadresseerde.

De lidstaten kunnen door de bevoegde autoriteit naar behoren voor eensluidend gewaarmerkte kopieën van het in de eerste alinea bedoelde document aanvaarden. Wanneer dergelijke kopieën zijn aanvaard, dient dit voor elke betrokken aanvrager te worden aangegeven in de in artikel 3, lid 5, bedoelde mededeling van de lidstaten.

3.   Marktdeelnemers die op 1 januari 2006 niet langer handel met derde landen in de sector rundvlees dreven, kunnen geen aanvragen indienen.

4.   Een onderneming die is ontstaan door de fusie van ondernemingen die elk beschikken over referentie-importen die voldoen aan de in lid 1 gestelde eis ten aanzien van de minimumomvang ervan, kan die referentie-importen als basis voor haar aanvraag gebruiken.

Artikel 3

1.   Aanvragen voor invoercertificaten kunnen slechts worden ingediend in de lidstaat waar de aanvrager is geregistreerd voor BTW-doeleinden.

2.   De aanvragen voor invoercertificaten voor elk van de bij artikel 1, lid 3, vastgestelde deelperioden:

a)

moeten ten minste 50 dieren betreffen,

b)

mogen niet meer dan 5 % van de beschikbare hoeveelheid betreffen.

In het geval van aanvragen voor meer dan de in de eerste alinea, onder b), bedoelde hoeveelheid wordt het gedeelte boven die hoeveelheid niet in aanmerking genomen.

3.   De aanvragen voor invoercertificaten voor de bij artikel 1, lid 3, onder a), vastgestelde deelperiode worden ingediend gedurende de eerste 10 werkdagen na de bekendmaking van deze verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De aanvragen voor invoercertificaten voor de bij artikel 1, lid 3, onder b), vastgestelde deelperiode worden ingediend gedurende de eerste 10 werkdagen van die deelperiode.

4.   Voor elk van de bij artikel 1, lid 3, vastgestelde deelperioden mogen de aanvragers niet meer dan één aanvraag indienen. Wanneer eenzelfde aanvrager meer dan één aanvraag indient, zijn alle aanvragen van die aanvrager onontvankelijk.

5.   Na de ingediende documenten te hebben geverifieerd delen de lidstaten de Commissie uiterlijk op de vijfde werkdag na afloop van de termijn voor de indiening van de aanvragen de lijst van de aanvragers mee, waarin ook de adressen van de aanvragers en de door hen aangevraagde hoeveelheden zijn vermeld.

Alle mededelingen worden per fax of e-mail toegezonden en ook wanneer geen aanvragen zijn ingediend, moet dit aldus worden meegedeeld; in het geval dat wel degelijk aanvragen zijn ingediend, moet voor de mededeling het in bijlage I opgenomen model worden gebruikt.

Artikel 4

1.   Na de in artikel 3, lid 5, bedoelde mededeling neemt de Commissie zo spoedig mogelijk een besluit over de mate waarin de aanvragen kunnen worden ingewilligd.

2.   Indien de hoeveelheden waarop de in artikel 3 bedoelde aanvragen betrekking hebben, de voor de betrokken deelperiode beschikbare hoeveelheid overtreffen, stelt de Commissie een uniforme toewijzingscoëfficiënt vast die moet worden toegepast op de aangevraagde hoeveelheden.

In de gevallen waarin toepassing van de in de eerste alinea bedoelde toewijzingscoëfficiënt tot gevolg heeft dat in het kader van de aanvraag minder dan 50 stuks zouden kunnen worden ingevoerd, wordt de voor die gevallen beschikbare hoeveelheid door de betrokken lidstaat verdeeld in partijen die elk rechten tot invoer van 50 stuks omvatten, en wijst deze lidstaat die partijen toe door loting. Als er bij de verdeling een restant van minder dan 50 stuks is, vormt ook dat restant een partij.

3.   Nadat de Commissie een besluit heeft genomen over de inwilliging van de aanvragen, worden de certificaten zo spoedig mogelijk afgegeven.

Artikel 5

1.   De invoercertificaten worden afgegeven op naam van de marktdeelnemer die de aanvraag heeft ingediend.

2.   De certificaataanvragen en de certificaten bevatten de volgende gegevens:

a)

in vak 8, het land van oorsprong;

b)

in vak 16, een of meer van de volgende GN-codes: 0102 90 05 , 0102 90 29 of 0102 90 49 ;

c)

in vak 20, het volgnummer van het contingent (09.4005) en een van de in bijlage II opgenomen vermeldingen.

Artikel 6

1.   In afwijking van artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 zijn de op grond van de onderhavige verordening afgegeven invoercertificaten niet overdraagbaar en verlenen zij slechts rechten in het kader van het tariefcontingent als de naam en het adres van de titularis die zij bevatten, overeenstemmen met de naam en het adres van de geadresseerde zoals vermeld in de douaneaangifte voor het vrije verkeer waarvan zij vergezeld gaan.

2.   In afwijking van het bepaalde in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1445/95 zijn de invoercertificaten geldig gedurende 180 dagen, te rekenen vanaf de werkelijke datum van afgifte in de zin van artikel 4, lid 3, van de onderhavige verordening. Na 30 juni 2007 is geen enkel invoercertificaat nog geldig.

3.   De zekerheid voor het invoercertificaat bedraagt 15 EUR per dier en wordt door de aanvrager gesteld tegelijk met het aanvragen van het certificaat.

4.   De afgegeven certificaten zijn in de gehele Gemeenschap geldig.

5.   Overeenkomstig artikel 50, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 wordt het volledige recht van het gemeenschappelijk douanetarief dat geldt op de datum van aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer, geïnd voor alle hoeveelheden die worden ingevoerd boven die welke op het invoercertificaat zijn vermeld.

6.   In afwijking van titel III, afdeling 4, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 wordt de zekerheid niet vrijgegeven tenzij het bewijs is geleverd dat de titularis van het certificaat commercieel en logistiek verantwoordelijk is geweest voor de aankoop, het vervoer en het in het vrije verkeer brengen van de betrokken dieren. Dat bewijs omvat ten minste:

a)

het origineel of een voor eensluidend gewaarmerkte kopie van de handelsfactuur die op naam van de titularis is opgemaakt door de verkoper of diens vertegenwoordiger, welke laatstgenoemde twee personen zijn gevestigd in het derde land van uitvoer, en het bewijs van de betaling door de titularis of van de opening door de titularis van een onherroepelijk documentair krediet ten gunste van de verkoper;

b)

het cognossement of, in voorkomend geval, het weg- of luchtvervoersdocument voor de betrokken dieren dat op naam van de titularis is gesteld;

c)

het bewijs dat bij de aangifte voor het vrije verkeer van de dieren de naam en het adres van de titularis zijn opgegeven als die van de geadresseerde.

Artikel 7

1.   Bij de invoer levert de importeur het bewijs dat hij:

a)

zich er schriftelijk toe heeft verbonden de bevoegde autoriteit van de lidstaat binnen één maand in kennis te stellen van het landbouwbedrijf of de landbouwbedrijven waar de jonge runderen zullen worden gemest;

b)

bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat een zekerheid heeft gesteld overeenkomstig het bedrag dat voor elke in aanmerking komende GN-code is vastgesteld in bijlage III. Het mesten van de ingevoerde dieren in die lidstaat gedurende ten minste 120 dagen te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer is een primaire eis in de zin van artikel 20, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2220/85.

2.   Behoudens overmacht wordt de in lid 1, onder b), bedoelde zekerheid slechts vrijgegeven indien aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat het bewijs wordt geleverd dat de jonge runderen:

a)

zijn gemest op het landbouwbedrijf of de landbouwbedrijven zoals opgegeven overeenkomstig lid 1;

b)

niet zijn geslacht voordat een periode van 120 dagen te rekenen vanaf de datum van invoer was verstreken, of

c)

om gezondheidsredenen zijn geslacht of door ziekte of een ongeluk zijn gestorven voordat die periode was verstreken.

Nadat dit bewijs is geleverd, wordt de zekerheid onmiddellijk vrijgegeven.

Indien de in lid 1, onder a), gestelde termijn niet in acht is genomen, wordt de zekerheid evenwel verlaagd:

met 15 % en

met 2 % van het resterende bedrag voor elke dag waarmee die termijn is overschreden.

De niet-vrijgegeven bedragen worden verbeurd en behouden als douanerecht.

3.   Indien het in lid 2 bedoelde bewijs niet binnen 180 dagen te rekenen vanaf de datum van invoer wordt geleverd, wordt de zekerheid verbeurd en behouden als douanerecht.

Evenwel wordt, indien dat bewijs niet binnen de in de eerste alinea gestelde termijn van 180 dagen is geleverd, maar wordt overgelegd binnen zes maanden na die termijn, het verbeurde bedrag, verminderd met 15 % van het zekerheidsbedrag, terugbetaald.

Artikel 8

De Verordeningen (EG) nr. 1291/2000 en (EG) nr. 1445/95 zijn van toepassing tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 mei 2006.

Voor de Commissie

Mariann FISCHER BOEL

Lid van de Commissie


(1)   PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1913/2005 (PB L 307 van 25.11.2005, blz. 2).

(2)   PB L 124 van 11.5.2006, blz. 15.

(3)   PB L 124 van 11.5.2006, blz. 13.

(4)   PB L 143 van 27.6.1995, blz. 35. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1118/2004 (PB L 217 van 17.6.2004, blz. 10).

(5)   PB L 152 van 24.6.2000, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 410/2006 (PB L 71 van 10.3.2006, blz. 7).

(6)   PB L 205 van 3.8.1985, blz. 5. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 673/2004 (PB L 105 van 14.4.2004, blz. 17).


BIJLAGE I

Fax EG: (32 2) 292 17 34

E-mail: AGRI-IMP-BOVINE@cec.eu.int

Toepassing van Verordening (EG) nr. 800/2006

Volgnummer: 09.4005

Image 1

Tekst van het beeld

BIJLAGE II

In artikel 5, lid 2, onder c), bedoelde vermeldingen

in het Spaans

:

„Bovinos machos vivos de peso vivo inferior o igual a 300 kg [Reglamento (CE) no 800/2006]”

in het Tsjechisch

:

„Živí býci s živou váhou nepřevyšující 300 kg na kus, na výkrm (Nařízení (ES) č. 800/2006)”

in het Deens

:

„Levende ungtyre til opfedning, med en levende vægt på ikke over 300 kg pr. dyr (forordning (EF) nr. 800/2006)”

in het Duits

:

„Lebende männliche Rinder mit einem Gewicht von höchstens 300 kg je Tier, zur Mast bestimmt (Verordnung (EG) Nr. 800/2006)”

in het Ests

:

„Elusad isasveised elusmassiga kuni 300 kg, nuumamiseks (määrus (EÜ) nr 800/2006)”

in het Grieks

:

„Ζώντα βοοειδή με βάρος ζώντος που δεν υπερβαίνει τα 300 kg ανά κεφαλή, προς πάχυνση [κανονισμός (ΕΚ) αριθ. 800/2006]”

in het Engels

:

„Live male bovine animals of a live weight not exceeding 300 kg per head, for fattening (Regulation (EC) No 800/2006)”

in het Frans

:

„Bovins mâles vivants d'un poids vif inférieur ou égal à 300 kg par tête, destinés à l'engraissement [Règlement (CE) no 800/2006]”

in het Italiaans

:

„Bovini maschi vivi di peso vivo non superiore a 300 kg per capo, destinati all’ingrasso [regolamento (CE) n. 800/2006]”

in het Lets

:

„Jaunbuļļi nobarošanai, kuru dzīvsvars nepārsniedz 300 kg (Regula (EK) Nr. 800/2006)”

in het Litouws

:

„Penėjimui skirti gyvi jaučiai, kurių vieno galvijo gyvasis svoris yra ne didesnis kaip 300 kg (Reglamentas (EB) Nr. 800/2006)”

in het Hongaars

:

„Legfeljebb 300 kg egyedi élőtömegű élő hím szarvasmarhaféle, hizlalás céljára (800/2006/EK rendelet)”

in het Nederlands

:

„Levende mannelijke mestrunderen met een gewicht van niet meer dan 300 kg per dier (Verordening (EG) nr. 800/2006)”

in het Pools

:

„Żywe młode byki o żywej wadze nieprzekraczającej 300 kg za sztukę bydła, opasowe (rozporządzenie (WE) nr 800/2006)”

in het Portugees

:

„Bovinos machos vivos com peso vivo inferior ou igual a 300 kg por cabeça, para engorda [Regulamento (CE) n.o 800/2006]”

in het Slowaaks

:

„Živé mladé býčky, ktorých živá hmotnosť nepresahuje 300 kg na kus, určené na výkrm [nariadenie (ES) č. 800/2006]”

in het Sloveens

:

„Živo moško govedo za pitanje, katerega živa teža ne presega 300 kg na glavo (Uredba (ES) št. 800/2006)”

in het Fins

:

„Lihotettaviksi tarkoitettuja eläviä urospuolisia nautaeläimiä, elopaino enintään 300 kg/eläin (asetus (EY) N:o 800/2006)”

in het Zweeds

:

„Levande handjur av nötkreatur som väger högst 300 kg, för gödning (förordning (EG) nr 800/2006)”


BIJLAGE III

ZEKERHEIDSBEDRAGEN

Mannelijke mestrunderen

(GN-code)

Bedrag (EUR) per dier

0102 90 05

28

0102 90 29

56

0102 90 49

105