|
13.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 353/45 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 20 oktober 2005
in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag
(Zaak nr. COMP/C.38281/B.2 — Ruwe tabak Italië)
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2005) 4012)
(Slechts de tekst in de Engelse en de Italiaanse taal is authentiek)
(2006/901/EG)
SAMENVATTING VAN DE BESCHIKKING
1. Inleiding
Op 20 oktober 2005 gaf de Commissie een beschikking in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (hierna „de beschikking” genoemd). Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 publiceert de Commissie bij dezen de namen van de partijen en de belangrijkste punten van de beschikking, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdend met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen. Een niet-vertrouwelijke versie van de volledige tekst van de beschikking is te vinden in de authentieke talen van de zaak en in de werktalen van de Commissie op de website van DG Concurrentie op het volgende adres: http://europa.eu.int/comm/competition/index_en.html.
Van 1995 tot begin 2002 hebben vier grote Italiaanse bewerkingsbedrijven van ruwe tabak — Deltafina, Dimon (thans Mindo), Transcatab en Romana Tabacchi (hierna tezamen „de bewerkingsbedrijven” genoemd) — overeenkomsten gesloten en/of deelgenomen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen met als doel de handelsvoorwaarden vast te stellen voor de inkoop van ruwe tabak in Italië (zowel wat betreft rechtstreekse inkoop bij telers als de inkoop bij derde partijen/verpakkers), met inbegrip van prijsafspraken en marktverdeling.
De beschikking betreft ook twee andere inbreuken, die minstens van begin 1999 tot eind 2001 plaatsvonden en die erin bestonden dat de brancheorganisatie van Italiaanse tabakbewerkende bedrijven (de Associazione Professionale Trasformatori Tabacchi Italiani, hierna „APTI” genoemd) de contractprijzen vastlegde die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met de Italiaanse federatie van verenigingen van telers van ruwe tabak (de Unione Italiana Tabacco, hierna „UNITAB” genoemd) over sectorale (interprofessionele) overeenkomsten zou hanteren, en de vastlegging door UNITAB van de prijzen die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met APTI over diezelfde overeenkomsten zou hanteren.
2. Achtergrond van de zaak en procedure
Nadat de Commissie bepaalde informatie had ontvangen over het bestaan van sectorale overeenkomsten waarin voor diverse kwaliteiten van een of meerdere soorten ruwe tabak een prijsvork werd vastgesteld, zond zij op 15 januari 2002 verzoeken om inlichtingen aan de brancheorganisaties van de bewerkingsbedrijven (APTI) en de telers (UNITAB).
Op 19 februari 2002 ontving de Commissie een clementieverzoek van Deltafina SpA (hierna „Deltafina” genoemd), het grootste Italiaanse bewerkingsbedrijf, op grond van de toen pas door de Commissie goedgekeurde mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (hierna „de clementieregeling” genoemd). Op 6 maart 2002 verleende de Commissie Deltafina voorwaardelijke immuniteit op grond van punt 15 van de clementieregeling.
Op 4 en 10 april 2002 ontving de Commissie twee andere clementieverzoeken van, onderscheidenlijk, Dimon Srl (hierna „Dimon” genoemd) en Transcatab SpA (hierna „Transcatab” genoemd).
Op 18 en 19 april 2002 voerde de Commissie inspecties uit in de lokalen van Dimon, Transcatab Trestina Azienda Tabacchi SpA (hierna „Trestina” genoemd) en Romana Tabacchi srl (hierna „Romana Tabacchi”).
Op 8 oktober 2002 deelde de Commissie Dimon en Transcatab haar voornemen mee om hun aan het eind van de procedure boetevermindering te verlenen (binnen de marges van, onderscheidenlijk, 30-50 % en 20-30 %).
Op 25 februari 2004 leidde de Commissie de procedure in deze zaak in en stelde zij een mededeling van punten van bezwaar vast waarop de adressaten konden reageren, zowel schriftelijk als tijdens de mondelinge hoorzitting van 22 juni 2004.
Op 21 december 2004 werd een addendum bij de mededeling van punten van bezwaar van 25 februari 2004 goedgekeurd (hierna ook „het addendum” genoemd). Daarom vond op 1 maart 2005 een tweede hoorzitting plaats.
3. De partijen
3.1. De bewerkingsbedrijven
Deltafina is de Italiaanse volledige dochteronderneming van Universal Corporation (hierna „Universal” genoemd), 's werelds grootste tabakshandelaar. In 2001 (het laatste volledige jaar van de inbreuk voor de bewerkingsbedrijven) nam Deltafina zo'n 25 % van de Italiaanse ruwe tabak af. Zowel Deltafina als Universal zijn adressaten van de beschikking.
Dimon en Transcatab waren op het tijdstip van de inbreuk de Italiaanse volledige dochterondernemingen van, onderscheidenlijk, Dimon Incorporated (hierna „Dimon Inc” genoemd) en Standard Commercial Corporation (hierna „SCC” genoemd), de nummers twee en drie onder de tabakshandelaren. Sinds september 2004 heeft Dimon haar naam veranderd in Mindo Srl (hierna „Mindo” genoemd) en maakt zij niet langer deel uit van het Dimon Inc-concern. Dimon Inc en SCC zijn op 13 april 2005 gefuseerd tot Alliance One International Inc (hierna „Alliance” genoemd). In 2001 nam Dimon zo'n 11,28 % van de in Italië geproduceerde ruwe tabak af en Transcatab 10,8 %. Mindo, Transcatab en Alliance zijn adressaten van de beschikking.
Romana Tabacchi is een familiebedrijf. Tot 1997 trad zij op als de agent van een internationale handelsonderneming (die toen door Dimon Inc werd overgenomen). Sinds 1997 is zij als onafhankelijke handelsonderneming actief. In 2001 nam Romana Tabacchi 9,5 % van de in Italië geproduceerde ruwe tabak af.
APTI is de Italiaanse organisatie van bewerkingsbedrijven voor ruwe tabak. APTI telt 17 leden (op in totaal 59 bewerkingsbedrijven in Italië).
3.2. De telers
UNITAB is de Italiaanse federatie van verenigingen van telers van ruwe tabak; zij vertegenwoordigt zo'n 80 % van alle telers.
4. De betrokken sector: Italiaanse ruwe tabak
De productie van ruwe tabak in de EU vertegenwoordigt ongeveer 5 % van de wereldwijde productie van ruwe tabak. Griekenland, Italië en Spanje zijn de grootste lidstaten wat betreft de tabaksproductie, en zijn goed voor, onderscheidenlijk, 38 %, 37,5 % en 12 % van de EU-productie.
Ruwe tabak is geen homogeen product. In Italië zijn Burley en Bright de meest voorkomende soorten. Binnen elke soort kunnen verschillende kwaliteitscategorieën worden onderscheiden. Nadat de tabak is gedroogd, verkopen de telers deze aan de bewerkingsbedrijven in partijen waarvan de prijs verschilt afhankelijk van de kwaliteit van de tabak in die partijen.
Italiaanse bewerkingsbedrijven van ruwe tabak kopen ruwe tabak in bij Italiaanse telers en telersverenigingen (en verpakte tabak van andere tussenpersonen), bewerken die (verder) en verkopen die verwerkingsklaar door aan de tabaksproducenten in Italië en in het buitenland. Zij staan bekend als „eerste bewerkingsbedrijven” omdat zij de eersten zijn die tabak bewerken (in tegenstelling tot de tweede bewerking die door sigarettenfabrikanten gebeurt) of als handelaren in bladtabak omdat zij tussen de telers en de fabrikanten van het eindproduct staan.
De term „exporteur” wordt meestal gebruikt voor bewerkingsbedrijven die strip- en breekmachines hebben, waarmee het afgewerkte, bewerkte product kan worden geproduceerd (strips) dat sigarettenfabrikanten nodig hebben. Bewerkingsbedrijven die alleen losse bladeren produceren, worden „derde partijen/verpakkers” of eenvoudigweg „verpakkers” genoemd. Na een eerste bewerking (bv. verwijderen van onzuiverheden en sorteren) brengen verpakkers de tabak naar exporteurs, met het oog op verdere verwerking zodat de tabak aan de fabrikanten kan worden aangeboden. De bewerkingsbedrijven die adressaten van de beschikking zijn, worden als „exporteurs” beschouwd.
5. Het regelgevingskader
Zowel de productie van ruwe tabak als de verkoop ervan aan bewerkingsbedrijven zijn onderworpen aan communautaire en nationale wetgeving.
5.1. De gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak
De gemeenschappelijke marktordening in de sector ruwe tabak (1) voorziet in: i) een productiequotaregeling en ii) inkomenssteun aan de telers via een premieregeling voor de teelt van ruwe tabak.
Er wordt alleen een premie toegekend voor tabak die binnen de toegewezen quota (met bepaalde aanpassingen) wordt geproduceerd. Sinds 1998 wordt de betaling van een deel van de communautaire premie (het zogenaamde variabele gedeelte) gekoppeld aan de kwaliteit van de geproduceerde tabak, hetgeen in de prijs tot uiting komt. Het variabele gedeelte van de premie wordt aan de telersverenigingen betaald.
Krachtens de gemeenschappelijke marktordening moet elke teler of iedere telersvereniging en elk bedrijf voor eerste bewerking jaarlijks bij het begin van het verkoopseizoen (rond maart-mei, wanneer tabakzaailingen worden verplant) zogenaamde „teeltcontracten” sluiten, waarin de „contractprijzen” voor elke kwaliteitscategorie van elke verschillende soort worden overeengekomen. In dit stadium worden de prijzen vaak vermeld in de vorm van minimumprijzen of van een prijsvork. Belangrijk is evenwel dat de uiteindelijke prijs (of „leveringsprijs”) pas kan worden vastgesteld wanneer de oogst plaatsvindt (dat wil zeggen tussen oktober en januari). Deze prijs kan aanzienlijk afwijken van de „prijs in het teeltcontract”, afhankelijk van kwaliteit, hoeveelheden en verdere onderhandelingen.
Door de communautaire wetgeving wordt de oprichting begunstigd van kolomorganisaties waarbinnen telers en bewerkingsbedrijven zouden moeten samenwerken voor een doelmatig functionerende markt. Het afspreken van prijzen en quota is echter uitdrukkelijk verboden. Geen van de bij deze zaak betrokken verenigingen is een kolomorganisatie in de zin van de communautaire wetgeving.
5.2. Nationale wet- en regelgeving
De Italië de nationale wetgeving is wet nr. 88/88 betreffende de interprofessionele (sectorale) overeenkomsten, teeltcontracten en afzet van landbouwproducten. Meer bepaald moet volgens artikel 5, lid 1, onder b), van wet nr. 88/88 in de interprofessionele overeenkomsten bepaald zijn: het product waarop de overeenkomst ziet, de voorwaarden en het tijdsschema voor de levering van het product, en de minimumprijs. Telers en bewerkingsbedrijven die de voorwaarden van interprofessionele overeenkomsten naleven, krijgen incentives (met name voorrang bij de steun). Wet nr. 88/88 wordt toegepast in een aantal landbouwsectoren, waaronder de tabaksector waar APTI en UNITAB in de periode 1999-2001 een aantal interprofessionele overeenkomsten hebben gesloten (waarin de prijzen in teeltcontracten werden uitgedrukt in de vorm van een minimumprijs of prijsvork).
6. In de beschikking behandelde praktijken
6.1. De door de bewerkingsbedrijven gemaakte inbreuk
Van 1995 tot begin 2002 hebben Deltafina, Dimon, Transcatab en Romana Tabacchi overeenkomsten gesloten en/of deelgenomen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen met als doel de handelsvoorwaarden voor het afnemen van ruwe tabak in Italië (zowel wat betreft rechtstreekse inkoop bij telers als de inkoop bij derden/verpakkers) af te spreken. Daarbij ging het onder meer om: a) het vaststellen van gemeenschappelijke inkoopprijzen die bewerkingsbedrijven zouden betalen bij de levering van tabak, en andere handelsvoorwaarden; b) de toewijzing van leveranciers en hoeveelheden; c) de uitwisseling van informatie om hun concurrerende inkoopgedragingen te coördineren; d) het vaststellen van hoeveelheden en prijzen wat betreft overproductie, en e) de coördinatie van biedingen op openbare veilingen in 1995 en 1998.
6.2. De inbreuk van APTI
Van 1999 tot eind 2001 bepaalde APTI haar onderhandelingspositie ten aanzien van de prijzen per kwaliteitscategorie van elke tabakssoort in overleg met UNITAB in het kader van het sluiten van de interprofessionele overeenkomsten.
6.3. De inbreuk van UNITAB
Van 1999 tot eind 2001 bepaalde UNTIAB haar onderhandelingspositie ten aanzien van de prijzen per kwaliteitscategorie van elke tabakssoort in overleg met APTI in het kader van het sluiten van de interprofessionele overeenkomsten.
7. Juridische beoordeling
In de beschikking komt de Commissie tot de bevinding dat de hier beschreven praktijken drie afzonderlijke inbreuken op artikel 81 van het Verdrag vormen, waarbij het telkens om één voortdurende inbreuk gaat.
Alle deelnemers aan de inbreuk tot wie de beschikking is gericht, zijn ondernemingen, ondernemersverenigingen of verenigingen van ondernemersverenigingen in de zin van artikel 81 van het Verdrag.
Overeenkomsten en/of onderling afgestemde gedragingen waarbij al dan niet rechtstreeks transactieprijzen worden bepaald of hoeveelheden worden verdeeld, zijn door hun doel zelf concurrentiebeperkend. Meer bepaald had de coördinatie door de bewerkingsbedrijven van hun inkoopgedragingen in deze zaak een ongunstige impact op fundamentele aspecten van hun concurrentiepositie en kon zulks per definitie ook de gedragingen van dezelfde ondernemingen op andere markten waarop zij concurreerden — waaronder de downstreammarkten — ongunstig beïnvloeden. Artikel 81, lid 1, van het EG-Verdrag ziet specifiek op dit soort gedragingen.
Dergelijke gedragingen kunnen, minstens potentieel, de handel in ruwe tabak tussen Italië en andere lidstaten beïnvloeden, aangezien zij een aanzienlijk volume van de afgenomen hoeveelheden Italiaanse ruwe tabak betreffen en verband houden met een product (ruwe tabak) dat een tussenproduct vormt voor bewerkte tabak, een product dat op grote schaal wordt geëxporteerd.
In de beschikking wordt het vraagstuk behandeld in hoeverre Verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten op de hier onderzochte praktijken van toepassing is. De conclusie luidt dat de betrokken mededingingsbeperkende gedragingen niet kunnen worden beschouwd als „noodzakelijk” voor het behalen van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en dat zij derhalve volledig onder de toepassing van artikel 81, lid 1, van het Verdrag vallen.
Ten slotte wordt in de beschikking geconcludeerd dat de bewerkingsbedrijven noch uit hoofde van de nationale wetgeving noch op grond van de administratieve praktijk waren verplicht om afspraken te maken over de gemiddelde of de maximumafnameprijs voor ruwe tabak of om de door elk bewerkingsbedrijf af te nemen tabakshoeveelheden te verdelen. Bovendien was krachtens dit regelgevingskader niet vereist dat bewerkingsbedrijven en telers tezamen de „contractprijzen” moesten overeenkomen, en werd alle potentiële concurrentie tussen hen ook niet uitgesloten. Bijgevolg vallen de overeenkomsten tussen en/of onderling afgestemde gedragingen van de telersvertegenwoordigers en de bewerkingsbedrijven onder de toepassing van artikel 81, lid 1, van het Verdrag.
8. Aansprakelijkheid van de moedermaatschappijen van Deltafina, Transcatab en Dimon
Uit de beschikking blijkt ook dat Universal (voor Deltafina), Dimon Inc (voor Dimon) en SCC (voor Transcatab) tijdens de betrokken periode een beslissende invloed hebben uitgeoefend op hun dochterondernemingen en dat zij derhalve voor de gedragingen van hun dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijk moeten worden gesteld.
9. Geldboeten
9.1. Geldboeten op te leggen voor de door UNITAB en APTI gemaakte inbreuken
Wat de gedragingen van de vertegenwoordigers van telers en bewerkingsbedrijven betreft, is de Commissie in de beschikking van oordeel dat een geldboete van slechts 1 000 EUR passend is.
Was het sluiten van interprofessionele overeenkomsten volgens wet nr. 88/88 weliswaar niet verplicht en werden er gedurende meerdere jaren zelfs geen interprofessionele overeenkomst gesloten, toch werden met wet nr. 88/88 (zoals die verder in de administratieve praktijk van het Ministerie werd toegepast) de prikkels gecreëerd om interprofessionele overeenkomsten te sluiten die minimumprijzen bevatten. Ook dient ermee rekening te worden gehouden dat wet nr. 88/88 in de landbouwsector al bij diverse gelegenheden werd toegepast vooraleer de in de beschikking behandelde interprofessionele overeenkomsten werden gesloten — met inbegrip van de tabakssector. Evenmin werden de gedragingen van de partijen die via onderhandelingen deze overeenkomsten sloten, nooit aangevochten op grond van nationale of communautaire wet- en regelgeving, ook al waren deze overeenkomsten algemeen bekend en aan het Ministerie meegedeeld.
9.2. Geldboeten op te leggen voor de door de bewerkingsbedrijven gemaakte inbreuken
9.2.1.
De door de bewerkingsbedrijven gemaakte inbreuk wordt naar haar aard als zeer zwaar beschouwd, omdat het gaat over het vaststellen van de prijzen van de soorten ruwe tabak in Italië en het verdelen van hoeveelheden. Inkoopkartels kunnen de bereidheid van producenten om output te produceren grondig verstoren, maar ook de concurrentie tussen bewerkingsbedrijven op downstreammarkten beperken. Dit is met name het geval in zaken zoals deze, waar het door het inkoopkartel getroffen product (ruwe tabak) een belangrijke grondstof is voor de activiteiten die door marktdeelnemers downstream (in dit geval, de eerste bewerking en de verkoop van bewerkte tabak) worden verricht. De productie van ruwe tabak in Italië is goed voor zo'n 38 % van de communautaire productie binnen de quota. Deze productie had in 2001 (het laatste volledige jaar van de inbreuk) een totale waarde van 67,338 miljoen EUR.
9.2.2.
De Commissie is van mening dat de geldboeten voor de vier betrokken bewerkingsbedrijven op basis van hun marktpositie moeten worden bepaald. Het basisbedrag van de aan Deltafina op te leggen geldboete moet hoger zijn, omdat zij de grootste afnemer lijkt te zijn — met een marktaandeel van rond 25 % in 2001 (het laatste volledige jaar van de inbreuk). Omdat Transcatab, Dimon, Romana Tabacchi kleinere marktaandelen hebben op de Italiaanse markt voor ruwe tabak (tussen 8,86 en 11,28 %), moeten zij in één groep worden ondergebracht en moet het basisbedrag van de hun op te leggen geldboete lager zijn.
Aangezien Deltafina, Transcatab en Dimon (thans Mindo) deel uitmaken (of, in het geval van Mindo, deel uitmaakten) van grote concerns die eveneens adressaten van de beschikking zijn, wordt een vermenigvuldigingsfactor toegepast voor de hun op te leggen geldboete, om een voldoende afschrikkende werking te verzekeren.
Daarom wordt het basisbedrag van de geldboeten in deze zaak als volgt vastgesteld:
|
37,5 miljoen EUR; |
||
|
12,5 miljoen EUR; |
||
|
12,5 miljoen EUR, en |
||
|
10 miljoen EUR. |
9.2.3.
Deltafina, Dimon en Transcatab maakten gedurende zo'n 6 jaar en 5 maanden inbreuk. De deelneming van Romana Tabacchi aan de inbreuk wordt geacht meer dan 2 jaar en 9 maanden te hebben geduurd.
Daarom wordt het basisbedrag van de in deze zaak op te leggen geldboeten als volgt vastgesteld:
|
60 miljoen EUR; |
||
|
20 miljoen EUR; |
||
|
20 miljoen EUR, en |
||
|
12,5 miljoen EUR. |
9.2.4.
Voor Romana Tabacchi geldt als verzachtende omstandigheid dat zij niet aan bepaalde aspecten van het kartel heeft deelgenomen en dat zij de doelstellingen van het kartel zozeer doorkruiste, dat de andere deelnemers onderzochten hoe ze gezamenlijk tegen deze onderneming konden optreden.
Ook voor Deltafina is er een verzachtende omstandigheid: haar daadwerkelijke medewerking tijdens de procedure. Zoals verder nog wordt uiteengezet is Deltafina haar boete-immuniteit uit hoofde van de clementieregeling kwijtgespeeld. Gezien evenwel de bijzondere omstandigheden van deze zaak (het was de eerste zaak waarin een verzoek op grond van de clementieregeling werd ingediend en de eerste beschikking waarin de regeling wordt toegepast), moet de medewerking van Deltafina positief in aanmerking worden genomen. De medewerking van Deltafina was inderdaad aanzienlijk en werd tijdens de hele procedure voortgezet (met uitzondering van de hierna te bespreken feiten). Daarom moet deze ook als verzachtende omstandigheid in aanmerking worden genomen.
9.2.5.
Het plafond van 10 % van de omzet zoals dat in artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 is vastgesteld, lijkt in deze zaak niet worden overschreden wat betreft de aan Universal/Deltafina en Alliance/Transcatab-Mindo op te leggen geldboeten. Aangezien Mindo geen enkele band meer met de vroegere Dimon-groep heeft, dient de haar toe te rekenen hoofdelijke aansprakelijkheid tot onder het plafond van 10 % van de omzet in haar laatste exploitatiejaar (namelijk 2,59 miljoen EUR) te worden teruggebracht.
Ten aanzien van Romana Tabacchi is een verlaging tot onder het 10 %-plafond noodzakelijk.
Een en ander levert dus de volgende bedragen op:
|
30 miljoen EUR; |
||
|
20 miljoen EUR; |
||
|
20 miljoen EUR, en |
||
|
2,05 miljoen EUR. |
9.3. Toepassing van de clementieregeling
Deltafina, Dimon en Transcatab hebben een clementieverzoek ingediend op grond van de clementieregeling (zie deel 2).
9.3.1.
In de clementieregeling wordt de definitieve toekenning van boete-immuniteit afhankelijk gesteld van de nakoming van alle voorwaarden van punt 11 van de clementieregeling. Met name wordt in punt 11, onder a), geëist dat ondernemingen die voorwaardelijke immuniteit hebben gekregen, „onafgebroken en zonder dralen” meewerken.
Op de hoorzitting van 22 juni 2004 bleek dat Deltafina haar verzoek om boete-immuniteit had openbaar gemaakt op een bijeenkomst van het beheerscomité van APTI, waarop ook vertegenwoordigers van Dimon, Transcatab en Trestina aanwezig waren. Deze openbaarmaking vond plaats vooraleer de Commissie de gelegenheid had inspecties uit te voeren, en kon deze inspecties ook in het gedrang brengen.
In de beschikking wordt geconcludeerd dat Deltafina door dergelijke handelwijze de verplichting tot medewerking waartoe zij uit hoofde van punt 11, onder a), van de clementieregeling was gehouden, had geschonden. Bijgevolg kan Deltafina geen boete-immuniteit worden verleend.
In antwoord op de verdediging van Deltafina op dit punt, wordt in de beschikking bevestigd dat punt 11, onder a), van de clementieregeling de verplichting inhoudt het verzoek om boete-immuniteit vertrouwelijk te houden, hetgeen is gerechtvaardigd door de noodzaak ervoor te zorgen dat de uitkomst van de inspecties die de Commissie nadien moet uitvoeren, niet in gevaar wordt gebracht. Deltafina was op de hoogte van het voornemen van de Commissie om onaangekondigd inspecties uit te voeren. De inspecties werden daadwerkelijk georganiseerd en vonden plaats zoals dat tijdens een bijeenkomst tussen Deltafina en de diensten van de Commissie aan Deltafina was aangekondigd.
Een immuniteitsverzoek vertrouwelijk houden, is steeds in zekere mate een probleem, dat inherent is verbonden aan alle zaken waarin een karteldeelnemer besluit een verzoek om boete-immuniteit in te dienen. Dergelijke problemen (of het feit dat de Commissie daarvan op de hoogte is gebracht) zijn voor de verzoeker om boete-immuniteit echter nog geen vrijgeleide om vrijwillig zijn immuniteitsverzoek te onthullen op bijeenkomsten met concurrenten.
9.3.2.
Het verzoek van Deltafina om boete-immuniteit bevatte ook een verzoek om boetevermindering die, subsidiair, in deze zaak moest worden toegekend, onder de strikte voorwaarde dat DG Comp het verzoek van de onderneming om volledige boete-immuniteit zou verwerpen.
In de beschikking wordt (gebaseerd op de teneur van de clementieregeling, maar ook op de teleologische en systematische uitlegging ervan) de vaststelling gedaan dat subsidiaire verzoeken om boetevermindering alleen kunnen worden geaccepteerd in zaken waarin voorwaardelijke immuniteit niet kan worden toegekend op het tijdstip dat een verzoek wordt ingediend, en dat deze alle juridische waarde verliezen zodra voorwaardelijke immuniteit is toegekend. Aangezien Deltafina initieel voorwaardelijke boete-immuniteit ontving en deze verloor door de schending van de samenwerkingsverplichtingen waartoe zij gehouden was, kan zij geen boetevermindering krijgen.
9.3.3.
In de beschikking wordt geconcludeerd dat het feit dat Deltafina uiteindelijk geen boete-immuniteit kreeg, geen enkele invloed heeft op de wijze waarop de clementieregeling op Dimon en Transcatab moet worden toegepast. Met name biedt de clementieregeling niet de mogelijkheid om de positie van de ondernemingen op te waarderen, omdat Deltafina geen definitieve boete-immuniteit kreeg.
Zowel Dimon als Transcatab bleken de voorwaarden die uit hoofde van hun verzoek om boetevermindering op hen rustten, te hebben nageleefd. Na onderzoek van het aan de Commissie verschafte bewijsmateriaal en van hun medewerking met de Commissie tijdens de procedure, wordt in de beschikking aan Dimon en Transcatab de hoogst mogelijke boetevermindering toegekend die binnen de marges valt zoals die aan deze ondernemingen werden meegedeeld na hun verzoeken om boetevermindering (onderscheidenlijk, 50 % en 30 %).
Rekening houdend met bovenstaande overwegingen, wordt het uiteindelijke bedrag van de boetes in deze zaak als volgt vastgesteld:
|
30 miljoen EUR; |
||
|
10 miljoen EUR, |
||
|
waarbij Alliance One International volledig aansprakelijk is, en Mindo slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor 3,99 miljoen EUR; |
|||
|
14 miljoen EUR; |
||
|
2,05 miljoen EUR; |
||
|
1 000 EUR, en |
||
|
1 000 EUR |
||
(1) Verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 94 van 28.4.1970, blz. 1), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB L 215 van 30.7.1992, blz. 70), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad van 29 april 2004 (PB L 161 van 30.4.2004, blz. 48). Zie ook Verordening (EG) nr. 1636/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2075/92 (PB L 210 van 28.7.1998, blz. 23) en Verordening (EG) nr. 2848/98 van de Commissie van 22 december 1998 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad ten aanzien van de premieregeling, de productiequota en de aan de telersverenigingen toe te kennen specifieke steun in de sector ruwe tabak (PB L 358 van 31.12.1998, blz. 17), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1983/2002 van de Commissie van 7 november 2002 (PB L 306 van 8.11.2002, blz. 8).