|
24.11.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 325/28 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 3 november 2006
tot vaststelling van herziene milieucriteria en de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en toezicht op de naleving voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan bodemverbeteraars
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 5369)
(Voor de EER relevante tekst)
(2006/799/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (1), en met name op artikel 6, lid 1, tweede alinea,
Na raadpleging van het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1980/2000 is een tijdig herzieningsonderzoek uitgevoerd van de milieucriteria en de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en toezicht op de naleving die zijn vastgesteld bij Beschikking 2001/688/EG van de Commissie van 28 augustus 2001 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan bodemverbeteraars en groeimedia (2). |
|
(2) |
Naar aanleiding van dit herzieningsonderzoek dient de productgroep in twee aparte productgroepen te worden gesplitst. |
|
(3) |
Beschikking 2001/688/EG dient derhalve te worden vervangen door twee aparte beschikkingen voor respectievelijk bodemverbeteraars en groeimedia. |
|
(4) |
Wat bodemverbeteraars betreft dienen in het licht van de herziening, teneinde rekening te houden met wetenschappelijke ontwikkelingen en de ontwikkelingen op de markt, tevens de criteria en eisen inzake bodemverbeteraars, waarvan de geldigheidsduur op 28 augustus 2007 verstrijkt, te worden herzien. |
|
(5) |
De herziene milieucriteria en eisen dienen gedurende een periode van vier jaar geldig te zijn. |
|
(6) |
Er dient een overgangsperiode van niet meer dan 18 maanden te worden toegestaan voor producenten aan wier producten de milieukeur vóór 1 oktober 2006 is toegekend of die vóór die datum een aanvraag voor de toekenning daarvan hebben ingediend, zodat zij voldoende tijd hebben om hun producten zodanig aan te passen dat ze aan de herziene criteria en eisen voldoen. |
|
(7) |
De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De productgroep Bodemverbeteraars omvat materialen die in situ aan de bodem worden toegevoegd, in eerste instantie om de fysische eigenschappen op peil te houden of te verbeteren, en die de chemische en/of biologische eigenschappen of activiteit van die bodem kunnen verbeteren.
Artikel 2
Om de communautaire milieukeur voor bodemverbeteraars te kunnen krijgen, moet een product krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 binnen de productgroep Bodemverbeteraars vallen, zoals gedefinieerd in artikel 1, en aan de in de bijlage bij deze beschikking opgenomen milieucriteria voldoen.
Artikel 3
De milieuprestaties van de productgroep Bodemverbeteraars worden beoordeeld aan de hand van de in de bijlage vermelde specifieke milieucriteria.
Artikel 4
Voor administratieve doeleinden wordt aan de productgroep Bodemverbeteraars het codenummer 003 toegekend.
Artikel 5
Beschikking 2001/688/EG wordt ingetrokken.
Artikel 6
Milieukeuren die vóór 1 oktober 2006 zijn toegekend voor producten die binnen de productgroep Bodemverbeteraars en groeimedia vallen, mogen tot en met 30 april 2008 worden gebruikt.
Wanneer vóór 1 oktober 2006 aanvragen zijn ingediend voor de toekenning van de milieukeur voor producten die binnen de productgroep Bodemverbeteraars en groeimedia vallen, mag de milieukeur voor deze producten worden toegekend volgens de voorwaarden die tot 28 augustus 2007 van toepassing zijn. In deze gevallen mag de milieukeur tot en met 30 april 2008 worden gebruikt.
Artikel 7
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 3 november 2006.
Voor de Commissie
Stavros DIMAS
Lid van de Commissie
(1) PB L 237 van 21.9.2000, blz. 1.
(2) PB L 242 van 12.9.2001, blz. 17. Beschikking gewijzigd bij Beschikking 2005/384/EG (PB L 127 van 20.5.2005, blz. 20).
BIJLAGE
KADER
De tests en de bemonsteringen dienen, voor zover van toepassing, te worden uitgevoerd volgens de testmethoden die zijn ontwikkeld door het Technisch Comité CEN 223 „Bodemverbeteraars en groeimedia”, totdat onder auspiciën van CEN-taskforce 151 „Horizontal” ontwikkelde relevante normen van Horizontal beschikbaar komen.
De bemonstering dient te gebeuren volgens de methoden die zijn beschreven door CEN/TC 223 (WG 3), zoals door de CEN gespecificeerd en goedgekeurd in EN 12579: Bodemverbeteraars en groeimedia — Bemonstering. Wanneer er tests of bemonsteringen nodig zijn die niet in deze methoden en bemonsteringstechnieken aan de orde komen, wordt door de bevoegde instantie(s) die de aanvraag beoordeelt (beoordelen) (hierna „de bevoegde instantie” te noemen), aangegeven welke test- en/of bemonsteringsmethoden aanvaardbaar worden geacht.
Eventueel mogen andere testmethoden worden gebruikt, indien deze door de bevoegde instantie als gelijkwaardig worden geaccepteerd. Wanneer er geen tests worden genoemd of wanneer deze voor gebruik met het oog op controle of toezicht worden genoemd, dienen de bevoegde instanties, indien van toepassing, af te gaan op de door de aanvrager verstrekte verklaringen en documentatie en/of onafhankelijke controles.
De bevoegde instanties wordt aangeraden bij de beoordeling van aanvragen en het toezicht op de inachtneming van de criteria in deze bijlage rekening te houden met de toepassing van erkende milieuzorgsystemen, zoals EMAS of ISO 14001. (NB: Toepassing van dergelijke milieuzorgsystemen is niet verplicht).
Deze criteria zijn met name gericht op de bevordering van:
|
— |
het gebruik van hernieuwbare materialen en/of de recycling van organisch materiaal dat afkomstig is van de inzameling en/of verwerking van afval, hetgeen bijdraagt aan de vermindering van de hoeveelheid niet herbruikbaar afval; |
|
— |
de beperking van de aantasting van het milieu of de risico’s van zware metalen en andere gevaarlijke stoffen als gevolg van het gebruik van het product. |
De criteria worden op een zodanig niveau vastgesteld dat wordt bevorderd dat bodemverbeteraars die gedurende de hele levenscyclus van het product een betere milieuprestatie hebben, de milieukeur krijgen.
MILIEUCRITERIA
1. Bestanddelen
De volgende bestanddelen worden toegelaten:
1.1. Organische bestanddelen
Een product komt alleen in aanmerking voor de toekenning van de milieukeur als het geen veen bevat en de organische bestanddelen ervan afkomstig zijn van de verwerking en/of het hergebruik van afvalstoffen (zoals omschreven in Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (1) en in bijlage I bij die richtlijn).
De aanvrager dient de bevoegde instantie de gedetailleerde samenstelling van het product te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan bovenstaande eis wordt voldaan.
1.2. Slib
De producten mogen geen rioolwaterzuiveringsslib bevatten. Ander zuiveringsslib dan rioolwaterzuiveringsslib wordt alleen toegelaten als dit aan de volgende criteria voldoet:
Zuiveringsslib wordt overeenkomstig de Europese lijst van afvalstoffen (zoals opgenomen in Beschikking 2001/118/EG van de Commissie van 16 januari 2001 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen (2) geïdentificeerd als een van de volgende afvalstoffen):
|
0203 05 |
Slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak; de productie van conserven; de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse |
|
0204 03 |
Slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de suikerverwerking |
|
0205 02 |
Slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de zuivelindustrie |
|
0206 03 |
Slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van bakkerijen en de banketbakkersindustrie |
|
0207 05 |
Slib van de behandeling ter plaatse van afvalwater van de productie van alcoholische en niet-alcoholische dranken (exclusief koffie, thee en cacao) |
Zuiveringsslib wordt per individuele bron gescheiden gehouden, hetgeen betekent dat het niet wordt vermengd met afvalwater of slib dat van buiten het specifieke productieproces afkomstig is.
De maximale concentraties van zware metalen in het afval vóór behandeling (mg/kg drooggewicht) moet aan de eisen van criterium 2 voldoen.
Slib moet aan alle andere in deze bijlage vermelde milieukeurcriteria voldoen en wordt in dat geval als voldoende gestabiliseerd en gezuiverd beschouwd.
De aanvrager dient de bevoegde instantie de gedetailleerde samenstelling van het product te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan alle bovenstaande eisen wordt voldaan.
1.3. Anorganische materialen
Anorganische materialen mogen niet worden gewonnen uit:
|
— |
gebieden die krachtens Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (3) als gebied van communautair belang zijn aangewezen; |
|
— |
gebieden van het netwerk Natura 2000, dat bestaat uit de krachtens Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (4) aangewezen speciale beschermingszones en de krachtens Richtlijn 92/43/EEG aangewezen gebieden, of gelijkwaardige buiten de Europese Gemeenschap gelegen gebieden die onder de corresponderende bepalingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit van de Verenigde Naties vallen. |
De aanvrager dient de bevoegde instantie een door de relevante autoriteiten afgegeven verklaring te verstrekken waaruit blijkt dat aan deze eis wordt voldaan.
2. Beperking van gevaarlijke stoffen
In het eindproduct moet het gehalte aan de volgende elementen lager zijn dan onderstaande waarden, gemeten in drooggewicht:
|
Element |
mg/kg (drooggewicht) |
|
Zn |
300 |
|
Cu |
100 |
|
Ni |
50 |
|
Cd |
1 |
|
Pb |
100 |
|
Hg |
1 |
|
Cr |
100 |
|
Mo (*1) |
2 |
|
Se (*1) |
1,5 |
|
As (*1) |
10 |
|
F (*1) |
200 |
NB: Deze grenswaarden zijn van toepassing tenzij de nationale wetgeving stringenter is.
De aanvrager dient de bevoegde instantie de relevante testrapporten te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan deze eis wordt voldaan.
3. Fysische verontreinigingen
In het eindproduct (met een korrelgrootte < 2 mm) moet het gehalte aan glas, metaal en kunststof lager zijn dan 0,5 %, gemeten in drooggewicht.
De aanvrager dient de bevoegde instantie de relevante testrapporten te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan deze eis wordt voldaan.
4. Stikstof
De stikstofconcentratie in het product mag niet hoger zijn dan 3 % N totaal (gewichtsprocent) en de concentratie van anorganische stikstof mag niet hoger zijn dan 20 % van de totale hoeveelheid N (d.w.z. organische N ≥ 80 %).
De aanvrager dient de bevoegde instantie een verklaring te verstrekken dat aan deze eis wordt voldaan.
5. Productkenmerken
|
a) |
De producten moeten in vaste vorm worden geleverd en ten minste 25 gewichtsprocenten droge stof bevatten en ten minste 20 % van het drooggewicht moet bestaan uit organisch materiaal (gemeten als gewichtsverlies bij gloeien). |
|
b) |
De producten mogen geen nadelige gevolgen hebben voor het opkomen of de daaropvolgende groei van planten. |
De aanvrager dient de bevoegde instantie een verklaring te verstrekken dat aan deze eisen wordt voldaan, alsmede de relevante testrapporten en documentatie.
6. Gezondheid en veiligheid
De producten mogen niet meer primaire pathogenen bevatten dan de volgende maximale waarden:
|
— |
Salmonella: afwezig in 25 g; |
|
— |
eitjes van darmparasieten: afwezig in 1,5 g (5); |
|
— |
E. coli: < 1 000 MWA/g (MWA: meest waarschijnlijke aantal) (6). |
De aanvrager dient de bevoegde instantie de relevante testrapporten en documentatie te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan deze eisen wordt voldaan.
7. Levensvatbare zaden/vermeerderingseenheden
Het gehalte van het eindproduct aan onkruidzaden en plantonderdelen van agressief onkruid die zich vegetatief kunnen vermeerderen, mag niet hoger zijn dan 2 eenheden per liter.
De aanvrager dient de bevoegde instantie een verklaring te verstrekken dat aan deze eisen wordt voldaan, alsmede eventuele daarmee samenhangende testrapporten en/of documentatie.
8. Bij het product verstrekte informatie
Bij het product (ongeacht of het verpakt of los wordt verkocht) moet hetzij schriftelijk op de verpakking, hetzij op een begeleidend informatieblad de volgende informatie worden verstrekt:
Algemene informatie
|
a) |
De naam en het adres van de organisatie die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product; |
|
b) |
een aanduiding die het producttype aangeeft, waarin de term „BODEMVERBETERAAR” is opgenomen; |
|
c) |
het codenummer van de charge; |
|
d) |
de hoeveelheid (in gewicht of volume); |
|
e) |
de belangrijkste grondstoffen (meer dan 5 volumeprocent) waarvan het product is vervaardigd. |
Indien van toepassing moet bij het product hetzij op de verpakking, hetzij op een begeleidend informatieblad de volgende informatie over het gebruik van het product worden verstrekt:
|
a) |
de aanbevolen opslagomstandigheden en de aanbevolen uiterste gebruiksdatum; |
|
b) |
instructies voor het veilig hanteren en gebruiken van het product; |
|
c) |
een beschrijving van het doel waarvoor het product bestemd is, en eventuele gebruiksbeperkingen; |
|
d) |
een vermelding van de geschiktheid van het product voor specifieke plantengroepen (bijvoorbeeld kalkschuwende of kalkminnende planten); |
|
e) |
de pH en de verhouding koolstof/stikstof (C/N); |
|
f) |
een vermelding van de stabiliteit van het organische materiaal (stabiel of zeer stabiel), gerelateerd aan nationale of internationale normen; |
|
g) |
een vermelding van de aanbevolen wijze van gebruik; |
|
h) |
bij hobbygebruik: de aanbevolen op te brengen hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram of liter product per oppervlakte-eenheid (m2) per jaar. |
Delen van deze informatie mogen alleen worden weggelaten als de aanvrager daar een bevredigende motivering voor geeft.
NB: Deze informatie wordt verstrekt tenzij in de nationale wetgeving anders wordt bepaald.
Gedetailleerde informatie
|
Parameter |
Testmethoden |
|||
|
Hoeveelheid |
EN 12580 |
|||
|
Gehalte aan organisch materiaal en as |
EN 13039 |
|||
|
N totaal |
prEN 13654/1-2 |
|||
|
Verhouding koolstof/stikstof (C/N) |
C/N (*2) |
|||
|
pH |
EN 13037 |
|||
|
Zware metalen (Cd, Cr, Cu, Pb, Ni, Zn) |
EN 13650 |
|||
|
Hg |
ISO 16772 |
|||
|
Gehalte aan vocht/droge stof |
EN 13040 |
|||
|
Salmonella |
ISO 6579 |
|||
|
Eitjes van darmparasieten |
prXP X 33-017 |
|||
|
E. coli |
ISO 11866-3 |
|||
|
Test op stabiliteit/rijpheid (bij de resultaten vermelden welke test is uitgevoerd) |
n.b. |
|||
|
||||
9. Informatie op de milieukeur
Het tweede kader van de milieukeur dient de volgende tekst te bevatten:
|
— |
draagt bij aan de vermindering van bodem- en waterverontreiniging; |
|
— |
bevordert de recycling van materialen; |
|
— |
draagt bij tot een betere vruchtbaarheid van de bodem. |
(1) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 47. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(2) PB L 47 van 16.2.2001, blz. 1.
(3) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.
(4) PB L 59 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).
(*1) Gegevens over de aanwezigheid van deze elementen zijn alleen nodig voor producten die materiaal bevatten dat van industriële processen afkomstig is.
(5) Wanneer het organische materiaal in het product niet uitsluitend afkomstig is van groen, tuin- of plantsoenafval.
(6) Wanneer het organische materiaal in het product uitsluitend afkomstig is van groen, tuin- of plantsoenafval.
|
Koolstof |
= |
organisch materiaal (EN 13039) × 0,58. |