|
6.8.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205/3 |
VERORDENING (EG) Nr. 1292/2005 VAN DE COMMISSIE
van 5 augustus 2005
tot wijziging van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft diervoeding
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name op artikel 23, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat voorschriften voor het vervoederen van eiwitten, afkomstig van dieren, teneinde de verspreiding van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij dieren te voorkomen. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 999/2001 verbiedt het gebruik van bepaalde dierlijke eiwitten in de voeding van landbouwhuisdieren omdat die eiwitten TSE-infectiviteit kunnen vertonen dan wel de opsporing van geringe hoeveelheden mogelijk met TSE's besmette eiwitten in diervoeders kunnen storen. Bij die verordening is ook een nultolerantie voor verboden dierlijke bestanddelen in diervoeders ingevoerd. |
|
(3) |
Richtlijn 2003/126/EG van de Commissie van 23 december 2003 inzake de analysemethoden voor de bepaling van bestanddelen van dierlijke oorsprong in het kader van de officiële controle van diervoeders (2) bepaalt dat de officiële analyses van diervoeders in het kader van de officiële controle op de aanwezigheid en de identificatie van, of de schatting van het gehalte aan, bestanddelen van dierlijke oorsprong in diervoeders overeenkomstig die richtlijn moeten worden uitgevoerd. Uit proficiency tests die overeenkomstig die richtlijn onder laboratoria zijn uitgevoerd door het Instituut voor referentiematerialen en -metingen (IRMM-JRC) van de Commissie is gebleken dat de laboratoria geringe hoeveelheden zoogdiereiwitten in diervoeders nu aanzienlijk beter kunnen opsporen. |
|
(4) |
Als gevolg van die verbeterde prestaties van de laboratoria zijn met name in knol- en wortelgewassen onvoorziene botfragmenten aangetroffen. Er is wetenschappelijk aangetoond dat contaminatie van die gewassen met in de bodem aanwezige botfragmenten niet te vermijden is. Zendingen gecontamineerde knol- en wortelgewassen moeten worden verwijderd overeenkomstig Richtlijn 95/53/EG van de Raad van 25 oktober 1995 tot vaststelling van de beginselen inzake de organisatie van de officiële controles op het gebied van diervoeding (3) en moeten daarom vaak worden vernietigd. Om te voorkomen dat de toepassing van die richtlijn disproportioneel wordt, moet het de lidstaten worden toegestaan een risicobeoordeling omtrent de aanwezigheid van dierlijke bestanddelen in knol- en wortelgewassen uit te voeren alvorens te besluiten of er sprake is van een overtreding van het voederverbod. |
|
(5) |
Op 25 en 26 mei 2000 heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep (WS) een geactualiseerde versie goedgekeurd van het rapport en advies over de veiligheid van uit runderhuiden verkregen gehydrolyseerde eiwitten dat de WS op zijn bijeenkomst van 22 en 23 oktober 1998 had goedgekeurd. De voorwaarden waaronder gehydrolyseerde eiwitten overeenkomstig dat advies als veilig kunnen worden beschouwd, zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (4). Sinds 1 mei 2004 zijn die voorwaarden ook van toepassing op gehydrolyseerde eiwitten die uit derde landen worden ingevoerd. Daarom dient het vervoederen van gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van huiden van herkauwers aan herkauwers niet langer verboden te worden. |
|
(6) |
In zijn advies van 17 september 1999 inzake hergebruik binnen dezelfde soort en nogmaals in zijn advies van 27 en 28 november 2000 over de wetenschappelijke basis voor het verbod op het gebruik van dierlijke eiwitten in alle voeder voor landbouwhuisdieren heeft de WS verklaard dat er geen aanwijzingen zijn dat TSE's van nature voorkomen bij niet-herkauwende landbouwhuisdieren die voor de voedselproductie worden gehouden, zoals varkens en pluimvee. Aangezien verder de controle op het verbod op dierlijke eiwitten berust op het aantonen van bot en spierweefsel in diervoeders, zullen van niet-herkauwers afkomstige bloedproducten en gehydrolyseerde eiwitten geen problemen opleveren voor de controle op de aanwezigheid van mogelijk met TSE's besmette eiwitten. Daarom moeten de beperkingen op het vervoederen van bloedproducten en gehydrolyseerde eiwitten van niet-herkauwers aan landbouwhuisdieren worden versoepeld. |
|
(7) |
De voorwaarden voor het vervoeren, opslaan en verpakken van diervoeders in bulk die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, moeten duidelijker worden. |
|
(8) |
Om de kwaliteit van de officiële controles op peil te houden of te verbeteren moeten de vakbekwaamheid en opleiding van het laboratoriumpersoneel permanent geëvalueerd worden. |
|
(9) |
Verordening (EG) nr. 999/2001 moet dus dienovereenkomstig worden gewijzigd. Om praktische redenen en voor de duidelijkheid moet de gewijzigde bijlage IV in zijn geheel worden vervangen. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 september 2005.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 augustus 2005.
Voor de Commissie
Markos KYPRIANOU
Lid van de Commissie
(1) PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 260/2005 van de Commissie (PB L 46 van 17.2.2005, blz. 31).
(2) PB L 339 van 24.12.2003, blz. 78.
(3) PB L 265 van 8.11.1995, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 234 van 1.9.2001, blz. 55).
(4) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 416/2005 van de Commissie (PB L 66 van 12.3.2005, blz. 10).
BIJLAGE
Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt vervangen door de volgende tekst:
„BIJLAGE IV
DIERVOEDERS
I. Uitbreiding van het verbod van artikel 7, lid 1
De verbodsbepalingen van artikel 7, lid 1, gelden ook voor het vervoederen:
|
a) |
aan landbouwhuisdieren, met uitzondering van vleesetende pelsdieren, van
|
|
b) |
aan herkauwers, van dierlijke eiwitten en diervoeders die dergelijke eiwitten bevatten. |
II. Afwijkingen van de verbodsbepalingen van artikel 7, leden 1 en 2, en specifieke voorwaarden voor de toepassing van die afwijkingen
|
A. |
De verbodsbepalingen van artikel 7, leden 1 en 2, gelden niet voor:
|
|
B. |
Voor het gebruik van vismeel als bedoeld in punt A, onder b) i), en vismeel bevattende diervoeders in de voeding van niet-herkauwende landbouwhuisdieren, afgezien van vleesetende pelsdieren, gelden de volgende voorwaarden:
|
|
C. |
Voor het gebruik van dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat zoals bedoeld in punt A, onder b) ii), en diervoeders die die producten bevatten, in de voeding van niet-herkauwende landbouwhuisdieren, afgezien van vleesetende pelsdieren, gelden de volgende voorwaarden:
|
|
D. |
Voor het gebruik van bloedproducten zoals bedoeld in punt A, onder b) iii), bloedmeel als bedoeld in punt A, onder c), en diervoeders die die producten bevatten, in de voeding van niet-herkauwende landbouwhuisdieren respectievelijk vis gelden de volgende voorwaarden:
|
III. Algemene uitvoeringsvoorwaarden
|
A. |
Deze bijlage is van toepassing onverminderd Verordening (EG) nr. 1774/2002. |
|
B. |
De lidstaten houden lijsten bij van:
|
|
C. |
|
|
D. |
Diervoeders, met inbegrip van voeder voor gezelschapsdieren, die bloedproducten afkomstig van herkauwers of verwerkte dierlijke eiwitten, met uitzondering van vismeel, bevatten, mogen niet geproduceerd worden in inrichtingen die diervoeders voor landbouwhuisdieren, afgezien van diervoeders voor vleesetende pelsdieren, produceren. De opslag, het vervoer en de verpakking van diervoeders, met inbegrip van voeder voor gezelschapsdieren, die bloedproducten afkomstig van herkauwers of verwerkte dierlijke eiwitten, met uitzondering van vismeel, bevatten, vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor diervoeders in bulk voor landbouwhuisdieren, afgezien van diervoeders voor vleesetende pelsdieren. Voeders voor gezelschapsdieren en diervoeders voor vleesetende pelsdieren, die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat zoals bedoeld in deel II, punt A, onder b) ii), bevatten, en bloedproducten zoals bedoeld in deel II, punt A, onder b) iii), worden vervaardigd en vervoerd overeenkomstig deel II, punt C, onder a) en c), respectievelijk punt D, onder c) en e). |
|
E. |
De punten 2 en 3 zijn niet van toepassing op:
|
|
F. |
De bevoegde autoriteit zorgt in de hele productie- en distributieketen voor controles van de documenten en fysieke controles, inclusief tests op diervoeders, overeenkomstig Richtlijn 95/53/EG, teneinde de naleving van die richtlijn en van deze verordening te controleren. Ingeval verboden dierlijke eiwitten worden aangetroffen, is Richtlijn 95/53/EG van toepassing. De bevoegde autoriteit controleert op gezette tijden de prestaties van de laboratoria die de analyses voor deze officiële controles verrichten, met name door de resultaten van ringonderzoeken te evalueren. Als de prestaties niet toereikend worden geacht, wordt als minimum gezorgd voor bij- en nascholing van het laboratoriumpersoneel om de situatie te corrigeren.”. |