17.2.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 46/7


VERORDENING (EG) Nr. 258/2005 VAN DE RAAD

van 14 februari 2005

tot wijziging van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 348/2000 inzake de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Kroatië en Oekraïne

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”), en met name artikel 11, leden 3 en 7,

Gelet op het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Vorig onderzoek en thans geldende maatregelen

(1)

Thans gelden ten aanzien van de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal van oorsprong uit Kroatië en Oekraïne definitieve antidumpingrechten, die werden ingesteld bij Verordening (EG) nr. 348/2000 (2). Van een Kroatische exporteur werd bij Besluit 2000/137/EG van de Commissie (3) een verbintenis aanvaard. Het recht bedraagt voor Kroatië 23 % en voor Oekraïne 38,5 %.

2.   Inleiding van het onderzoek

(2)

Op 23 november 2002 maakte de Commissie in een bericht van inleiding in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (4) bekend dat een tussentijdse procedure zou worden ingeleid voor de herziening van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of niet-gelegeerd staal, uit Kroatië en Oekraïne, en startte zij een onderzoek.

(3)

Het onderzoek werd geopend naar aanleiding van een klacht die was ingediend door het Defence Committee of the Seamless Steel Tube Industry of the European Union, namens producenten die meer dan 75 % van de productie in de Gemeenschap vertegenwoordigen.

(4)

Ook op 23 november 2002 werd een herzieningsprocedure geopend ten aanzien van de maatregelen betreffende de invoer van hetzelfde product (buizen en pijpen van ijzer of niet-gelegeerd staal) uit Polen, Rusland, Tsjechië, Roemenië en Slowakije (5). De maatregelen tegen Polen, Tsjechië en Slowakije zijn vervallen als gevolg van de uitbreiding van de EU op 1 mei 2004. Krachtens Verordening (EG) nr. 1322/2004 (6) worden de maatregelen ten aanzien van naadloze buizen en pijpen uit Rusland en Roemenië met ingang van 21 juli 2004 tijdelijk niet toegepast. De herzieningsprocedure ten aanzien van die maatregelen is nog aan de gang.

3.   Partijen bij de procedure

(5)

De Commissie heeft de producenten/exporteurs in Kroatië en Oekraïne, de haar bekende belanghebbende producenten, importeurs, leveranciers en gebruikers in de Gemeenschap en de autoriteiten van Kroatië en Oekraïne officieel van de opening van het onderzoek in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken om te worden gehoord binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn.

(6)

De Commissie heeft een vragenlijst gezonden aan alle haar bekende belanghebbenden en andere ondernemingen die zich bekend hadden gemaakt binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn. Antwoord werd ontvangen van vijf producenten in de Gemeenschap, één importeur, één producent/exporteur in Kroatië, drie producenten/exporteurs in Oekraïne en drie met de Oekraïense producenten verbonden handelaars.

(7)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping en schade nodig had, ingewonnen en geverifieerd en heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld bij de volgende bedrijven:

a)

Producenten in de Gemeenschap

Dalmine Spa, Italië

Productos Tubulares SA, Spanje

Tubos Reunidos SA, Spanje

Vallourec & Mannesmann, Duitsland

Vallourec & Mannesmann, Frankrijk

b)

Niet-verbonden importeurs in de Gemeenschap

Comercial de Tubos SA, Spanje

c)

Producenten/exporteurs in Kroatië

Mechel Željezara Ltd, Sisak

d)

Producenten/exporteurs in Oekraïne

CJSC Nikopolsky seamless tubes plant Nikotube, Nikopol

Dnipropetrovsk Tube Works (DTW), Dnipropetrovsk

OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP), Dnipropetrovsk

e)

Verbonden handelaars in Oekraïne

Time Ltd, Dnipropetrovsk

SGIP Interpipe, Dnipropetrovsk

f)

Verbonden handelaar in Zwitserland

SEPCO, Lugano.

4.   Onderzoektijdvak

(8)

Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2001 tot en met 30 september 2002 (het „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 1999 tot het einde van het onderzoektijdvak (de „beoordelingsperiode”).

5.   Betrokken product en soortgelijk product

5.1.   Betrokken product

(9)

De onderzochte producten zijn:

a)

naadloze buizen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, van de soort gebruikt voor olie- of gasleidingen, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm;

b)

naadloze buizen met rond profiel, van ijzer of niet-gelegeerd staal, koudgetrokken of koudgewalst;

c)

andere buizen met rond profiel, van ijzer of van niet-gelegeerd staal, met een uitwendige diameter van niet meer dan 406,4 mm, van oorsprong uit Kroatië en Oekraïne (het betrokken product), ingedeeld onder de GN-codes ex 7304 10 10 , ex 7304 10 30 , 7304 31 99 , 7304 39 91 en 7304 39 93 .

(10)

Het onderzoek heeft uitgewezen dat al deze categorieën voldoende vergelijkbaar zijn om als één enkel product te worden beschouwd, zoals ook het geval was bij het oorspronkelijke onderzoek. Derhalve worden in het kader van dit antidumpingonderzoek alle typen van het betrokken product als één enkel product beschouwd.

5.2.   Soortgelijk product

(11)

Zoals ook bij het vorige onderzoek het geval was, werden er geen verschillen vastgesteld tussen het uit Kroatië en Oekraïne ingevoerde product en de naadloze buizen en pijpen die in Kroatië worden vervaardigd en daar op de binnenlandse markt worden verkocht.

(12)

Evenmin werden verschillen gevonden tussen het uit Kroatië en Oekraïne ingevoerde product en de naadloze buizen en pijpen die door de EG-producenten worden vervaardigd en op de markt van de Gemeenschap worden verkocht. Al deze producten hebben dezelfde fysieke en chemische kenmerken en worden voor dezelfde doeleinden gebruikt. Al deze producten voldoen aan industrienormen als DIN, API of ASTM. Derhalve zijn deze producten soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

B.   DUMPING

1.   Kroatië

1.1.   Samenwerking

(13)

Eén producent/exporteur uit Kroatië, Mechel Željezara Ltd, was goed voor de gehele uitvoer van het betrokken product uit dat land naar de Gemeenschap. Mechel Željezara Ltd is de nieuwe naam van het bedrijf dat aan het oorspronkelijke onderzoek meewerkte onder de naam Željezara Sisak d.d., maar sinds de instelling van de geldende maatregelen tweemaal officieel van naam is veranderd in verband met een eigendomswisseling (7).

(14)

Bij het oorspronkelijke onderzoek was van Mechel Željezara Ltd onder de oorspronkelijke naam een verbintenis aanvaard (8). Omdat het herzieningsonderzoek werd gestart om de hoogte en de vorm van de maatregelen opnieuw te bezien, had het onderzoek tevens betrekking op deze verbintenis (zie de overwegingen 135, 136 en 137).

1.2.   Normale waarde

(15)

Eerst werd vastgesteld of de totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product door Mechel Željezara Ltd representatief was in vergelijking met de totale verkoop voor uitvoer naar de Gemeenschap. Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd de binnenlandse verkoop representatief geacht omdat de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5 % bedroeg van de naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheid.

(16)

Door de betrokken producttypen te analyseren overeenkomstig de GN-codes waaronder het product is ingedeeld, werd vervolgens onderzocht of de binnenlandse verkoop van elk producttype representatief is. De binnenlandse verkoop van een bepaald producttype werd voldoende representatief geacht wanneer de totale binnenlandse verkoop van dat type gedurende het onderzoektijdvak ten minste 5 % bedroeg van de totale export van het vergelijkbare producttype naar de Gemeenschap. Voor alle door het bedrijf naar de Gemeenschap verkochte producttypen bleek dat er representatieve verkoop plaatsvond op de binnenlandse markt.

(17)

Ook werd onderzocht of de binnenlandse verkoop van elk producttype in het kader van normale handelstransacties had plaatsgevonden, en wel door het aandeel winstgevende verkooptransacties van het betrokken type aan onafhankelijke afnemers vast te stellen. Wanneer de verkoop van een producttype dat was verkocht tegen een nettoverkoopprijs die gelijk was aan of hoger was dan de kostprijs per eenheid, meer bedroeg dan 80 % van de totale omvang van de verkoop van dat type, en de gewogen gemiddelde prijs van dat type gelijk was aan of hoger was dan de kostprijs per eenheid, werd de normale waarde gebaseerd op de prijzen van de gehele, al dan niet winstgevende binnenlandse verkoop van dat type in het onderzoektijdvak. Dit was het geval voor twee producttypen.

(18)

Indien de winstgevende verkoop van een producttype 80 % of minder, maar ten minste 10 % van de totale verkoop van dat type bedroeg, of wanneer de gewogen gemiddelde prijs van dat type lager was dan de kostprijs per eenheid, werd de normale waarde gebaseerd op de gewogen gemiddelde waarde van uitsluitend de winstgevende binnenlandse verkoop van dat type. Dit was het geval voor één producttype.

(19)

Van de binnenlandse verkoop van het vierde producttype bleek minder dan 10 % in het onderzoektijdvak winstgevend te zijn. De conclusie was daarom dat de verkoop van dit producttype niet voldoende was om een geschikte basis te bieden voor de vaststelling van de normale waarde. Een andere methode moest daarom worden toegepast. In dit geval werd de normale waarde geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. De normale waarde werd geconstrueerd door aan de fabricagekosten (waar nodig aangepast) van het uitgevoerde producttype een redelijk percentage toe te voegen voor verkoopkosten, algemene kosten en administratieve kosten, alsmede een redelijke winstmarge. Dit werd gedaan op basis van reële gegevens inzake productie van het soortgelijke product en verkoop ervan in het kader van normale handelstransacties door de onderzochte producent/exporteur, overeenkomstig de eerste zin van artikel 2, lid 6, van de basisverordening.

1.3.   Exportprijs

(20)

Uit het onderzoek bleek dat de exportverkopen van Mechel Željezara Ltd uitsluitend naar niet-verbonden afnemers in de Gemeenschap gingen.

(21)

De exportprijs werd daarom vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, dat wil zeggen op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs waartegen het product voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap werd verkocht.

1.4.   Vergelijking

(22)

De normale waarde en de exportprijs werden vergeleken af fabriek. Om een billijke vergelijking te kunnen maken van de normale waarde met de exportprijs werden correcties toegepast voor verschillen die gevolgen hadden voor de vergelijkbaarheid van de prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening.

(23)

Waar van toepassing en met gecontroleerd bewijsmateriaal gestaafd, werden de gevraagde correcties toegepast voor verschillen in de kosten voor vervoer, op- en overslag, laden en lossen en aanverwante kosten en krediet en commissies.

1.5.   Dumpingmarge

(24)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de aangepaste gewogen gemiddelde normale waarde per producttype vergeleken met de aangepaste gewogen gemiddelde exportprijs van elk overeenkomstig type van het betrokken product.

(25)

Uit deze vergelijking bleek dat er sprake was van dumping. De dumpingmarge, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, is als volgt:

Mechel Željezara Ltd

38,9 %

(26)

Deze dumpingmarge is lager dan de dumpingmarge die bij het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld. Omdat in ruime mate medewerking werd verleend (voor de volledige uitvoer van het betrokken product uit Kroatië naar de Gemeenschap), werd de residuele dumpingmarge vastgesteld op hetzelfde peil als voor Mechel Željezara Ltd, namelijk 38,9 %.

2.   Oekraïne

2.1.   Status van marktgericht bedrijf

(27)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening wordt de normale waarde bij antidumpingonderzoeken inzake invoer uit Oekraïne bepaald volgens de leden 1 tot en met 6 van dat artikel voor producenten/exporteurs die konden aantonen dat zij voldoen aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening, namelijk dat zij het soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen.

(28)

Voor het gemak van verdere verwijzing worden deze criteria hieronder kort samengevat:

1.

Zakelijke besluiten en kosten worden vastgesteld in reactie op signalen van de markt, zonder staatsinmenging van betekenis.

2.

Bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen (IAS) en die alle terreinen bestrijkt.

3.

Er zijn geen verstoringen van betekenis die voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie.

4.

Het juridisch kader en de stabiliteit zijn verzekerd door faillissements- en eigendomswetgeving.

5.

De omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

(29)

Verzoeken om toekenning van de status van marktgericht bedrijf overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder b), werden ontvangen van twee groepen bedrijven:

a)

het productiebedrijf Dnipropetrovsk Tube Works (DTW) en de daarmee verbonden handelaar in Oekraïne, Time Ltd;

b)

de verbonden productiebedrijven OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP) en CJSC Nikopolsky Seamless Tubes Plant „Nikotube” en de daarmee verbonden handelaar in Oekraïne SGIP Interpipe.

(30)

Deze verzoeken werden beoordeeld aan de hand van de vijf criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening.

(31)

Voor de eerste groep bleken de rekeningen van het productiebedrijf onbetrouwbaar als gevolg van materiële onnauwkeurigheden en onjuiste toepassing van het boekhoudingsbeleid bedoeld in IAS 1. Ook bleek dat dit bedrijf insolvent was en tot een categorie ondernemingen behoorde die krachtens de faillissementswet een speciale status had, die inhield dat voor het functioneren van dergelijke ondernemingen geen rechtszekerheid wordt geboden. Vastgesteld werd derhalve dat deze groep bedrijven niet aan het tweede en het vierde criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldeed.

(32)

Wat de tweede groep betreft werd vastgesteld dat de twee productiebedrijven niet beschikten over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt, aangezien beide bedrijven verschillende boekhoudingen voerden voor uiteenlopende doeleinden. Bovendien bleek dat de kostenstructuur en de financiële situatie van de groep werden beïnvloed door verstoringen van betekenis die voortvloeiden uit het vroegere systeem zonder markteconomie, namelijk rentevrije leningen die door de staat niet worden ingevorderd, kwijtschelding van aanzienlijke schulden, alsmede belastingschulden. Vastgesteld werd derhalve dat deze groep bedrijven niet aan het tweede en het derde criterium van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldeed.

(33)

Omdat de status van marktgericht bedrijf uitsluitend kan worden verleend aan bedrijven die aan alle vijf criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldoen en dit voor deze bedrijven niet het geval is, werd deze status aan beide groepen bedrijven geweigerd.

(34)

Beide groepen bedrijven voerden aan dat de Commissie haar vaststelling inzake hun verzoek om de status van marktgericht bedrijf niet had verricht binnen de in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening genoemde termijn van drie maanden, en dat deze vaststelling daarom ongeldig is. In dit verband wordt aangetekend dat de Commissie voor de betrokken Oekraïense producenten/ exporteurs, die grote moeilijkheden hadden met het invullen van de formulieren voor het verzoek om toekenning van de status van marktgericht bedrijf binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn, verschillende malen uitstel heeft gegund. De verzoeken om de status van marktgericht bedrijf waren bovendien onvolledig, waardoor aanzienlijke verduidelijkingen en aanvullende gegevens moesten worden opgevraagd, wat het onderzoek vertraagde. Tot slot werd de analyse verlengd door de complexiteit van een aantal kwesties, zoals de structuur en de verkoopkanalen van de ondernemingen en de ernstige problemen met hun rekeningen. Om deze redenen kon de vaststelling inzake de verzoeken om toekenning van de status van marktgericht bedrijf niet worden verricht binnen drie maanden na de inleiding.

(35)

In dit verband wordt opgemerkt dat de niet-naleving van deze termijn geen kennelijke juridische gevolgen heeft, aangezien de ondernemingen ook de gelegenheid hebben gekregen om opmerkingen te maken. Door bovengenoemde groepen bedrijven is niet aangevoerd dat zij van de langere termijn die voor de vaststelling inzake de status van marktgericht bedrijf nodig was, enige negatieve gevolgen hadden ondervonden.

(36)

Gezien het bovenstaande luidt de conclusie dat een geldige vaststelling inzake de status van marktgericht bedrijf ook kan worden verricht na de periode van drie maanden. De verzoeken van de betrokken groepen bedrijven werden dan ook afgewezen.

(37)

De bevindingen van de Commissie werden voorts door beide groepen bedrijven betwist; er werden echter geen argumenten aangevoerd die zodanig zijn dat de vaststelling inzake de status van marktgericht bedrijf dient te worden gewijzigd.

(38)

De bedrijfstak van de Gemeenschap werd in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken, maar betwistte de genoemde bevindingen niet.

2.2.   Individuele behandeling

(39)

Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening wordt voor landen waarop artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening van toepassing is, indien er een recht wordt vastgesteld, een voor het gehele land geldend recht berekend, behalve voor ondernemingen die kunnen aantonen dat hun exportprijzen en -hoeveelheden, evenals de verkoopvoorwaarden die zij toepassen, vrij tot stand komen, dat marktconforme wisselkoersen worden toegepast en dat een eventuele bemoeienis van de staat niet van dien aard is dat maatregelen kunnen worden ontdoken indien voor verschillende exporteurs verschillende rechten gelden.

(40)

De Oekraïense producenten/exporteurs die niet voldeden aan de criteria voor behandeling als marktgericht bedrijf, verzochten ook, als alternatief, om een individuele behandeling in de zin van artikel 9, lid 5, van de basisverordening. De Commissie verzamelde en controleerde daarom alle gegevens die zij nodig achtte om te kunnen vaststellen of de twee groepen bedrijven in aanmerking kwamen voor een individuele behandeling. Beide groepen bedrijven bleken te voldoen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 5, van de basisverordening en een individuele behandeling werd derhalve gerechtvaardigd geacht.

2.3.   Referentieland

(41)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening wordt de normale waarde voor producenten/exporteurs aan wie geen behandeling als marktgericht bedrijf is toegekend, vastgesteld aan de hand van de prijs of de geconstrueerde waarde in een referentieland voor producten die vergelijkbaar zijn met de producten die de Oekraïense producenten/exporteurs naar de Gemeenschap uitvoeren.

(42)

Het referentieland voor het oorspronkelijke onderzoek was Kroatië. In het bericht van inleiding werd voorgesteld opnieuw Kroatië te kiezen als referentieland voor de vaststelling van de normale waarde voor Oekraïne. Aangezien geen van de belanghebbenden hiertegen bezwaar maakten, is voor dit onderzoek besloten opnieuw voor Kroatië te kiezen als referentieland.

2.4.   Normale waarde

(43)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor Oekraïne vastgesteld aan de hand van de gecontroleerde gegevens van de enige producent in het referentieland, dat wil zeggen op basis van alle op de binnenlandse markt van Kroatië betaalde of te betalen prijzen voor vergelijkbare producttypen, of op basis van de geconstrueerde waarde in Kroatië voor vergelijkbare producttypen. Bij het vaststellen van de normale waarde voor Kroatië werd de methode gebruikt die wordt omschreven in de overwegingen 15 tot en met 19.

(44)

Er werd vastgesteld dat er voor het producttype dat is ingedeeld onder GN-code 7304 31 99 (koudgetrokken of koudgewalste buizen) geen binnenlandse productie in Kroatië plaatsvond. In totaal waren deze producten goed voor slechts 6,2 % van de Oekraïense uitvoer van het betrokken product naar de Gemeenschap. Voor één van de groepen bedrijven vertegenwoordigde de uitvoer van dit producttype naar de Gemeenschap echter circa 40 % van de totale export van het betrokken product naar de Gemeenschap.

(45)

Aan de hand van de beschikbare gegevens werd geconcludeerd dat de andere producttypen waarop het onderzoek betrekking heeft, niet vergelijkbaar waren met dit producttype, en dat constructie van de normale waarde voor dit producttype op basis van de andere producttypen geen betrouwbaar cijfer zou opleveren. Als gevolg van een complexer fabricageproces bleek ook dat de normale waarde van dit producttype aanzienlijker hoger zou zijn dan de normale waarde van de andere producttypen. Hoewel de exportprijzen van koudgetrokken of koudgewalste buizen gemiddeld hoger waren dan de exportprijzen van de andere producttypen, zou opneming van dit producttype in de berekeningen naar alle waarschijnlijkheid een hogere dumpingmarge opleveren. Omdat de schademarge aanzienlijk lager is dan de dumpingmarge die zonder de inaanmerkingneming van dit producttype is vastgesteld (zie overweging 127), wordt de schademarge als basis genomen voor de vaststelling van de hoogte van de maatregelen. In verband hiermee was het niet nodig deze zaak nader te onderzoeken. Het onder GN-code 7304 31 99 ingedeelde producttype werd daarom van de berekeningen uitgesloten.

2.5.   Exportprijs

(46)

De exportverkopen naar de Gemeenschap van beide groepen Oekraïense bedrijven vonden alle plaats via een verbonden handelsonderneming in een derde land. Overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening werd de exportprijs derhalve geconstrueerd op basis van de prijs waartegen de verbonden handelsonderneming de producten voor het eerst wederverkocht aan een onafhankelijke afnemer in de Gemeenschap.

2.6.   Vergelijking

(47)

Om een billijke vergelijking te kunnen maken tussen de normale waarde en de exportprijs werden correcties toegepast voor verschillen waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Deze correcties vonden in voorkomend geval plaats overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening voor verschillen in kosten voor vervoer, verzekering, laden, lossen, op- en overslag, aanverwante kosten en commissies. De correcties van de exportprijs voor binnenlands vervoer in het land van uitvoer, verzekering, laden en aanverwante kosten werden verricht op basis van de kosten die in het referentieland werden vastgesteld.

(48)

De vergelijking van de normale waarde met de exportprijs vond plaats in het stadium af fabriek.

2.7.   Dumpingmarge

(49)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de aangepaste gewogen gemiddelde normale waarde per producttype, vastgesteld voor de producent Mechel Željezara Ltd in het referentieland, vergeleken met de aangepaste gewogen gemiddelde exportprijs van elk overeenkomstig type van het betrokken product.

(50)

Uit deze vergelijking bleek dat er sprake was van dumping. De dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Dnipropetrovsk Tube Works, Dnipropetrovsk

91,0 %

OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant, Dnipropetrovsk, en CJSC Nikopolsky seamless tubes plant „Nikotube”, Nikopol

97,3 %

(51)

Omdat in ruime mate medewerking werd verleend (meer dan 80 % van de uitvoer van het betrokken product uit Oekraïne naar de Gemeenschap), werd de residuele marge vastgesteld op hetzelfde peil als voor de medewerkende producenten/exporteurs OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP) en CJSC Nikopolsky seamless tubes plant „Nikotube”, namelijk 97,3 %.

C.   SCHADE

1.   Opmerking ter inleiding

(52)

Zoals het geval was voor dumping, werd er in het kader van het onderzoek naar gestreefd vast te stellen of de omstandigheden met betrekking tot de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zodanig waren gewijzigd dat een andere conclusie dan bij het oorspronkelijke onderzoek gerechtvaardigd was.

2.   Productie in de Gemeenschap

(53)

Gedurende het oorspronkelijke onderzoek behoorden tot de bedrijfstak van de Gemeenschap tien producenten.

(54)

Bij dit herzieningsonderzoek bleek dat naadloze buizen en pijpen worden geproduceerd door:

zes EG-producenten door wie de klacht is ingediend, van wie er vijf de Commissie bij het onderzoek volledige medewerking verleenden; het zesde bedrijf, Pietra (Italië), steunde de procedure, maar gaf geen gedetailleerd antwoord op de vragenlijst;

zes andere producenten steunden de bedrijfstak van de Gemeenschap niet en verleenden ook geen medewerking aan het onderzoek.

(55)

Aan deze producenten werd een vragenlijst gezonden, maar dit leidde er niet toe dat zij medewerking verleenden. Er zijn geen andere producenten van het betrokken product die zich bij de Europese Commissie hebben gemeld.

3.   Omschrijving van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(56)

De productie van de vijf volledig aan het onderzoek medewerkende EG-producenten bedroeg in het onderzoektijdvak 797 456 ton. Dit is meer dan 70 % van de totale productie in de Gemeenschap. Deze ondernemingen vormen daarmee de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening.

4.   Verbruik in de Gemeenschap

(57)

Voor het bepalen van de invoergegevens is gebruik gemaakt van de gegevens van Eurostat over de omvang en de waarde van de invoer van producten vallende onder GN-codes ex 7304 10 10 , ex 7304 10 30 , 7304 31 99 , 7304 39 91 en 7304 39 93 . De gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn afkomstig van de geverifieerde antwoorden op de vragenlijst van de vijf medewerkende EG-producenten.

(58)

Het zichtbare verbruik in de Gemeenschap, dat wil zeggen de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de markt van de Gemeenschap plus de verkoop van andere EG-producenten in de Gemeenschap, laat zien dat het verbruik in de Gemeenschap van het betrokken product steeg van 1 104 619 ton in 1999 tot een piekwaarde van 1 233 357 ton in 2001. Het verbruik nam in het onderzoektijdvak af tot 1 103 805 ton, ofwel iets minder dan het verbruik in 1999.

 

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Verbruik in de Gemeenschap (ton)

1 104 619

1 130 410

1 233 357

1 103 805

Index 1999 = 100

100

102

112

100

5.   Invoer in de Gemeenschap uit de betrokken landen

5.1.   Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer

(59)

Eerst is onderzocht of de invoer uit Kroatië en Oekraïne cumulatief moest worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening.

(60)

De invoer uit de betrokken landen heeft zich wat de omvang en het marktaandeel betreft als volgt ontwikkeld:

Omvang van de invoer (ton)

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Oekraïne

103 477

22 996

37 353

37 683

Index 1999 = 100

100

22

36

36

Kroatië

30 072

24 646

23 893

23 001

Index 1999 = 100

100

82

79

76

Totaal betrokken landen

133 549

47 642

61 246

60 684

Index 1999 = 100

100

36

46

45

Marktaandeel van het ingevoerde product

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Oekraïne

9,4 %

2,0 %

3,0 %

3,4 %

Kroatië

2,7 %

2,2 %

1,9 %

2,1 %

Totaal betrokken landen

12,1 %

4,2 %

5,0 %

5,5 %

Invoer uit andere landen

24,1 %

27,5 %

31,2 %

29,9 %

(61)

Voor de invoer uit elk van de betrokken landen bleken de vastgestelde dumpingmarges (zie de overwegingen 25 en 50) hoger dan het minimale percentage dat is vastgesteld bij artikel 9, lid 3, van de basisverordening. Bovendien was de omvang van de invoer uit elk van deze landen in het onderzoektijdvak, ondanks de geldende maatregelen, niet verwaarloosbaar: het marktaandeel bedroeg 2,1 % voor Kroatië en 3,4 % voor Oekraïne. Het aandeel in de totale invoer liep in het onderzoektijdvak uiteen van 5,9 % voor Kroatië tot 9,6 % voor Oekraïne.

(62)

Een cumulatieve beoordeling bleek gepast, gezien de aard van de concurrentie tussen de uit deze landen ingevoerde producten onderling en tussen de invoer uit deze landen en het in de Gemeenschap vervaardigde product. Dit blijkt uit het feit dat de prijzen van de producten uit beide landen, ondanks de maatregelen, de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak aanzienlijk bleven onderbieden en dat naadloze buizen en pijpen uit beide landen via soortgelijke verkoopkanalen worden verkocht. Bovendien bleek uit het onderzoek dat de ingevoerde producten uit beide landen dezelfde fysieke en chemische kenmerken hebben als het product van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Ten slotte volgen de invoer uit beide betrokken landen en het product van de bedrijfstak van de Gemeenschap dezelfde prijsontwikkelingen (zie de overwegingen 67 en 74).

(63)

Een Kroatische exporteur voerde aan dat de invoer uit Kroatië geen schade veroorzaakt, aangezien het marktaandeel van het Kroatische product minimaal is en er daarom geen cumulatieve beoordeling dient te worden verricht. Zoals eerder gezegd bedroeg de invoer uit Kroatië meer dan het minimale percentage en was deze tijdens het onderzoektijdvak niet verwaarloosbaar. Hoewel de omvang van de invoer uit Oekraïne aan het begin van de beoordelingsperiode aanzienlijk inzakte, volgde de invoer uit beide landen daarna een ruwweg vergelijkbare ontwikkeling.

(64)

Om deze redenen luidt de conclusie dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening is voldaan en dat de gevolgen van de invoer uit Kroatië en Oekraïne derhalve cumulatief moeten worden beoordeeld.

5.2.   Marktaandeel van de ingevoerde producten

(65)

Zoals eerder aangegeven, nam het marktaandeel van het uit de betrokken landen ingevoerde product na de instelling van de maatregelen in 2000 aanzienlijk af, en wel van 12,1 % in 1999 tot 4,2 % in 2000, waarna dit marktaandeel weer steeg en bleef stijgen tot 5,5 % in het onderzoektijdvak.

5.3.   Prijzen van het ingevoerde product en prijsonderbieding

(66)

De verkoopprijzen in de markt van de Gemeenschap gedurende het onderzoektijdvak van enerzijds de bedrijfstak van de Gemeenschap en anderzijds de producenten/exporteurs in de betrokken landen werden vergeleken. Deze vergelijking werd gemaakt tussen de prijzen na aftrek van kortingen en rabatten. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden op het niveau af fabriek gebracht, en de prijzen van de ingevoerde producten waren cif grens Gemeenschap, plus invoerrechten, zonder antidumpingrechten, gecorrigeerd voor het handelsstadium en de kosten van laden, lossen, op- en overslag; de correcties geschiedden aan de hand van informatie die tijdens het onderzoek was verkregen, met name van medewerkende onafhankelijke importeurs.

(67)

Uit de vergelijking bleek dat het ingevoerde product gedurende het onderzoektijdvak in de Gemeenschap werd verkocht tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap als volgt onderboden (uitgedrukt als percentage van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap): Oekraïne 34,1 % en Kroatië 23,3 %. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de antidumpingrechten, is er nog sprake van aanzienlijke onderbieding: Oekraïne 10 % en Kroatië 6,5 %. In de periode van 2000 tot het onderzoektijdvak stegen de gemiddelde prijzen van het ingevoerde product zoals hieronder aangegeven, wat overeenstemt met de algemene prijsontwikkelingen op de EU-markt. Zoals aangegeven in overweging 74, stegen de prijzen van het uit de betrokken landen ingevoerde product echter niet zo sterk als de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

Prijzen ingevoerd product, vóór inklaring (EUR/t)

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Oekraïne

332

341

433

449

Index 1999 = 100

100

103

130

135

Kroatië

461

465

516

523

Index 1999 = 100

100

101

112

113

Gemiddelde Oekraïne en Kroatië

361

405

466

477

Index 1999 = 100

100

112

129

132

6.   Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(68)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een evaluatie van alle economische factoren en indicatoren die gevolgen hebben voor de situatie van deze bedrijfstak vanaf 1999 (basisjaar) tot aan het onderzoektijdvak.

(69)

De onderstaande gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn de gecumuleerde gegevens van de vijf medewerkende producenten in de Gemeenschap.

6.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(70)

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad hebben zich als volgt ontwikkeld:

 

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Productie (ton)

710 029

911 669

928 231

797 456

Index 1999 = 100

100

128

131

112

Productiecapaciteit (ton)

1 117 881

1 183 067

1 140 304

1 094 548

Index 1999 = 100

100

106

102

98

Bezettingsgraad

63,5 %

77,1 %

81,4 %

72,9 %

Index 1999 = 100

100

121

128

115

(71)

Zoals in de tabel te zien is, steeg de productie in de periode 1999-2001 tot in 2001 een piek werd bereikt, waarna de productie in het onderzoektijdvak sterk terugviel. Hoewel de exportverkoop toenam en de terugval van de verkoop in de gemeenschap tot op zekere hoogte compenseerde, kon een afname van de productie en de productiecapaciteit in het onderzoektijdvak niet worden vermeden.

6.2.   Voorraden

(72)

Onderstaande cijfers betreffen de omvang van de voorraden aan het einde van elke periode.

 

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Voorraden (t)

38 753

49 620

49 062

59 287

Index 1999 = 100

100

128

127

153

(73)

De voorraden zijn tijdens de beoordelingsperiode toegenomen. Opgemerkt moet worden dat de bedrijfstak van de Gemeenschap het betrokken product doorgaans op bestelling vervaardigt. De omvang van de voorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap is derhalve bij de beoordeling van de situatie van deze bedrijfstak niet van groot belang. Er werd echter vastgesteld dat de toename van de voorraden ook een gevolg is van de afgenomen verkoop en het ingekrompen marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

6.3.   Omvang van de verkoop, marktaandeel, groei en gemiddelde eenheidsprijzen in de Gemeenschap

(74)

Onderstaande cijfers betreffen de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap.

 

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Verkoop (t)

516 529

573 136

576 850

504 317

Index (1999 = 100)

100

111

112

98

Marktaandeel

46,8 %

50,7 %

46,8 %

45,7 %

Index (1999 = 100)

100

108

100

98

Gemiddelde verkoopprijs (euro/ton)

576

589

659

696

Index (1999 = 100)

100

102

114

121

(75)

De omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam in 1999-2001 met 12 % toe, maar zakte in het onderzoektijdvak weg tot een peil dat nog lager was dan in 1999. De ontwikkeling van de verkoop moet worden bezien in het licht van het verbruik in dezelfde periode, dat in 1999-2001 met 12 % toenam en tijdens het onderzoektijdvak terugviel. De vraag nam in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak echter niet in dezelfde mate af als de omvang van de verkoop.

(76)

Na de instelling van de maatregelen in 2000 kon de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verloren marktaandeel weer terugwinnen. In 1999-2000 steeg het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap van 46,8 % naar 50,7 % van het verbruik in de Gemeenschap. Na deze relatief sterke periode nam het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap echter weer af. In de periode van 2000 tot het onderzoektijdvak nam het aandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap af tot 45,7 % van het verbruik in de Gemeenschap, toen de invoer met dumping opnieuw tot de markt van de Gemeenschap doordrong.

(77)

Door de toegenomen invoer vanaf 2000 en de afnemende verkoop in de Gemeenschap vanaf 2001 kon de bedrijfstak van de Gemeenschap de productie van het betrokken product niet opvoeren. De bedrijfstak zag zich gedwongen de productiecapaciteit en het aantal arbeidsplaatsen in het onderzoektijdvak in te krimpen, omdat de toegenomen uitvoer het verlies van de verkoop op de markt van de Gemeenschap niet kon compenseren.

(78)

De gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam in de beoordelingsperiode toe. De hogere prijzen leidden echter niet tot een voldoende winstgevendheid, zoals hierna in detail wordt beschreven.

6.4.   Winstgevendheid

(79)

Onderstaande cijfers betreffen de winst voor belastingen, ofwel de winst die is behaald door de verkoop van het betrokken product op de markt van de Gemeenschap.

 

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Winstgevendheid EG-verkoop

– 7,8 %

0,1 %

0,3 %

– 0,1 %

(80)

Nadat tegen de invoer van naadloze buizen en pijpen uit Kroatië en Oekraïne antidumpingmaatregelen waren ingesteld, zag de bedrijfstak van de Gemeenschap kans zijn prijzen te verhogen tot in 2000 en 2001 ongeveer het peil werd bereikt waarbij de kosten werden gedekt. De bedrijfstak van de Gemeenschap was echter niet in staat het winstniveau te bereiken dat zonder de invoer met dumping zou kunnen worden verwacht (dat wil zeggen 5 %), overeenkomstig de verordening waarbij de thans geldende maatregelen werden ingesteld. Het winstniveau daalde tijdens het onderzoektijdvak zelfs tot onder het peil waarbij de kosten worden gedekt. De oorzaak dat de winst ondanks de hogere verkoopprijzen toch daalde, was dat de materiaal- en arbeidskosten per eenheid stegen ondanks de inkrimping van de personeelsbezetting in die periode. De bedrijfstak van de Gemeenschap was niet in staat deze kosten aan zijn afnemers door te berekenen, als gevolg van de concurrentie van de laaggeprijsde invoer met dumping.

(81)

Na een licht positieve ontwikkeling in 2000 en 2001 begon de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak weer te verslechteren, wat samenviel met de toename van de invoer met dumping uit Kroatië en Oekraïne. Het in 2001 behaalde winstniveau lag iets boven het peil waarbij de kosten worden gedekt, maar ver onder het peil dat voldoende herinvesteringen mogelijk maakt.

6.5.   Rendement van investeringen, cashflow, investeringen en vermogen kapitaal aan te trekken

(82)

De ontwikkelingen inzake rendement van investeringen, cashflow en investeringen worden in onderstaande tabel getoond.

 

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Rendement van de investeringen

– 13 %

0 %

1 %

0 %

Index 1999 = 100

100

202

204

198

Cashflow

– 13 978 142

5 273 981

5 910 373

4 959 440

Index 1999=100

100

238

242

235

Investeringen

19 320 730

32 691 925

33 056 929

21 087 534

Index 1999=100

100

169

171

109

(83)

Bovenstaande cijfers inzake het rendement van de investeringen weerspiegelen in hoge mate die voor winstgevendheid. Het rendement op de investeringen nam van 1999 tot 2000 toe, maar zakte in de aanloop naar het onderzoektijdvak weer in. De ontwikkelingen inzake de cashflow waren vrijwel dezelfde als voor de winstgevendheid: een piek in 2001, gevolgd door een afname. Aangezien het bij het betrokken product slechts om 1 % van de totale omzet van de producenten in de Gemeenschap gaat en deze producenten hun productielijnen ook gebruiken voor de vervaardiging van diverse andere staalproducten, worden deze cijfers op zich niet betekenisvol geacht. Ze zijn echter wel illustratief voor de ontwikkelingen, aangezien twee van de medewerkende EG-producenten, die veel meer van het betrokken product vervaardigen dan de overige EG-producenten, trends te zien geven die veel lijken op wat is af te lezen aan bovenstaande tabel wat betreft rendement van de investeringen, cashflow en investeringen.

(84)

Na de instelling van de antidumpingmaatregelen in 2000 deed de bedrijfstak van de Gemeenschap een aantal investeringen. Deze investeringen bleken echter in meerderheid te zijn gericht op de vervanging van machines. De investeringen namen in het onderzoektijdvak aanzienlijk af in vergelijking met de voorgaande twee jaren.

(85)

Het vermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om van externe kapitaalverschaffers of de moederonderneming kapitaal aan te trekken, werd niettemin tijdens de beoordelingsperiode niet ernstig aangetast, aangezien het betrokken product slechts 1 % van de omzet van de EG-producenten uitmaakte, en deze producenten hun productielijnen ook inzetten voor de vervaardiging van diverse andere staalproducten.

6.6.   Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

 

1999

2000

2001

Onderzoektijdvak

Aantal werknemers

2 583

2 776

2 622

2 472

Index 1999 = 100

100

107

102

96

Productiviteit (ton/werknemer)

275

328

354

323

Index 1999 = 100

100

119

129

117

Lonen Index 1999 = 100

100

104

106

105

(86)

Zoals hierboven aangegeven vermeerderde de bedrijfstak van de Gemeenschap in 2000 en 2001 zijn productiviteit en het aantal werknemers, omdat de productie in die periode toenam. In het onderzoektijdvak werd het aantal werknemers echter aanzienlijk teruggebracht tot een peil dat beneden dat van 1999 lag. Ook de productiviteit nam af naar aanleiding van de aanzienlijke daling van de productie.

(87)

De lonen waren in de beoordelingsperiode relatief stabiel en volgden slechts de inflatie.

6.7.   Herstel van dumping in het verleden

(88)

Na de instelling van de maatregelen in 2000 kon de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verloren marktaandeel weer terugwinnen en zijn gemiddelde verkoopprijzen op een beter te handhaven niveau brengen. Vanaf 2001 begonnen de financiële prestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap weer te verslechteren. De conclusie luidt derhalve dat de Gemeenschap zich van de dumping in het verleden niet heeft hersteld.

6.8.   Hoogte van de dumpingmarge

(89)

De dumpingmarges zijn vastgesteld in het gedeelte over dumping (overwegingen 25 en 50). Deze marges zijn duidelijk meer dan minimaal. Gezien de omvang van de invoer en de prijzen van het ingevoerde product kunnen de gevolgen van de hoogte van de dumpingmarge bovendien niet als verwaarloosbaar worden beschouwd.

6.9.   Conclusie inzake schade

(90)

Na de instelling van de antidumpingmaatregelen tegen de invoer van het betrokken product uit Kroatië en Oekraïne bleek de bedrijfstak van de Gemeenschap onmiddellijk aan vertrouwen te winnen. In de periode 1999-2001 stegen de gemiddelde prijzen van de verkoop in de Gemeenschap met 14 % en namen de omvang van de verkoop en de productie eveneens toe. De bedrijfstak kon daardoor bepaalde in die tijd noodzakelijke investeringen doen en meer werknemers in dienst nemen.

(91)

De situatie begon echter in het onderzoektijdvak aanzienlijk te verslechteren. De verkoop in de Gemeenschap viel van 2001 tot het onderzoektijdvak met 12 % terug, en de bedrijfstak van de Gemeenschap zag zich gedwongen tot aanzienlijke aanpassingen: terugschroeven van de productie, de productiecapaciteit en het aantal arbeidsplaatsen. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde van 2001 tot het onderzoektijdvak tot beneden het niveau van 1999. Die afnemende trend in het onderzoektijdvak wordt bevestigd door de verminderde bezettingsgraad, de stagnerende loonontwikkeling en de grotere voorraden, waardoor de bedrijfstak zich in een situatie kwam te bevinden die vergelijkbaar was met 1999, toen de maatregelen nog niet waren ingesteld.

(92)

De ontwikkeling van investeringen, rendement op de investeringen en cashflow laat dezelfde trend zien. De lichte verbetering in 2000 en 2001, die ruimschoots onvoldoende was omdat het rendement op de investeringen slechts 1 % bedroeg en de negatieve cashflow ternauwernood weer positief was geworden, werd in het onderzoektijdvak gevolgd door een verslechtering. Doordat de betrokken ondernemingen deel uitmaken van grotere concerns, werd het vermogen van de bedrijfstak om kapitaal aan te trekken niet ernstig aangetast. Dit kan daarom niet worden beschouwd als een betrouwbare indicator van de sector van het betrokken product.

(93)

De financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap ontwikkelde zich als volgt: de bedrijfstak leed in 1999 verlies, in 2000 en 2001 konden slechts min of meer de kosten worden gedekt en in het onderzoektijdvak werd weer verlies geleden.

(94)

Zoals hierboven aangegeven, gaven de indicatoren na 1999, toen de maatregelen werden ingesteld, aanvankelijk een verbetering te zien, maar alle indicatoren, met uitzondering van de verkoopprijzen, verslechterden in het onderzoektijdvak, waaruit duidelijk blijkt dat er sprake is van schade.

(95)

De aanhoudende stijging van de verkoopprijzen in de gehele beoordelingsperiode kon niet tot een voldoende winstgevende situatie leiden, omdat de stijging volledig werd geabsorbeerd door de toenemende productiekosten, met name de grondstofkosten en de arbeidskosten per eenheid. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon deze kosten bovendien niet in voldoende mate aan zijn afnemers doorberekenen, omdat de laaggeprijsde invoer met dumping de markt penetreerde. De winstsituatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap verslechterde daardoor en daalde in het onderzoektijdvak tot beneden het peil waarbij de kosten worden gedekt.

(96)

Gezien het bovenstaande luidt de conclusie dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak nog steeds aanmerkelijke schade leed als bedoeld in artikel 3 van de basisverordening.

D.   BLIJVENDE AARD VAN DE GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN EN WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING VAN DUMPING EN SCHADE

(97)

De oorspronkelijke maatregelen zouden op 18 februari 2005 komen te vervallen. Overeenkomstig artikel 11, lid 7, van de basisverordening werd daarom onderzocht of het waarschijnlijk is dat het vervallen van de antidumpingmaatregelen tot voortzetting van de dumping en de schade zou leiden. Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening werd tevens onderzocht of de omstandigheden in verband met dumping en schade significant zijn gewijzigd, en of deze wijziging redelijkerwijs blijvend zou kunnen worden geacht.

(98)

Er werd geconstateerd dat het betrokken product in het onderzoektijdvak nog steeds op de Gemeenschapsmarkt werd gedumpt (overwegingen 25 en 50). De dumpingmarges voor het betrokken product uit elk van de bij de procedure betrokken landen bleken niet ver te liggen van de dumpingmarges die bij het oorspronkelijke onderzoek waren vastgesteld. De betrokken landen hebben bovendien nog een enorme productiecapaciteit die zij in het onderzoektijdvak niet hebben benut. Ook werden op de markt van de Gemeenschap nog aanzienlijke hoeveelheden product uit Kroatië en Oekraïne verkocht. Het marktaandeel van deze producten is sinds 2000 voortdurend gestegen. Hieruit blijkt dat de Kroatische en de Oekraïense exporteurs een duidelijke belangstelling hebben voor de EU-markt. Gezien al het voorgaande zijn er geen gronden om eraan te twijfelen dat de vastgestelde dumping van blijvende aard is en dat voortzetting ervan zeer waarschijnlijk is, indien de oorspronkelijke maatregelen zouden worden beëindigd.

(99)

Ondanks dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zich in zekere mate had hersteld van de eerdere invoer met dumping van producten uit onder andere Kroatië en Oekraïne, bleek deze bedrijfstak nog steeds aanmerkelijke schade te lijden als bedoeld in artikel 3 van de basisverordening. Bij het herzieningsonderzoek zijn hogere schademarges vastgesteld dan bij het oorspronkelijke onderzoek, doordat de invoer met dumping de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk bleven onderbieden, zulks ondanks de wereldwijd gestegen kosten. Gezien de gevolgen van de invoer met dumping voor de winstgevendheid (overweging 79) en het marktaandeel (overweging 74) van de bedrijfstak van de Gemeenschap, die beide in de periode van 2001 tot het onderzoektijdvak opnieuw daalden, luidt de conclusie dat de omstandigheden die tot de schade leidden, van blijvende aard zijn en dat het vervallen van de oorspronkelijke maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortduring van de schade.

E.   OORZAAK VAN DE SCHADE

(100)

Ook werd onderzocht of het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit Kroatië en Oekraïne en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, dat in het eerdere onderzoek was vastgesteld, ook bij dit onderzoek nog bestond. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap ook schade kon hebben geleden, werden eveneens onderzocht om ervoor te zorgen dat mogelijke schade door deze andere factoren niet werd toegeschreven aan de invoer met dumping.

(101)

De maatregelen leidden in eerste instantie tot een daling van de invoer in 2000, maar het marktaandeel van de producenten/exporteurs in Kroatië en Oekraïne in de Gemeenschap groeide vervolgens in de beoordelingsperiode van 4,2 % tot 5,5 %. Zelfs toen het verbruik vanaf 2001 tot aan het onderzoektijdvak daalde, bleef hun marktaandeel groeien. Tegelijkertijd kromp van 2000 tot het onderzoektijdvak het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Deze moest zijn productie in het onderzoektijdvak aanzienlijk terugbrengen en had te kampen met een dalende winstgevendheid. De toename van de invoer uit de betrokken landen, waarmee de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in aanzienlijke mate werden onderboden, en de verslechtering van de situatie van deze bedrijfstak vonden tegelijkertijd plaats. Dat betekent dat deze invoer kon blijven bijdragen aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt.

(102)

De invoer uit andere derde landen, zoals Tsjechië, Slowakije en Polen, die in het onderzoektijdvak nog geen lidstaat van de Gemeenschap waren, en uit Roemenië en Rusland, kon eveneens hebben bijgedragen aan de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(103)

Opgemerkt moet worden dat gedurende de gehele beoordelingsperiode ten aanzien van de invoer uit bovengenoemde vijf landen antidumpingrechten van 9,8 % tot 38,2 % en verbintenissen van kracht waren. Momenteel loopt een herzieningsprocedure ten aanzien van de maatregelen tegen de invoer uit Rusland en Roemenië (overweging 4).

(104)

De invoer uit Rusland had tijdens het onderzoektijdvak een marktaandeel van 3,3 %. De gemiddelde invoerprijs van die producten was, inclusief antidumpingrechten, zo’n 20 % lager dan de prijzen van het uit Kroatië en Oekraïne ingevoerde product. Gezien de prijzen van het product uit Rusland lijkt de invoer daarvan aan de schade te hebben bijgedragen. Gezien echter het marktaandeel van dat product, dat lager is dan dat van het product uit de betrokken landen, kan de invoer uit Rusland niet de enige oorzaak zijn van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. De invoer uit Roemenië had tijdens het onderzoektijdvak een marktaandeel van 3,5 %. De invoerprijs van het product uit Roemenië inclusief antidumpingrechten zijn hoger dan de prijzen van het uit Kroatië en Oekraïne ingevoerde product, maar nog steeds lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Hieruit kan worden geconcludeerd dat ook deze invoer heeft bijgedragen aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Het mogelijke effect van de invoer uit Rusland of Roemenië bleek echter niets af te doen aan de conclusie dat er een werkelijk en substantieel oorzakelijk verband is tussen de invoer met dumping van naadloze buizen en pijpen uit Kroatië en Oekraïne en de ernstige schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

(105)

De invoerprijzen van de producten uit de voormalige toetredende landen Polen, Tsjechië en Slowakije waren inclusief antidumpingrechten eveneens aanzienlijk hoger dan de prijzen van het uit Kroatië en Oekraïne ingevoerde product, maar nog steeds lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Hun totale marktaandeel in het onderzoektijdvak was 14,2 %. Hoewel deze invoer tot de schade kan hebben bijgedragen, doet het prijsniveau concluderen dat deze bijdrage niet meer dan minimaal kan zijn geweest.

(106)

Gelet op het feit dat de invoer uit Kroatië en Oekraïne de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk onderbood, zijn er geen aanwijzingen dat de eerder genoemde invoer, die voor het merendeel de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderbood, doch in mindere mate, het oorzakelijke verband zou verbreken tussen de invoer met dumping uit Kroatië en Oekraïne en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(107)

De invoer uit diverse andere derde landen had tijdens het onderzoektijdvak een marktaandeel van in totaal 8,9 %. Gezien het hoge prijsniveau daarvan (de prijzen liggen grotendeels in voldoende mate boven die van de bedrijfstak van de Gemeenschap), zijn er geen aanwijzingen dat die invoer het oorzakelijke verband kan verbreken tussen de invoer met dumping uit Kroatië en Oekraïne en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(108)

Andere EG-producenten, die niet aan het onderzoek meewerkten, hadden te kampen met hetzelfde probleem, namelijk dat de stijgende grondstofkosten hen dwongen hun prijzen zo veel mogelijk te verhogen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat deze concurrenten de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade zouden hebben kunnen veroorzaken.

(109)

Het verbruik in de Gemeenschap daalt sinds 2001. De verkoop in de Gemeenschap daalde echter met een hoger percentage dan het verbruik, en de bedrijfstak van de Gemeenschap verloor marktaandeel, terwijl de betrokken landen in die periode hun aandeel van de markt van de Gemeenschap vergrootten. De conclusie luidt derhalve dat deze factor het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit Kroatië en Oekraïne en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet zou kunnen verbreken. Er zijn bij het onderzoek geen andere factoren gevonden die de schade zouden kunnen hebben veroorzaakt.

(110)

Aan de hand van de voorgaande analyse van de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt geconcludeerd dat het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit Kroatië en Oekraïne en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, dat bij het voorgaande onderzoek was vastgesteld, niet is verbroken.

F.   BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1.   Algemene overwegingen

(111)

Er is onderzocht of er dwingende redenen zijn die tot de conclusie leiden dat het niet in het belang van de Gemeenschap is om de antidumpingmaatregelen tegen de invoer uit de betrokken landen te handhaven. De Commissie heeft vragenlijsten verzonden naar importeurs en industriële gebruikers. Van één importeur, Comercial de Tubos SA (Spanje) is een volledig antwoord op de vragenlijst ontvangen.

(112)

Van de bedrijfstak die gebruiker is van het betrokken product zijn geen antwoorden ontvangen. Tijdens het onderzoek heeft geen enkele leverancier zich bekendgemaakt. Aan de hand van de informatie die van de medewerkenden is ontvangen, zijn de volgende conclusies tot stand gekomen.

(113)

In het vorige onderzoek werd het niet in strijd met het belang van de Gemeenschap geacht antidumpingmaatregelen te nemen. Aangezien onderhavig onderzoek een herzieningsonderzoek is, hetgeen betekent dat een situatie wordt onderzocht waarin reeds antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, is het mogelijk de eventuele ongunstige gevolgen van die antidumpingmaatregelen voor de betrokkenen te onderzoeken.

2.   Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(114)

Zoals gezegd bestaat de bedrijfstak van de Gemeenschap uit vijf producenten, die in totaal ongeveer 2 470 personen in dienst hebben voor de productie en de verkoop van naadloze buizen en pijpen. Zoals eveneens getoond, laten de economische indicatoren van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor het onderzoektijdvak een verslechtering van de financiële resultaten zien. Ondanks de groei van het verbruik van naadloze buizen en pijpen in de Gemeenschap in 2000 en 2001 (in het onderzoektijdvak echter weer gevolgd door een afname van het verbruik) was de bedrijfstak van de Gemeenschap niet in staat zich financieel te stabiliseren.

(115)

De bedrijfstak herstelde zich in 2000 en 2001 ten dele. Gezien de huidige financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap is het echter duidelijk dat antidumpingmaatregelen in het belang van deze bedrijfstak zouden zijn.

3.   Belang van onafhankelijke importeurs

(116)

De medewerkende importeur verzette zich in het algemeen niet tegen de handhaving van de antidumpingmaatregelen. Er werden geen andere opmerkingen ontvangen van importeurs die het betrokken product uit Kroatië of Oekraïne invoeren.

(117)

Het doel van de antidumpingmaatregelen is opnieuw tot eerlijke handelsvoorwaarden te komen. Het is niet de bedoeling invoer onmogelijk te maken of de activiteiten van importeurs in de Gemeenschap te belemmeren. Maatregelen moeten worden vastgesteld op een niveau waarbij de invoer kan worden voortgezet, echter tegen prijzen die geen dumpingprijzen zijn of schade tot gevolg hebben.

(118)

De invoer in de Gemeenschap tegen billijke prijzen kan dus worden voortgezet, wat het waarschijnlijk maakt dat importeurs hun traditionele activiteiten zullen voortzetten, ook wanneer maatregelen tegen invoer met dumping worden genomen.

4.   Belang van leveranciers

(119)

Tijdens het onderzoek heeft geen enkele leverancier zich bekendgemaakt. De conclusie luidt derhalve dat er, wat de belangen van de leveranciers betreft, geen dwingende redenen zijn om geen maatregelen te nemen.

5.   Belang van de gebruikers

(120)

Bij het voorgaande onderzoek werd geconcludeerd dat mogelijke prijseffecten als gevolg van antidumpingmaatregelen niet van betekenis zouden zijn voor de industriële gebruikers die het betrokken product afnemen. Die conclusie was gebaseerd op het feit dat naadloze buizen en pijpen slechts een klein onderdeel zijn van de totale kosten van de afnemende industrieën (waaronder de chemische en petrochemische industrie, elektriciteitscentrales, de automobielindustrie en de bouwnijverheid). Aangezien geen opmerkingen zijn ingediend die de bevindingen van het vorige onderzoek betwistten, en gezien de geringe medewerking van de gebruikers aan het huidige onderzoek, wordt verwacht dat mogelijke prijseffecten als gevolg van antidumpingmaatregelen niet van betekenis zijn voor industriële gebruikers die het betrokken product afnemen.

6.   Mededingingsaspecten

(121)

In Beschikking 2003/382/EG van de Commissie (9) werd geconstateerd dat sommige EG-producenten tot 1995 betrokken waren bij een concurrentiebeperkende overeenkomst inzake delen van het betrokken product. Concurrentiebeperkende activiteiten waren derhalve van invloed noch op het oorspronkelijke onderzoek, waarvoor het onderzoektijdvak van 1 november 1997 tot en met 31 oktober 1998 liep (en de beoordelingsperiode van januari 1997 tot het einde van het onderzoektijdvak), noch op het huidige herzieningsonderzoek.

7.   Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(122)

Handhaving van de maatregelen tegen de invoer van naadloze buizen en pijpen uit de betrokken landen is duidelijk in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Voor de importeurs/handelaars en de bedrijven die deze buizen afnemen, zullen de prijzen van naadloze buizen naar verwachting slechts een marginaal effect hebben.

(123)

Gezien het voorgaande wordt wat het belang van de Gemeenschap betreft geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om geen antidumpingmaatregelen in te stellen ten aanzien van de invoer van naadloze buizen en pijpen uit de betrokken landen.

G.   ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1.   Schademarge

(124)

Gezien de conclusies in verband met dumping, schade en het belang van de Gemeenschap moeten maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer met dumping verdere schade lijdt.

(125)

De in te stellen rechten dienen voldoende hoog te zijn om een einde te maken aan de geleden schade, maar mogen het niveau van de vastgestelde dumpingmarges niet overschrijden. Bij het berekenen van de hoogte van het recht waarbij de gevolgen van de invoer met dumping worden geneutraliseerd, is overwogen dat de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap in staat moeten stellen zijn productiekosten te dekken en een winst voor belasting te maken, zoals die door een bedrijfstak van dit type in de betrokken sector op de verkoop van het betrokken product in de Gemeenschap redelijkerwijs zou kunnen worden gemaakt onder normale concurrentieomstandigheden, namelijk wanneer er geen sprake was geweest van dumping. Voor deze berekening is een winstmarge, voor belasting, van 5 % van de omzet gebruikt. Dit is dezelfde marge als bij het oorspronkelijke onderzoek, aangezien er geen aanwijzingen zijn en geen opmerkingen zijn ingediend die inhielden dat dit percentage zou moeten worden gewijzigd. Op deze basis is een niet-schadeveroorzakende prijs berekend voor de bedrijfstak die het betrokken product in de Gemeenschap vervaardigt. Deze niet-schadeveroorzakende prijs is berekend door de productiekosten met de genoemde winstmarge van 5 % te vermeerderen.

(126)

De noodzakelijke prijsverhoging is daarna vastgesteld aan de hand van een vergelijking tussen de gewogen gemiddelde invoerprijs, zoals die was vastgesteld voor de berekening van de onderbieding, en de gemiddelde niet-schadeveroorzakende prijs. Bij deze vergelijking gevonden verschillen werden vervolgens uitgedrukt in procenten van de gemiddelde cif-invoerwaarde.

2.   Gewijzigde maatregelen

(127)

Gezien het voorgaande moeten de geldende antidumpingrechten ten aanzien van de invoer van het betrokken product uit Kroatië en Oekraïne worden gewijzigd. De nieuwe antidumpingrechten moeten worden ingesteld op een niveau dat overeenstemt met de geconstateerde schademarges, aangezien de dumpingmarges voor alle bedrijven in Kroatië en Oekraïne hoger bleken te zijn dan de berekende schademarges. Omdat in ruime mate medewerking werd verleend (meer dan 80 % van de uitvoer van het betrokken product uit Oekraïne naar de Gemeenschap), dient de residuele marge voor Oekraïne te worden vastgesteld op hetzelfde peil als voor de medewerkende producenten/exporteurs OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP) en CJSC Nikopolsky seamless tubes plant „Nikotube”.

(128)

De bij deze verordening vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van het huidige onderzoek. Zij weerspiegelen de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het recht dat voor „alle overige ondernemingen” in het land geldt) zijn dus uitsluitend van toepassing op producten uit de betrokken landen die door de genoemde ondernemingen en dus de specifieke rechtspersonen zijn geproduceerd. Producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor „alle overige ondernemingen” geldt.

(129)

Verzoeken om toepassing van een individueel antidumpingrecht (bijvoorbeeld naar aanleiding van een naamsverandering van de rechtspersoon of naar aanleiding van de oprichting van nieuwe productie- of verkoopeenheden) dienen onverwijld aan de Commissie (10) te worden gericht met alle relevante informatie, met name over eventuele wijzigingen van de activiteiten van de onderneming in verband met de productie, de binnenlandse en de exportverkoop die verband houden met bijvoorbeeld genoemde naamsverandering of genoemde verandering in de productie- en verkoopeenheden. Indien nodig wordt de verordening dienovereenkomstig gewijzigd, door aanpassing van de lijst van ondernemingen waarvoor een afzonderlijk recht geldt.

(130)

De voorgestelde antidumpingrechten zijn als volgt:

Land

Bedrijf

Schademarge

Dumpingmarge

Voorgesteld antidumping-recht

Kroatië

Alle ondernemingen

38,8 %

38,9 %

38,8 %

Oekraïne

Dnipropetrovsk Tube Works (DTW), Dnipropetrovsk

51,9 %

91,0 %

51,9 %

OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP), Dnipropetrovsk, en CJSC Nikopolsky seamless tubes plant „Nikotube”, Nikopol

64,1 %

97,3 %

64,1 %

Alle overige ondernemingen

64,1 %

97,3 %

64,1 %

(131)

Op basis van de voorgestelde maatregelen begint een nieuwe periode van vijf jaar voor de toepassing van de maatregelen. De maatregelen komen derhalve niet te vervallen op 18 februari 2005, zoals vermeld in het bericht van het naderende vervallen dat op 27 augustus 2004 is gepubliceerd (11).

3.   Ontwikkelingen na het onderzoektijdvak wat betreft de Kroatische exporteur

(132)

Na de bekendmaking van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan werd geconcludeerd dat de hoogte van de antidumpingrechten moest worden gewijzigd, deelde de Kroatische regering de Commissie mede dat de enige producent in Kroatië, Mechel Željezara Ltd, in het najaar van 2004 was geliquideerd en de productie had gestaakt. In plaats daarvan werd door de Kroatische Stichting voor Privatisering, een overheidsinstelling die het privatiseringsproces in Kroatië leidt, een nieuwe rechtspersoon opgericht, Valjaonice Cijevi Sisak d.o.o („Valjaonice”). De nieuw opgerichte onderneming is naar het schijnt nog niet met de productie begonnen en is bezig met de overname van de activa van Mechel Željezara Ltd.

(133)

De verstrekte informatie lijkt er echter op te wijzen dat de productiecapaciteit van Valjaonice dezelfde zal zijn als die van Mechel Željezara Ltd, en dat Valjaonice duidelijk de intentie heeft de vervaardiging van het betrokken product voort te zetten. In verband hiermee kan het stoppen van de productie niet als blijvend en onbetwist worden beschouwd en dienen de bevindingen van het onderzoek te worden gehandhaafd.

(134)

Indien wijzigingen in de situatie van de ondernemingen echter een herziening van de maatregelen nodig maken, zal een dergelijke herziening worden ingeleid.

4.   Verbintenissen

(135)

Bij Besluit 2000/137/EG werd een prijsverbintenis aanvaard van onder andere de enige producent in Kroatië. Deze verbintenis van Mechel Željezara Ltd werd ook aan het herzieningsonderzoek onderworpen.

(136)

Mechel Željezara Ltd verbond zich ertoe aan zijn onafhankelijke afnemers tot een bepaalde hoeveelheid van het betrokken product voor export naar de Gemeenschap tegen gewijzigde prijzen te verkopen. Bovendien verbond Mechel Željezara Ltd zich ertoe dat zijn prijzen per productgroep in overeenstemming zouden worden gebracht met de prijzenstructuur die in de Gemeenschap geldt.

(137)

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening is het doel van een verbintenis de schadelijke gevolgen van de dumping weg te nemen, doordat de exporteur zijn prijzen herziet of de uitvoer met dumping staakt. Uit het onderzoek is gebleken dat door het type verbintenis dat oorspronkelijk was aanvaard in dit geval de prijzen niet werden verhoogd tot een peil waardoor geen schade meer wordt veroorzaakt en de eerlijke handel op de markt van de Gemeenschap wordt hersteld. De van Mechel Željezara Ltd aanvaarde verbintenis wordt daarom in dit geval niet beoordeeld als een passende en effectieve wijze om het schadelijke effect van de dumping weg te nemen. Zoals gezegd is de onderneming Mechel Željezara Ltd onlangs geliquideerd. De verbintenis wordt daarom niet langer geldig geacht.

(138)

Na de bekendmaking van de voornaamste feiten en overwegingen aan de hand waarvan werd geconcludeerd dat de hoogte van de antidumpingmarge moest worden aangepast, boden de Oekraïense bedrijven OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP), CJSC Nikopolsky seamless tubes plant „Nikotube” en de met hen verbonden handelaar/houdstermaatschappij „Interpipe” een gezamenlijke verbintenis aan overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de basisverordening.

(139)

Deze Oekraïense bedrijven produceren verschillende typen staalproducten, die ook in combinatie met het betrokken product kunnen worden verkocht. Dit brengt het risico met zich mee dat kruiscompensatie wordt toegepast, dat wil zeggen dat de prijzen waartoe de onderneming zich heeft verbonden formeel worden aangehouden, maar de prijzen voor andere producten worden verlaagd indien deze in combinatie met het betrokken product worden verkocht. Gezien de instabiliteit van de prijzen lagen de minimumexportprijzen die de onderneming bereid was aan te bieden bovendien op een peil dat de schadelijke effecten van dumping niet wegneemt. Dit aanbod kon daarom niet worden aanvaard.

(140)

Voorts verklaarde de Oekraïense onderneming Dnipropetrovsk Tube Works (DTW), Dnipropetrovsk, dat zij een verbintenis aanbod, echter zonder aan te geven wat de aard daarvan zou zijn of welke minimumprijs zij zou eerbiedigen. Dit aanbod kon daarom niet in overweging worden genomen.

H.   SLOTBEPALING

(141)

De belanghebbenden werden in kennis gesteld van alle feiten en overwegingen op grond waarvan zou worden voorgesteld de geldende verordening te wijzigen. Zij werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en te verzoeken te worden gehoord. Er werden opmerkingen ontvangen, die waar van toepassing in overweging werden genomen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 348/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De tabel in artikel 1, lid 2, wordt vervangen door de volgende tabel:

„Land

Producent

Recht

(%)

Aanvullende Taric-code

Kroatië

Alle ondernemingen

38,8

Oekraïne

Dnipropetrovsk Tube Works (DTW), Dnipropetrovsk

51,9

A614

OJSC Nizhnedneprovsky Tube Rolling Plant (NTRP), Dnipropetrovsk, en CJSC Nikopolsky seamless tubes plant „Nikotube”, Nikopol

64,1

A615

Alle overige ondernemingen

64,1

A999 ”

2)

Artikel 2 wordt geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)   PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)   PB L 45 van 17.2.2000, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1515/2002 (PB L 228 van 24.8.2002, blz. 8).

(3)   PB L 46 van 18.2.2000, blz. 34. Besluit gewijzigd bij Besluit 2002/669/EG (PB L 228 van 24.8.2002, blz. 20).

(4)   PB C 288 van 23.11.2002, blz. 11.

(5)   PB C 288 van 23.11.2002, blz. 2.

(6)   PB L 246 van 20.7.2004, blz. 10.

(7)  Mededeling 246/02 (PB C 246 van 12.10.2002, blz. 2.) en Bericht 68/06 (PB C 68 van 18.3.2004, blz. 8).

(8)  Besluit 2000/137/EG.

(9)   PB L 140 van 6.6.2003, blz. 1.

(10)  

Europese Commissie

Directoraat-generaal Handel

Directoraat B

Kamer J-79, 5/16

B-1049 Brussel.

(11)   PB C 215 van 27.8.2004, blz. 2.