|
11.2.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 41/1 |
VERORDENING (EG) nr. 211/2005 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2005
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1725/2003 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat de International Financial Reporting Standards (IFRS) 1 en 2 en de International Accounting Standards (IAS) 12, 16, 19, 32, 33, 38 en 39 betreft
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name op artikel 3, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1725/2003 (2) van de Commissie werd een aantal op 1 september 2002 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd. |
|
(2) |
Op 19 februari 2004 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) de International Financial Reporting Standard (IFRS) 2 „Op aandelen gebaseerde betalingen” gepubliceerd. IFRS 2 schrijft voor het eerst voor dat ondernemingen de gevolgen van op aandelen gebaseerde betalingstransacties in de winst- en verliesrekening moeten weergeven, met inbegrip van de kosten verbonden aan transacties waarbij aandelenopties aan bestuurders en werknemers worden toegekend. In het verleden werden transacties waarbij aandelenopties aan werknemers werden toegekend, niet in de winst- en verliesrekening van de onderneming opgenomen maar in de toelichting vermeld, waardoor deze transacties geen gevolgen hadden voor de bekendmaking van de winst aan de kapitaalmarkten. |
|
(3) |
De raadpleging van technische deskundigen terzake heeft uitgewezen dat IFRS 2 voldoet aan de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1606/2002 neergelegde technische criteria voor de goedkeuring ervan, en met name aan de eis dat hij het Europees openbaar belang moet dienen. |
|
(4) |
IFRS 2 specificeert niet welke waarderingsmodellen moeten worden gehanteerd. In plaats daarvan wordt alleen aangegeven met welke factoren ten minste rekening dient te worden gehouden bij de schatting van de reële waarde van op aandelen gebaseerde betalingen. Er is met opzet voor een dergelijke benadering gekozen om niet te verhinderen dat passende waarderingstechnieken worden ontwikkeld voor alle vormen van op aandelen gebaseerde betalingen, met inbegrip van die waarvoor tot dusver nog geen waarderingsmethoden voorhanden zijn (zoals niet-verhandelbare langlopende aandelenopties voor werknemers). Het is niet uitgesloten dat in de toekomst nieuwe alternatieve methoden worden ontwikkeld om tegemoet te komen aan de behoeften van ondernemingen, accountants en beleggers of investeerders. Met name ondernemingen die pas aan de beurs worden genoteerd of nog niet lang bestaan, zouden moeilijkheden kunnen ondervinden bij de schatting van toekomstige aandelenprijzen. |
|
(5) |
De Commissie heeft nota genomen van de in de loop van het raadplegingsproces door diverse betrokkenen geuite kritiek op de complexiteit van „IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betalingen”. Zij is zich bewust van de nog bestaande technische vraagstukken in verband met deze standaard en van de daaruit voortvloeiende bezorgdheid omtrent de economische gevolgen daarvan. De Commissie erkent dat het aanbeveling verdient de toepassing van de standaard periodiek te evalueren in het licht van het potentiële effect ervan op onder meer aandelenoptieregelingen voor werknemers, alsook gezien de mogelijke implicaties ervan voor het concurrentievermogen van de EU-ondernemingen. Dat neemt evenwel niet weg dat de goedkeuring van de standaard in het belang is van de Europese kapitaalmarkten en de Europese beleggers en investeerders. De Commissie zal daarom nagaan welke de toekomstige gevolgen zijn van IFRS 2 voor de Europese ondernemingen en tevens tegen juli 2007 de toepasbaarheid van de standaard beoordelen. |
|
(6) |
De Commissie herinnert eraan dat Verordening (EG) nr. 1606/2002 (de IAS-verordening) van 19 juli 2002 bepaalt dat ondernemingen die onder het recht van een lidstaat vallen, voor elk boekjaar, beginnend op of na 1 januari 2005, hun geconsolideerde jaarrekening moeten opstellen overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen die volgens de procedure van artikel 6, lid 2, zijn goedgekeurd, indien hun effecten op de balansdatum in een lidstaat zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 1, punt 13, van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (3). |
|
(7) |
De goedkeuring van IFRS 2 brengt met zich dat andere internationale standaarden voor jaarrekeningen moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen. Deze dienovereenkomstige wijzigingen hebben betrekking op IFRS 1 en de IAS 12, 16, 19, 32, 33, 38 en 39. |
|
(8) |
Verordening (EG) nr. 1725/2003 dient derhalve dienovereenkomstig te worden aangepast. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1725/2003 wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
International Financial Reporting Standard (IFRS) 2 „Op aandelen gebaseerde betalingen” wordt ingevoegd in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1725/2003; |
|
2. |
de goedkeuring van IFRS 2 brengt met zich dat IFRS 1 en de IAS 12, 16, 19, 32, 33, 38 en 39 moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen; |
|
3. |
de in te voegen tekst is opgenomen in de bijlage bij deze verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2005.
Voor de Commissie
Charlie McCREEVY
Lid van de Commissie
(1) PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.
(2) PB L 261 van 13.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2004 (PB L 394 van 31.12.2004, blz. 1).
(3) PB L 141 van 11.6.1993, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).
BIJLAGE
INTERNATIONAL FINANCIAL REPORTING STANDARDS
Nr.Titel
|
IFRS 2 |
Op aandelen gebaseerde betalingen |
Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte. Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org.uk.
IFRS 2
INTERNATIONAL FINANCIAL REPORTING STANDARD 2
Op aandelen gebaseerde betalingen
INHOUD
| Doel | 1 |
| Toepassingsgebied | 2-6 |
| Opname | 7-9 |
| In eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties | 10-29 |
| Samenvatting | 10-13 |
| Transacties waarbij diensten worden ontvangen | 14-15 |
| Transacties waarvan de waarde is gebaseerd op de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten | 16-25 |
| Bepaling van de reële waarde van toegekende eigen-vermogensinstrumenten | 16-18 |
| Behandeling van voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging | 19-21 |
| Behandeling van een reload-kenmerk | 22 |
| Na de datum waarop de toezegging onvoorwaardelijk wordt | 23 |
| Indien de reële waarde van de eigen-vermogensinstrumenten niet betrouwbaar kan worden geschat | 24-25 |
| Wijzigingen in de voorwaarden waarop eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend, met inbegrip van annulering en afwikkeling | 26-29 |
| In geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties | 30-33 |
| Op aandelen gebaseerde betalingstransacties met alternatieven voor afwikkeling in geldmiddelen | 34-43 |
| Op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de bepalingen van de overeenkomst de tegenpartij in staat stellen de wijze van afwikkeling te kiezen | 35-40 |
| Op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de bepalingen van de overeenkomst de entiteit in staat stellen de wijze van afwikkeling te kiezen | 41-43 |
| Informatieverschaffing | 44-52 |
| Overgangsbepalingen | 53-59 |
| Ingangsdatum | 60 |
DOEL
|
1. |
Het doel van deze IFRS is aan te geven hoe de financiële verslaggeving moet plaatsvinden indien een entiteit een op aandelen gebaseerde betalingstransactie uitvoert. De standaard schrijft met name voor dat een entiteit de gevolgen van op aandelen gebaseerde betalingstransacties in de winst- en verliesrekening weergeeft, met inbegrip van de kosten verbonden aan transacties waarbij aandelenopties aan werknemers worden toegekend. |
IFRS 2
TOEPASSINGSGEBIED
|
2. |
Een entiteit dient deze IFRS toe te passen bij de administratieve verwerking van alle op aandelen gebaseerde betalingstransacties, waaronder:
behoudens het vermelde in de alinea’s 5 en 6. |
|
3. |
In het kader van deze IFRS is de overdracht van de eigen-vermogensinstrumenten van een entiteit door haar aandeelhouders aan partijen die goederen hebben geleverd of diensten hebben verleend aan de entiteit (met inbegrip van werknemers) een op aandelen gebaseerde betalingstransactie, tenzij de overdracht klaarblijkelijk een ander doel dient dan de betaling voor aan de entiteit geleverde goederen of verleende diensten. Dit geldt tevens voor de overdracht van eigen-vermogensinstrumenten van de moedermaatschappij van de entiteit, of eigen-vermogensinstrumenten van een andere entiteit die deel uitmaakt van dezelfde groep als de entiteit, aan partijen die goederen of diensten aan de entiteit hebben geleverd. |
|
4. |
In het kader van deze IFRS is een transactie met een werknemer (of een andere partij) in zijn/haar hoedanigheid van houder van eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit geen op aandelen gebaseerde betalingstransactie. Indien een entiteit bijvoorbeeld alle houders van een bepaalde klasse van de eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit het recht geeft om extra eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit te verwerven tegen een prijs die lager is dan de reële waarde van die eigen-vermogensinstrumenten, en een werknemer een dergelijk recht ontvangt omdat hij/zij houder is van eigen-vermogensinstrumenten van die bepaalde klasse, dan valt het toekennen of uitoefenen van dat recht niet onder de voorschriften van deze IFRS. |
|
5. |
Zoals opgemerkt in alinea 2 geldt deze IFRS voor op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij een entiteit goederen of diensten verwerft of ontvangt. Tot goederen worden gerekend voorraden, hulpstoffen, materiële vaste activa, immateriële activa en andere niet-financiële activa. Een entiteit dient deze IFRS echter niet toe te passen op transacties waarbij de entiteit goederen verwerft als onderdeel van de in een bedrijfscombinatie verworven nettoactiva, waarop IAS 22 Bedrijfscombinaties van toepassing is. Vandaar dat in een bedrijfscombinatie uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten in ruil voor de zeggenschap over de overgenomen partij niet binnen het toepassingsgebied van deze IFRS vallen. Eigen-vermogensinstrumenten die aan werknemers van de overgenomen partij, in hun hoedanigheid van werknemer (bijvoorbeeld in ruil voor de voortzetting van hun dienstverband) worden toegekend, vallen echter wel binnen het toepassingsgebied van deze IFRS. Evenzo dient de annulering, vervanging of andere aanpassing van op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomsten in verband met een bedrijfscombinatie, of een andere herstructurering van het eigen vermogen, administratief in overeenstemming met deze IFRS te worden verwerkt. |
|
6. |
Deze IFRS geldt niet voor op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de entiteit goederen of diensten ontvangt of afneemt op grond van een contract dat valt onder de reikwijdte van alinea 8 tot en met 10 van IAS 32 Financiële instrumenten: informatieverschaffing en presentatie of alinea 5 tot en met 7 van IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering. |
OPNAME
|
7. |
Een entiteit dient de goederen of diensten die bij een op aandelen gebaseerde betalingstransactie zijn ontvangen of verworven, op te nemen wanneer zij de goederen verkrijgt of naarmate de diensten worden verleend. De entiteit dient het eigen vermogen dienovereenkomstig op te boeken indien de goederen of diensten zijn ontvangen in het kader van een in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie, of een verplichting op te nemen indien de goederen of diensten zijn verworven bij een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie. |
|
8. |
Wanneer de goederen of diensten die bij een op aandelen gebaseerde betalingstransactie zijn ontvangen of verworven niet voor opname als activa in aanmerking komen, dan dienen deze als last te worden verwerkt. |
|
IFRS 2 |
Normaliter vloeit uit het verbruik van goederen of de afname van diensten een last voort. Diensten bijvoorbeeld worden gewoonlijk onmiddellijk afgenomen. In dat geval wordt een last opgenomen naarmate de tegenpartij de diensten verleent. Goederen worden misschien gedurende een bepaalde periode verbruikt of, in geval van voorraden, op een latere datum verkocht. In dat geval wordt een last verantwoord als de goederen worden verbruikt of verkocht. In sommige gevallen is het echter noodzakelijk om een last op te nemen voordat de goederen of diensten worden verbruikt of verkocht, omdat deze niet voor opname als actief in aanmerking komen. Een entiteit zou bijvoorbeeld goederen kunnen verwerven als onderdeel van de onderzoeksfase van een ontwikkelingsproject van een nieuw product. Hoewel deze goederen niet zijn verbruikt, zouden deze volgens de toepasselijke IFRS mogelijk niet voor opname als actief in aanmerking komen. |
IN EIGEN-VERMOGENSINSTRUMENTEN AFGEWIKKELDE, OP AANDELEN GEBASEERDE BETALINGSTRANSACTIES
Samenvatting
|
10. |
Ten aanzien van in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde beloningstransacties dient de entiteit de ontvangen goederen en diensten, en de overeenkomstige opboeking van het eigen vermogen op directe wijze te bepalen op de reële waarde van de ontvangen goederen en diensten, tenzij de reële waarde niet betrouwbaar kan worden geschat. Indien de entiteit de reële waarde van de ontvangen goederen of diensten niet betrouwbaar kan schatten, dient de entiteit de waarde hiervan, en de overeenkomstige opboeking van het eigen vermogen indirect te bepalen op basis van (*1) de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten. |
|
11. |
Voor de toepassing van de vereisten van alinea 10 op transacties met werknemers en anderen die soortgelijke diensten verlenen (*2) dient de entiteit de reële waarde van de ontvangen diensten te bepalen op basis van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten, omdat het in veel gevallen niet mogelijk is de reële waarde van de ontvangen diensten betrouwbaar te schatten. Dit wordt uiteengezet in alinea 12. De reële waarde van die toegekende eigen-vermogensinstrumenten dient te worden bepaald op de toekenningsdatum. |
|
12. |
Aandelen, aandelenopties of andere eigen-vermogensinstrumenten worden veelal aan werknemers toegekend als onderdeel van hun beloningspakket, naast salaris en andere arbeidsvoorwaarden. Het is meestal niet mogelijk om de waarde van diensten die worden ontvangen voor bepaalde componenten van het beloningspakket van de werknemer direct te bepalen. Het is wellicht ook niet mogelijk om de reële waarde van het totale beloningspakket onafhankelijk te bepalen, zonder de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten direct te bepalen. Bovendien worden aandelen en aandelenopties soms toegekend als onderdeel van een bonusregeling, in plaats van als onderdeel van de basisbeloning, bijvoorbeeld als een stimulans voor werknemers om in dienst van de entiteit te blijven of om hen te belonen voor hun inspanningen om de resultaten van de entiteit te verbeteren. De entiteit betaalt door toekenning van de aandelen of aandelenopties, in aanvulling op de overige beloningscomponenten, een extra beloning om extra voordelen te verkrijgen. Het schatten van de reële waarde van die extra voordelen is waarschijnlijk een moeilijke zaak. In verband met de problemen bij het op directe wijze bepalen van de reële waarde van de ontvangen diensten dient de entiteit de reële waarde van de door de werknemer verleende diensten te bepalen op basis van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten. |
|
13. |
Voor de toepassing van de vereisten van alinea 10 op transacties met andere partijen dan werknemers wordt er uitgegaan van een weerlegbaar vermoeden dat de reële waarde van de ontvangen goederen of diensten betrouwbaar kan worden geschat. Deze reële waarde dient te worden bepaald op de datum waarop de entiteit de goederen ontvangt of de tegenpartij de diensten verleent. In het zeldzame geval dat de entiteit dit vermoeden weerlegt omdat zij de reële waarde van de ontvangen goederen of diensten niet betrouwbaar kan schatten, dient de entiteit de waarde van de ontvangen goederen of diensten en de overeenkomstige opboeking van het eigen vermogen indirect te bepalen, op basis van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten, bepaald op de datum waarop de entiteit de goederen verkrijgt of de tegenpartij de dienst verleent. |
Transacties waarbij diensten worden ontvangen
|
14. |
Indien de toegekende eigen-vermogensinstrumenten onmiddellijk onvoorwaardelijk worden is de tegenpartij niet verplicht om een bepaalde periode in dienst te zijn geweest voordat dat deze onvoorwaardelijk recht krijgt op die eigen-vermogensinstrumenten. Indien er geen aanwijzingen zijn die op het tegendeel wijzen, dient de entiteit aan te nemen dat de door de tegenpartij verleende diensten als vergoeding voor de eigen-vermogensinstrumenten zijn ontvangen. In dit geval neemt de entiteit de ontvangen diensten volledig op op de toekenningsdatum, onder een overeenkomstige opboeking van het eigen vermogen. |
|
IFRS 2 |
Indien de toegekende eigen-vermogensinstrumenten pas onvoorwaardelijk worden nadat de tegenpartij een bepaalde periode in dienst is geweest, dient de entiteit ervan uit te gaan dat de door de tegenpartij te verlenen diensten als vergoeding voor die eigen-vermogensinstrumenten in de toekomst, gedurende de wachtperiode, zullen worden ontvangen. De entiteit dient deze diensten administratief te verwerken alsof zij door de tegenpartij gedurende de wachtperiode worden verleend, onder overeenkomstige opboeking van het eigen vermogen. Voorbeelden:
|
Transacties waarvan de waarde is gebaseerd op de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten
Bepaling van de reële waarde van toegekende eigen-vermogensinstrumenten
|
16. |
Ten aanzien van transacties waarvan de waarde wordt bepaald op basis van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten dient een entiteit de reële waarde van eigen-vermogensinstrumenten op de waarderingsdatum te bepalen op basis van de marktprijzen, indien deze beschikbaar zijn. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de voorwaarden waarop die eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend (met inachtneming van de vereisten in alinea 19 tot en met 22). |
|
17. |
Indien er geen marktprijzen beschikbaar zijn, dient de entiteit de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten te schatten met behulp van een waarderingstechniek. Hiermee wordt geschat wat de prijs van die eigen-vermogensinstrumenten op de waarderingsdatum zou zijn geweest in geval van een transactie tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn. De waarderingstechniek dient in overeenstemming te zijn met algemeen aanvaarde waarderingsmethoden voor het waarderen van financiële instrumenten. De techniek dient rekening te houden met alle factoren en veronderstellingen waarmee terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen rekening zouden houden bij het vaststellen van de prijs (met inachtneming van de vereisten in alinea 19 tot en met 22). |
|
18. |
Bijlage B bevat een nadere leidraad voor de bepaling van de reële waarde van aandelen en aandelenopties, waarbij aandacht wordt besteed aan de specifieke voorwaarden die veelal aan de toekenning van aandelen of aandelenopties aan werknemers zijn verbonden. |
Behandeling van voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging
|
19. |
De toekenning van eigen-vermogensinstrumenten kan gebonden zijn aan het voldoen aan specifieke voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging. De toekenning van aandelen of aandelenopties aan een werknemer is bijvoorbeeld gewoonlijk gebonden aan een dienstverband met de entiteit dat een bepaald aantal jaren duurt. Er zouden prestatiegerelateerde voorwaarden kunnen bestaan waaraan moet worden voldaan, zoals de voorwaarde dat de entiteit een vastgelegde winstgroei moet realiseren, of dat de aandelenprijs van de entiteit met een vastgelegd percentage moet stijgen. Met voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging, niet zijnde marktprijsgerelateerde voorwaarden, dient geen rekening te worden gehouden bij het schatten van de reële waarde van de aandelen of aandelenopties op de waarderingsdatum. In plaats daarvan dient met de voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging rekening te worden gehouden door het aantal eigen-vermogensinstrumenten dat in de bepaling van het transactiebedrag wordt opgenomen, zodanig aan te passen dat het opgenomen bedrag in verband met de als vergoeding voor de toegekende eigen-vermogensinstrumenten ontvangen goederen of diensten uiteindelijk wordt gebaseerd op het aantal eigen-vermogensinstrumenten dat uiteindelijk onvoorwaardelijk wordt. Vandaar dat op cumulatieve basis geen bedrag voor ontvangen goederen of diensten wordt opgenomen indien de toekenning van eigen-vermogensinstrumenten niet onvoorwaardelijk wordt omdat niet aan een voorwaarde voor onvoorwaardelijke toezegging wordt voldaan. Bijvoorbeeld omdat het dienstverband van de tegenpartij korter is dan vereist, of omdat er niet aan een prestatiegerelateerde voorwaarde wordt voldaan, met inachtneming van de vereisten in alinea 21. |
|
20. |
Voor de toepassing van de vereisten in alinea 19 dient de entiteit een bedrag op te nemen voor de goederen en diensten die tijdens de wachtperiode worden ontvangen, gebaseerd op de best mogelijke schatting van het aantal eigen-vermogensinstrumenten dat naar verwachting onvoorwaardelijk zal worden. De entiteit dient deze schatting, indien noodzakelijk, te herzien indien uit latere informatie blijkt dat het aantal eigen-vermogensinstrumenten dat naar verwachting onvoorwaardelijk wordt, afwijkt van vorige schattingen. Op de datum waarop de toezegging onvoorwaardelijk wordt, dient de entiteit de schatting gelijk te stellen aan het aantal eigen-vermogensinstrumenten dat uiteindelijk onvoorwaardelijk is geworden, met inachtneming van de vereisten in alinea 21. |
|
IFRS 2 |
Bij het schatten van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten dient rekening te worden gehouden met marktprijsgerelateerde voorwaarden, zoals een ten doel gestelde aandelenprijs waarvan het onvoorwaardelijk worden (of de uitoefenbaarheid) afhankelijk wordt gesteld. Met betrekking tot de toekenning van eigen-vermogensinstrumenten met marktprijsgerelateerde voorwaarden dient de entiteit de goederen en diensten op te nemen die zij ontvangt van een tegenpartij die aan alle overige voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging (bijvoorbeeld ontvangen diensten van een werknemer waarvan het aantal dienstjaren voldoet aan de vastgestelde duur van het dienstverband) voldoet, ongeacht of aan die marktprijsgerelateerde voorwaarde wordt voldaan. |
Behandeling van een „reload”-kenmerk
|
22. |
In geval van opties met een „reload”-kenmerk dient dit kenmerk niet te worden betrokken in de schatting van de reële waarde van toegekende opties op de toekenningsdatum. In plaats daarvan dient een „reload”-optie administratief, bij eventuele toekenning daarna, te worden verwerkt als een nieuwe optietoekenning. |
Na de datum waarop de toezegging onvoorwaardelijk wordt
|
23. |
Na opname van de ontvangen goederen of diensten in overeenstemming met alinea 10 tot en met 22 en de overeenkomstige opboeking van het eigen vermogen dient de entiteit geen wijziging aan te brengen in het totaal van het eigen vermogen na de datum waarop de toezegging onvoorwaardelijk wordt. De entiteit dient bijvoorbeeld niet het opgenomen bedrag van de van een werknemer ontvangen diensten terug te nemen indien de onvoorwaardelijk geworden eigen-vermogensinstrumenten worden opgegeven of, in het geval van aandelenopties, indien de opties niet worden uitgeoefend. Dit vereiste sluit echter niet uit dat de entiteit binnen het eigen vermogen bedragen overboekt van één component van het eigen vermogen naar een andere. |
Indien de reële waarde van de eigen-vermogensinstrumenten niet betrouwbaar kan worden geschat
|
24. |
De vereisten in alinea 16 tot en met 23 gelden wanneer de entiteit de waarde van een op aandelen gebaseerde betalingstransactie moet bepalen op basis van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten. In uitzonderingsgevallen bestaat de mogelijkheid dat de entiteit niet in staat is om de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten op de waarderingsdatum betrouwbaar te bepalen, in overeenstemming met de vereisten in alinea 16 tot en met 22. Uitsluitend in deze gevallen dient de entiteit in plaats daarvan:
|
|
25. |
Een entiteit die alinea 24 toepast, is niet verplicht om alinea 26 tot en met 29 toe te passen, omdat met eventuele aanpassingen in de voorwaarden waarop de eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend, rekening zal worden gehouden bij het toepassen van de intrinsieke-waardemethode die in alinea 24 is uiteengezet. Indien een entiteit echter een toekenning van eigen-vermogensinstrumenten afwikkelt waarop alinea 24 is toegepast:
|
IFRS 2
Wijzigingen in de voorwaarden waarop eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend, met inbegrip van annulering en afwikkeling
|
26. |
De mogelijkheid bestaat dat een entiteit de voorwaarden waarop de eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend, wijzigt. De entiteit zou bijvoorbeeld de uitoefenprijs van aan werknemers toegekende opties kunnen verlagen, waardoor de reële waarde van die opties toeneemt. De vereisten in alinea 27 tot en met 29 betreffende de administratieve verwerking van wijzigingen zijn geformuleerd in de context van op aandelen gebaseerde betalingstransacties met werknemers. De vereisten gelden echter tevens voor op aandelen gebaseerde betalingstransacties met andere partijen dan werknemers, waarvan de waarde wordt bepaald op basis van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten. In het laatstgenoemde geval hebben de verwijzingen in alinea 27 tot en met 29 naar de toekenningsdatum betrekking op de datum waarop de entiteit de goederen verkrijgt of de tegenpartij de dienst verleent. |
|
27. |
De entiteit dient ten minste de ontvangen diensten op te nemen die worden gewaardeerd op de reële waarde, op de toekenningsdatum, van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten, tenzij die eigen-vermogensinstrumenten niet onvoorwaardelijk worden omdat niet wordt voldaan aan een voorwaarde voor onvoorwaardelijke toezegging (niet zijnde een marktprijsgerelateerde voorwaarde) die op de toekenningsdatum is vastgelegd. Dit geldt ongeacht eventuele wijzigingen in de voorwaarden waarop de eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend, of annulering of afwikkeling van die toekenning van eigen-vermogensinstrumenten. Bovendien dient de entiteit de effecten van wijzigingen op te nemen die ervoor zorgen dat de totale reële waarde van de op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst stijgt, of die op een andere manier voordelig zijn voor de werknemer. Bijlage B bevat een leidraad bij de toepassing van dit vereiste. |
|
28. |
Indien de entiteit een toekenning van eigen-vermogensinstrumenten tijdens de wachtperiode annuleert of afwikkelt (niet zijnde een annulering als gevolg van het feit dat niet aan de voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging wordt voldaan):
|
|
29. |
Indien een entiteit eigen-vermogensinstrumenten die onvoorwaardelijk zijn geworden, terugkoopt, dient de betaling aan de werknemer administratief in mindering op het eigen vermogen te worden gebracht, behalve voorzover de betaling de reële waarde van de teruggekochte eigen-vermogensinstrumenten op de terugkoopdatum overschrijdt. Het eventuele surplus dient als last te worden opgenomen. |
IN GELDMIDDELEN AFGEWIKKELDE, OP AANDELEN GEBASEERDE BETALINGSTRANSACTIES
|
30. |
In geval van op aandelen gebaseerde betalingstransacties die in geldmiddelen worden afgewikkeld, dient de entiteit de verworven goederen of diensten en de aangegane verplichting te waarderen op de reële waarde van de verplichting. De entiteit dient tot het moment van afwikkeling van de verplichting op iedere verslagdatum en op de afwikkelingsdatum opnieuw de reële waarde van de verplichting te bepalen. Eventuele veranderingen in de reële waarde worden in de winst- en verliesrekening over de periode opgenomen. |
|
31. |
Een entiteit die bijvoorbeeld als onderdeel van het beloningspakket van werknemers zogenaamde ‘share appreciation rights’ toekent, op grond waarvan de werknemers recht hebben op een toekomstige contante betaling (in plaats van eigen-vermogensinstrumenten), gebaseerd op de stijging van de aandelenprijs van de entiteit ten opzichte van een bepaald niveau in een bepaalde periode. Of een entiteit zou haar werknemers een recht kunnen toekennen op een toekomstige contante betaling door hun een recht op aflosbare aandelen (waaronder bij uitoefening van aandelenopties uit te geven aandelen) toe te kennen, hetzij verplicht aflosbaar (bijvoorbeeld bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst) of ter keuze van de werknemer. |
|
IFRS 2 |
De entiteit dient de ontvangen diensten op te nemen, alsook een verplichting tot betaling voor die diensten, naarmate de werknemer deze verleent. Sommige ‘share appreciation rights’ zijn bijvoorbeeld onmiddellijk onvoorwaardelijk. De werknemers zijn derhalve niet verplicht een bepaald aantal dienstjaren uit te dienen om recht te krijgen op de contante betaling. Indien er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel dient de entiteit aan te nemen dat diensten die door de werknemers in ruil voor de ‘share appreciation rights’ zijn verleend, zijn ontvangen. De entiteit dient derhalve de ontvangen diensten en de verplichting tot betaling hiervoor onmiddellijk op te nemen. Indien de ‘share appreciation rights’ pas onvoorwaardelijk worden wanneer de werknemers een bepaalde periode in dienst zijn geweest, dient de entiteit de ontvangen diensten op te nemen, alsook de verplichting tot betaling hiervoor, naarmate de werknemers de diensten in deze periode verlenen. |
|
33. |
De verplichting dient bij eerste opname en daarna op iedere verslagdatum tot afwikkeling te worden gewaardeerd op de reële waarde van de ‘share appreciation rights’. Hiervoor wordt een optiewaarderingsmodel gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met de voorwaarden waarop de ‘share appreciation rights’ zijn toegekend, en de mate waarin de werknemers tot het desbetreffende moment diensten hebben verleend. |
OP AANDELEN GEBASEERDE BETALINGSTRANSACTIES MET ALTERNATIEVEN VOOR AFWIKKELING IN GELDMIDDELEN
|
34. |
In geval van op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de bepalingen van de overeenkomst hetzij de entiteit of de tegenpartij de keuze geven om te bepalen of de entiteit de transactie afwikkelt in geldmiddelen of door eigen-vermogensinstrumenten uit te geven, dient de entiteit deze transactie, of de componenten van de transactie, te verwerken als een in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie indien en voorzover de entiteit een verplichting is aangegaan tot afwikkeling in geldmiddelen of andere activa, of als een in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransactie indien en voorzover een dergelijke verplichting niet is aangegaan. |
Op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de bepalingen van de overeenkomst de tegenpartij in staat stellen de wijze van afwikkeling te kiezen
|
35. |
Indien een entiteit de tegenpartij het recht heeft toegekend om te bepalen of een op aandelen gebaseerde betalingstransactie in geldmiddelen (*3) wordt afgewikkeld, of door eigen-vermogensinstrumenten uit te geven, dan heeft de entiteit een samengesteld financieel instrument toegekend, dat bestaat uit een vreemd-vermogenscomponent (dat wil zeggen het recht van de tegenpartij om betaling in de vorm van geldmiddelen te vorderen) en een eigen-vermogensinstrument (dat wil zeggen het recht van de tegenpartij om afwikkeling in de vorm van eigen-vermogensinstrumenten in plaats van geldmiddelen te vorderen). Met betrekking tot transacties met andere partijen dan werknemers, waarbij de reële waarde van de ontvangen goederen of diensten direct wordt bepaald, waardeert de entiteit de eigen-vermogenscomponent van het samengestelde financiële instrument als zijnde het verschil tussen de reële waarde van de ontvangen goederen of diensten en de reële waarde van de vreemd-vermogenscomponent, op de datum waarop de goederen of diensten worden ontvangen. |
|
36. |
Met betrekking tot andere transacties, waaronder transacties met werknemers, dient de entiteit de reële waarde van het samengestelde financiële instrument op de waarderingsdatum te bepalen, waarbij rekening wordt gehouden met de voorwaarden waarop de rechten op geldmiddelen of eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend. |
|
37. |
Voor de toepassing van alinea 36 dient de entiteit eerst de reële waarde van de vreemd-vermogenscomponent te bepalen, en vervolgens de reële waarde van de eigen-vermogenscomponent – waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de tegenpartij om het eigen-vermogensinstrument te ontvangen, afstand moet doen van het recht op de ontvangst van geldmiddelen. De reële waarde van het samengestelde financiële instrument is de som van de reële waarde van de twee componenten. Op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de tegenpartij de wijze van afwikkeling kan bepalen, zijn echter dikwijls zo gestructureerd dat de reële waarde van het ene afwikkelingsalternatief gelijk is aan die van het andere alternatief. De tegenpartij zou bijvoorbeeld de keuze kunnen hebben om aandelenopties of in geldmiddelen afgewikkelde ‘share appreciation rights’ te ontvangen. In dergelijke gevallen is de reële waarde van de eigen-vermogenscomponent nihil. Vandaar dat de reële waarde van het samengestelde financiële instrument gelijk is aan de reële waarde van de vreemd-vermogenscomponent. Als de reële waarde van het ene afwikkelingsalternatief verschilt van die van het andere alternatief zal daarentegen de reële waarde van de eigen-vermogenscomponent meer dan nul bedragen. In dat geval is de reële waarde van het samengestelde financiële instrument hoger dan de reële waarde van de vreemd-vermogenscomponent. |
|
38. |
De entiteit dient ontvangen of verworven goederen of diensten met betrekking tot iedere component van het samengestelde financiële instrument administratief afzonderlijk te verwerken. Ten aanzien van de schuldcomponent dient de entiteit de verworven goederen of diensten, en een verplichting tot betaling voor die goederen of diensten, op te nemen wanneer de tegenpartij goederen levert of diensten verleent, in overeenstemming met de vereisten die gelden voor in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties (alinea 30 tot en met 33). Ten aanzien van de eventueel aanwezige eigen-vermogenscomponent dient de entiteit de ontvangen goederen of diensten op te nemen, en het eigen vermogen op te boeken, wanneer de tegenpartij goederen levert of diensten verleent, in overeenstemming met de vereisten voor in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties (alinea 10 tot en met 29). |
|
IFRS 2 |
De entiteit dient op de afwikkelingsdatum de waardering van de verplichting aan te passen tot de reële waarde. Indien de entiteit in eigen-vermogensinstrumenten in plaats van geldmiddelen afwikkelt, dient de verplichting direct naar het eigen vermogen te worden overgeboekt, als de vergoeding voor de uitgegeven eigen-vermogensinstrumenten. |
|
40. |
Indien de entiteit in geldmiddelen in plaats van eigen-vermogensinstrumenten afwikkelt, dient de betaling van geldmiddelen ter volledige voldoening van de verplichting te worden behandeld. Een eerder opgenomen eigen-vermogenscomponent blijft in het eigen vermogen opgenomen. De tegenpartij heeft via de keuze voor de ontvangst van geldmiddelen bij afwikkeling afstand gedaan van het recht op de ontvangst van eigen-vermogensinstrumenten. Dit vereiste sluit echter niet uit dat de entiteit binnen het eigen vermogen bedragen overboekt van één component van het eigen vermogen naar een andere. |
Op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarbij de bepalingen van de overeenkomst de entiteit in staat stellen de wijze van afwikkeling te kiezen
|
41. |
In geval van een op aandelen gebaseerde betalingstransactie waarbij een entiteit op grond van de bepalingen van de overeenkomst de keuze heeft om in geldmiddelen af te wikkelen, of af te wikkelen door eigen-vermogensinstrumenten uit te geven, dient de entiteit te bepalen of zij een bestaande verplichting heeft om in geldmiddelen af te wikkelen en om de op aandelen gebaseerde betalingstransactie administratief dienovereenkomstig te verwerken. De entiteit heeft een bestaande verplichting om in geldmiddelen af te wikkelen indien de afwikkelingskeuze geen commerciële betekenis heeft (bijvoorbeeld omdat de entiteit juridisch gezien geen aandelen mag uitgeven), of de entiteit een gangbare praktijk of vastgelegd beleid heeft om in geldmiddelen af te wikkelen, of over het algemeen in geldmiddelen afwikkelt wanneer de tegenpartij verzoekt om afwikkeling in geldmiddelen. |
|
42. |
Indien de entiteit een bestaande verplichting heeft om in geldmiddelen af te wikkelen, dient zij de transactie administratief te verwerken in overeenstemming met de vereisten in alinea 30 tot en met 33 met betrekking tot in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties. |
|
43. |
Indien een dergelijke verplichting niet bestaat, dient de entiteit de transactie te verwerken in overeenstemming met de vereisten in alinea 10 tot en met 29 voor in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties. Bij afwikkeling:
|
INFORMATIEVERSCHAFFING
|
44. |
Een entiteit dient informatie te verstrekken die de gebruikers van de jaarrekening inzicht verschaft in de aard en omvang van op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomsten die in de periode bestonden. |
|
45. |
Om te voldoen aan het uitgangspunt in alinea 44 dient de entiteit ten minste onderstaande informatie te vermelden.
|
|
46. |
Een entiteit dient informatie te verstrekken om gebruikers van de jaarrekening inzicht te verschaffen in de wijze waarop de reële waarde van de in de periode ontvangen goederen en diensten, of de reële waarde van de in de periode toegekende eigen-vermogensinstrumenten, is bepaald. |
|
47. |
Indien de entiteit de reële waarde van de als vergoeding voor de eigen-vermogensinstrumenten ontvangen goederen of diensten op indirecte wijze heeft bepaald, op basis van de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten, dient de entiteit, om te voldoen aan het uitgangspunt in alinea 46, ten minste de onderstaande informatie te vermelden.
|
|
48. |
Indien de entiteit de reële waarde van gedurende de periode ontvangen goederen of diensten op directe wijze heeft bepaald, dient de entiteit in de toelichting te vermelden hoe die reële waarde is bepaald, bijvoorbeeld of de reële waarde van die goederen of diensten tegen marktprijs is bepaald. |
|
49. |
Indien de entiteit de veronderstelling in alinea 13 heeft weerlegd, dient zij dit feit te vermelden, en toe te lichten waarom de veronderstelling is weerlegd. |
|
50. |
Een entiteit dient informatie in de toelichting op te nemen die gebruikers van de jaarrekening inzicht geeft in de gevolgen van op aandelen gebaseerde betalingstransacties voor de winst- en verliesrekening over de periode en voor de financiële positie. |
|
51. |
Om te voldoen aan het uitgangspunt in alinea 50 dient de entiteit ten minste de volgende informatie te verstrekken:
|
|
52. |
Indien de informatie die op grond van deze IFRS moet worden vermeld, niet in overeenstemming is met de uitgangspunten in alinea 44, 46 en 50 dient de entiteit zodanige aanvullende informatie te verstrekken dat aan deze uitgangspunten wordt voldaan. |
OVERGANGSBEPALINGEN
|
53. |
Voor in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties dient de entiteit deze IFRS toe te passen op de toekenning van aandelen, aandelenopties en andere eigen-vermogensinstrumenten die na 7 november 2002 zijn toegekend en die op de ingangsdatum van deze IFRS nog niet onvoorwaardelijk waren geworden. |
|
54. |
Aanbevolen, maar niet voorgeschreven, wordt om deze IFRS op andere toekenningen van eigen-vermogensinstrumenten toe te passen, indien de entiteit de reële waarde van die instrumenten openbaar heeft gemaakt, bepaald op de waarderingsdatum. |
|
55. |
Ten aanzien van alle toekenningen van eigen-vermogensinstrumenten waarop deze IFRS wordt toegepast, dient de entiteit de vergelijkende informatie aan te passen en, voorzover van toepassing, de beginbalans van de ingehouden winsten aan te passen voor de vroegste periode die wordt gepresenteerd. |
|
56. |
Voor alle toekenningen van eigen-vermogeninstrumenten waarop deze IFRS niet is toegepast (bijvoorbeeld eigen-vermogensinstrumenten die op of vóór 7 november 2002 zijn toegekend) dient de entiteit niettemin de informatie te verstrekken die op grond van alinea 44 en 45 is voorgeschreven. |
|
57. |
Ook als een entiteit na de ingangsdatum van de IFRS de contractuele bepalingen van een toekenning van eigen-vermogensinstrumenten waarop deze IFRS niet is toegepast, aanpast, dient de entiteit de alinea’s 26 tot en met 29 voor de administratieve verwerking van dergelijke aanpassingen toe te passen. |
|
IFRS 2 |
Ten aanzien van verplichtingen uit hoofde van op aandelen gebaseerde betalingstransacties die op de ingangsdatum van deze IFRS bestaan, dient de entiteit de IFRS retroactief toe te passen. Met betrekking tot deze verplichtingen dient de entiteit de vergelijkende informatie aan te passen, met inbegrip van aanpassing van het beginsaldo van de ingehouden winsten van de vroegst gepresenteerde periode waarover de vergelijkende informatie is aangepast. De entiteit is echter niet verplicht vergelijkende informatie aan te passen voorzover de informatie betrekking heeft op een periode die, of tijdstip dat, vóór 7 november 2002 ligt. |
|
59. |
De entiteit wordt aangemoedigd, maar is niet verplicht, de IFRS retroactief toe te passen op andere verplichtingen die voortvloeien uit op aandelen gebaseerde betalingstransacties. Bijvoorbeeld op verplichtingen die zijn afgewikkeld gedurende de periode waarover vergelijkende informatie wordt gepresenteerd. |
INGANGSDATUM
|
60. |
Een entiteit dient deze IFRS toe te passen voor jaarperioden die aanvangen op of na 1 januari 2005. Eerdere toepassing wordt aangemoedigd. Indien een entiteit deze IFRS toepast voor jaarrekeningen die betrekking hebben op verslagperioden die aanvangen vóór 1 januari 2005 dient zij dit feit te vermelden. |
(*1) In deze IFRS wordt „op basis van” gebruikt in plaats van „op”, omdat de waarde van de transactie uiteindelijk wordt bepaald door de reële waarde, bepaald op de datum vermeld in alinea 11 of, indien van toepassing, alinea 13, van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten, te vermenigvuldigen met het aantal eigen-vermogensinstrumenten dat onvoorwaardelijk wordt, zoals uiteengezet in alinea 19.
(*2) In de navolgende alinea’s van deze IFRS omvatten verwijzingen naar werknemers tevens anderen die soortgelijke diensten verlenen.
(*3) In alinea 35 tot en met 43 omvat het begrip geldmiddelen tevens andere activa van de entiteit.
BIJLAGE A
Definities
Deze bijlage maakt integraal deel uit van IFRS 2.
|
in geldmiddelen afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingstransacties |
Een op aandelen gebaseerde betalingstransactie waarbij de entiteit goederen of diensten verwerft door een verplichting aan te gaan tot overdracht van geldmiddelen of andere activa aan de leverancier van die goederen of diensten voor een bedrag dat is gebaseerd op de prijs (of waarde) van de aandelen of andere eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit. |
|
werknemers en anderen die soortgelijke diensten verlenen |
Natuurlijke personen die persoonsgebonden diensten aan de entiteit verlenen en hetzij (a) natuurlijke personen zijn die in juridische zin of voor belastingdoeleinden als werknemer worden beschouwd, of (b) natuurlijke personen zijn die voor de entiteit werken, onder leiding van de entiteit, op dezelfde wijze als personen die in juridische zin of voor belastingdoeleinden als werknemer worden beschouwd, dan wel (c) de door hen verleende diensten zijn vergelijkbaar met door werknemers verleende diensten. Het begrip omvat bijvoorbeeld alle managers, dat wil zeggen die personen die bevoegd zijn en verantwoordelijkheid dragen ten aanzien van de planning van, het richting geven aan en beheersen van de activiteiten van de entiteit, waaronder commissarissen („non-executive directors”). |
|
eigen-vermogensinstrument |
Een overeenkomst die het overblijvend recht omvat op een belang in de activa van een entiteit, na aftrek van alle verplichtingen (*1). |
|
toegekend eigen-vermogensinstrument |
Het door de entiteit aan een andere partij verleende (voorwaardelijke of onvoorwaardelijke) recht op een eigen-vermogensinstrument van de entiteit, ingevolge een op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst. |
|
in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkeld, op aandelen gebaseerde betalingstransactie |
Een op aandelen gebaseerde betalingstransactie waarbij de entiteit goederen of diensten ontvangt als vergoeding voor eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit (met inbegrip van aandelen of aandelenopties). |
|
reële waarde |
Het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld, een verplichting kan worden afgewikkeld, of een toegekend eigen-vermogensinstrument zou kunnen worden geruild, tussen terzake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn. |
|
toekenningsdatum |
De datum waarop de entiteit en een andere partij (met inbegrip van een werknemer) een op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst overeenkomen, zijnde het moment waarop de entiteit en de tegenpartij beiden de voorwaarden van de overeenkomst accepteren. De entiteit verleent op de toekenningsdatum aan de tegenpartij het recht op geldmiddelen, andere activa, of eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit, mits aan de eventuele voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging wordt voldaan. Indien die overeenkomst onderworpen is aan een goedkeuringsproces (door bijvoorbeeld aandeelhouders), dan is de toekenningsdatum de datum waarop de goedkeuring wordt verkregen. |
|
intrinsieke waarde |
Het verschil tussen de reële waarde van de aandelen waarop de tegenpartij (voorwaardelijk of onvoorwaardelijk) gerechtigd is in te schrijven of die de entiteit gerechtigd is te ontvangen, en de eventuele prijs die de tegenpartij voor die aandelen moet betalen. Een voorbeeld hiervan is een aandelenoptie met een uitoefenprijs of CU 15 (*2), op een aandeel met een reële waarde van CU 20; deze heeft een intrinsieke waarde van CU 5. |
|
marktprijsgerelateerde voorwaarde |
Een voorwaarde waarvan de uitoefenprijs, het onvoorwaardelijk worden of de uitoefenbaarheid van een eigen-vermogensinstrument afhankelijk is die is gerelateerd aan de marktprijs van de eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit, zoals het bereiken van een bepaalde aandelenprijs of een bepaalde intrinsieke waarde van een aandelenoptie, of van het bereiken van een bepaald doel dat is gebaseerd op de marktprijs van de eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit ten opzichte van een index van marktprijzen van eigen-vermogensinstrumenten van andere entiteiten. |
|
waarderingsdatum |
De datum waarop de reële waarde van toegekende eigen-vermogensinstrumenten in het kader van IFRS 2 wordt bepaald. In geval van transacties met werknemers en anderen die soortgelijke diensten verlenen, is de waarderingsdatum gelijk aan de toekenningsdatum. In geval van transacties met partijen niet zijnde werknemers (en personen die soortgelijke diensten verlenen) is de waarderingsdatum gelijk aan de datum waarop de entiteit de goederen verkrijgt of de tegenpartij de diensten verleent. |
|
„reload”-kenmerk |
Een kenmerk dat voorziet in de automatische toekenning van extra aandelenopties wanneer de optiehouder voorheen toegekende opties uitoefent en, ter voldoening van de uitoefenprijs, aandelen van de entiteit gebruikt, in plaats van geldmiddelen. |
|
„reload”-optie |
Een nieuwe aandelenoptie die wordt toegekend wanneer een aandeel wordt gebruikt om de uitoefenprijs van een voorheen toegekende aandelenoptie te voldoen. |
|
op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst |
Een overeenkomst tussen de entiteit en een andere partij (inclusief een werknemer) voor het aangaan een op aandelen gebaseerde betalingstransactie, op grond waarvan de andere partij recht heeft op geldmiddelen of andere activa van de entiteit tot een bedrag dat is gebaseerd op de prijs van de aandelen van de entiteit of andere eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit, of het recht om eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit te ontvangen, mits aan de eventuele voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging wordt voldaan. |
|
op aandelen gebaseerde betalingstransactie |
Een transactie waarbij de entiteit goederen of diensten ontvangt als vergoeding voor eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit (met inbegrip van aandelenopties), of goederen of diensten verwerft door verplichtingen aan te gaan jegens de leverancier van die goederen of diensten voor een bedrag dat gebaseerd is op de prijs van de aandelen of andere eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit. |
|
aandelenoptie |
Een overeenkomst die de houder ervan het recht, maar niet de plicht, geeft om gedurende een bepaalde periode tegen een vaste of bepaalbare prijs in te schrijven op de aandelen van de entiteit. |
|
onvoorwaardelijk worden |
Een aanspraak worden. Bij een op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst wordt het recht van een tegenpartij om geldmiddelen, andere activa, of eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit te ontvangen onvoorwaardelijk wanneer aan eventuele bepaalde voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging wordt voldaan. |
|
voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging |
De voorwaarden waaraan moet zijn voldaan alvorens de tegenpartij op grond van een op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst gerechtigd wordt tot ontvangst van geldmiddelen, andere activa of eigen-vermogensinstrumenten van de entiteit. Voorwaarden voor onvoorwaardelijk toezegging omvatten voorwaarden gerelateerd aan de dienstperiode, op grond waarvan de tegenpartij een bepaalde periode diensten moet hebben verleend, en prestatiegerelateerde voorwaarden, op grond waarvan bepaalde prestatiedoelen moeten worden bereikt (zoals een bepaalde toename van de winst van de entiteit in een bepaalde periode). |
|
wachtperiode |
De periode gedurende welke aan alle bepaalde voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging van een op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst moet worden voldaan. |
(*1) In het Raamwerk wordt een verplichting gedefinieerd als een bestaande verplichting van de entiteit die voortvloeit uit gebeurtenissen in het verleden waarvan de afwikkeling naar verwachting resulteert in een uitstroom uit de onderneming van middelen die economische voordelen in zich bergen (dat wil zeggen een uitstroom van geldmiddelen of andere activa van de entiteit).
(*2) In deze standaard luiden geldbedragen in „geldeenheden” („currency units”, CU).
IFRS 2
BIJLAGE B
Toepassingsleidraad
Deze bijlage maakt integraal deel uit van IFRS 2.
Bepaling van de reële waarde van toegekende eigen-vermogensinstrumenten
|
B1 |
In de alinea’s B2 tot en met B41 wordt ingegaan op de bepaling van de reële waarde van toegekende aandelen en aandelenopties, waarbij aandacht wordt besteed aan de specifieke voorwaarden die veelal gelden bij de toekenning van aandelen of aandelenopties aan werknemers. De bijlage bevat derhalve geen uitputtende beschrijving. Omdat de onderstaand beschreven waarderingskwesties zich richten op aandelen en aandelenopties die aan werknemers worden toegekend, wordt bovendien aangenomen dat de reële waarde van de aandelen of aandelenopties op de toekenningsdatum wordt bepaald. Veel van de onderstaand beschreven waarderingskwesties (bijvoorbeeld het bepalen van de verwachte volatiliteit) zijn tevens van toepassing in het kader van het schatten van de reële waarde, op de datum waarop de entiteit de goederen verkrijgt of de tegenpartij de diensten verleent, van aandelen of aandelenopties die aan andere partijen dan werknemers worden toegekend. |
Aandelen
|
B2 |
Ten aanzien van aan werknemers toegekende aandelen dient de reële waarde van de aandelen te worden bepaald tegen de marktprijs van de aandelen van de entiteit (of een geschatte marktprijs, indien de aandelen van de entiteit niet ter beurze worden verhandeld), aangepast in verband met de voorwaarden waarop de aandelen zijn toegekend (behoudens voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging waarmee overeenkomstig alinea 19 tot en met 21 bij de bepaling van de reële waarde geen rekening wordt gehouden). |
|
B3 |
Als de werknemer bijvoorbeeld gedurende de wachtperiode geen recht op dividend heeft, dient met deze factor rekening te worden gehouden bij de bepaling van de reële waarde van de toegekende aandelen. Evenzo geldt dat, indien er ten aanzien van de aandelen overdrachtsbeperkingen gelden na het onvoorwaardelijk worden van de aandelen, er met die factor rekening zal worden gehouden, maar alleen voorzover de overdrachtsbeperkingen na het onvoorwaardelijk worden van de toezegging van invloed zijn op de prijs die een goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde marktdeelnemer voor dat aandeel zou willen betalen. Indien de aandelen bijvoorbeeld actief worden verhandeld op een diepe en liquide markt, dan hebben overdrachtsbeperkingen na onvoorwaardelijk worden van de toezegging mogelijk weinig of geen effect op de prijs die een goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde marktdeelnemer voor die aandelen zou willen betalen. Met overdrachtsbeperkingen of andere restricties die gedurende de wachtperiode gelden, dient geen rekening te worden gehouden bij het schatten van de reële waarde van de toegekende aandelen op de toekenningsdatum, omdat die restricties voortkomen uit het bestaan van voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging, die overeenkomstig alinea 19 tot en met 21 worden verwerkt. |
Aandelenopties
|
B4 |
In veel gevallen zijn er bij toekenning van aandelenopties aan werknemers geen marktprijzen beschikbaar, omdat voor de toegekende opties voorwaarden gelden die niet van toepassing zijn op verhandelde opties. Indien er geen verhandelde opties met vergelijkbare voorwaarden bestaan, dient de reële waarde van de toegekende opties te worden geschat met behulp van een optiewaarderingsmodel. |
|
B5 |
De entiteit dient rekening te houden met factoren waarmee goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde marktdeelnemers rekening zouden houden bij de keuze van het te hanteren optiewaarderingsmodel. Veel opties voor werknemers hebben bijvoorbeeld een lange looptijd, zijn gewoonlijk uitoefenbaar tussen de datum waarop ze onvoorwaardelijk worden en het einde van looptijd van de opties, en zijn vaak vervroegd uitoefenbaar. Bij het schatten van de reële waarde van de opties op de toekenningsdatum dient met deze factoren rekening te worden gehouden. Voor veel entiteiten zou dit het gebruik van de Black-Scholes-Merton-formule kunnen uitsluiten, omdat hierin geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van uitoefening vóór het einde van de looptijd van de optie, waardoor de gevolgen van een verwachte vervroegde uitoefening mogelijk onvoldoende tot uitdrukking worden gebracht. Tevens houdt deze formule geen rekening met de mogelijkheid dat de verwachte volatiliteit en andere bij het model gebruikte gegevens gedurende de looptijd van de optie kunnen schommelen. De bovenstaande factoren hoeven echter niet te gelden voor aandelenopties met een relatief korte contractuele looptijd, of voor opties die op korte termijn na het tijdstip van onvoorwaardelijk moeten worden uitgeoefend. In die gevallen kan de Black-Scholes-Merton-formule een waarde opleveren die nagenoeg hetzelfde is als bij een meer flexibel optiewaarderingsmodel. |
|
B6 |
Elk gehanteerd optiewaarderingsmodel dient ten minste rekening te houden met de volgende factoren:
|
|
B7 |
Er dient ook rekening te worden gehouden met andere factoren waarmee goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde marktdeelnemers rekening zouden houden bij het vaststellen van de prijs (behoudens voorwaarden voor onvoorwaardelijke toezegging en „reload”-kenmerken die in overeenstemming met alinea 19 tot en met 22 niet worden betrokken in de bepaling van de reële waarde). |
|
B8 |
Een voorbeeld hiervan betreft een aan een werknemer toegekende aandelenoptie; deze kan gewoonlijk gedurende bepaalde perioden niet worden uitgeoefend (bijvoorbeeld tijdens de wachtperiode en tijdens perioden die door regelgevende instanties voor effecten zijn vastgesteld). Met deze factor dient rekening te worden gehouden indien het toegepaste optiewaarderingsmodel anders van de veronderstelling uitgaat dat de optie op elk moment tijdens de looptijd kan worden uitgeoefend. Indien een entiteit echter een optiewaarderingsmodel hanteert dat de waarde oplevert van een optie die alleen aan het einde van de looptijd van de optie kan worden uitgeoefend, dan is er geen aanpassing vereist voor het ontbreken van de mogelijkheid om deze tijdens de wachtperiode (of andere perioden tijdens de looptijd van de optie) uit te oefenen, omdat het model ervan uitgaat dat de optie tijdens deze perioden niet kan worden uitgeoefend. |
|
B9 |
Een andere veel voorkomende factor bij aandelenopties voor werknemers is de mogelijkheid tot vervroegde uitoefening van de optie, omdat de optie bijvoorbeeld niet vrij overdraagbaar is, of omdat de werknemer alle onvoorwaardelijk geworden opties bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst moet uitoefenen. Met de gevolgen van vervroegde uitoefening dient rekening te worden gehouden, zoals besproken in alinea B16 tot en met B21. |
|
B10 |
Met de factoren waarmee een goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde marktdeelnemer geen rekening zou houden bij het vaststellen van de prijs van een aandelenoptie (of een ander eigen-vermogensinstrument) dient geen rekening te worden gehouden bij het schatten van de reële waarde van toegekende aandelenopties (of andere eigen-vermogensinstrumenten). In geval van aan werknemers toegekende aandelenopties bijvoorbeeld zijn de factoren die de waarde van de optie alleen vanuit het perspectief van de werknemer beïnvloeden, niet relevant bij het schatten van de prijs die door een goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde marktdeelnemer zou worden vastgesteld. |
Gebruikte gegevens bij optiewaarderingsmodellen
|
B11 |
Het doel bij het schatten van de verwachte volatiliteit van de onderliggende aandelen en het dividend daarop is om de verwachtingen te benaderen die tot uitdrukking zouden komen in een actuele marktprijs of actuele onderhandelde prijs. Evenzo geldt dat bij het schatten van de gevolgen van vervroegde uitoefening van aandelenopties voor werknemers het doel is om de verwachtingen te benaderen die een derde met toegang tot gedetailleerde informatie over het gedrag van werknemers ten aanzien van uitoefening, zou ontwikkelen op basis van informatie die op de toekenningsdatum beschikbaar is. |
|
B12 |
In veel gevallen zal er sprake zijn van een reeks van redelijke verwachtingen wat betreft de toekomstige ontwikkeling van de volatiliteit, dividenden en het gedrag ten aanzien van uitoefening. Indien dit het geval is, dient de verwachte waarde te worden berekend, door ieder bedrag in de reeks te wegen met de waarschijnlijkheid dat deze waarde zal optreden. |
|
B13 |
Toekomstverwachtingen zijn over het algemeen gebaseerd op ervaring, aangepast indien redelijkerwijs wordt verwacht dat de toekomst zal afwijken van het verleden. In sommige omstandigheden kan uit identificeerbare factoren blijken dat niet aangepaste ervaringscijfers een betrekkelijk slechte voorspellende waarde hebben voor toekomstige uitkomsten. Indien een entiteit met bijvoorbeeld twee duidelijk verschillende bedrijfsactiviteiten de ene, aanzienlijk minder risicovolle activiteit afstoot, vormt de historische volatiliteit waarschijnlijk niet de beste informatie om redelijke verwachtingen voor de toekomst op te baseren. |
|
B14 |
In andere gevallen is historische informatie misschien niet beschikbaar. Een pas ter beurze genonteerde entiteit bijvoorbeeld zal over weinig of geen historische gegevens beschikken om de volatiliteit op te baseren. Niet-genoteerde en recent genoteerde entiteiten worden hierna besproken. |
|
B15 |
Samengevat dient een entiteit schattingen van de volatiliteit, het gedrag ten aanzien van uitoefening en dividenden niet alleen maar te baseren op historische informatie. Er dient beoordeeld te worden in hoeverre de ervaringen uit het verleden een redelijke voorspellende waarde hebben. |
IFRS 2
Verwachte vervroegde uitoefening
|
B16 |
Werknemers oefenen opties vaak vervroegd uit, om uiteenlopende redenen. Een van de redenen is dat aandelenopties voor werknemers gewoonlijk niet overdraagbaar zijn. Daarom oefenen werknemers hun aandelenopties dikwijls vervroegd uit; het is de enige manier is om hun positie te gelde te maken. Bovendien zijn werknemers die uit dienst treden gewoonlijk verplicht om eventuele onvoorwaardelijk geworden opties op korte termijn uit te oefenen; anders komen de aandelenopties te vervallen. Ook deze factor zorgt ervoor dat aandelenopties voor werknemers vervroegd worden uitgeoefend. Andere factoren die ervoor zorgen dat vervroegd wordt uitgeoefend, zijn risicomijdend gedrag en een gebrek aan vermogensspreiding. |
|
B17 |
De wijze waarop met de effecten van verwachte vervroegde uitoefening rekening wordt gehouden, is afhankelijk van het toegepaste type optiewaarderingsmodel. Met verwachte vervroegde uitoefening zou bijvoorbeeld rekening kunnen worden gehouden door in een optiewaarderingsmodel (bijvoorbeeld de Black-Scholes-Merton-formule) een schatting te verwerken van de verwachte looptijd van de optie (die voor een aandelenoptie voor werknemers gelijk is aan de periode vanaf de toekenningsdatum tot de datum waarop de optie naar verwachting wordt uitgeoefend). Als alternatief zou ook in een binomiaal of soortgelijk optiewaarderingsmodel waarbij de contractuele looptijd als invoergegeven wordt gebruikt, met de verwachte vervroegde uitoefening rekening kunnen worden gehouden. |
|
B18 |
Bij het schatten van de verwachte vervroegde uitoefening dient onder andere met de onderstaande factoren rekening te worden gehouden.
|
|
B19 |
Zoals opgemerkt in alinea B17 zou met de effecten van vervroegde uitoefening rekening kunnen worden gehouden door gebruik te maken van een schatting van de verwachte looptijd van de optie als een gegeven dat in een optiewaarderingsmodel wordt gebruikt. Bij het schatten van de verwachte looptijd van aandelenopties die aan een groep van werknemers zijn toegekend, zou de entiteit die schatting kunnen baseren op een geschikte gewogen gemiddelde verwachte looptijd voor de gehele groep werknemers of op geschikte gewogen gemiddelde looptijden voor subgroepen van werknemers binnen de groep, op basis van meer gedetailleerde gegevens over het werknemersgedrag ten aanzien van uitoefening (zie hieronder). |
|
B20 |
Het is waarschijnlijk belangrijk om een optietoekenning te splitsen in groepen van werknemers met een relatief homogeen gedrag ten aanzien van uitoefening. De optiewaarde is geen lineaire functie van de looptijd van de optie; de waarde stijgt met een dalend tempo naarmate de looptijd langer is. Bij gelijkblijvende overige veronderstellingen is bijvoorbeeld een tweejaars optie meer waard dan een eenjaars optie, maar de tweejaars optie is niet twee maal zoveel waard. Dat betekent dat er bij de berekening van de geschatte optiewaarde op basis van één gewogen gemiddelde looptijd die het gemiddelde is van sterk uiteenlopende individuele looptijden, sprake is van overwaardering van de totale reële waarde van de toegekende aandelenopties. Dankzij de splitsing van de toegekende opties in verschillende groepen, waarbij de gewogen gemiddelde looptijd van iedere groep het gemiddelde is van een relatief niet ver uiteenlopende reeks van looptijden, wordt deze overwaardering verminderd. |
|
B21 |
Bij toepassing van een binomiaal of vergelijkbaar model gelden soortgelijke overwegingen. De ervaring van een entiteit die aan grofweg alle niveaus van werknemers opties toekent, kan bijvoorbeeld zijn dat topmanagers hun opties langer aanhouden dat managers op een lager niveau, en dat werknemers op een laag niveau geneigd zijn hun opties eerder uit te oefenen dan iedere andere groep. Bovendien zouden werknemers die worden aangemoedigd of verplicht om een minimum bedrag aan eigen-vermogensinstrumenten, inclusief opties, te houden, gemiddeld genomen opties later uitoefenen dan werknemers voor wie dit niet geldt. In die gevallen zal het splitsen van opties op basis van groepen van ontvangers met relatief homogeen gedrag ten aanzien van uitoefening resulteren in een meer nauwkeurige schatting van de totale reële waarde van de toegekende opties. |
IFRS 2
Verwachte volatiliteit
|
B22 |
De verwachte volatiliteit is een maatstaf voor het bedrag waarmee een prijs gedurende een periode naar verwachting zal schommelen. De maatstaf van volatiliteit die wordt gebruikt in het kader van optiewaarderingsmodellen is de standaarddeviatie op jaarbasis van het continu samengestelde rendement op het aandeel gedurende een bepaalde periode. De volatiliteit wordt ten behoeve van vergelijkbaarheid veelal uitgedrukt op jaarbasis ongeacht of de berekening is gebaseerd op bijvoorbeeld prijswaarnemingen op een dag, gedurende een week of een maand. |
|
B23 |
Het rendement (dat zowel positief als negatief kan zijn) op een aandeel over een periode geeft aan hoeveel een aandeelhouder heeft geprofiteerd van dividend en de stijging (of daling) van de aandelenprijs. |
|
B24 |
De verwachte volatiliteit op jaarbasis van een aandeel is de bandbreedte waarbinnen het continu samengestelde rendement op jaarbasis gedurende twee derde van de tijd naar verwachting zal vallen. De bewering dat een aandeel met een verwacht continu samengesteld rendement van 12 procent een volatiliteit heeft van 30 procent betekent dat de kans dat het rendement op het aandeel gedurende één jaar tussen – 18 procent (12 % – 30 %) en 42 procent (12 % + 30 %) zal bedragen, circa twee derde is. Indien de aandelenprijs aan het begin van het jaar CU 100 bedraagt en er geen dividend wordt uitgekeerd, zou de aandelenprijs aan het einde van het jaar gedurende twee derde van de tijd naar verwachting tussen CU 83,53 (CU 100 × e– 0,18 ) en CU 152,20 (CU 100 × e0,42) bedragen. |
|
B25 |
Bij het schatten van de verwachte volatiliteit dient onder andere met de volgende factoren rekening te worden gehouden:
|
Recent genoteerde entiteiten
|
B26 |
Zoals opgemerkt in alinea B25 dient een entiteit de historische volatiliteit van de aandelenprijs in aanmerking te nemen over de meest recente periode die in het algemeen gelijk is aan de verwachte looptijd van de optie. Indien een recent genoteerde entiteit onvoldoende informatie heeft over de historische volatiliteit dient zij niettemin de historische volatiliteit te berekenen voor de langste periode waarover handelsactiviteiten hebben plaatsgevonden. De entiteit zou tevens de historische volatiliteit van soortgelijke entiteiten na een vergelijkbare periode in hun bestaan kunnen meewegen. Een voorbeeld: een entiteit die één jaar is genoteerd en opties toekent met een gemiddelde verwachte looptijd van vijf jaar zou het patroon en het niveau van de historische volatiliteit van entiteiten in dezelfde sector kunnen meewegen in de eerste zes jaar waarin de aandelen van die entiteiten ter beurze zijn verhandeld. |
Niet-genoteerde entiteiten
|
B27 |
Een niet-genoteerde entiteit zal niet beschikken over historische informatie waarvan gebruik gemaakt kan worden bij het schatten van de verwachte volatiliteit. Hieronder volgt een aantal factoren waarmee in plaats daarvan rekening moet worden gehouden. |
|
B28 |
In een aantal gevallen bestaat de mogelijkheid dat een niet-genoteerde entiteit die regelmatig opties of aandelen aan werknemers (of andere partijen) uitgeeft, een interne markt voor de aandelen heeft opgezet. Bij het schatten van de verwachte volatiliteit kan de entiteit gebruikmaken van de volatiliteit van die aandelen. |
|
IFRS 2 |
Anderzijds zou de entiteit bij het schatten van de verwachte volatiliteit gebruik kunnen maken van de historische of impliciete volatiliteit van soortgelijke genoteerde entiteiten, waarvan informatie over koersen van aandelen en opties wel beschikbaar is. Dit zou aan de orde zijn indien de entiteit de waarde van de aandelen heeft gebaseerd op de aandelenprijzen van soortgelijke genoteerde entiteiten. |
|
B30 |
Indien de entiteit de schatting van de waarde van de aandelen niet gebaseerd heeft op de aandelenprijzen van soortgelijke genoteerde entiteiten, en in plaats daarvan een andere waarderingsmethode heeft gebruikt om haar aandelen te waarderen, zou de entiteit een schatting van de verwachte volatiliteit in overeenstemming met die waarderingsmethode kunnen afleiden. De entiteit zou bijvoorbeeld de aandelen kunnen waarderen op basis van de nettovermogenswaarde of de winst, en de verwachte volatiliteit van die nettovermogenswaarde of winst kunnen meewegen. |
Verwachte dividenden
|
B31 |
Of met de verwachte dividenden rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de reële waarde van de toegekende aandelen of opties is afhankelijk van of de tegenpartij recht heeft op het dividend of de dividendequivalenten. |
|
B32 |
Indien werknemers bijvoorbeeld opties toegekend hebben gekregen en recht hebben op dividend op de onderliggende aandelen of op dividendequivalenten (in de vorm van geldmiddelen of een verlaging van de uitoefenprijs) tussen de toekenningsdatum en de uitoefendatum, dan moeten de toegekende opties gewaardeerd worden alsof er geen dividend op de onderliggende aandelen zal worden betaald, dat wil zeggen de invoerwaarde voor het verwachte dividend dient nihil te zijn. |
|
B33 |
Evenzo is er, wanneer de reële waarde, op de toekenningsdatum, van aan werknemers toegekende aandelen wordt geschat geen aanpassing vereist in verband met verwachte dividenden, indien de werknemer recht heeft op tijdens de wachtperiode betaalde dividenden. |
|
B34 |
Indien de werknemers daarentegen geen recht hebben op dividenden of dividendequivalenten tijdens de wachtperiode (of, in geval van een opties, vóór uitoefening), dan dient er bij de waardering van het recht op aandelen of opties op de toekenningsdatum wel rekening te worden gehouden met de verwachte dividenden. Dat wil zeggen dat bij de schatting van de reële waarde van een toegekende optie in het gehanteerde optiewaarderingsmodel rekening moet worden gehouden met het verwachte dividend. Wanneer de reële waarde van een toegekend aandeel wordt geschat, dient de resulterende waarde te worden verminderd met de contante waarde van de naar verwachting tijdens de wachtperiode te betalen dividenden. |
|
B35 |
In optiewaarderingsmodellen wordt veelal gewerkt met een verwacht dividendrendement. De modellen kunnen echter zodanig worden aangepast dat met een verwacht dividendbedrag wordt gewerkt in plaats van met een rendementspercentage. Een entiteit kan gebruikmaken van hetzij het verwachte rendement of de verwachte betalingen. Indien de entiteit gebruikmaakt van het laatstgenoemde gegeven dient zij rekening te houden met het historische patroon in de toename van het dividend. Indien een entiteit bijvoorbeeld een beleid heeft op grond waarvan het dividend jaarlijks met drie procent wordt verhoogd, dan dient de entiteit bij het bepalen van de geschatte optiewaarde niet uit te gaan van een vast dividendbedrag tijdens de looptijd van de optie, tenzij er aanwijzingen zijn die deze aanname ondersteunen. |
|
B36 |
De veronderstelling ten aanzien van het verwachte dividend moet over het algemeen worden gebaseerd op openbaar beschikbare informatie. Een entiteit die geen dividend betaalt en geen plannen heeft om dit te doen, dient uit te gaan van een verwacht dividendrendement van nul. Een opkomende entiteit die in het verleden geen dividend heeft uitgekeerd, zou echter kunnen verwachten dat zij gedurende de verwachte looptijd van de personeelsopties begint met het uitkeren van dividend. Die entiteiten zouden een gemiddelde gebruiken van hun dividendrendement (nul) in het verleden en het gemiddelde dividendrendement van een geschikte vergelijkbare groep bedrijven. |
Risicovrije rentevoet
|
B37 |
De risicovrije rentevoet is normaliter het actuele impliciete rendement op nulcoupon-staatsleningen uitgegeven door het land waarvan de valuta wordt gebruikt om de uitoefenprijs in uit te drukken, met een resterende looptijd die gelijk is aan de verwachte looptijd van de te waarderen optie (gebaseerd op de resterende contractuele looptijd van de optie, waarbij rekening wordt gehouden met de verwachte vervroegde uitoefening). Tevens kan het noodzakelijk zijn om een geschikte vervanger te gebruiken, indien dergelijke staatsleningen niet bestaan of indien er aanwijzingen zijn dat de het impliciete rendement op nulcoupon-staatsleningen niet representatief is voor de risicovrije rentevoet (bijvoorbeeld in economieën met een hoge inflatie). Er dient ook van een geschikte vervanger te worden gebruikgemaakt indien marktdeelnemers, bij het schatten van de reële waarde van een optie met een looptijd die gelijk is aan de verwachte looptijd van de optie die wordt gewaardeerd, de risicovrije rentevoet gewoonlijk aan de hand van die vervanger bepalen. |
IFRS 2
Gevolgen voor de vermogensstructuur
|
B38 |
Derden, niet zijnde de entiteit, schrijven gewoonlijk verhandelde aandelenopties. Wanneer deze aandelenopties worden uitgeoefend, levert de schrijver de aandelen aan de optiehouder. Die aandelen worden verworven van bestaande aandeelhouders. Vandaar dat de uitoefening van verhandelde aandelenopties geen verwateringseffect heeft. |
|
B39 |
Indien de aandelenopties echter door de entiteit worden geschreven, worden bij uitoefening van die aandelenopties nieuwe aandelen uitgegeven (hetzij feitelijk uitgegeven of in wezen uitgegeven, indien eerder ingekochte eigen aandelen worden gebruikt). Aangezien de aandelen tegen de uitoefenprijs worden uitgegeven en niet tegen de actuele marktprijs op de uitoefendatum, kan deze feitelijke of mogelijke verwatering leiden tot een daling van de aandelenprijs. Hierdoor is de winst van de optiehouder naar aanleiding van de uitoefening geringer dan bij uitoefening van een in alle overige opzichten soortgelijke verhandelde optie die niet leidt tot verwatering van de aandelenprijs, |
|
B40 |
Of dit een belangrijk effect op de waarde van de toegekende aandelenopties heeft, is afhankelijk van verschillende factoren, zoals het aantal nieuwe aandelen dat bij uitoefening van de opties wordt uitgegeven vergeleken met het aantal reeds uitgegeven aandelen. Bovendien is het zo dat, indien de markt reeds verwacht dat de optietoekenning zal plaatsvinden, de markt de potentiële verwatering reeds in de aandelenprijs op de toekenningsdatum heeft verdisconteerd. |
|
B41 |
De entiteit dient echter te beoordelen of het mogelijke verwateringseffect van de toekomstige uitoefening van de toegekende aandelenopties gevolgen zou kunnen hebben voor de geschatte reële waarde van de opties op de toekenningsdatum. Optiewaarderingsmodellen bieden de mogelijkheid om rekening te houden met dit potentiële verwateringseffect. |
Wijzigingen in in eigen-vermogensinstrumenten afgewikkelde, op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomsten
|
B42 |
Alinea 27 schrijft voor dat, ongeacht eventuele wijzigingen in de voorwaarden waarop de eigen-vermogensinstrumenten zijn toegekend, of een annulering of afwikkeling van die toekenning van eigen-vermogensinstrumenten, de entiteit ten minste de ontvangen diensten moet opnemen, gewaardeerd op de reële waarde van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten op de toekenningsdatum, tenzij die eigen-vermogensinstrumenten niet onvoorwaardelijk worden omdat niet aan een voorwaarde voor onvoorwaardelijke toezegging (niet zijnde een marktprijsgerelateerde voorwaarde) wordt voldaan die op de toekenningsdatum is bepaald. Bovendien dient de entiteit de effecten op te nemen van wijzigingen die ervoor zorgen dat de totale reële waarde van de op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst stijgt, of die op een andere manier voordelig zijn voor de werknemer. |
|
B43 |
In verband met de toepassing van het vereiste in alinea 27 geldt dat:
|
|
IFRS 2 |
Voorts dient de entiteit, indien zij de voorwaarden van de toegekende eigen-vermogensinstrumenten op een wijze wijzigt waardoor de totale reële waarde van de op aandelen gebaseerde betalingsovereenkomst daalt, of die anderszins niet voordelig is voor de werknemer, niettemin de ontvangen diensten als vergoeding voor de toegekende eigen-vermogensinstrumenten administratief te blijven verwerken alsof die wijziging niet heeft plaatsgevonden (niet zijnde een annulering van (een deel van) de toegekende eigen-vermogensinstrumenten, die administratief overeenkomstig alinea 28 dient te worden verwerkt). Voorbeelden:
|
IFRS 2
BIJLAGE C
Wijzigingen in andere IFRSs
De wijzigingen in deze bijlage dienen te worden toegepast voor jaarperioden die aanvangen op of na 1 januari 2005. Indien een entiteit deze IFRS voor een eerdere periode toepast, dienen deze wijzigingen voor deze eerdere periode te worden toegepast.
|
C1 |
IAS 12 Winstbelastingen wordt gewijzigd zoals onderstaand beschreven. In alinea 57 wordt de verwijzing naar alinea 58 tot en met 68 vervangen door 58 tot en met 68C. De volgende alinea’s 68A tot en met 68C, en een ondertitel worden toegevoegd: „ Actuele en uitgestelde belasting voortvloeiend uit op aandelen gebaseerde betalingstransacties
|
|
C2 |
In alinea 6 van IAS 16 Materiële vaste activa, alinea 7 van IAS 38 Immateriële activa, en alinea 5 van IAS 40 Vastgoedbeleggingen, herziene versie van 2003, luidt de definitie van kostprijs na aanpassing als volgt: „ De kostprijs is het bedrag van de geldmiddelen of kasequivalenten die worden betaald of de reële waarde van de andere vergoeding die wordt gegeven om een actief te verwerven op het ogenblik dat het wordt verworven of gebouwd, of het bedrag dat bij eerste opname wordt toegerekend aan dat actief, in overeenstemming met de specifieke vereisten van andere IFRSs, bijvoorbeeld IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betaling. ” |
|
IFRS 2 |
IAS 19 Opbrengsten wordt gewijzigd zoals onderstaand beschreven. Inleiding Alinea 2 wordt als volgt aangepast:
Alinea 11 komt te vervallen. Standaard Alinea 1 luidt na aanpassing als volgt:
Alinea 3 wordt als volgt aangepast:
Alinea 4 wordt als volgt aangepast:
In alinea 7:
De laatste zin van alinea 22 komt te vervallen. De alinea’s 144 tot en met 152 komen te vervallen. |
|
IFRS 2 |
Aan IAS 32 Financiële instrumenten: informatieverschaffing en presentatie wordt een nieuw lid 4(f), toegevoegd, die als volgt luidt:
|
|
C5 |
IAS 33 Winst per aandeel wordt gewijzigd zoals onderstaand beschreven. Ingevoegd wordt alinea 47A, die als volgt luidt:
|
|
C6 |
Alinea 26 in IAS 38 Immateriële activa komt te vervallen. |
|
C7 |
In IAS 39 Financiële instrumenten: Informatieverschaffing en presentatie wordt een nieuwe alinea 2(j), ingevoegd, die als volgt luidt:
|
|
C8 |
IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards wordt gewijzigd zoals onderstaand beschreven. In alinea 12 wordt de verwijzing naar alinea 13 tot en met 25A gewijzigd in 13 tot en met 25C. De alinea’s 13(f) en (g) worden gewijzigd en alinea 13(h) wordt toegevoegd, als volgt:
De nieuwe alinea’s 25B en 25C worden ingevoegd; deze luiden als volgt:
|