21.1.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 19/1


VERORDENING (EG) Nr. 83/2005 VAN DE RAAD

van 18 januari 2005

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2604/2000 inzake de invoer van polyethyleentereftalaat uit onder andere de Republiek Korea en Taiwan

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna de „basisverordening” genoemd), en met name op artikel 11, lid 3,

Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 2604/2000 (2) (hierna de „definitieve verordening” genoemd) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op polyethyleentereftalaat (PET) uit India, Indonesië, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand.

2.   Onderhavig onderzoek

(2)

Op 22 mei 2003 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (3), de inleiding aangekondigd van een tussentijdse herzieningsprocedure betreffende de antidumpingmaatregelen ten aanzien van PET uit de Republiek Korea en Taiwan (hierna „de betrokken landen” genoemd).

(3)

De procedure is ingeleid naar aanleiding van een verzoek dat in april 2003 is ingediend door de Association of Plastic Manufacturers in Europe namens producenten die goed zijn voor een groot deel, in dit geval meer dan 80 %, van de totale productie van PET in de Gemeenschap. Het verzoek bevatte bewijsmateriaal inzake dumping, schade en het feit dat de geldende maatregelen niet meer toereikend zijn om de schadelijke gevolgen van dumping weg te nemen. Dit bewijsmateriaal werd toereikend geacht om over te gaan tot de inleiding van een tussentijdse procedure voor de eventuele herziening van de geldende maatregelen op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening.

(4)

Op 30 juni 2004 heeft de indiener van het verzoek zijn verzoek ingetrokken.

(5)

Gezien het bewijsmateriaal en de bij het onderzoek reeds verkregen gegevens was de Commissie echter van oordeel dat het onderzoek naar dumping moest worden voortgezet. Het onderzoek naar de andere aspecten kon volgens de Commissie worden beëindigd. Zij heeft dit aan alle belanghebbenden meegedeeld die hierover geen opmerkingen hebben gemaakt.

3.   Overige procedures

(6)

Op 22 mei 2003 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie  (4) de inleiding bekendgemaakt van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van PET uit Australië, de Volksrepubliek China en Pakistan.

(7)

De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 306/2004 (5) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op PET uit Australië, de Volksrepubliek China en Pakistan. Bij Verordening (EG) nr. 1467/2004 (6) heeft de Raad definitieve antidumpingrechten ingesteld op PET uit Australië en de Volksrepubliek China en de procedure ten aanzien van PET uit Pakistan beëindigd.

4.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(8)

De Commissie heeft de indiener van het verzoek, de in het verzoek genoemde producenten in de Gemeenschap, de overige producenten in de Gemeenschap, de producenten/exporteurs in de Republiek Korea en Taiwan, importeurs, toeleveranciers, verwerkende bedrijven, betrokken organisaties, alsook vertegenwoordigers van de Republiek Korea en Taiwan in kennis gesteld van de opening van het onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(9)

De door de indiener van het verzoek vertegenwoordigde EG-producenten, andere EG-producenten, producenten/exporteurs, importeurs, toeleveranciers, verwerkende bedrijven en organisaties van verwerkende bedrijven hebben hun standpunt kenbaar gemaakt. Alle belanghebbenden die hierom hadden verzocht, werden gehoord.

(10)

De Commissie heeft al haar bekende belanghebbenden en alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn bekend hebben gemaakt een vragenlijst toegezonden. De vragenlijst is beantwoord door zeven door de indiener van het verzoek vertegenwoordigde EG-producenten, vier andere EG-producenten, drie Koreaanse producenten/exporteurs, waaronder één onderneming waarvoor momenteel geen individueel recht geldt, vier Taiwanese producenten/exporteurs, waaronder één onderneming waarvoor momenteel geen individueel recht geldt, twee toeleveranciers, twee gelieerde importeurs, vier niet-gelieerde importeurs en negen niet-gelieerde verwerkende ondernemingen in de Gemeenschap.

(11)

In haar bericht van inleiding wees de Commissie erop dat in het kader van dit onderzoek eventueel gebruik zou worden gemaakt van een steekproef. Het was evenwel niet noodzakelijk van een steekproef gebruik te maken omdat het aantal producenten/exporteurs in de betrokken landen dat bereid was medewerking te verlenen, lager was dan verwacht.

(12)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping en schade nodig had, ingewonnen en geverifieerd en heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld bij de volgende bedrijven:

a)

Producenten in de Gemeenschap

Aussapol SpA, San Giorgio Di Nogaro (UD), Italië

Brilen SA, Zaragoza, Spanje

Catalana di Polimers, Barcelona, Spanje

Dupont Sabanci SA, Middlesbrough, Verenigd Koninkrijk

INCA International, Milaan, Italië

KoSa, Frankfurt am Main, Duitsland

M & G Finanziaria Industriale, Milaan, Italië

Tergal Fibres, Gauchy, Frankrijk

VPI SA, Athene, Griekenland

Voridian, Rotterdam, Nederland

Wellman PET Resins, Arnhem, Nederland

b)

Producenten/exporteurs in de Republiek Korea

Daehan Synthetic Fiber Co. Ltd, Seoul

SK Chemicals Co. Ltd, Seoul

KP Chemical Corp., Seoul

c)

Producenten/exporteurs in Taiwan

Far Eastern Textile Ltd, Taipei

Shinkong Synthetic Fibers Corp., Taipei

Hualon Corp., Taipei

d)

Gelieerde importeurs

SK Networks, Seoul, Republiek Korea

SK Global (Belgium) N.V., Antwerpen, België

e)

Niet-gelieerde importeurs

Mitsubishi Chemicals, Düsseldorf, Duitsland

Helm AG, Hamburg, Duitsland

Global Services International, Milaan, Italië

SABIC Italia, Milaan, Italië

f)

Leveranciers in de Gemeenschap

Interquisa SA, Madrid, Spanje

BP Chemicals, Sunbury-on-Thames, Verenigd Koninkrijk

g)

Verwerkende ondernemingen in de Gemeenschap

Danone Waters Group, Parijs, Frankrijk

Aqua Minerale San Benedetto, Scorze (VE), Italië

RBC Cobelplast Mononate, Varese, Italië

Nestlé Espana SA, Barcelona, Spanje

5.   Onderzoektijdvak

(13)

Het onderzoektijdvak bestreek de periode van 1 april 2002 tot en met 31 maart 2003.

6.   Betrokken product en soortgelijk product

6.1.   Betrokken product

(14)

De klacht heeft betrekking op hetzelfde product als in het oorspronkelijke onderzoek, namelijk PET met een viscositeitscoëfficiënt van 78 ml/g of meer volgens ISO-norm 1628-5, ingedeeld onder GN-code 3907 60 20, uit de Republiek Korea en Taiwan.

6.2.   Soortgelijk product

(15)

Evenals in het oorspronkelijke onderzoek werd geconstateerd dat PET dat in Korea en Taiwan wordt vervaardigd en verkocht, en PET dat vanuit deze landen naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd, dezelfde fysische en chemische eigenschappen en toepassingen hebben. Daarom wordt geconcludeerd dat alle soorten PET met een viscositeitscoëfficiënt van 78 ml/g of meer als soortgelijk producten beschouwd moeten worden in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

B.   DUMPING

1.   Algemene werkwijze

(16)

De algemene werkwijze die hierna wordt uiteengezet, is toegepast op alle producenten/exporteurs in Korea en Taiwan en is gelijk aan de werkwijze bij het oorspronkelijke onderzoek. De bevindingen inzake dumping voor elk van de betrokken exportlanden beperken zich derhalve tot hetgeen voor elk van deze landen specifiek is.

1.1.   Normale waarde

(17)

Voor het vaststellen van de normale waarde werd in de eerste plaats voor elke producent/exporteur bepaald of diens totale verkoop van PET op de binnenlandse markt representatief was in vergelijking met zijn totale uitvoer naar de Gemeenschap. De binnenlandse verkoop werd representatief geacht wanneer de totale binnenlandse verkoop van de exporteur/producent minstens 5 % bedroeg van zijn uitvoer naar de Gemeenschap overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening.

(18)

Vervolgens is bepaald welke soorten PET die door ondernemingen met een representatieve binnenlandse verkoop op de binnenlandse markt waren verkocht, identiek of rechtstreeks vergelijkbaar waren met de soorten die naar de Gemeenschap waren uitgevoerd.

(19)

Voor elke op de binnenlandse markt verkochte soort die rechtstreeks vergelijkbaar was met een soort die naar de Gemeenschap was uitgevoerd, werd overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening nagegaan of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was. De binnenlandse verkoop van een bepaalde soort PET werd voldoende representatief geacht wanneer deze in het onderzoektijdvak 5 % of meer bedroeg van de totale uitvoer van die soort naar de Gemeenschap.

(20)

Ook werd onderzocht of de binnenlandse verkoop van iedere soort had plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties; hiertoe werd voor iedere soort de omvang van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers vastgesteld. Wanneer 80 % of meer van de totale verkochte hoeveelheid van een soort verkocht was tegen een nettoprijs die gelijk was aan of hoger dan de berekende productiekosten, en de gewogen gemiddelde prijs van die soort gelijk was aan of hoger dan de productiekosten, werd de normale waarde afgeleid van de daadwerkelijke binnenlandse prijs (de gewogen gemiddelde prijs van de totale verkochte hoeveelheid van die soort op de binnenlandse markt in het onderzoektijdvak, ongeacht het feit of de verkoop winstgevend was of niet). Wanneer de met winst verkochte hoeveelheid van een soort minder dan 80 % bedroeg, of wanneer de gewogen gemiddelde prijs van die soort lager was dan de productiekosten, werd de normale waarde afgeleid van de op de binnenlandse markt werkelijk betaalde prijzen van die soort, doch uitsluitend van de winstgevende transacties, mits de winstgevende verkoop ten minste 10 % bedroeg van de totale verkoop van die soort.

(21)

Het bleek dat de winstgevende verkoop van alle soorten PET 10 % of meer van de totale verkoop van die soort PET bedroeg.

1.2.   Exportprijs

(22)

Wanneer het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap was uitgevoerd, werd de exportprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, namelijk aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

(23)

Wanneer het betrokken product via een gelieerde importeur was verkocht, werd de exportprijs berekend aan de hand van de prijs waartegen het product aan onafhankelijke afnemers was doorverkocht. Er werden correcties toegepast voor alle kosten van de importeur tussen invoer en wederverkoop, inclusief de verkoopkosten, de algemene en administratieve kosten, en een redelijke winstmarge, overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening. De winstmarge werd vastgesteld op grond van informatie afkomstig van niet-gelieerde medewerkende handelaars/importeurs die actief zijn op de EG-markt.

1.3.   Vergelijking

(24)

De normale waarde en de exportprijzen werden vergeleken af fabriek. Om een billijke vergelijking te kunnen maken van de normale waarde met de exportprijs werden correcties toegepast voor verschillen die gevolgen hadden voor de vergelijkbaarheid van de prijzen overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening. Correcties werden toegestaan in alle gevallen waarin deze redelijk en nauwkeurig bleken en met bewijsmateriaal waren gestaafd.

1.4.   Dumpingmarge

(25)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd voor elke medewerkende producent/exporteur een dumpingmarge berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde exportprijs.

(26)

Voor landen met een hoog niveau van medewerking (meer dan 80 %) en wanneer er geen redenen waren om aan te nemen dat er producenten/exporteurs waren die geen medewerking verleenden, werd een residuele dumpingmarge vastgesteld die gelijk was aan de hoogste dumpingmarge die voor een medewerkende onderneming was vastgesteld, teneinde de doelmatigheid van de maatregelen te waarborgen.

(27)

Voor landen met een laag niveau van medewerking werd de residuele dumpingmarge vastgesteld overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, namelijk op grond van de beschikbare gegevens.

2.   Republiek Korea

(28)

Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van drie producenten/exporteurs, waarvan één in het onderzoektijdvak geen PET naar de Gemeenschap had uitgevoerd, en van twee importeurs die banden hadden met een van de producenten/exporteurs. Het bleek dat de medewerkende exporteurs 100 % van de Koreaanse export van het betrokken product in het onderzoektijdvak vertegenwoordigden.

2.1.   Normale waarde

(29)

Voor alle soorten PET die de Koreaanse producenten/exporteurs hadden uitgevoerd, kon de normale waarde worden vastgesteld aan de hand van de prijzen die onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties hadden betaald of moesten betalen, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening.

2.2.   Exportprijs

(30)

Eén van de Koreaanse producenten/exporteurs had het betrokken product zowel rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers als via gelieerde importeurs in Korea en de Gemeenschap verkocht. Daarom werd voor deze producent/exporteur een exportprijs geconstrueerd overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening.

2.3.   Vergelijking

(31)

Om een billijke vergelijking mogelijk te maken werd, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, rekening gehouden met verschillen waarvan werd aangetoond dat ze gevolgen hadden voor de prijzen en de vergelijkbaarheid van deze prijzen. Aldus vonden correcties plaats voor verschillen in de kosten voor vervoer, verzekering, laden, lossen, op- en overslag, commissielonen, krediet, verpakking, douanerechten en voor bankkosten.

2.4.   Dumpingmarge

(32)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke productsoort vergeleken met de gewogen gemiddelde prijs van die soort bij uitvoer naar de Gemeenschap.

(33)

Uit de vergelijking bleek dat de drie medewerkende producenten/exporteurs het betrokken product ofwel zonder dumping ofwel met verwaarloosbare dumping hadden uitgevoerd. De dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de invoerprijs cif grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Daehan Synthetic Fiber Co. Ltd: 1,2 %

SK Chemicals Co. Ltd: 0,0 %

KP Chemical Corp.: 0,1 %

(34)

Twee bekende producenten/exporteurs van PET waarvoor momenteel een individueel recht geldt, toonden aan dat zij in het onderzoektijdvak geen PET naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd. Er waren geen aanwijzingen dat de voor deze exporteurs geldende dumpingmarges herzien moesten worden.

(35)

Gezien het hoge niveau van medewerking door Koreaanse ondernemingen (zie overweging 28), werd een residueel recht vastgesteld dat gelijk was aan de hoogste dumpingmarge die voor een medewerkende onderneming was vastgesteld, overeenkomstig de in overweging 26 vermelde werkwijze. De hoogte is dezelfde als die in het oorspronkelijke onderzoek.

3.   Taiwan

(36)

Er werden antwoorden op de vragenlijst ontvangen van vier producenten/exporteurs, waarvan één in het onderzoektijdvak geen PET naar de Gemeenschap had uitgevoerd. Het bleek dat de medewerkende exporteurs minder dan 60 % van de Taiwanese export van PET in het onderzoektijdvak vertegenwoordigden.

3.1.   Normale waarde

(37)

Voor alle soorten PET die de Taiwanese producenten/exporteurs hadden uitgevoerd, werd de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijzen die onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt in het kader van normale handelstransacties hadden betaald of moesten betalen, overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de basisverordening.

3.2.   Exportprijs

(38)

De exportprijzen werden overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de daadwerkelijk betaalde of te betalen exportprijzen.

3.3.   Vergelijking

(39)

Om een billijke vergelijking mogelijk te maken werd, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, rekening gehouden met verschillen waarvan werd aangetoond dat ze gevolgen hadden voor de prijzen en de vergelijkbaarheid van deze prijzen. Aldus vonden correcties plaats voor verschillen in de kosten voor vervoer, verzekering, laden, lossen, op- en overslag, commissielonen, krediet, verpakking, douanerechten en voor bankkosten.

3.4.   Dumpingmarge

(40)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde van elke productsoort vergeleken met de gewogen gemiddelde prijs van die soort bij uitvoer naar de Gemeenschap.

(41)

Bij de vergelijking bleek dat twee van de medewerkende producenten/exporteurs zich schuldig maakten aan dumping. De dumpingmarges, uitgedrukt in procenten van de invoerprijs cif grens Gemeenschap, vóór inklaring, zijn als volgt:

Far Eastern Textile Ltd: 0,0 %

Shinkong Synthetic Fibers Corp.: 3,1 %

Hualon Corp.: 9,6 %

(42)

Eén producent/exporteur waarvoor momenteel een individueel recht geldt, heeft medewerking verleend aan dit onderzoek, hoewel hij in het onderzoektijdvak geen PET naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd. Daar er geen gegevens zijn op grond waarvan de voor deze onderneming geldende dumpingmarge herzien zou moeten worden, werd het passend geacht deze ongewijzigd te laten.

(43)

Er is één bekende Taiwanese exporteur van PET waarvoor momenteel een individueel recht geldt, die geen medewerking aan dit onderzoek heeft verleend. De Commissie heeft besloten voor deze exporteur geen individueel recht vast te stellen om een gebrek aan medewerking niet te belonen. Bovendien waren er geen gegevens op grond waarvan een individueel recht vastgesteld zou kunnen worden.

(44)

Daarom, en gezien het lage niveau van medewerking door Taiwanese ondernemingen (zie overweging 36), is de residuele dumpingmarge vastgesteld overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, zoals vermeld in overweging 27.

(45)

De residuele dumpingmarge, vastgesteld op grond van de gegevens van Eurostat en van de medewerkende producenten/exporteurs, in procenten van de invoerprijs cif grens Gemeenschap, vóór inklaring, is als volgt:

Taiwan: 20,1 %

C.   BLIJVENDE AARD VAN GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN

(46)

Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening, werd tevens onderzocht of de gewijzigde omstandigheden ten opzichte van het oorspronkelijke dumpingonderzoek van blijvende aard geacht konden worden.

1.   Republiek Korea

(47)

De dumpingmarge van de medewerkende Koreaanse ondernemingen die in het onderzoektijdvak geëxporteerd hebben, bleek gelijk te zijn gebleven of te zijn gedaald tot een te verwaarlozen niveau. De belangrijkste reden hiervoor was dat de normale waarde en binnenlandse verkoopprijzen van deze ondernemingen sinds het oorspronkelijke onderzoek zijn gestegen, maar dat de verkoopprijzen op de EG-markt sterker zijn gestegen. Geconstateerd werd dat de exportprijzen naar de Gemeenschap in het tijdvak van het onderhavige onderzoek 53 % hoger waren dan in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek. Er waren geen aanwijzingen dat deze wijzigingen niet van blijvende aard zouden zijn. Opgemerkt dient te worden dat deze ondernemingen in het onderzoektijdvak een capaciteitsbenutting van meer dan 80 % hadden. Bovendien zijn deze ondernemingen niet voornemens hun huidige capaciteit uit te breiden, waardoor eventuele toekomstige wijzigingen in de omstandigheden beperkt zullen zijn. Derhalve wordt aangenomen dat deze situatie wat betreft de exportprijs en het exportvolume waarschijnlijk niet zal veranderen.

(48)

Eén onderneming die tijdens het oorspronkelijke onderzoek niet naar de Gemeenschap heeft geëxporteerd, heeft medewerking verleend aan het onderhavige onderzoek en in het huidige onderzoektijdvak het betrokken product naar de Gemeenschap geëxporteerd. De dumpingmarge voor deze onderneming bleek ook verwaarloosbaar te zijn. Zowel de normale waarde als de binnenlandse verkoopprijs en de exportprijs van deze onderneming bleken op hetzelfde niveau te liggen als die van de twee andere medewerkende ondernemingen.

(49)

Zoals aangegeven in overweging 34 is er geen aanleiding tot wijziging van het recht dat geldt voor de twee medewerkende producenten/exporteurs die in het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd. Overigens werd in het oorspronkelijke onderzoek een grote variatie in de dumpingmarges geconstateerd (1,4 % tot 55,8 %), wat aangeeft dat er aanzienlijke verschillen bestaan in het dumpinggedrag van de Koreaanse ondernemingen. Daarom kan niet geconcludeerd worden dat de verwaarloosbare dumpingmarges van de producenten die in het onderzoektijdvak naar de Gemeenschap geëxporteerd hebben, representatief zijn voor de exporteurs die dat niet hebben gedaan. Daarom is er voor deze ondernemingen geen aanleiding tot herziening van hun huidige antidumpingrecht, noch zijn er gegevens beschikbaar op grond waarvan een herziene individuele marge berekend kan worden. Deze bevindingen zijn bekendgemaakt aan de betrokken partijen, waarna zij geen opmerkingen hebben gemaakt, noch aanvullende informatie hebben verstrekt.

2.   Taiwan

(50)

Drie van de vier Taiwanese ondernemingen waarvoor momenteel een individueel recht geldt, hebben medewerking verleend aan het onderhavige onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat de dumpingmarge van één van deze ondernemingen was gedaald tot een verwaarloosbaar niveau. De dumpingmarge van de tweede onderneming was gedaald van 7,8 % in het oorspronkelijke onderzoek tot 4,6 % in dit onderzoek. Zoals in het geval van Korea was de belangrijkste reden hiervoor dat de normale waarde en binnenlandse verkoopprijzen voor deze ondernemingen sinds het oorspronkelijke onderzoek gestegen waren, maar dat de verkoopprijzen op de EG-markt sterker gestegen waren. Voor Taiwan werd geconstateerd dat de exportprijzen naar de Gemeenschap in het tijdvak van het onderhavige onderzoek 42 % hoger waren dan in het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek. Ook werd vastgesteld dat de capaciteitsbenutting van deze ondernemingen ongeveer gelijk was aan die van de Koreaanse ondernemingen. Deze Taiwanese ondernemingen zijn evenmin voornemens hun capaciteit uit te breiden.

(51)

De derde medewerkende onderneming waarvoor momenteel een individueel recht geldt, kon aantonen dat zij geen PET naar de Gemeenschap had uitgevoerd in het tijdvak van het onderhavige onderzoek.

(52)

Bovendien heeft één Taiwanese onderneming die tijdens het oorspronkelijke onderzoek niet naar de Gemeenschap heeft geëxporteerd, medewerking verleend aan dit onderzoek. De dumpingmarge van deze onderneming is 10,7 %.

(53)

Voor de drie medewerkende ondernemingen die in het tijdvak van het onderhavige onderzoek PET naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd, is er geen reden om aan te nemen dat de verschillen tussen het huidige en het oorspronkelijke onderzoek, met name de stijging van de exportprijzen naar de Gemeenschap, niet van blijvende aard zijn. Daarom wordt aangenomen dat de dumpingmarges voor deze ondernemingen, die zijn berekend op grond van de gegevens in dit onderzoek, betrouwbaar zijn.

(54)

Voor de medewerkende producent die in het onderzoektijdvak van het onderhavige onderzoek geen PET naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd, is er geen aanleiding tot een herziening van het geldende antidumpingrecht. Daarom wordt het passend geacht het voor deze producent geldende antidumpingrecht ongewijzigd te laten. Net zoals in het geval van Korea zijn er geen gegevens beschikbaar op grond waarvan een herziene individuele marge berekend kan worden. Ook in dit geval werden na bekendmaking van de bevindingen geen opmerkingen ontvangen van de betrokken partij, noch verschafte zij nieuwe informatie.

D.   VOORSTEL VOOR ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(55)

Gezien de conclusies inzake dumping en de blijvende aard van de gewijzigde omstandigheden dienen de geldende antidumpingmaatregelen ten aanzien van PET uit de Republiek Korea en Taiwan zo te worden gewijzigd dat zij in overeenstemming zijn met de nieuwe dumpingmarges.

(56)

Het feit dat PET-prijzen aan schommelingen onderhevig kunnen zijn afhankelijk van de prijzen van ruwe olie, dient niet tot een hoger recht te leiden. Het werd daarom passend geacht de gewijzigde rechten in te stellen in de vorm van een bepaald bedrag per ton. Deze aanpak werd gehanteerd in het oorspronkelijke onderzoek.

(57)

De individuele antidumpingrechten voor de specifiek genoemde ondernemingen zijn vastgesteld op grond van de conclusies van de onderhavige herzieningsprocedure. Zij weerspiegelen derhalve de situatie van die ondernemingen die bij deze procedure werd vastgesteld. Deze rechten, in tegenstelling tot het recht dat van toepassing is op „overige ondernemingen”, zijn derhalve uitsluitend van toepassing op het betrokken product uit de betrokken landen dat vervaardigd is door de in het dispositief van deze verordening specifiek genoemde ondernemingen. Producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor „alle andere ondernemingen” geldt.

(58)

De voorgestelde antidumpingrechten voor de ondernemingen die in het onderzoektijdvak PET naar de Gemeenschap hebben uitgevoerd zijn als volgt:

Land

Onderneming

Dumpingmarge

Antidumpingrecht

Voorgesteld recht

(EUR/t)

Republiek Korea

Daehan Synthetic Fiber Co. Ltd

1,2 %

0,0 %

0

SK Chemicals Co. Ltd

0,0 %

0,0 %

0

KP Chemical Corp.

0,1 %

0,0 %

0

Taiwan

Far Eastern Textile Ltd

0,0 %

0,0 %

0

Shinkong Synthetic Fibers Corp.

3,1 %

3,1 %

24,5

Hualon Corp.

9,6 %

9,6 %

81,9

(59)

Overeenkomstig de herziene residuele dumpingmarge in overweging 45, wordt het residuele antidumpingrecht voor Taiwan verhoogd tot 143,4 EUR/t.

E.   SLOTBEPALING

(60)

De belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was het voorstel te doen de geldende verordening te wijzigen. Er zijn geen opmerkingen ontvangen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De tabel in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2604/2000 wordt vervangen door de volgende tabel:

„Land

Antidumpingrecht

(EUR/t)

Aanvullende Taric-code

India

181,7

A999

Indonesië

187,7

A999

Maleisië

160,1

A999

Korea

148,3

A999

Taiwan

143,4

A999

Thailand

83,2

A999”

2.   De tabel in artikel 1, lid 3, wordt vervangen door:

„Land

Onderneming

Antidumpingrecht

(EUR/t)

Aanvullende Taric-code

India

Pearl Engineering Polymers Limited

130,8

A182

India

Reliance Industries Limited

181,7

A181

India

Elque Polyesters Limited

200,9

A183

India

Futura Polymers Limited

161,2

A184

Indonesië

P.T. Bakrie Kasei Corporation

187,7

A191

Indonesië

P.T. Indorama Synthetics Tbk

92,1

A192

Indonesië

P.T. Polypet Karyapersada

178,9

A193

Maleisië

Hualon Corporation (M) Sdn. Bhd.

36,0

A186

Maleisië

MpI Polyester Industries Sdn. Bhd.

160,1

A185

Republiek Korea

Daehan Synthetic Fiber Co., Limited

0

A194

Republiek Korea

Honam Petrochemical Corporation

101,4

A195

Republiek Korea

SK Chemicals Co., Limited

0

A196

Republiek Korea

Tongkong Corporation

148,3

A197

Republiek Korea

KP Chemical Corporation

0

A577

Taiwan

Far Eastern Textile Limited

0

A188

Taiwan

Tuntex Distinct Corporation

69,5

A198

Taiwan

Shingkong Synthetic Fibers Corporation

24,5

A189

Taiwan

Hualon Corporation

81,9

A578

Thailand

Thai Shingkong Industry Corporation Limited

83,2

A190

Thailand

Indo Pet (Thailand) Ltd

83,2

A468”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 januari 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

J.-C. JUNCKER


(1)  PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).

(2)  PB L 301 van 30.11.2000, blz. 21. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 823/2004 (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 7).

(3)  PB C 120 van 22.5.2003, blz. 13.

(4)  PB C 120 van 22.5.2003, blz. 9.

(5)  PB L 52 van 21.2.2004, blz. 5.

(6)  PB L 271 van 19.8.2004, blz. 1.