|
4.3.2005 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 58/29 |
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 12 mei 2004
betreffende aanvullende staatssteun van Spanje ten behoeve van de herstructurering van de Spaanse openbare scheepswerven
Staatssteun zaak C 40/00 (ex NN 61/00)
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 1620)
(Slechts de tekst in de Spaanse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2005/173/EG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,
Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1540/98 van de Raad van 29 juni 1998 betreffende steunverlening aan de scheepsbouw (1),
Gelet op Verordening (EG) nr. 1013/97 van de Raad van 2 juni 1997 betreffende steunverlening aan bepaalde scheepswerven die worden geherstructureerd (2),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen (3) te hebben verzocht hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
I. PROCEDURE
|
(1) |
Op grond van Verordening (EG) nr. 1013/97 hechtte de Commissie bij beschikking van 6 augustus 1997 (4) haar goedkeuring aan steun ten behoeve van de herstructurering van de Spaanse openbare scheepswerven voor een bedrag van ongeveer 1,9 miljard EUR. Overeenkomstig het bepaalde in genoemde verordening was aan deze goedkeuring de voorwaarde verbonden dat niet nog meer herstructureringssteun zou worden verstrekt. |
|
(2) |
Via berichten in de pers is het de Commissie ter kennis gekomen dat in de jaren 1999 en 2000 verscheidene transacties hadden plaatsgevonden die gevolgen hadden voor Spaanse openbare civiele scheepswerven. Bij brief van 27 januari en 29 maart 2000 vroeg de Commissie de Spaanse autoriteiten om informatie hierover. Beide brieven bleven onbeantwoord. |
|
(3) |
Bij beschikking van 12 juli 2000 heeft de Commissie de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ingeleid (hierna: „beschikking tot inleiding van de procedure” betreffende een transactie waarbij de staatsholding „Sociaal Estatal de Participaciones Industriales” (SEPI) van Astilleros Españoles SA de scheepswerven Juliana en Cádiz en de motorenfabriek Manises, als afzonderlijke ondernemingen verwierf. De Spaanse autoriteiten werden bij schrijven van 1 augustus 2000 van de beschikking van de Commissie in kennis gesteld. |
|
(4) |
Bij schrijven van 18 mei en 24 september 2001 deed Spanje zijn opmerkingen betreffende de inleiding van de procedure aan de Commissie toekomen. Spanje stelde de Commissie er tevens van in kennis dat SEPI in juli 2000 had besloten om alle Spaanse scheepswerven in één groep onder te brengen. |
|
(5) |
Op 28 november 2001 besloot de Commissie om de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag uit te breiden tot de aanvullende transacties tussen SEPI en Bazán enerzijds en AESA en Bazán anderzijds voor de oprichting van een nieuwe groep: IZAR (hierna: „eerste uitbreiding”). Bij schrijven van 28 november 2001 stelde de Commissie Spanje in kennis van de uitbreiding van de procedure en verzocht zij de Spaanse autoriteiten alle relevante informatie over te leggen die zou kunnen helpen bij het beoordelen van het steunelement in de transacties. Bij schrijven van 29 november 2002 maakte de Commissie duidelijk dat zij voor een correcte beoordeling de jaarrekeningen van de desbetreffende scheepswerven en van AESA nodig had alsook eventuele andere stukken die duidelijkheid zouden verschaffen over de waarde van de ondernemingen op het moment dat deze van eigenaar veranderden. |
|
(6) |
Bij schrijven van 31 januari 2002 deed Spanje zijn opmerkingen over de eerste uitbreiding van de procedure aan de Commissie toekomen. De Commissie herinnerde Spanje er bij schrijven van 28 februari 2002 aan dat dit land haar de jaarrekeningen van de ondernemingen nog moest doen toekomen. Bij schrijven van 29 juli 2002 zond Spanje meer informatie, waartoe echter niet de gevraagde jaarrekeningen behoorden. |
|
(7) |
Aangezien Spanje verzuimde de gevraagde jaarrekeningen over te leggen, besloot de Commissie op 12 augustus 2002 tot het uitvaardigen van een bevel tot het verstrekken van bedoelde informatie overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (5). Spanje werd hiervan bij schrijven van 12 augustus 2002 in kennis gesteld. De Commissie wees de Spaanse autoriteiten er met klem op dat, wanneer zij de gevraagde gegevens niet zou ontvangen, zij haar definitieve beschikking op basis van de beschikbare informatie zou geven. Bij schrijven van 16 oktober 2002 reageerden de Spaanse autoriteiten op het bevel, maar verzuimden zij opnieuw de gevraagde jaarrekeningen over te leggen. |
|
(8) |
De Commissie besloot op 27 mei 2003 opnieuw tot een uitbreiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag (hierna: „tweede uitbreiding”) om het onderzoek uit te breiden tot een element van staatssteun dat in verband met transacties tussen SEPI en AESA en hun scheepswerven was ontdekt en dat onrechtmatig leek. Bij schrijven van 27 mei 2003 stelde de Commissie Spanje in kennis van de uitbreiding van de procedure en verzocht zij om relevante informatie voor het beoordelen van de verdachte steun. Bij schrijven van 10 juli 2003 reageerde Spanje op de tweede uitbreiding. Bij schrijven van 16 oktober en 11 november 2003 verzocht de Commissie om nadere uitleg. Spanje antwoordde bij schrijven van 25 november 2003 en stuurde bij schrijven van 14 april 2004 nadere gegevens. |
|
(9) |
Na de inleiding van de procedure ontving de Commissie opmerkingen van Denemarken, bij schrijven van 18 december 2000, en na de eerste uitbreiding ook van het Verenigd Koninkrijk, bij schrijven van 22 februari 2002. Na de tweede uitbreiding werden opmerkingen ontvangen van Royal Van Lent Shipyard, bij schrijven van 24 september 2003, van een partij die om anonimiteit verzocht, bij schrijven van dezelfde datum, en van IZAR, bij schrijven van 6 oktober 2003. De desbetreffende opmerkingen deed de Commissie bij schrijven van 14 februari 2001, 6 maart 2002 en 13 oktober 2003 aan Spanje toekomen. De Spaanse autoriteiten zonden hun opmerkingen bij schrijven van 14 maart 2001, 4 april 2002 en 10 november 2003. Op 14 november 2003 stelde IZAR bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen een beroep in tegen de Commissie (6), waarbij om nietigverklaring van de tweede uitbreiding werd verzocht. |
II. UITGEBREIDE BESCHRIJVING VAN DE STEUN
Begunstigden
|
(10) |
De ondernemingen in kwestie zijn Astilleros Españoles SA (AESA), E.N. Bazán de Construcciones Navales Militares SA (Bazán), IZAR Construcciones Navales (IZAR), Astilleros de Cádiz SRL (Cádiz), Astilleros de Puerto Real SRL (Puerto Real), Astilleros de Sestao SRL (Sestao), Astilleros de Sevilla SRL (Sevilla), Juliana Constructora Gijonesa SA (Juliana), Fábrica de motores diésel de Manises SA (Manises) en Astilleros y Talleres del Noroeste (Astano, later veranderd in Fene). |
De transacties die voorwerp van de onderhavige procedure zijn
|
(11) |
Sinds 1998 zijn de aandelen van alle Spaanse openbare scheepswerven in handen van de staatsholding SEPI. Daarvoor waren alle civiele scheepswerven, met uitzondering van Astano, waarvan SEPI al rechtstreeks eigenaar was, zelfstandige ondernemingen die eigendom waren van een dochtermaatschappij van SEPI, de holding AESA. AESA ontplooide zelf geen scheepsbouwactiviteiten maar was een holding die haar scheepswerven actief beheerde. SEPI was daarnaast ook eigenaar van Bazán, een onderneming die hoofdzakelijk bestond uit drie militaire werven (geen zelfstandige ondernemingen). Begin 1998 was de eigendomsstructuur van de openbare werven als volgt: |
|
(12) |
Bij de eerste reeks transacties (hierna: „overdracht 1”), op 28 december 1999, kocht SEPI de scheepswerven Cádiz en Juliana en de motorenfabriek Manises van AESA , voor een bedrag van 15 300 000 EUR (7). (De werven Barreras en Astander zijn inmiddels geprivatiseerd en zijn derhalve geen voorwerp meer van het onderhavige onderzoek.) Dit leidde tot de volgende eigendomsstructuur: |
|
(13) |
In juli 2000 besloot SEPI alle openbare werven in één groep onder te brengen. Deze fusie vond in hoofdzaak plaats via twee transacties. Bij één van die transacties (hierna: „overdracht 2”) kocht de groep van militaire scheepswerven Bazán, eigendom van SEPI, de drie nog resterende werven van AESA (Puerto Real, Sestao en Sevilla) voor één peseta elk. |
|
(14) |
Bij de andere transactie („overdracht 3”) kocht Bazán drie werven (Juliana, Cádiz en Astano) en de motorenfabriek Manises rechtstreeks van SEPI, eveneens voor één peseta elk. Alle ondernemingen werden vervolgens opgeheven en in Bazán ondergebracht, die haar naam veranderde in „IZAR”. De huidige eigendomsstructuur is zodoende als volgt: |
Besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure
|
(15) |
Bij de inleiding van de procedure verklaarde de Commissie te betwijfelen of overdracht 1, waarbij SEPI voor de drie ondernemingen Juliana, Cádiz en Manises aan AESA een bedrag had betaald van, zoals later werd vernomen, 60 miljoen EUR, staatssteun vormde. |
|
(16) |
Ook betwijfelde zij of bedoelde steun verenigbaar was met de gemeenschappelijke markt, omdat deze in strijd leek met de beschikking van de Commissie van 1997 waarbij goedkeuring werd gehecht aan het laatste pakket herstructureringssteun voor de openbare werven en deze derhalve ingevolge artikel 5, lid 1, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 1540/98 onverenigbare herstructureringssteun vormde. Dit standpunt was met name op de volgende argumenten gebaseerd. |
|
(17) |
In de eerste plaats leek de „verkoop” geen echte transactie, maar veeleer een kapitaalinjectie die AESA en de scheepswerven die haar nog toebehoorden (Puerto Real, Sevilla en Sestao) in staat stelden hun activiteiten voorlopig nog voort te zetten. |
|
(18) |
In de tweede plaats leek het gezien de vroegere prestaties en de klaarblijkelijk magere resultaten onwaarschijnlijk dat een commerciële investeerder bereid zou zijn geweest om de scheepswerven onder deze voorwaarden te kopen. |
Eerste uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure
|
(19) |
Op 25 november 2001 besloot de Commissie de procedure dusdanig uit te breiden dat daaronder ook de overdrachten 2 en 3 zouden vallen, die waren bedoeld om alle openbare scheepswerven in Spanje in één groep onder te brengen. Bij de uitbreiding van de procedure merkte de Commissie op dat er een nieuwe samenhang bestond tussen de transacties die in 1999 en 2000 waren verricht en die uiteindelijk hebben geleid tot de oprichting van één enkele groep voor alle openbare scheepswerven. Vandaar dat de procedure moest worden uitgebreid naar alle transacties die tot de fusie hadden geleid, zodat de mogelijke staatssteun aan de civiele scheepswerven die de diverse transacties binnen de SEPI-groep bevatten, volledig en correct kon worden beoordeeld. |
|
(20) |
In dit verband benadrukte de Commissie dat een kapitaalinjectie in staatsondernemingen onder marktvoorwaarden moet gebeuren, om het bestaan van staatssteun uit te sluiten. De Commissie betwijfelde of de prijs van één peseta per scheepswerf en voor de motorenfabriek als de marktprijs kon worden beschouwd en vroeg zich af of derhalve aan IZAR door bedoelde transacties niet een uit de staatssteun voortvloeiend economisch voordeel was verschaft. |
|
(21) |
Aangezien de toepasselijke communautaire bepalingen geen aanvullende reddings- of herstructureringssteun aan de openbare civiele scheepswerven toestonden, betwijfelde de Commissie of deze transacties verenigbaar met de gemeenschappelijke markt waren. |
Tweede uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure
|
(22) |
Nader onderzoek van de Commissie bracht aan het licht dat SEPI in 1999 leningen ter hoogte van 194 400 000 EUR had verstrekt aan de ondernemingen Cádiz, Juliana en Manises, die de holding even daarvoor had gekocht. Aangezien het erop lijkt dat de leningen werden verstrekt aan ondernemingen in moeilijkheden, meende de Commissie dat deze mogelijk staatssteun vormden. |
|
(23) |
Voorts merkte de Commissie op dat AESA op 18 juli 2000 van SEPI een kapitaalinjectie van 252 400 000 EUR ontving, die staatssteun zou kunnen vormen. Vastgesteld werd dat de werven Puerto Real, Sestao en Sevilla bijna tegelijkertijd van AESA een kapitaalinjectie ontvingen voor een vergelijkbaar bedrag. Deze kapitaalinjectie van AESA in haar drie werven vond slechts twee dagen voor de overdracht aan Bazán plaats. |
|
(24) |
Tot slot lijkt het alsof Bazán met betrekking tot de verwerving van de scheepswerven Astano, Cádiz en Juliana en van de motorenfabriek Manises voor een verlies van 68 200 000 EUR werd gecompenseerd. Vandaar dat de Commissie zich afvroeg of SEPI dit bedrag wellicht in de vier ondernemingen zou kunnen hebben geïnvesteerd in verband met hun overdracht aan Bazán. |
|
(25) |
Op basis van deze nieuwe gegevens, welke rechtstreeks verband houden met de overdrachten die tot de oprichting van IZAR hebben geleid, besloot de Commissie op 27 mei 2003 tot een uitbreiding van de procedure, omdat zij betwijfelde dat de genoemde leningen en kapitaalinjecties verenigbaar met de gemeenschappelijke markt waren. |
|
(26) |
Tot slot wordt erop gewezen dat de Commissie bij de tweede uitbreiding van de procedure opmerkte dat, indien de twijfels over de aanvullende steunverlening, als verwoord in de beschikking waarbij de huidige procedure is ingeleid, werden bevestigd, de steun welke in 1997 voor de verdere herstructurering van de Spaanse openbare scheepswerven is verstrekt als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zou kunnen worden beschouwd en in dat geval zou moeten worden teruggevorderd. |
III. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
Opmerkingen bij de inleiding van de procedure
|
(27) |
Bij de inleiding van de procedure ontving de Commissie opmerkingen van Denemarken, dat van mening was dat de transactie tussen AESA en SEPI als een onrechtmatige kapitaalinjectie moest worden beschouwd die in strijd was met het steunpakket dat in 1997 voor AESA was overeengekomen. Denemarken stond derhalve achter het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure. |
|
(28) |
Denemarken voerde verder aan dat de verwerving door Bazán van verscheidene civiele scheepswerven in strijd was met de voorwaarde waaronder in 1998 de steun aan Bazán was verstrekt, namelijk dat deze haar activiteiten in de civiele scheepsbouw zou beëindigen. Tot slot stelde Denemarken dat de Deense scheepswerven nadelige effecten ondervinden van het feit dat zij moeten concurreren met Spaanse werven die staatssteun ontvangen. |
Opmerkingen betreffende de eerste uitbreiding
|
(29) |
De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van het Verenigd Koninkrijk over de eerste uitbreiding van de procedure. Het Verenigd Koninkrijk betwijfelt net als de Commissie dat de herstructurering van de openbare scheepswerven in Spanje in overeenstemming is met de beginselen van de markteconomie. Een belangrijk punt van zorg is volgens het Verenigd Koninkrijk de wijze waarop met de schulden van de staatsonderneming AESA wordt omgegaan, welke volgens de Britse autoriteiten op het moment van de transactie van aanzienlijke omvang waren. Het Verenigd Koninkrijk meent dat het onderbrengen van de civiele en militaire scheepsbouwgroepen in één enkele entiteit, IZAR, meer mogelijkheden biedt voor het ontduiken van de voorschriften betreffende staatssteun. |
|
(30) |
Volgens het Verenigd Koninkrijk zijn zeer velen in de Britse industrie van mening dat de reden waarom de Spaanse werven belangrijke contracten voor de bouw en verbouwing van schepen verwerven niet hun grote concurrentiekracht is, maar de staatssteun die zij ontvangen. Het Verenigd Koninkrijk stelt dat er concrete voorbeelden zijn van gevallen waarin deze werven bij de aanbesteding van werken de voorkeur kregen boven Britse werven onder omstandigheden die zich moeilijk laten verklaren wanneer normale commerciële voorwaarden waren gehanteerd. Ook geloven de Britse autoriteiten dat Spanje de constante wisseling van eigenaar van verlieslijdende scheepswerven gebruikt als een manier om een sector die tracht te ontkomen aan een noodzakelijke herstructurering te voorzien van een continue subsidiestroom. |
Opmerkingen betreffende de tweede uitbreiding
|
(31) |
De Commissie heeft van drie partijen opmerkingen ontvangen. Een partij die om anonimiteit verzocht, maakte een opmerking die zowel betrekking had op de onderhavige zaak als op zaak C 38/03 (ex NN 10/03) betreffende staatssteun (8). Deze partij merkt op dat IZAR actief is in de bouw, reparatie en verbouwing alsmede het onderhoud van pleziervaartuigen, in het bijzonder luxe jachten, en onderstreept dat de onderzochte steun heeft geleid tot een ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen op deze markt en dat de installaties van de militaire scheepswerven van IZAR in Cartagena en San Fernando voor dit doel worden gebruikt. Van Royal van Lent Shipyard Royal BV, een onderneming die actief is in de bouw van megajachten, ontving de Commissie eveneens een opmerking die zowel op de onderhavige zaak als op zaak C 38/03 betrekking heeft. Deze onderneming beweert dat de steun die de Spaanse regering de laatste jaren heeft verstrekt, voor veel concurrenten op deze markt buitengewoon nadelig is geweest. |
|
(32) |
De Commissie heeft ook opmerkingen van IZAR ontvangen. IZAR stelt in de eerste plaats dat de door SEPI verstrekte middelen niet als staatsmiddelen moeten worden beschouwd. Met betrekking tot een lening van 194 400 000 EUR van SEPI aan AESA stelt IZAR dat dit geen nieuwe lening was, maar slechts de overname door SEPI van een lening die AESA aan haar werven had verstrekt. Met betrekking tot de kapitaalinjectie van 252 400 000 EUR van SEPI in AESA, beweert IZAR dat deze in september 2000 plaatsvond, op een moment dat AESA geen enkele scheepswerf in eigendom had, en deze kapitaalinjectie derhalve niet als steun aan de scheepswerven kan worden beschouwd. Met betrekking tot de dekking door SEPI van door IZAR geleden verliezen ter hoogte van 68 200 000 EUR beweert IZAR dat daarvan nooit sprake is geweest, zoals zou blijken uit haar jaarverslag. IZAR beweert tot slot dat gebruik is gemaakt van een onjuiste rechtsgrond en dat er geen sprake van kan zijn dat de steun die in 1997 aan de openbare scheepswerven is verstrekt, wordt teruggevorderd. |
IV. OPMERKINGEN VAN SPANJE
Opmerkingen na de inleiding van de procedure
|
(33) |
In zijn opmerkingen betreffende de inleiding van de procedure verklaarde Spanje dat SEPI aan AESA voor de twee scheepswerven en de motorenfabriek aanzienlijk minder heeft betaald dan het bedrag dat in de beschikking tot inleiding van de procedure wordt genoemd. De totale prijs voor de drie ondernemingen was namelijk niet 60 000 000 EUR, zoals in de beschikking wordt vermeld, maar 15 300 000 EUR: 8 054 000 voor de werf Cádiz, 5 235 000 voor de werf Juliana en 2 013 000 voor de fabriek Manises. |
|
(34) |
Voor de bewering dat overdracht 1 geen staatssteun vormde, voerde Spanje een aantal argumenten aan. Het belangrijkste argument was dat de transacties werden verricht ter voorbereiding van de privatisering van de drie ondernemingen. Aangezien SEPI de deskundige is in het doorvoeren van privatiseringen, was het noodzakelijk om de eigendomsrechten van de drie ondernemingen aan SEPI over te dragen. Het werd echter al zeer snel duidelijk dat geen koper kon worden gevonden. Dit was de reden voor de daaropvolgende overdracht van de ondernemingen aan Bazán. |
|
(35) |
Aangezien het vermeende doel van de transacties het voorbereiden van de privatisering van de drie ondernemingen was, meende Spanje dat SEPI bij de aankoop van de ondernemingen niet als marktpartij hoefde op te treden. Het bedrijf hoefde naar de mening van Spanje slechts een redelijke prijs te betalen, en onder deze omstandigheden leek de boekwaarde de optimale oplossing. |
Opmerkingen na de eerste uitbreiding
|
(36) |
Na de eerste uitbreiding van de procedure noemde Spanje de Commissie de volgende argumenten ter staving van zijn bewering dat er bij overdracht 2 en 3 geen sprake was van staatssteun en de prijs van één peseta derhalve correct was. |
|
(37) |
Volgens Spanje handelde SEPI, als enig aandeelhouder van de ondernemingen in kwestie, als een marktpartij toen het besloot om alle scheepsbouwactiviteiten in één enkele groep onder te brengen. Het doel hiervan was om te komen tot synergie tussen de ondernemingen. Ook was het nodig om de capaciteit voor militaire productie te verhogen, gezien de grote orderportefeuille en de verwachte toekomstige groei van deze sector. |
|
(38) |
Spanje benadrukte ook dat er geen enkel verband bestond tussen de eerste reeks transacties, waarbij AESA en SEPI waren betrokken, en de tweede reeks, die leidde tot de oprichting van IZAR. De eerste reeks transacties was gericht op de privatisering van de drie ondernemingen, terwijl de tweede moest leiden tot de oprichting van een grote groep van scheepsbouwbedrijven in Spanje. |
|
(39) |
Spanje beweerde dat het feit dat de prijs van dezelfde ondernemingen (Cádiz, Juliana en Manises) in een korte periode veranderde van 15 300 000 EUR in 3 ESP, alleen maar laat zien dat de twee transacties verschillende doelstellingen hadden. |
|
(40) |
De overdracht van de scheepswerven, met al hun activa en passiva, aan Bazán, zou voor geen van de werven van enigerlei financieel voordeel zijn geweest. Bovendien beweerde Spanje dat bij de transacties geen openbare middelen waren gebruikt. |
|
(41) |
Spanje stelde verder dat zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat werd aangetoond dat Bazán op enigerlei wijze van overdracht 2 had geprofiteerd, het militaire karakter van Bazán de toepasselijkheid van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag twijfelachtig zou maken, gezien de uitzondering waarin artikel 296 van het EG-Verdrag voorziet. |
|
(42) |
Ook werd aangevoerd dat de prijs die bij een interne transactie binnen een groep wordt gehanteerd, niet noodzakelijkerwijs een marktprijs hoeft te zijn. Voorts stelde Spanje dat de prijs die bij de betrokken transacties werd gehanteerd (één peseta) volstrekt redelijk was en een afspiegeling vormde van de waarde van de scheepswerven in kwestie. Een commercieel gerichte investeerder zou niet meer hebben betaald en het hanteren van een prijs die gelijk is aan de boekwaarde zou in deze situatie niet gepast zijn geweest. |
|
(43) |
Spanje stelde dat de reorganisatie van activiteiten binnen dezelfde groep in beginsel geen gevolgen had voor de concurrentiepositie van de nieuwe onderneming, of van de ondernemingen die in deze nieuwe onderneming zijn geïntegreerd. Spanje verwees in dit verband naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, in het bijzonder de uitspraken van 27 maart 1980, zaak 61/79, Denkavit Italiana (9), van 15 maart 1994, zaak C-387/92, Banco Exterior de España (10), en van 1 december 1998, zaak C-200/97, Ecotrade/Altiformi (11). |
|
(44) |
In het geval dat de Commissie de gehanteerde prijs te laag vindt en deze derhalve beschouwt als steun aan Bazán/IZAR, verwijst Spanje in zijn verdediging subsidiair naar een beschikking van de Commissie van 27 juli 1994 (12), waarin deze het feit dat voor de overdracht van een autofabriek tussen twee entiteiten van Treuhand waarschijnlijk een te lage prijs was betaald, irrelevant achtte, omdat het een interne transactie van Treuhand betrof. |
|
(45) |
Spanje stelde verder dat er geen redelijke marktprijs bestond en de Commissie derhalve niet in staat was geweest de hoogte van de betwiste staatssteun vast te stellen, zoals Verordening (EG) nr. 659/1999, de jurisprudentie en ook de gangbare praktijk van de Commissie zelf verlangen. |
|
(46) |
Spanje verstrekte informatie over de boekwaarde van de scheepswerven in kwestie en een berekening van de economische risico’s voor de afzonderlijke werven. De Spaanse autoriteiten noemden een drietal risico’s: economisch risico in verband met lopende contracten, economisch risico door onderbezetting en overige economische risico’s (commerciële, arbeidsgerelateerde en fiscale). Spanje beweerde dat, wanneer wordt uitgegaan van de boekwaarde en de geschatte risico’s hiervan worden afgetrokken, de prijs van één peseta per onderneming de werkelijke waarde weergeeft en de koper, Bazán/IZAR, derhalve geen enkel financieel voordeel heeft genoten (zie kader 1). Kader 1 Boekwaarden en risico's betreffende afzonderlijke transacties in juli 2000
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(47) |
Als reactie op de Deense opmerkingen verklaarde Spanje dat de opmerkingen betreffende de steun aan Bazán naar zijn mening buiten de reikwijdte van de onderhavige procedure vielen en derhalve niet relevant waren. Spanje betwistte bovendien de stelling dat de transacties tussen AESA en SEPI steun vormden, omdat hiermee geen enkele onrechtmatige geldstroom was gemoeid. Tot slot verklaarde Spanje dat de problemen waarvoor de Deense scheepswerven zich gesteld zien, niet zijn te wijten aan de concurrentie van de Spaanse werven, maar aan oneerlijke concurrentie van Korea. |
|
(48) |
Wat de opmerkingen van het Verenigd Koninkrijk betreft, toonde Spanje zich verbaasd over de beschuldiging van kruissubsidies tussen de militaire en de civiele productietak, omdat het Verenigd Koninkrijk over tal van werven met een gemengde, civiel-militaire productie zou beschikken. Ook ontkende Spanje dat de Spaanse werven een voordeel zouden hebben genoten van enigerlei maatregel die niet door de Europese Commissie was toegestaan. |
Opmerkingen na de tweede uitbreiding
|
(49) |
Na de tweede uitbreiding van de procedure noemde Spanje de Commissie de volgende argumenten voor zijn stelling dat de leningen en kapitaalinjecties in kwestie geen elementen van staatssteun bevatten. |
|
(50) |
In de eerste plaats voerde Spanje aan dat SEPI handelde als een particuliere investeerder in een markteconomie die streeft naar maximale winst, en dat de Commissie niet had aangetoond dat de middelen van SEPI van de staat afkomstig waren of aan de staat vielen toe te rekenen. |
|
(51) |
Wat betreft de leningen van SEPI aan Cádiz, Juliana en Manises, stelde Spanje dat op het moment dat de holding de drie ondernemingen op 22 december 1999 overnam, deze bij AESA in het krijt stonden voor bedragen van respectievelijk 120 800 000 (Cádiz), 47 200 000 (Juliana) en 24 100 000 EUR (Manises). SEPI deed volgens Spanje niet meer dan dat het de respectieve vorderingen van AESA overnam, hetgeen niet zou kunnen worden beschouwd als nieuwe steun aan de scheepswerven. Bovendien zouden de toegepaste rentepercentages gelijk zijn geweest aan de marktrente (MIBOR plus 8 punten). |
|
(52) |
Wat betreft de kapitaalinjectie van 252 400 000 EUR van SEPI in AESA, stelde Spanje in de eerste plaats dat deze niet op 18 juli 2000 had plaatsgevonden, zoals in de beschikking tot inleiding van de procedure wordt vermeld, maar in september van dat jaar. Op dat moment ontplooide AESA geen enkele activiteit, omdat zij haar laatste werven al aan Bazán had verkocht. Deze kapitaalinjectie kon bijgevolg niet tot een verstoring van de concurrentieverhoudingen leiden. De investering was bovendien bedoeld voor het organiseren van een geregelde sluiting van AESA. Spanje verwees in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 21 maart 1991, zaak C-303/88, ENI-Lanerossi (13). |
|
(53) |
Met betrekking tot de vermeende kapitaalinjecties in Astano, Cádiz, Juliana en Manises liet Spanje weten dat het jaarverslag 2000 van IZAR melding maakt van verliezen ter hoogte van 68 200 000 EUR in verband met de verwerving van de drie scheepswerven en de motorenfabriek. Volgens Spanje ontvingen de werven geen enkele steun van SEPI voordat deze aan Bazán werden overdragen. |
|
(54) |
Spanje voerde bovendien uitgebreide argumenten aan tegen de mogelijkheid dat een gedeelte van de steun welke in 1997 werd goedgekeurd onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zou worden wanneer de Commissie zou verklaren dat aan de Spaanse openbare scheepswerven aanvullende onrechtmatige steun was verstrekt. |
|
(55) |
Als reactie op de opmerkingen van derden zei Spanje het volledig eens te zijn met al hetgeen door IZAR was verklaard. Met betrekking tot het probleem van de productie van luxe jachten, dat door de twee andere partijen wordt genoemd, voerde Spanje in de eerste plaats aan dat deze vaartuigen niet onder de reikwijdte van Verordening (EG) nr. 1540/98 vallen en bedoelde opmerkingen derhalve niet in aanmerking moeten worden genomen, en in de tweede plaats, dat deze luxe jachten door IZAR zonder enigerlei vorm van staatssteun zijn gebouwd. Het wereldwijde aandeel van IZAR in deze markt zou bovendien miniem zijn (minder dan […] %). Ook ontkende Spanje het bestaan van een gedeelte van de vermeende investeringen in de werven van San Fernando en Cartagena. |
V. BEOORDELING
Rechtsgrond
|
(56) |
Ingevolge artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie is voldaan aan het criterium van de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten als de begunstigde onderneming een economische handeling verricht waarbij sprake is van handel tussen lidstaten. |
|
(57) |
Ingevolge artikel 87, lid 3, onder e), van het EG-Verdrag kunnen steunmaatregelen die zijn aangewezen bij besluit van de Raad, genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en op voorstel van de Commissie, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd. Krachtens deze bepaling stelde de Raad op 29 juni 1998 Verordening (EG) nr. 1540/98 vast, die van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 van toepassing was op alle in deze periode verleende onrechtmatige steun. De verordening was in overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 22 mei 2002 betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende steun (14). |
|
(58) |
De scheepsbouw is een economische activiteit die handel tussen lidstaten met zich meebrengt. Vandaar dat de steun aan deze sector binnen het toepassingsgebied van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag valt. |
|
(59) |
De Commissie merkt op dat Verordening (EG) nr.1540/98 „scheepsbouw” definieert als de bouw van zichzelf voortstuwende commerciële zeeschepen. De Commissie merkt verder op dat artikel 2 van genoemde verordening bepaalt dat het verlenen van steun aan de bouw, verbouwing en reparatie van schepen alleen als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd als de steun aan het bepaalde in de verordening voldoet. Dit geldt niet alleen voor steunverlening aan ondernemingen die zich met deze activiteiten bezighouden, maar ook voor steunverlening aan gelieerde entiteiten. |
|
(60) |
In augustus 1997 hechtte de Commissie bij wijze van uitzondering, overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 1013/97, haar goedkeuring aan een pakket steunmaatregelen voor de herstructurering van de Spaanse openbare civiele scheepswerven, opdat deze eind 1998 weer levensvatbaar zouden zijn. Met inbegrip van de eerder goedgekeurde steun was hiermee een totaal bedrag van 318 miljard ESP (1,9 miljard EUR) gemoeid. |
|
(61) |
Toen de Raad zijn goedkeuring aan het steunpakket hechtte, benadrukte hij het eenmalige karakter ervan. De Spaanse regering verbond zich ertoe de werven hierna geen verdere herstructureringssteun meer te verstrekken, uitgezonderd verliescompensatie of privatisering. Dit komt tot uitdrukking in de voorwaarden die in de desbetreffende goedkeuringsbeschikking worden genoemd. Het wordt bovendien onderstreept in artikel 5, lid 1, tweede alinea, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 1540/98, dat voorschrijft dat geen steun kan worden verstrekt aan de redding of herstructurering van een onderneming waaraan een dergelijke steun overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1013/97 is verstrekt. |
|
(62) |
Enigerlei steun bovenop die welke de Commissie bij haar aanvankelijke beschikking van augustus 1997 goedkeurde, zou bijgevolg onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zijn, tenzij deze op een andere rechtsgrond zou worden goedgekeurd. |
|
(63) |
De Commissie merkt op dat de werven Sestao, Puerto Real, Sevilla, Cádiz en Juliana op dat moment schepen bouwden of repareerden en de activiteit van genoemde ondernemingen derhalve onder het toepassingsgebied van de verordening viel. Manises en Fene (het voormalige Astano) kunnen als gelieerde entiteiten worden beschouwd. De Commissie merkt verder op dat AESA en IZAR, als moedermaatschappijen of eigenaren van diverse scheepswerven, onder de reikwijdte van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1540/98 vallen. Dit is in overeenstemming met de wijze waarop de Commissie bij eerdere beschikkingen betreffende Spaanse openbare scheepswerven is opgetreden, in het bijzonder de goedkeuringsbeschikking van 1997 en de negatieve beschikking van 1999 (15) betreffende de steun van SEPI aan AESA. |
Beoordeling van het steunelement van de verschillende overdrachten
|
(64) |
Zoals eerder is vermeld, heeft de onderhavige zaak betrekking op drie afzonderlijke overdrachten van ondernemingen tussen verschillende holdings en de steun die mogelijk in verband met deze overdrachten werd verstrekt. In het kader van de beoordeling zullen voor elk van de drie overdrachten de relevante aspecten ervan worden onderzocht. Vandaar dat de vragen die bij de inleiding van de procedure werden gesteld en de twee uitbreidingen niet los van elkaar kunnen worden beschouwd. |
1. De rol van SEPI
|
(65) |
Bij de inleiding en de twee uitbreidingen van de procedure ging de Commissie van de veronderstelling uit dat SEPI in opdracht van de staat handelde, dit wil zeggen dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het optreden van SEPI bij de verschillende transacties bij de staat berustte. Spanje bestrijdt dit en voert aan dat SEPI een autonome entiteit is en de verantwoordelijkheid voor haar optreden derhalve niet bij de staat kan worden gelegd. Naar de mening van Spanje handelde SEPI hoe dan ook als een particuliere investeerder en kunnen de door SEPI verschafte middelen bijgevolg niet als staatssteun worden beschouwd in de onderhavige zaak. |
|
(66) |
De Commissie merkt op dat SEPI een staatsholding is die direct afhankelijk is van het ministerie van Financiën en daarom als staatsbedrijf wordt aangemerkt, in de zin van Richtlijn 2000/52/EG van de Commissie (16) tot wijziging van Richtlijn 80/723/EEG (17), omdat de overheid op grond van het eigenaarschap of de financiële participatie in SEPI, direct of indirect een overheersende invloed op de entiteit kan uitoefenen. |
|
(67) |
Het Hof van Justitie heeft aangegeven wanneer middelen als staatsmiddelen moeten worden aangemerkt. Zo stelt het Hof dat zelfs wanneer de bedragen die met de desbetreffende maatregel in verband worden gebracht, niet permanent in het bezit van de schatkist zijn, het feit dat zij constant onder openbaar toezicht, en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, volstaat om deze als staatsmiddelen aan te merken (arrest van het Hof van Justitie van 23 november 1999, zaak C-83/98, P. France/Ladbroke Racing en Commissie (18)). Dit is duidelijk van toepassing op de middelen van SEPI. |
|
(68) |
In zijn arrest van 16 mei 2002, zaak C-482/99, Stardust Marine (19), geeft het Hof in het kort aan wanneer een door een staatsbedrijf genomen steunmaatregel aan een staat kan worden toegerekend. Volgens het Hof kan de toerekenbaarheid van een staat worden afgeleid uit een samenstel van aanwijzingen die blijken uit de omstandigheden van de zaak en de context waarin de maatregel is genomen. |
|
(69) |
Bij wijze van voorbeeld noemt het Hof de volgende aanwijzingen: het feit dat de onderneming deel uitmaakt van de structuur van de overheidsadministratie; de aard van de activiteiten van de onderneming en het feit dat de onderneming bij het verrichten van deze activiteiten op de markt normaal concurreert met particuliere marktdeelnemers; de rechtspersoonlijkheid van de onderneming (of het publiek dan wel het vennootschapsrecht van toepassing is); de mate waarin de overheid toezicht op het beheer van de onderneming uitoefent, of elke andere aanwijzing waaruit in het concrete geval blijkt dat de overheid bij de vaststelling van een maatregel is betrokken of dat het onwaarschijnlijk is dat zij hierbij niet betrokken is, mede gelet op de omvang van de maatregel, de inhoud ervan of de eraan verbonden voorwaarden. |
|
(70) |
SEPI is een onderneming met een bijzonder juridisch statuut. Zo kunnen bijvoorbeeld haar jaarrekeningen niet in het Spaans openbaar register worden geraadpleegd. De onderneming wordt geleid door een raad van bestuur die grotendeels bestaat uit ministers en andere personen die rechtstreeks aan de regering zijn verbonden. SEPI houdt zich onder meer bezig met de privatisering van staatsbedrijven, een zaak van algemeen belang. Voorts is SEPI in het verleden met betrekking tot de scheepswerven op een wijze opgetreden die aan de staat kan worden toegerekend, zoals de verstrekking van een gedeelte van de goedgekeurde herstructureringssteun in 1997 en onrechtmatige steun in 1998 (20). Ook aan andere sectoren heeft de onderneming staatssteun verstrekt, zoals de steenkolenindustrie (21). |
|
(71) |
Uit overwegingen 66 en 67 volgt dat de middelen van SEPI staatsmiddelen zijn. Verder is in de overwegingen 68 tot en met 70 uitgelegd dat de verstrekking van middelen aan scheepsbouwondernemingen aan de staat valt toe te rekenen, omdat dit is gebeurd onder omstandigheden die niet in overeenstemming zijn met de beginselen van de markteconomie. |
|
(72) |
Het algemene beginsel dat van toepassing is op de financiële transacties tussen de staat en openbare bedrijven is het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie. Gezien het feit dat de middelen van SEPI staatsmiddelen zijn, is het van essentieel belang dat SEPI in de economische transacties met haar dochtermaatschappijen in de scheepsbouwsector (of het nu gaat om ondernemingen die economische activiteiten ontplooien of om holdings voor dergelijke ondernemingen) volledig in overeenstemming met het genoemde beginsel handelt. |
|
(73) |
Het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie wordt uitvoerig uitgelegd in de mededeling van de Commissie aan de lidstaten over de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag en van artikel 5 van Richtlijn 80/723/EEG van de Commissie (22) op openbare bedrijven in de industriesector. Het Hof verklaarde ook, bijvoorbeeld in zijn arrest van 10 juli 1986, zaak C 40/85, België/Commissie (Boch (23)), dat om vast te stellen of een maatregel als staatssteun moet worden aangemerkt, men zich de vraag dient te stellen of de onderneming de desbetreffende bedragen op de kapitaalmarkt onder vergelijkbare voorwaarden had kunnen verkrijgen. Met name diende men zich volgens het Hof de vraag te stellen of „een particuliere aandeelhouder in gelijkaardige omstandigheden, op grond van de te verwachten rentabiliteit en afgezien van elke overweging van sociale aard of van regionaal of sectoraal beleid, een dergelijke kapitaalinbreng zou hebben gedaan”. |
|
(74) |
De Commissie sluit niet uit dat de door SEPI verstrekte middelen geen element van staatssteun bevatten, mits SEPI het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie heeft gevolgd. De Commissie zal derhalve voor elke onderzochte transactie beoordelen of SEPI volgens dit beginsel heeft gehandeld. |
|
(75) |
Spanje stelt dat transacties binnen de SEPI-groep niet volgens marktvoorwaarden hoeven te worden verricht en verwijst naar zaken waarbij sprake was van transacties binnen eenzelfde groep en de Commissie niet had geëist dat deze onder marktvoorwaarden zouden plaatsvinden. |
|
(76) |
De Commissie meent dat in bepaalde zeer specifieke gevallen zou kunnen worden aanvaard dat de overdracht van bedrijven binnen een overheidsgroep niet onder marktvoorwaarden gebeurt, maar dat dit niet kan worden aanvaard wanneer staatsmiddelen worden overgedragen aan ondernemingen die met andere ondernemingen op de gemeenschappelijke markt concurreren. |
2. Steunelementen in de transacties die in verband worden gebracht met overdracht 1, tussen AESA en SEPI
|
(77) |
Op 28 december 1999 kocht SEPI de drie ondernemingen Juliana, Cádiz en Manises van AESA. Teneinde te kunnen bepalen of deze overdracht een element van staatssteun bevat, moeten twee vragen worden beantwoord. Ten eerste moet worden gekeken of SEPI AESA voor de ondernemingen de marktprijs heeft betaald, en ten tweede of SEPI bij het verstrekken van leningen aan de ondernemingen in kwestie het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie heeft gevolgd. |
a) Koopprijs
|
(78) |
Om te beginnen wordt opgemerkt dat Spanje de Commissie heeft meegedeeld dat de koopprijs voor de drie ondernemingen 15 302 000 EUR was, en niet 60 000 000 EUR, zoals in de beschikking tot inleiding van de procedure wordt vermeld. Spanje had eerder beweerd dat de 15 302 000 EUR die door SEPI voor de drie ondernemingen was betaald, overeenkwam met de boekwaarde op de transactiedatum. In een latere fase van het onderzoek liet Spanje echter weten dat het genoemde bedrag de boekwaarde op een eerdere datum in 1999 was, een datum die niet nader werd bepaald. |
|
(79) |
Spanje beweert verder dat SEPI niet de marktprijs hoefde te betalen, omdat het de drie scheepswerven kocht met het doel ze te privatiseren. Of een maatregel als staatssteun wordt aangemerkt, hangt echter niet af van de doelstelling van deze maatregel maar van het effect dat deze heeft. Het feit dat de scheepswerven werden gekocht om ze te privatiseren, kan derhalve niet als argument worden aangevoerd tegen het karakter van staatssteun van de transactie. Gelet op het feit dat SEPI een staatsholding is, herinnert de Commissie er bovendien aan dat bij financiële transacties tussen SEPI en ondernemingen die op de gemeenschappelijke markt concurreren, steeds het beginsel van de markteconomie moet worden gevolgd. Indien SEPI voor een onderneming een hogere prijs dan de marktprijs betaalde, is derhalve sprake van staatssteun aan de verkoper, in dit geval dus AESA. |
|
(80) |
De Commissie merkt op dat SEPI er niet in is geslaagd om de drie ondernemingen te privatiseren. In plaats daarvan werden zij in juli 2000, zeven maanden na de verkooptransactie, voor één peseta elk aan Bazán verkocht, een dochtermaatschappij van SEPI. |
|
(81) |
Blijkens de jaarrekeningen van de ondernemingen in kwestie hadden deze eind 1999, drie dagen na de verkooptransactie, zowel gezamenlijk als afzonderlijk een negatieve boekwaarde. De boekwaarde van de drie ondernemingen samen was – 40 646 000 EUR, wat zich als volgt laat uitsplitsen: Cádiz, – 13 745 000 EUR; Juliana, – 18 679 000 EUR, en Manises, – 822 000 EUR. |
|
(82) |
Bovendien raamde Spanje, zoals hierboven is vermeld, de marktwaarde van deze drie ondernemingen in juli 2000, toen zij aan Bazán werden overgedragen. Spanje beweert dat de marktwaarde op dat moment gelijk was aan de boekwaarde minus de berekende risico's die niet op de balans van de ondernemingen waren opgenomen. Tot die risico's behoorden bijvoorbeeld de verliezen voor schepen onder constructie en kosten in verband met onderbesteding. Hoewel zich ten aanzien van dergelijke risico's in de loop van de tijd veranderingen kunnen voordoen, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat dergelijke veranderingen zich in de periode van zeven maanden niet of nauwelijks hebben voorgedaan. Volgens de risicoberekening die Spanje voor de drie betrokken ondernemingen heeft gemaakt, vertegenwoordigden deze risico's in juli 2000 een bedrag van 25 300 000 EUR. |
|
(83) |
Derhalve komt de Commissie tot de conclusie dat SEPI op 28 december 199915 302 000 EUR betaalde voor drie ondernemingen die drie dagen later een boekwaarde hadden van – 40 646 000 EUR plus risico's die zeven maanden later werden geraamd op 25 300 000 EUR. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat SEPI meer dan de marktprijs voor de ondernemingen betaalde. Het gedeelte van de koopprijs dat de marktprijs overschrijdt, moet als staatssteun aan de verkoper, AESA, worden beschouwd. |
|
(84) |
In het bevel tot informatieverstrekking, dat in juli 2002 werd uitgevaardigd, vroeg de Commissie om exemplaren van alle stukken die opheldering zouden kunnen geven over de waardebepaling van de ondernemingen op het moment van de eigendomsoverdracht. Spanje heeft met betrekking tot deze transactie geen informatie verschaft, zodat de Commissie zich voor een raming van de marktwaarde uitsluitend op de beschikbare informatie kan baseren. |
|
(85) |
De marktwaarde zou in dit geval overeenkomen met de boekwaarde minus de financiële risico's. Gezien het gebrek aan informatie is de Commissie echter niet in staat om de waarde van de financiële risico's precies te berekenen. Teneinde overschatting van deze risico's uit te sluiten, wordt daarom voorzichtigheidshalve aangenomen dat deze nul zijn. Onder de gegeven omstandigheden wordt derhalve voor het berekenen van de marktwaarde de beste beschikbare schatting van de boekwaarde gebruikt. |
|
(86) |
De beste beschikbare schatting van de boekwaarde op de transactiedatum, 28 december 1999, is de boekwaarde op 31 december 1999, die negatief is: – 40 646 000 EUR. Uitgaande van dit cijfer was de marktwaarde van de drie ondernemingen niet hoger dan – 40 646 000 EUR. |
|
(87) |
Op basis van de beschikbare informatie kan derhalve worden geconcludeerd dat AESA aan SEPI voor een bedrag van 15 302 000 EUR drie ondernemingen verkocht die een waarde van hoogstens – 40 646 000 EUR hadden, met andere woorden: een winst voor AESA van ten minste 55 948 000 EUR. |
|
(88) |
Samenvattend kan de betaling door SEPI van 15 302 000 EUR voor de ondernemingen Cádiz, Juliana en Manises niet worden geacht in overeenstemming te zijn met het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie. Bijgevolg moet de door AESA gemaakte winst van 55 948 000 EUR als staatssteun worden aangemerkt. Na de verkoop had AESA nog drie andere civiele scheepswerven in eigendom. Deze staatssteun was onrechtmatig, omdat hij niet bij de Commissie was aangemeld, en is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, omdat hij noch als herstructurerings- noch als enige andere vorm van steun kan worden goedgekeurd. |
|
(89) |
De jaarrekeningen 1998 en 1999 van AESA en van de ondernemingen die het in eigendom had, stellen dat de voortzetting van alle activiteiten afhankelijk was van de financiële hulp van de respectieve aandeelhouder, dat wil zeggen: SEPI in het geval van AESA, en AESA in het geval van de scheepswerven. Op basis van deze informatie komt de Commissie tot de conclusie dat de door SEPI aan AESA bij de transactie verstrekte steun vervolgens werd overgedragen aan de drie ondernemingen die AESA nog in eigendom had (Sestao, Sevilla en Puerto Real). In haar beschikking (24) betreffende de onrechtmatige steunverlening van SEPI aan AESA in 1998, welke door het Hof in zijn arrest van 21 maart 2002, zaak C-36/00, Spanje/Commissie (25), werd bekrachtigd, was de Commissie al tot de slotsom gekomen dat de staatssteun ten gunste van AESA staatssteun aan haar scheepsbouwactiviteiten inhield. |
b) Leningen van SEPI aan drie scheepswerven in december 1999
|
(90) |
Bij de tweede uitbreiding van de procedure merkte de Commissie op dat SEPI de ondernemingen Juliana, Cádiz en Manises gedurende 1999 leningen ten belope van 194 400 000 EUR had verstrekt. De Commissie vermoedde dat het hier ging om staatssteun. |
|
(91) |
Met betrekking tot de feiten was de situatie als volgt: Juliana, Cádiz en Manises stonden bij AESA in totaal voor 192 100 000 EUR in het krijt. Toen SEPI de drie ondernemingen overnam, gaf zij hun een voorschot van 192 100 000 EUR om de schulden aan AESA af te lossen (Cádiz: 120 800 000; Juliana: 47 200 000; Manises: 24 100 000). De rente op deze leningen was gelijk aan de MIBOR plus 8 punten. SEPI nam op haar beurt de vordering van 192 100 000 EUR van AESA over. Het verschil van 2 100 000 EUR tussen voornoemde lening van 192 100 000 EUR en die van 194 400 000 EUR waarvan in de beschikking tot de tweede uitbreiding van de procedure melding wordt gemaakt, is terug te voeren op kleine leningen die SEPI al eerder aan de werven had verstrekt. |
|
(92) |
Uit het oogpunt van staatssteun dient men zich bij de beoordeling te richten op de transactie waarbij van de staat aan de begunstigden staatsmiddelen werden overgedragen. Er moet dus primair worden gekeken naar de lening van 192 100 000 EUR van SEPI aan de ondernemingen Juliana, Cádiz en Manises. Aangenomen wordt dat het bovengenoemde verschil van 2 100 000 EUR geen staatssteun is, omdat niet vastgesteld kon worden wanneer en hoe dit geld werd verschaft. |
|
(93) |
De vraag die beantwoord moet worden is, zoals het Hof in zaak 40/85, België/Commissie, heeft vastgesteld, of een particuliere aandeelhouder in vergelijkbare omstandigheden, op grond van de te verwachten rentabiliteit en afgezien van elke overweging van sociale aard of van regionaal of sectoraal beleid, dergelijke leningen zou hebben verstrekt, met andere woorden: zou een particuliere investeerder onder normale marktomstandigheden hebben verwacht dat zijn kapitaalinvestering in het onderhavige geval voldoende winst zou opleveren, zelfs als hij zijn beslissing op het niveau van de hele groep had genomen? Verder stelde het Hof in zijn arresten van respectievelijk 29 april 1999, zaak C-342/96, Spanje/Commissie en 29 juni 1999, zaak C-256/97, DMT (26), dat om vast te stellen of een lening als staatssteun moet worden aangemerkt, men zich de vraag dient te stellen of de onderneming de desbetreffende bedragen op de kapitaalmarkt onder vergelijkbare voorwaarden had kunnen verkrijgen, de zogeheten test van de particuliere investeerder. |
|
(94) |
De jaarrekeningen van Juliana, Cádiz en Manises laten duidelijk zien dat deze ondernemingen in moeilijkheden verkeerden. Elk van hen had eind 1998 een negatieve boekwaarde en noteerde in 1999 verliezen. Ook verklaarde de controlerend accountant in de jaarrekeningen 1998 en 1999 dat de ondernemingen voor de voortzetting van hun activiteiten afhankelijk waren van de steun van de aandeelhouders. Bovendien waren er geen aanwijzingen dat de moeilijke financiële situatie van de scheepswerven zou verbeteren. |
|
(95) |
Om deze redenen wordt aangenomen dat de drie ondernemingen niet in staat zouden zijn geweest de leningen op particuliere kapitaalmarkten te verkrijgen. Met andere woorden: deze leningen beantwoorden niet aan de test van de particuliere investeerder. Om dezelfde redenen kan worden aangenomen dat SEPI niet had kunnen verwachten dat de leningen zouden worden afgelost en de corresponderende rente betaald. De verstrekking van de geldmiddelen aan de scheepswerven beantwoordde derhalve niet aan het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie, waardoor de leningen staatssteun aan de drie ondernemingen vormen. Deze staatssteun was onrechtmatig, omdat hij niet bij de Commissie was aangemeld, en is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, omdat hij noch als herstructurerings- noch als enige andere vorm van steun kan worden goedgekeurd. |
|
(96) |
Volgens Spanje zijn de leningen, ten belope van 192 100 000 EUR, op 12 september 2000 door IZAR aan SEPI terugbetaald, met rente. (IZAR had de ondernemingen Juliana, Cádiz en Manises in die periode overgenomen en vervolgens opgeheven.) Deze onrechtmatige steun is derhalve gerestitueerd. De Commissie is voornemens deze informatie te gebruiken in een ander onderzoek betreffende staatssteun (C 38/03), een onderzoek naar de mate waarin de civiele scheepsbouw een voordeel heeft genoten van de kapitaalinjecties van SEPI in IZAR. |
3. Steunelementen in de transacties die in verband worden gebracht met overdracht 2, tussen AESA en IZAR
|
(97) |
Op 20 juli 2000 verkocht AESA aan Bazán haar drie nog resterende scheepswerven: Puerto Real, Sestao en Sevilla (27). |
|
(98) |
Om te kunnen bepalen of deze transactie een element van staatssteun bevatte, moeten twee vragen worden beantwoord, die ook in de beschikking tot uitbreiding van de procedure werden gesteld. Ten eerste moet worden gekeken of SEPI AESA voor de ondernemingen de marktprijs heeft betaald, en ten tweede of de kapitaalinjectie van 252 425 000 EUR van SEPI in AESA aan het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie beantwoordt. |
a) Kapitaalinjectie
|
(99) |
Op 18 juli 2000 besloot SEPI tot een kapitaalinjectie van 252 425 000 EUR in AESA, twee dagen voordat AESA haar scheepswerven (Sestao, Sevilla en Puerto Real) aan Bazán zou verkopen. Dit kapitaal werd in september 2000 uitbetaald. Spanje beweert dat dit niet kan hebben geleid tot een verstoring van de concurrentieverhoudingen in de scheepsbouw, omdat het kapitaal pas werd verstrekt in september 2000, toen AESA haar scheepswerven al had verkocht. |
|
(100) |
Volgens de jaarrekening 2000 van AESA, deed AESA voor een bedrag van 309 miljoen EUR aan kapitaalinjecties in haar drie scheepswerven, en wel voordat deze aan Bazán/IZAR werden verkocht. De jaarrekeningen van de drie werven laten zien dat de kapitaalinbreng plaatsvond middels de kwijtschelding van schulden. Spanje heeft bevestigd dat AESA de schulden van de werven voorafgaande aan hun verkoop aan Bazán „in orde had gebracht” om „een betere afspiegeling te geven van de waarde van de werven”, maar verstrekte geen cijfers. |
|
(101) |
Na de kwijtschelding van de schulden verkocht AESA de ondernemingen voor één peseta elk aan Bazán, een transactie die AESA een verlies van 198 miljoen EUR opleverde. Samen met andere verliezen in verband met scheepsbouwactiviteiten, maakte AESA in 2000 voor 271 miljoen EUR verlies. Zonder de kapitaalinjectie van SEPI zou AESA eind 2000 een negatief eigen vermogen van 259 miljoen EUR hebben gehad en krachtens het vennootschapsrecht moeten zijn opgeheven. |
|
(102) |
Zoals hierboven is opgemerkt, dient men zich de vraag te stellen of een particuliere aandeelhouder deze kapitaalinjectie onder vergelijkbare omstandigheden ook had gedaan en een aanvaardbaar rendement had mogen verwachten. |
|
(103) |
In de eerste plaats is duidelijk dat het ingebrachte kapitaal AESA geen aanvaardbaar rendement kon opleveren, omdat de middelen werden gebruikt ter dekking van de kosten in verband met de kwijtschelding van de schulden van de scheepswerven en van het verlies dat vervolgens werd geleden bij de verkoop van de werven aan Bazán. Bovendien is AESA een zuivere holding, die generlei andere activiteit ontplooit, waardoor het niet in staat is om zelf winst te maken. Ook moet worden uitgesloten dat de eindbegunstigden van de maatregelen, de scheepswerven, in handen van Bazán/IZAR een aanvaardbaar rendement hadden kunnen behalen: hun laatste resultaten en het ontbreken van herstructureringsmaatregelen maken dat zeer onwaarschijnlijk. De jaarrekeningen van IZAR bevestigen dit: de civiele scheepswerven waren zowel in 2000, 2001 als 2002 verlieslijdend. |
|
(104) |
De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat de kapitaalinjectie van SEPI in AESA niet beantwoordt aan het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie, en bijgevolg staatssteun vormt. |
|
(105) |
In dit verband moet worden benadrukt dat AESA door het kwijtschelden van de 309 miljoen EUR aan schulden van haar scheepswerven, hun financiële situatie met hetzelfde bedrag verbeterde. Ook wordt vastgesteld dat het besluit van SEPI van 18 juli 2000 tot het inbrengen van 252 425 000 EUR in AESA, laatstgenoemde in staat stelde de schulden onmiddellijk kwijt te schelden, zonder faillissement te hoeven aanvragen, omdat hiermee geen betaling in contanten was gemoeid, ondanks het feit dat de 252 425 000 EUR pas in september van dat jaar werd uitbetaald. |
|
(106) |
Uit het oogpunt van staatssteun werd de steun verstrekt door het besluit van SEPI van 18 juli 2000 tot het doen van een kapitaalinjectie, omdat dit besluit een eerste vereiste was om AESA in staat te stellen de werven van hun schulden te bevrijden. De eindbegunstigden van deze steun waren de scheepswerven, omdat het effect van de transactie was dat de werven niet langer schuldplichtig aan AESA waren. |
|
(107) |
De kwijtschelding van de schulden door AESA verbeterde de financiële situatie van de scheepswerven met 309 miljoen EUR. De Commissie beoordeelt echter alleen de kapitaalinjectie van SEPI, die bij deze transactie 252 425 000 EUR bedroeg. Deze staatssteun was onrechtmatig, omdat hij niet bij de Commissie was aangemeld, en is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, omdat hij noch als herstructurerings- noch als enige andere vorm van steun kan worden goedgekeurd. |
|
(108) |
De Commissie komt weliswaar tot de conclusie dat niet is beantwoord aan het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie, maar Spanje beroept zich ook op het recht tot het doen van een kapitaalinjectie voor het verzekeren van een geordende sluiting, een recht dat tot uitdrukking wordt gebracht in het arrest „Lanerossi” (28). De Commissie meent dat het argument van Spanje niet kan worden aanvaard, en wel om de volgende redenen. |
|
(109) |
In de eerste plaats is het arrest „Lanerossi” in deze zaak niet relevant, omdat de drie werven die door een kapitaalinjectie werden begunstigd — middels de kwijtschelding van hun schulden — nog steeds in bedrijf zijn. Op het moment van de steunverlening waren er dan ook volstrekt geen plannen voor sluiting. |
|
(110) |
Maar zelfs wanneer het Spaanse argument wordt beoordeeld uit het oogpunt van een sluiting van AESA, in plaats van een sluiting van haar laatste drie scheepswerven, moet het worden verworpen, omdat het proces tot sluiting van AESA pas medio 2002 in gang werd gezet. Bovendien verklaart het Hof in het arrest „Lanerossi” dat wanneer de kapitaalinjectie ieder uitzicht op rentabiliteit ontbeert, zelfs op lange termijn, een dergelijke verstrekking van kapitaal als steun moet worden aangemerkt. Dat is in deze zaak het geval, omdat niet verwacht kan worden dat SEPI ooit een vergoeding zal ontvangen voor het kapitaal dat het via AESA aan civiele scheepsbouwondernemingen heeft verstrekt. Tot slot moet erop worden gewezen dat de kosten voor de sluiting van AESA, volgens Spanje, bestaan uit sociale kosten in verband met de herstructurering van de civiele scheepswerven die tussen 1994 en 1998 heeft plaatsgehad. Enigerlei aanvullende steun ter dekking van deze kosten zou een schending betekenen van de beschikking van de Commissie van 1997 waarbij goedkeuring werd gehecht aan herstructureringssteun. |
b) Koopprijs
|
(111) |
Bij de eerste uitbreiding van de procedure, op 28 november 2001, werd de vraag geopperd of de koopprijs moest worden aangemerkt als staatssteun aan IZAR. De staatssteun kon op deze wijze worden verstrekt omdat AESA na de verkoop van haar scheepswerven aan Bazán nog slechts een leeg omhulsel was, dat nagenoeg geen activiteiten meer ontplooide. Daarom was het voor de Spaanse autoriteiten mogelijk verleidelijk om zich ervan te verzekeren dat zoveel mogelijk activa van ASEA aan de scheepswerven werden overgedragen en daarmee aan de onderneming die de civiele werven zou overnemen, Bazán. Verder is het natuurlijk zeer onwaarschijnlijk dat deze drie ondernemingen elk dezelfde marktwaarde hadden, namelijk één peseta. |
|
(112) |
Spanje heeft de Commissie in de loop van de procedure meegedeeld dat de ondernemingen een boekwaarde hadden van respectievelijk 91 100 000 EUR (Sestao), 37 800 000 EUR (Sevilla) en 68 800 000 EUR (Puerto Real), in totaal 197 700 000 EUR. Verder zegt Spanje dat de marktwaarde van de drie werven respectievelijk […], […] en […] EUR was, in totaal […] EUR. |
|
(113) |
Zoals hierboven is opgemerkt, was één peseta per scheepswerf duidelijk geen marktprijs en betekende in theorie een nettowinst voor Bazán/IZAR van […] EUR, als de Spaanse raming van de marktwaarde tenminste juist is. |
|
(114) |
Omdat echter niet is vastgesteld dat deze winst voor Bazán/IZAR rechtstreeks valt toe te schrijven aan kapitaalinbreng van SEPI of de staat, meent de Commissie dat de prijs van één peseta per scheepswerf niet kan worden gebruikt als bewijs van het bestaan van staatssteun aan de koper, Bazán/IZAR. |
4. Steunelementen in de transacties die in verband worden gebracht met overdracht 3, tussen SEPI en Bazán
|
(115) |
De ondernemingen Astano, Cádiz, Juliana en Manises werden op 20 juli 2000 door SEPI aan Bazán verkocht, voor één peseta elk. Bij de eerste uitbreiding van de procedure verklaarde de Commissie dat zij betwijfelde dat dit de marktprijs was en dat derhalve de mogelijkheid bestond dat Bazán/IZAR staatssteun had ontvangen. Bij de tweede uitbreiding merkte de Commissie op dat de vier ondernemingen een totale boekwaarde hadden van – 68 200 000 EUR. Aangezien de Commissie niet had kunnen vaststellen of dit bedrag in de jaarrekening van Bazán/IZAR als verlies was geboekt, verkeerde zij in twijfel over de vraag of SEPI dit bedrag aan de vier ondernemingen had overgemaakt in verband met de overdracht aan Bazán. |
|
(116) |
Wat de boekwaarden betreft, heeft Spanje de Commissie laten weten dat de overgedragen ondernemingen op het moment van de transactie een totale boekwaarde hadden van – 68 200 000 EUR. Het lijkt erop dat dit bedrag inderdaad als verlies in de jaarrekening 2000 van Bazán/IZAR werd geboekt, in tegenstelling tot wat bij de tweede uitbreiding van de procedure was aangenomen (29). |
|
(117) |
Wat de prijs betreft, heeft Spanje geloofwaardige informatie verstrekt waaruit blijkt dat de vier ondernemingen elk een negatieve marktwaarde hadden. Om die reden komt de Commissie tot de slotsom dat de prijs niet te laag was en derhalve geen staatssteun aan Bazán/IZAR vormde. |
Terugvordering van de herstructureringssteun die in 1997 werd verstrekt en goedgekeurd
|
(118) |
Aangezien het vermoeden over het bestaan van nieuwe onrechtmatige staatssteun aan de openbare scheepswerven is bevestigd, moet de Commissie beoordelen, zoals bij de tweede uitbreiding van de procedure is opgemerkt, of een gedeelte van de herstructureringssteun die in 1997 werd verleend, als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden beschouwd en moet worden teruggevorderd. |
|
(119) |
In dit verband meent de Commissie dat, gelet op de opmerkingen die Spanje en IZAR in het kader van de onderhavige procedure hebben gemaakt, er geen argumenten zijn voor de aanname dat een gedeelte van de in 1997 goedgekeurde herstructureringssteun als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt moet worden beschouwd. De reden hiervoor is dat overeenkomstig de goedkeuringsbeschikking (30) het recht van de Commissie tot het gelasten van de terugvordering van de in 1997 goedgekeurde steun verviel met de publicatie van het laatste monitoringverslag (31), van 13 oktober 1999. De steun die in 1997 werd goedgekeurd, veranderde bijgevolg bij het verstrijken van de periode van toezicht in bestaande steun. |
Terugvordering van de steun na de verandering van eigenaar
|
(120) |
De scheepswerven die financieel voordeel hebben gehad bij de hierboven vastgestelde onrechtmatige steun zijn nu eigendom van IZAR, zodat deze onrechtmatige steun door IZAR zou moeten worden terugbetaald. Het feit dat de werven van eigenaar zijn veranderd — van AESA of SEPI naar IZAR — betekent niet dat de verplichting tot restitutie van de steun op de vorige eigenaar zou kunnen worden gelegd. De reden hiervoor is dat de overdracht van de ondernemingen aan IZAR niet gebeurde onder marktvoorwaarden en via openbare en doorzichtige aanbestedingsprocedures, maar via de reorganisatie van ondernemingen binnen dezelfde groep, SEPI, met gebruikmaking van een symbolische prijs. Het Hof oordeelde in twee recente uitspraken (32), dat, voorzover ondernemingen zijn gekocht onder niet-discriminerende mededingingsvoorwaarden en tegen de marktprijs (dat wil zeggen: tegen de hoogste prijs die een particuliere investeerder die onder normale marktvoorwaarden handelt, bereid zou zijn geweest voor deze ondernemingen te betalen in de toestand waarin zij zich bevonden, met name na staatssteun te hebben genoten), dit steunelement is geraamd tegen de marktprijs en meegerekend in de koopprijs. Alleen onder dergelijke omstandigheden kunnen de kopers niet worden geacht een voordeel te hebben genoten tegenover andere marktdeelnemers. Hun kan derhalve niet worden gevraagd het desbetreffende steunelement terug te betalen. Uit de beschrijving van de feiten in de onderhavige zaak is duidelijk dat niet aan deze voorwaarden wordt voldaan. Bovendien onderstreept het Hof in de gevoegde zaken C-328/99 en C-399/00, Italië en SIM 2 Multimedia SpA/Commissie (33), rechtsoverweging 38, dat „de verkoop door een aandeelhouder aan een derde van zijn aandelen in een vennootschap die onwettige steun heeft ontvangen, […] geen invloed heeft op de verplichting tot terugvordering”. In de onderhavige zaak kocht Bazán/IZAR, eigendom van de overheidsgroep SEPI, aandelen in ondernemingen die eveneens deel uitmaakten van de SEPI-groep en hief deze als rechtspersonen op. Als opvolger van scheepswerven die daarvoor in juridische zin onafhankelijk waren (als naamloze vennootschappen), is IZAR nu de begunstigde en is het derhalve IZAR dat de steun die aan de scheepswerven is verleend, moet terugbetalen. |
Artikel 296
|
(121) |
In het geval dat de kapitaalinjectie in de scheepswerven wordt aangemerkt als staatssteun aan Bazán, voert Spanje subsidiair aan dat deze steun in overeenstemming is met artikel 296 en derhalve buiten de reikwijdte van de regels inzake staatssteun valt, aangezien Bazán op het moment van de verwerving van de scheepswerven een militair bedrijf was. |
|
(122) |
Overeenkomstig artikel 296, lid 1, onder b), „kan elke lidstaat de maatregelen nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal; die maatregelen mogen de mededingingsverhoudingen op de gemeenschappelijke markt niet wijzigen voor producten die bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden”. Reeds in haar beschikking (34) betreffende de herstructureringssteun aan KSG verklaarde de Commissie, dat „wanneer daarentegen een maatregel die valt onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, invloed heeft op zowel de militaire productie als de civiele productie of de productie voor dubbel gebruik, deze niet volledig kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 296. De Commissie deelt niet het standpunt van de Nederlandse en Spaanse autoriteiten wanneer deze aanvoeren dat gezien de militaire aspecten de volledige maatregel onder de toepassing van artikel 296 valt, zelfs indien er een duidelijk effect zou zijn op de mededinging in niet-militaire sectoren. Een dergelijke uitlegging is duidelijk in tegenstrijd met de bewoording van genoemd artikel.”. |
|
(123) |
De Commissie verklaart in deze beschikking verder dat het „bijgevolg duidelijk is dat de maatregelen inderdaad de mededingingsverhoudingen hebben gewijzigd voor wat betreft de civiele producten. Daarom moet de Commissie, in overeenstemming met haar vaste beleid, de maatregelen toetsen aan de regels inzake staatssteun, voorzover zij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen op markten voor producten die niet onder de toepassing van artikel 296 vallen.”. |
|
(124) |
De Commissie merkt op dat Bazán, dat nu onder de naam „IZAR” functioneert, tegenwoordig civiele en militaire scheepsbouwactiviteiten ontplooit. De steun die aan de door Bazán gekochte werven werd verstrekt, is rechtstreeks en uitsluitend gebruikt voor de productie van civiele schepen. Onder verwijzing naar haar bevindingen in de onderhavige zaak en de beschikking betreffende KSG, merkt de Commissie verder op dat de productie van civiele schepen onder artikel 87 van het EG-Verdrag valt en niet op grond van artikel 296 aan de reikwijdte van dit artikel kan worden onttrokken uitsluitend en alleen omdat de onderneming die de scheepswerven kocht, Bazán, op het moment van de verwerving uitsluitend producten voor militaire doeleinden maakte. |
|
(125) |
De beschikking tot inleiding van de procedure in de zaak C 38/03 noemt in overweging 44 e.v. verschillende criteria waaraan voldaan moet zijn wil artikel 296 van het EG-Verdrag kunnen worden toegepast. Hoewel de Spaanse autoriteiten zeer goed bekend zijn met deze criteria, overlegden zij de Commissie geen enkel bewijs dat de hierboven beschreven maatregelen bedoeld waren voor het bevorderen van de productie van militair materieel. |
|
(126) |
Het staat buiten kijf dat de civiele scheepswerven voor hun overleven enorme kapitaalinjecties nodig hadden. Het simpele feit dat zij werden verkocht aan een militaire scheepsbouwonderneming verandert niet het karakter van de werven. Meer in het bijzonder zijn de civiele scheepswerven geen militaire scheepswerven geworden op het moment dat zij eigendom werden van een onderneming die ook militaire scheepsbouwactiviteiten ontplooit. Voorts kan het verstrekken van informatie over deze werven niet in strijd zijn met de wezenlijke belangen van Spanje. Voor de bewering dat wezenlijke veiligheidsbelangen kunnen worden geschaad, is door Spanje simpelweg geen enkele geloofwaardige uitleg gegeven. Evenmin is essentiële informatie verstrekt. |
VI. CONCLUSIE
De Commissie komt tot de conclusie dat Spanje, in strijd met het bepaalde in artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag onrechtmatig steun heeft verleend voor een bedrag van 500 473 000 EUR, welke steun als volgt is verstrekt:
|
1. |
Aankoop door SEPI van AESA van de ondernemingen Cádiz, Juliana en Manises, op 28 december 1999, tegen een prijs die 55 948 000 EUR hoger was dan de marktprijs, wat uiteindelijk tot voordeel strekte van de resterende werven van AESA: Sestao, Sevilla en Puerto Real. |
|
2. |
Leningen ten belope van 192 100 000 EUR van SEPI aan drie ondernemingen in moeilijkheden: Cádiz, Juliana en Manises, op 28 december 1999. |
|
3. |
Kapitaalinjectie van 252 425 000 EUR van SEPI in AESA, in september 2000, wat uiteindelijk tot voordeel strekte van de ondernemingen Sestao, Sevilla en Puerto Real. |
De steun is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, omdat deze noch als herstructurerings- noch als enigerlei andere steun kan worden goedgekeurd.
De steun moet in zijn geheel worden terugbetaald door de huidige eigenaar van deze werven, IZAR, die de ondernemingen van AESA-SEPI heeft overgenomen.
IZAR heeft de onder 2 genoemde leningen, ten belope van 192 100 000 EUR, in september 2000 aan SEPI terugbetaald, met rente. Dit gedeelte van de onrechtmatige en onverenigbare steun wordt derhalve beschouwd als zijnde terugbetaald,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De steun ter hoogte van 500 473 000 EUR die door Spanje is verstrekt aan de Spaanse openbare scheepswerven, momenteel eigendom van IZAR, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 2
1. Spanje zal alle noodzakelijke maatregelen treffen voor de terugbetaling door de begunstigden van de in artikel 1 genoemde steun, die onwettig is verstrekt, uitgezonderd de 192 100 000 EUR die reeds zijn terugbetaald.
2. De terugbetaling dient onverwijld te gebeuren en overeenkomstig de procedures van nationaal recht, mits deze procedures de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de onderhavige beschikking toestaan. Het terug te vorderen bedrag is rentedragend vanaf de datum dat deze voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van terugbetaling. De rente wordt berekend op basis van het referentiepercentage dat voor de berekening van het subsidie-equivalent in het kader van de regionale steunmaatregelen wordt gebruikt.
3. Het in lid 2 genoemde rentepercentage wordt op samengestelde basis toegepast over de gehele in lid 2 genoemde periode.
Artikel 3
Spanje stelt de Commissie binnen twee maanden na bekendmaking van de onderhavige beschikking in kennis van de geplande en reeds getroffen maatregelen voor de uitvoering ervan. Spanje zal hiervoor gebruikmaken van het formulier in bijlage bij deze beschikking.
Artikel 4
De onderhavige beschikking is gericht tot het Koninkrijk Spanje.
Gedaan te Brussel, 12 mei 2004.
Voor de Commissie
Mario MONTI
Lid van de Commissie
(1) PB L 202 van 18.7.1998, blz. 1.
(2) PB L 148 van 6.6.1997, blz. 1.
(3) PB C 328 van 18.11.2000, blz. 16, PB C 21 van 24.1.2002, blz. 17 en PB C 199 van 23.8.2003, blz. 9.
(4) PB C 354 van 21.11.1997, blz. 2.
(5) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(6) PB C 21 van 24.1.2004, blz. 41. Zaak T-381/03.
(7) De geldbedragen die in de onderhavige beschikking worden genoemd, zijn in het algemeen afgeronde bedragen in euro die zijn berekend uit bedragen in peseta.
(8) PB C 201 van 26.8.2003, blz. 3.
(9) Jurisprudentie 1980, blz. 1205 (Spaanse bijzondere uitgave 1980, blz. 399).
(10) Jurisprudentie 1994, blz. I-877.
(11) Jurisprudentie 1998, blz. I-7907.
(12) PB L 385 van 31.12.1994, blz. 1.
(*1) Vertrouwelijke informatie.
(13) Jurisprudentie 1991, blz. I-1433.
(14) PB C 119 van 22.5.2002, blz. 22.
(15) PB L 37 van 12.2.2000, blz. 22.
(16) PB L 193 van 29.7.2000, blz. 75.
(17) PB L 195 van 29.7.1980, blz. 35.
(18) Jurisprudentie 2000, blz. I-3271.
(19) Jurisprudentie, blz. I-4397.
(20) PB L 37 van 12.2.2000, blz. 22.
(21) PB L 296 van 30.10.2002, blz. 73.
(22) PB C 307 van 13.11.1993, blz. 3.
(23) Jurisprudentie 1986, blz. 2321.
(24) PB L 37 van 12.2.2000, blz. 22.
(25) Jurisprudentie 2002, blz. I-3243.
(26) Jurisprudentie 1999, blz. I-2459, in het bijzonder de rechtsoverwegingen 41 en 42, c.q. jurisprudentie 1999, blz. I-3913, in het bijzonder de rechtsoverwegingen 23-24, alsook de punten 334-336 van de opmerkingen van de advocaat-generaal, de heer Jacobs, in de genoemde zaak.
(27) AESA was ook eigenaar van verschillende kleinere ondernemingen, maar het totale nominale kapitaal daarvan bedroeg slechts 161 miljoen ESP (iets minder dan 1 miljoen EUR), in vergelijking met 9,5 miljard ESP (57,1 miljoen EUR) in het geval van de drie werven (Puerto Real: 4 miljard ESP, Sestao: 4 miljard ESP; Sevilla: 1,5 miljard ESP).
(28) In de rechtsoverwegingen 21 en 22 van het arrest wordt gezegd dat het denkbaar is „dat een moedermaatschappij gedurende een bepaalde tijd de verliezen van een van haar dochtermaatschappijen draagt om de beëindiging van haar bedrijf onder de beste voorwaarden mogelijk te maken. Dergelijke beslissingen kunnen niet slechts worden ingegeven door de waarschijnlijkheid dat hierdoor indirecte materiële winst wordt behaald, maar ook door andere overwegingen, zoals het behoud van het aanzien van de groep of de heroriëntatie van haar bedrijvigheid. Wanneer echter kapitaalinbreng van een publieke investeerder ook op lange termijn ieder uitzicht op rentabiliteit ontbeert, moet dat worden aangemerkt als steun in de zin van artikel 92 van het EG-Verdrag en moet de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt uitsluitend aan de in dit artikel genoemde criteria worden getoetst”.
(29) Deze informatie zal echter worden gebruikt bij de andere procedure die tegen IZAR is ingeleid om vast te stellen of een gedeelte van de kapitaalinjecties die in 2000 in IZAR zijn gedaan, zijn gebruikt voor het maken van producten die bestemd zijn voor civiele doeleinden.
(30) PB C 354 van 21.11.1997, blz. 2, en in het bijzonder overeenkomstig de laatste overweging van blz. 7. (Reeds genoemd in voetnoot 4.)
(31) COM(1999) 480 def.
(32) Zaak C-390/98, H.J. Banks, jurisprudentie 2001, blz. I-6117, rechtsoverweging 77, en C-277/00, Duitsland/Commissie, jurisprudentie 2004, rechtsoverweging 80, nog niet gepubliceerd in de jurisprudentie.
(33) Jurisprudentie 2003, blz. I-4035.
BIJLAGE
Informatie betreffende de uitvoering van de Beschikking 2005/173/EG van de Commissie
1. Berekening van het terug te vorderen bedrag
|
1.1. |
Verstrek de volgende gegevens betreffende het bedrag aan onwettige staatssteun dat aan de begunstigde is uitbetaald:
Opmerkingen: |
|
1.2. |
Beschrijf in detail hoe de rente op de terug te vorderen steun zal worden berekend. |
2. Geplande en reeds getroffen maatregelen voor terugbetaling van de steun
|
2.1. |
Geef een gedetailleerde beschrijving van de maatregelen die zijn gepland/reeds zijn getroffen om ervoor te zorgen dat de steun onverwijld en daadwerkelijk wordt terugbetaald. Vermeld, indien van toepassing, de rechtsgrond van deze maatregelen. |
|
2.2. |
Wat is het tijdschema voor het proces van terugbetaling? Wanneer zal de steun volledig zijn terugbetaald? |
3. Reeds terugbetaald
|
3.1. |
Verstrek de volgende gegevens betreffende het gedeelte van de steun dat reeds door de begunstigde is terugbetaald:
|
|
3.2. |
Voeg bewijsstukken bij voor de in bovenstaande tabel gespecificeerde bedragen. |
(1) Data waarop de afzonderlijke termijnen van de steun aan de begunstigde zijn uitbetaald.
(2) Bedrag aan steun dat aan de begunstigde is uitbetaald (in bruto steun-equivalenten).
(3) Datum van terugbetaling van de steun.