|
4.12.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 359/11 |
VERORDENING (EG) Nr. 2074/2004 VAN DE RAAD
van 29 november 2004
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EEG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (hierna „de basisverordening” genoemd), met name op artikel 11, lid 2,
Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg met het Raadgevend Comité heeft ingediend,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. Thans geldende maatregelen
|
(1) |
In januari 1997 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 119/97 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde ringbandmechanismen uit onder meer de Volksrepubliek China. Het definitieve dumpingrecht dat van toepassing was op de nettoprijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedroeg 32,5 % voor World Wide Stationary Mfg („WWS”), een onderneming die een individuele behandeling had gekregen en 39,4 % voor alle overige ondernemingen in de Volksrepubliek China. Deze rechten waren van toepassing op andere ringbandmechanismen dan die met 17 of 23 ringen (Taric-codes 8305100011, 8305100012 en 8305100019), terwijl voor ringbandmechanismen met 17 en 23 ringen (Taric-codes 8305100021, 8305100022 en 8305100029) een recht werd vastgesteld gelijk aan het verschil tussen de minimuminvoerprijs van 325 EUR per 1 000 stuks en de prijs franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, indien deze lager was dan de minimuminvoerprijs. |
|
(2) |
In september 2000 werden de antidumpingrechten die van toepassing waren op andere ringbandmechanismen dan die met 17 of 23 ringen (TARIC-codes 8305100011, 8305100012 en 8305100019) in het kader van een herzieningsonderzoek in verband met de absorptie van de maatregelen overeenkomstig artikel 12 van de basisverordening bij Verordening (EG) nr. 2100/2000 (3) verhoogd tot 51,2 % voor WWS en tot 78,8 % voor alle overige ondernemingen in de Volksrepubliek China. |
|
(3) |
Sedert juni 2002 zijn antidumpingmaatregelen en compenserende maatregelen van toepassing op ringbandmechanismen uit Indonesië. Deze maatregelen, die niet onder het huidige herzieningsonderzoek vallen, werden ingesteld bij Verordening (EG) nr. 976/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 977/2002 van de Raad van 4 juni 2002 (4). |
|
(4) |
Naar aanleiding van een onderzoek met betrekking tot de mogelijke ontduiking van de bij Verordening (EG) nr. 119/97 ingestelde antidumpingmaatregelen door de verzending van ringbandmechanismen via Vietnam, werden deze maatregelen bij Verordening (EG) nr. 1208/2004 (5) van de Raad uitgebreid tot ringbandmechanismen die vanuit Vietnam worden verzonden. |
|
(5) |
In april 2004 (6) werd een onderzoek geopend in verband met de mogelijke ontduiking van de bij Verordening (EG) nr. 119/97 ingestelde antidumpingmaatregelen door verzending van ringbandmechanismen via Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand. |
|
(6) |
De in de twee voorgaande punten vermelde onderzoeken werden onafhankelijk van de resultaten van onderhavig onderzoek uitgevoerd. |
2. Verzoek om de inleiding van een herzieningsprocedure
|
(7) |
Na de bekendmaking van het bericht dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op bepaalde ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China (7) binnenkort zouden vervallen, heeft de Commissie op 23 oktober 2001 een verzoek ontvangen deze maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening te herzien. |
|
(8) |
Het verzoek was ingediend door twee EG-producenten, Koloman Handler AG en Krause Ringbuchtechnik GmbH, die goed zijn voor een groot deel van de productie van de hier bedoelde ringbandmechanismen in de Gemeenschap. Zij voerden aan dat nog grotere hoeveelheden met schadeveroorzakende dumping uit de Volksrepubliek China zouden worden ingevoerd indien de maatregelen vervielen. |
|
(9) |
Na in overleg met het Raadgevend Comité te hebben vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was voor de inleiding van een herzieningsprocedure overeenkomstig artikel 11, lid 2 van de basisverordening, is de Commissie met een onderzoek begonnen (8). |
3. Onderzoek
a) Procedure
|
(10) |
De Commissie heeft de haar bekende producenten/exporteurs, importeurs en verwerkende bedrijven, de vertegenwoordigers van het exportland, de EG-producenten die het verzoek hadden ingediend en de andere haar bekende EG-producent in kennis gesteld van de inleiding van de herzieningsprocedure bij het vervallen van de maatregelen. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en verzoeken te worden gehoord. |
|
(11) |
Alle partijen die dit binnen de gestelde termijn hadden aangevraagd en die konden aantonen dat er bijzondere redenen waren om hen te horen, werden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. |
|
(12) |
Er werd een vragenlijst toegezonden aan alle partijen die van de inleiding van de herzieningsprocedure in kennis waren gesteld en aan de partijen die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hadden aangemeld. Voorts werd contact opgenomen met één producent in India („het referentieland”) die eveneens een vragenlijst ontving. |
|
(13) |
De vragenlijst werd beantwoord door de twee EG-producenten die het verzoek hadden ingediend, door één producent/exporteur in de Volksrepubliek China, één producent in het referentieland en door twee onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap. |
|
(14) |
Alle betrokkenen werden in kennis gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was de aanbeveling te doen definitieve antidumpingrechten in te stellen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Deze opmerkingen werden in aanmerking genomen en waar nodig werden de bevindingen dienovereenkomstig gewijzigd. |
b) Belanghebbenden en controlebezoeken
|
(15) |
De Commissie heeft alle gegevens verzameld en gecontroleerd die zij nodig had om te kunnen vaststellen of een herhaling of voortzetting van dumping en schade waarschijnlijk was alsmede gegevens in verband met het belang van de Gemeenschap. Bij de volgende bedrijven werd ter plaatse een controle verricht
|
c) Onderzoektijdvak
|
(16) |
Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van een herhaling of voortzetting van dumping had betrekking op de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 („het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de trends die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van een herhaling of voortzetting van schade had betrekking op de periode van 1 januari 1998 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”). |
B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
1. Betrokken product
|
(17) |
Deze procedure heeft betrekking op dezelfde producten als de oorspronkelijke procedure, namelijk bepaalde ringbandmechanismen bestaande uit twee rechthoekige stalen plaatjes of draden met, hierop bevestigd, minstens vier halve ringen van staaldraad die met een stalen dekplaatje samen worden gehouden. Het mechanisme kan worden geopend hetzij door aan de halve ringen te trekken, hetzij door een klein stalen trekkermechanisme te bedienen dat aan het ringbandmechanisme is bevestigd. De ringen kunnen verschillende vormen hebben. De meest voorkomende zijn rond of D-vormig. Ringbandmechanismen zijn momenteel ingedeeld onder GN-code ex 8305 10 00 (TARIC-codes 8305100011, 8305100012 en 8305100019 voor andere mechanismen dan met 17 of 23 ringen en TARIC-codes 8305100021, 8305100022 en 8305100029 voor mechanismen met 17 en 23 ringen). Dit onderzoek is niet van toepassing op hendelboogmechanismen die onder dezelfde GN-code zijn ingedeeld. |
|
(18) |
Ringbandmechanismen worden gebruikt voor papieren, kartonnen of met kunststof beklede kantoormappen, presentatie- en andere gebonden dossiermappen. |
|
(19) |
In het onderzoektijdvak werden grote aantallen van de verschillende soorten ringbandmechanismen in de Gemeenschap verkocht. Deze soorten verschilden in de breedte van de basis, het soort mechanisme, het aantal ringen, het openingssysteem, de nominale papiercapaciteit, de diameter en vorm van de ringen, de lengte en de ruimte tussen de ringen. Omdat alle soorten dezelfde fysische en technische basiskenmerken hebben en binnen bepaalde groepen onderling verwisselbaar zijn, werden alle ringbandmechanismen in het kader van deze procedure als één product beschouwd. |
2. Soortgelijk product
|
(20) |
Vastgesteld werd dat ringbandmechanismen die in het referentieland (India) werden vervaardigd en verkocht en ringbandmechanismen die vanuit de Volksrepubliek China in de Gemeenschap werden ingevoerd identieke fysische en technische basiskenmerken en toepassingen hebben. |
|
(21) |
Er bleken evenmin verschillen te bestaan in fysische en technische basiskenmerken en toepassingen tussen ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China die in de Gemeenschap werden ingevoerd en ringbandmechanismen die door de EG-producenten werden vervaardigd en op de EG-markt verkocht. |
|
(22) |
De conclusie was derhalve dat ringbandmechanismen die in het referentieland werden vervaardigd en verkocht en ringbandmechanismen die uit de Volksrepubliek China in de Gemeenschap werden ingevoerd, alsmede ringbandmechanismen die door de EG-producenten werden vervaardigd en op de EG-markt verkocht soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
C. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN EEN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING
|
(23) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening moet worden nagegaan of het waarschijnlijk is dat de dumping zal worden voortgezet of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregelen vervallen. |
1. Inleiding
|
(24) |
Van de drie in de klacht genoemde Chinese producenten/exporteurs verleende alleen WWS medewerking. Deze producent/exporteur had zowel in het oorspronkelijke onderzoek als het onderzoek in verband met de absorptie van de maatregelen een individuele behandeling gekregen. De twee andere exporteurs verklaarden het betrokken product in het onderzoektijdvak niet naar de Gemeenschap te hebben uitgevoerd. Eén van deze bedrijven bleek echter betrokken te zijn bij ontduikingspraktijken via Thailand waarnaar een onderzoek was ingesteld door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) (zie overwegingen 42 en 43). |
2. Voortzetting van dumping
|
(25) |
Volgens Eurostat was de enige medewerkende onderneming in het onderzoektijdvak goed voor de gehele invoer van het betrokken product uit de Volksrepubliek China. Deze invoer bedroeg 1,9 % van het totale EG-verbruik in het onderzoektijdvak van dit onderzoek, terwijl dit 45 % van het totale EG-verbruik was in het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek, d.w.z. van 1 oktober 1994 tot en met 30 september 1995. |
a) Werkwijze
|
(26) |
Vergeleken met het oorspronkelijke onderzoek is alleen het referentieland gewijzigd; voor de berekening van de dumpingmarge is dezelfde werkwijze gevolgd. |
b) Referentieland
|
(27) |
Omdat de Volksrepubliek China een overgangseconomie heeft, werd de normale waarde vastgesteld aan de hand van informatie die was verkregen in een derde land met een markteconomie (het „referentieland”), dat overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a) van de basisverordening werd gekozen. |
|
(28) |
In het oorspronkelijke onderzoek was Maleisië gekozen als referentieland. Omdat de productie in Maleisië was gestaakt en was overgebracht naar onder meer India, moest een ander representatief land worden gekozen. In het verzoek om een herzieningsonderzoek bij het vervallen van de maatregelen werd India voorgesteld als referentieland om de normale waarde vast te stellen. Deze keuze werd niet betwist. In India waren de concurrentievoorwaarden normaal gezien de omvang en het open karakter van de markt en de toegang tot grondstoffen. De Indiase producent was bereid medewerking te verlenen en verkocht representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt. Hij had banden met de medewerkende Chinese producent/exporteur, maar dit bleek geen gevolgen te hebben voor het vaststellen van de normale waarde. Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a) van de basisverordening werd India derhalve een passend referentieland geacht voor de vaststelling van de normale waarde. |
c) Normale waarde
|
(29) |
Het betrokken product bleek in het onderzoektijdvak met winst en in representatieve hoeveelheden op dee binnenlandse markt te zijn verkocht. De normale waarde werd derhalve gebaseerd op door onafhankelijke afnemers in het referentieland, d.w.z. India, te betalen of betaalde prijzen in het kader van normale handelstransacties. |
d) Exportprijs
|
(30) |
Omdat het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap was verkocht, werd de exportprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening vastgesteld aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen exportprijs. |
e) Vergelijking
|
(31) |
Om een billijke vergelijking te kunnen maken werd, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, door middel van correcties rekening gehouden met verschillen in de kosten van binnenlands vervoer, kortingen en betaling in termijnen, laden, lossen, op- en overslag, transport en krediet, commissies en verzekering die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
|
(32) |
Na de instelling van de antidumpingmaatregelen trad er een sterke daling op van zowel de uitvoer van ringbandmechanismen naar de Gemeenschap als in de soorten ringbandmechanismen die naar de Gemeenschap werden uitgevoerd. De soorten ringbandmechanismen die in het onderzoektijdvak op de binnenlandse markt van het referentieland werden verkocht waren derhalve vergelijkbaar met slechts 10 % van de soorten die de enige medewerkende producent/exporteur in de Volksrepubliek China rechtstreeks naar de Gemeenschap had uitgevoerd. In het oorspronkelijke onderzoektijdvak was de vergelijking gebaseerd op 75 % van het totale verkoopvolume. Het grootste deel van de rechtstreekse invoer uit de Volksrepubliek China in het onderzoektijdvak van het huidige onderzoek had namelijk betrekking op bijzondere modellen, zoals die met 17 en 23 ringen waarop minimuminvoerprijzen van toepassing zijn. |
f) Dumpingmarge
|
(33) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde vergeleken met de gewogen gemiddelde exportprijs, in hetzelfde handelsstadium. Bij de vergelijking bleek dat het betrokken product niet er met dumping werd ingevoerd. |
g) Conclusie
|
(34) |
Voor WWS, de medewerkende Chinese producent/exporteur, werd geen dumping vastgesteld. De omvang van de rechtstreekse uitvoer van WWS naar de Gemeenschap in het onderzoektijdvak van het huidige onderzoek was echter aanzienlijk kleiner dan in het oorspronkelijke onderzoektijdvak. De rechtstreekse invoer uit de Volksrepubliek China van door WWS vervaardigde ringbandmechanismen bleek zich te concentreren op het duurste marktsegment, met name modellen met 17 en 23 ringen waarvoor een minimuminvoerprijs is vastgesteld (zie overweging 32). Dit betekent dat bij deze invoer vrijwel geen antidumpingrechten zijn betaald. Daarom kon geen vergelijking worden gemaakt met de dumpingmarge die bij het oorspronkelijke onderzoek werd berekend omdat geen dumpingmarge kon worden berekend voor de modellen waarvoor het antidumpingrecht geldt, dat wil zeggen de modellen die het meest op de EG-markt werden verkocht en die in het onderzoektijdvak van het huidige onderzoek niet rechtstreeks uit de Volksrepubliek China werden ingevoerd. In termen van verkoopvolume kon slechts een vergelijking worden gemaakt tussen het betrokken product dat op de binnenlandse markt van het referentieland werd verkocht en de modellen die 10 % vertegenwoordigden van de uitvoer uit de Volksrepubliek China naar de Gemeenschap. Er is dan ook geen duidelijke conclusie mogelijk met betrekking tot een mogelijke voortzetting van dumping. |
3. Herhaling van dumping
|
(35) |
Omdat geen duidelijke conclusie mogelijk was inzake een voortzetting van dumping werd de waarschijnlijkheid van een herhaling van dumping onderzocht. |
|
(36) |
Hiervoor werden de volgende elementen onderzocht: a) de reservecapaciteit en investeringen van de Chinese producenten/exporteurs; b) het gedrag van de medewerkende Chinese producent/exporteur op de markt van derde landen; c) het exportvolume en de prijzen van het betrokken product bij uitvoer naar derde landen door niet-medewerkende ondernemingen. |
a) Reservecapaciteit en investeringen
|
(37) |
Omdat geen andere producent/exporteur dan WWS medewerking verleende, was er, behalve voor WWS, geen informatie beschikbaar over de productie in de Volksrepubliek China, de reserveproductiecapaciteit en de verkoop op de Chinese markt. |
|
(38) |
De productiecapaciteit van de medewerkende onderneming was van 1999 tot het onderzoektijdvak stabiel. Omdat de productie van 1999 tot het onderzoektijdvak daalde met 28 %, beschikt de medewerkende producent/exporteur waarschijnlijk over een aanzienlijke onbenutte productiecapaciteit, namelijk een derde van zijn totale capaciteit. Deze producent zou, indien de maatregelen vervallen, zijn productie derhalve snel kunnen verhogen en deze op exportmarkten zoals de EG-markt kunnen richten. Met de onbenutte productiecapaciteit van de enige medewerkende producent/exporteur zou kunnen worden voorzien in ongeveer de helft van het EG-verbruik. Voorts kan redelijkerwijze worden verondersteld dat de overige Chinese producenten eveneens beschikken over een aanzienlijke reservecapaciteit omdat de totale Chinese uitvoer is gedaald en er geen aanwijzingen zijn dat de capaciteit in de Volksrepubliek China is afgenomen. |
|
(39) |
De medewerkende onderneming is van 1999 tot in het onderzoektijdvak veel blijven investeren in machines en apparatuur hoewel dit geleidelijk minder werd. |
b) Gedrag van de medewerkende Chinese producent/exporteur op de markten van derde landen
|
(40) |
De hoeveelheden die de medewerkende onderneming naar derde landen had uitgevoerd (met uitzondering van de Gemeenschap) daalden in het onderzoektijdvak met 8 % ten opzichte van 2000. De gemiddelde prijs bij uitvoer naar derde landen daalde in die periode met 12 %. |
c) Gedrag van de niet-medewerkende Chinese ondernemingen (hoeveelheden en prijzen)
|
(41) |
Voor de ondernemingen die geen medewerking verleenden aan onderhavig onderzoek moesten de conclusies worden vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18, van de basisverordening. Om te kunnen vaststellen welke hoeveelheden uit de Volksrepubliek China naar andere landen waren uitgevoerd en tegen welke prijzen, werd gebruik gemaakt van Amerikaanse en Chinese statistieken. Hoewel de cijfers enigszins verschillen, afhankelijk van de bron, blijkt hieruit desalniettemin dat de totale uitvoer uit de Volksrepubliek China in 1999, 2000 en het onderzoektijdvak aanzienlijk is gedaald. Volgens de Chinese statistieken werden in 1999 ongeveer 662 miljoen stuks uitgevoerd en in het onderzoektijdvak 523 miljoen stuks. De gemiddelde exportprijs, die weliswaar verschillende productsoorten bestrijkt met zeer uiteenlopende prijzen, is in die periode min of meer gelijk gebleven. Zoals vermeld in overweging 38 kan, ondanks het ontbreken van informatie over de productiecapaciteit van niet-medewerkende producenten/exporteurs, worden verondersteld dat zij over een aanzienlijke onbenutte productiecapaciteit beschikken. Indien de antidumpingmaatregelen vervallen kan er redelijkerwijze van worden uitgegaan dat de EG-markt weer zeer aantrekkelijk zal worden voor de Chinese exporteurs en dat zij weer grote hoeveelheden naar de EG-markt zullen uitvoeren. |
|
(42) |
Voorts heeft OLAF een onderzoek uitgevoerd om na te gaan of ringbandmechanismen die waren aangegeven als van oorsprong uit Thailand ook daadwerkelijk uit dat land afkomstig waren of uit de Volksrepubliek China. |
|
(43) |
Onderzoek van OLAF en de lidstaten in kwestie wees uit dat de ringbandmechanismen niet van oorsprong waren uit Thailand. Een groot deel van deze invoer bleek van niet-preferentiële Chinese oorsprong te zijn zodat antidumpingrechten van toepassing waren. |
|
(44) |
Via Thailand werden vaak ringbandmechanismen ingevoerd die in het onderzoektijdvak het meest waren verkocht op de EG-markt en minder vaak de modellen met 17 en 23 ringen die rechtstreeks uit de Volksrepubliek China werden ingevoerd, waardoor dus een vergelijking kon worden gemaakt met de modellen die het meest op de EG-markt waren verkocht. Er werd een vergelijking gemaakt van de modellen uit Thailand die op de EG-markt waren verkocht met een aantal vergelijkbare modellen die op de binnenlandse markt van het referentieland waren verkocht. Enige voorzichtigheid is echter geboden omdat in afwezigheid van een volledig onderzoek naar de invoer in de Gemeenschap van ringbandmechanismen vanuit Thailand, de berekening alleen kon worden gebaseerd op de gegevens van een prijsofferte fob Bangkok die de EG-producenten hadden verstrekt voor modellen die in en na het onderzoektijdvak vanuit Thailand in de Gemeenschap waren ingevoerd. De berekening lijkt er echter op te wijzen dat de prijzen bij uitvoer uit Thailand lager waren dan op de binnenlandse markt van India, zodat niet kan worden uitgesloten dat de ringbandmechanismen tegen dumpingprijzen in de Gemeenschap waren ingevoerd. |
d) Anti-absorptieonderzoek
|
(45) |
Voorts wordt eraan herinnerd dat in oktober 2000, na de vaststelling van een recht van 32,5 % voor WWS en van 39,4% voor alle overige Chinese ondernemingen, een anti-absorptieonderzoek was uitgevoerd waarbij het recht voor WWS was verhoogd tot 51,2 % en voor alle overige ondernemingen tot 78,8 %. |
e) Handelsbeschermingsmaatregelen van derde landen
|
(46) |
Geen enkel ander derde land past handelsbeschermingsmaatregelen toe ten aanzien van de invoer van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China. |
4. Conclusie
|
(47) |
De medewerkende producent/exporteur en zeer waarschijnlijk ook de twee overige Chinese producenten/exporteurs beschikken over een aanzienlijke reservecapaciteit gezien de sterke daling van hun uitvoer van 1999, 2000 en het onderzoektijdvak. De onbenutte productiecapaciteit van de enige medewerkende producent/exporteur is groot genoeg om te voorzien in ongeveer de helft van het EG-verbruik. |
|
(48) |
Het zichtbare EG-verbruik in het onderzoektijdvak was ongeveer 270 miljoen stuks; slechts 5 miljoen stuks was aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China. In het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (1 oktober 1994 tot en met 30 september 1995) voerden de Chinese producenten/exporteurs 126 miljoen stuks uit naar de Gemeenschap. Gezien de reservecapaciteit van de Chinese producenten/exporteurs is het waarschijnlijk dat grote hoeveelheden opnieuw naar de Gemeenschap zullen worden uitgevoerd indien de antidumpingmaatregelen vervallen. De invoer vanuit de Volksrepubliek China zal, gezien de enorme reservecapaciteit in dat land, waarschijnlijk plaatsvinden met dumping. Hoewel voor de medewerkende onderneming geen dumping werd vastgesteld, wordt opgemerkt dat deze bevinding op een kleine steekproef was gebaseerd die niet kan worden vergeleken met de dumpingberekeningen in het kader van het oorspronkelijke onderzoek. Een van de Chinese ondernemingen die niet aan dit onderzoek meewerkte voerde via een gelieerde onderneming in Thailand naar de Gemeenschap uit. Volgens berekeningen zou deze verkoop mogelijk plaatsvinden tegen dumpingprijzen. Het kan dan ook niet uitgesloten worden dat de dumpingpraktijken slechts één jaar na een anti-absorptieonderzoek werden voortgezet. |
|
(49) |
Op grond van deze bevindingen en feiten is het waarschijnlijk dat, indien de Chinese exporteurs weer naar de Gemeenschap gaan uitvoeren, dit tegen prijzen zal zijn die onder de normale waarde liggen. Naar verwachting zal de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China in afwezigheid van antidumpingrechten worden hervat. |
D. DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP
|
(50) |
In het onderzoektijdvak werden ringbandmechanismen in de Gemeenschap geproduceerd door de volgende producenten:
|
|
(51) |
De eerste twee producenten zijn de indieners van het verzoek en hebben aan dit onderzoek meegewerkt. Zij waren in het onderzoektijdvak goed voor meer dan 90 % van de totale productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap. Deze producenten zijn derhalve de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van de artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Deze producenten worden hierna de „EG-producenten” genoemd. Na het onderzoektijdvak werden deze twee ondernemingen in dezelfde groep opgenomen, maar hun productie in de Gemeenschap werd voortgezet. Deze groep heeft geen banden met de Chinese producenten/exporteurs. |
E. SITUATIE OP DE EG-MARKT
1. Verbruik in de Gemeenschap
|
(52) |
De antwoorden op de vragenlijsten van de medewerkende EG-producenten werden gebruikt om de verkoop van die EG-producenten op de EG-markt te bepalen. Aan de hand van andere gegevens werd de verkoop berekend van de andere EG-producent. |
|
(53) |
Voor het vaststellen van de omvang van de invoer uit de Volksrepubliek China en van de invoer die was aangegeven als van oorsprong uit Thailand werd gebruik gemaakt van Eurostat-cijfers. Voor het vaststellen van de omvang van de invoer die in het onderzoektijdvak was aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China werd evenwel gebruik gemaakt van de informatie die de medewerkende Chinese producent/exporteur had verstrekt. |
|
(54) |
Wat de invoer uit andere derde landen betreft: voor de invoer uit India en Indonesië, met uitzondering van de invoer in het onderzoektijdvak, werd gebruik gemaakt van de cijfers die verkregen waren in het kader van de antidumpingprocedure met betrekking tot beide landen. Indien geen gegevens beschikbaar waren van de vragenlijsten of van voorgaande procedures werd de omvang van de invoer berekend aan de hand van Eurostat-gegevens. Voor invoer uit Hongarije werd gebruik gemaakt van het antwoord op de vragenlijst van één medewerkende EG-producent. Voor andere derde landen dan Hongarije en de in deze overweging genoemde landen, werd gebruik gemaakt van Eurostatgegevens die werden omgerekend van tonnen naar stuks. |
|
(55) |
Uit deze gegevens bleek dat het zichtbare EG-verbruik in de beoordelingsperiode met 9 % was gedaald, namelijk van 297 miljoen stuks (cijfers afgerond op het miljoen) in 1998 tot 270 miljoen stuks in het onderzoektijdvak. Voor 1999 en 2000 waren deze cijfers achtereenvolgens 306 miljoen stuks en 316 miljoen stuks. |
2. Ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China
a) Omvang van de invoer en marktaandeel
|
(56) |
De invoer van ringbandmechanismen, aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China, was sterk gedaald, namelijk van 44 miljoen stuks in 1998 tot 24 miljoen stuks in 1999, 10 miljoen stuks in 2000 en 5 miljoen stuks in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van deze ringbandmechanismen daalde in elk jaar van die periode, namelijk van 14,8 % in 1998 tot 7,8 % in 1999, 3 % in 2000 en 1,9 % in het onderzoektijdvak. |
b) Prijsontwikkeling
|
(57) |
De gemiddelde prijs van ringbandmechanismen aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China steeg van 1998 (141 EUR) tot het onderzoektijdvak (278 EUR) met 96 %. Deze prijsstijging is in overeenstemming met de toename van de invoer van duurdere productsoorten waarop een minimuminvoerprijs van toepassing is (ringbandmechanismen met 17 en 23 ringen) en is dus niet zozeer een echte prijsstijging. |
3. Ringbandmechanismen aangegeven als van oorsprong uit Thailand
|
(58) |
Zoals reeds vermeld bleek bij het OLAF-onderzoek dat een groot deel van de ringbandmechanismen, aangegeven als van oorsprong uit Thailand, in feite van Chinese oorsprong was. Deze invoer steeg van 1 miljoen stuks in 1998 tot 16 miljoen stuks in 1999, 17 miljoen stuks in 2000 en 20 miljoen stuks in het onderzoektijdvak. Het marktaandeel van ringbandmechanismen, aangegeven als van oorsprong uit Thailand, steeg in de beoordelingsperiode van 0,3 % in 1998 tot 5,2 % in 1999, 5,3 % in 2000 en 7,4 % in het onderzoektijdvak. De gemiddelde prijs van ringbandmechanismen, aangegeven als van oorsprong uit Thailand, daalde in die periode met 9 %, namelijk van 100 EUR tot 91 EUR. De wederverkoopprijzen van een Europese distributeur van ringbandmechanismen die zijn producten vanuit Thailand betrok bleken gemiddeld ongeveer 12 % lager te zijn dan de verkoopprijzen van de EG-producenten. |
4. Economische situatie van de EG-producenten (9)
a) Productie, productiecapaciteit en capaciteitsbezetting
|
(59) |
De productie van de EG-producenten daalde in de beoordelingsperiode met 17 %, namelijk, geïndexeerd, van 100 in 1998 tot 91 in 1999, 89 in 2000 en 83 in het onderzoektijdvak. De overbrenging van een deel van de productie van Koloman Handler AG in 2000 naar Hongarije verklaart de daling van de productie in dat jaar. In het onderzoektijdvak vroeg Koloman Handler AG zijn faillissement aan en zijn productie daalde in de tweede helft van 2001 aanzienlijk. |
|
(60) |
De productiecapaciteit van de EG-producenten daalde in de beoordelingsperiode met 7 %. Deze steeg in 1999 tot indexcijfer 107 en daalde in 2000 tot 93 als gevolg van de overbrenging van een deel van de productie van Koloman Handler AG naar Hongarije. De productiecapaciteit bleef in het onderzoektijdvak stabiel. |
|
(61) |
De capaciteitsbezetting daalde van meer dan 80 % in 1998 tot 70-75 % in 1999, steeg in 2000 tot 76-80 % en daalde tot 70-75 % in het onderzoektijdvak. |
b) Voorraden
|
(62) |
De eindejaarsvoorraden van de EG-producenten daalden ieder jaar van de beoordelingsperiode (in totaal met 37 %). De voornaamste factor hierbij was de productieverlaging van Koloman Handler AG na diens faillissement. De periode waarin voorraden werden aangehouden alvorens te worden verkocht werd in de beoordelingsperiode tien dagen korter. |
c) Verkoopvolume, marktaandeel en groei
|
(63) |
De verkoop van de EG-producenten op de EG-markt daalde in de beoordelingsperiode met 8 % van 119 miljoen stuks in 1998 tot 109 miljoen stuks in het onderzoektijdvak. De verkoop was in 1999 tot 115 miljoen stuks gedaald en bleef in 2000 vrijwel stabiel op dit niveau. |
|
(64) |
Het marktaandeel van de EG-producenten liet in de beoordelingsperiode een lichte groei zien van 40,1 % in 1998 tot 40,4 % in het onderzoektijdvak, hoewel dit in 1999 en 2000 sterk was gedaald tot achtereenvolgens 37,6 % en 36,2 %. |
|
(65) |
Terwijl het EG-verbruik in de beoordelingsperiode met 9 % daalde, daalde het verkoopvolume van de EG-producenten met 8 %. De totale omvang van de invoer die was aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand daalde in de beoordelingsperiode met 44 %. De EG-producenten hebben derhalve een iets groter marktaandeel verkregen, terwijl de producten die waren aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China marktaandeel verloren en het marktaandeel van de producten die waren aangegeven als van oorsprong uit Thailand groter werd. |
d) Verkoopprijs en kosten
|
(66) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijs van ringbandmechanismen bij verkoop door de EG-producenten op de EG-markt aan onafhankelijke afnemers daalde in de beoordelingsperiode van 206 EUR per 1 000 stuks in 1998 tot 190 EUR in 1999, 177 EUR in 2000 en 174 EUR in het onderzoektijdvak, d.w.z. met 16 % over de gehele periode. Eerst in juni 2002 werden antidumpingmaatregelen vastgesteld ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië, zodat niet kan worden uitgesloten dat de invoer uit Indonesië van invloed was op de prijsontwikkeling in de beoordelingsperiode. |
|
(67) |
De prijs van de voornaamste grondstoffen (staalband en staaldraad) volgde deze daling niet. De arbeidskosten, die meer dan twee vijfde van de totale kosten uitmaken, gaven in de beoordelingsperiode een sterke daling te zien. |
e) Winstgevendheid
|
(68) |
Omdat bepaalde factoren die geen beeld geven van de normale bedrijfsresultaten (met name de afschrijving van de goodwill na een overname) in dit geval wel belangrijk waren, werden de bedrijfsresultaten vóór de afschrijving van de goodwill als een betere indicator beschouwd dan de winst vóór belasting om de winstgevendheid van de EG-producenten te beoordelen. De EG-producenten hebben voortdurend geringe winsten gemaakt bij de verkoop aan onafhankelijke afnemers in de Gemeenschap. De winstgevendheid liet een verbetering zien van 0-3 % in 1998 tot 3,1-6 % in 1999 en daalde abrupt tot 0-3 % in 2000 en bleef in het onderzoektijdvak onder de -3 %. Deze negatieve resultaten hebben zeker bijgedragen tot het feit dat beide betrokken ondernemingen failliet gingen: Koloman Handler AG in juli 2001 en Krause Ringbuchtechnik GmbH in april 2002 (d.w.z. kort na het einde van het onderzoektijdvak). |
f) Investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(69) |
De analyse van de investeringen was vooral gericht op investeringen in fabrieken en machines, die in het onderzoektijdvak meer dan 90 % van de totale investeringen uitmaakten. De investeringen in goodwill werden buiten beschouwing gelaten omdat deze geen beeld geven van de bedrijfsresultaten over een aantal jaren omdat die investering het resultaat was van een eenmalige overname. Investeringen in fabrieken en machines daalden in de beoordelingsperiode met 65 %. Deze investeringen daalden tot indexcijfer 52 in 1999, 48 in 2000 en 35 in het onderzoektijdvak. |
|
(70) |
Het vermogen van de EG-producenten om kapitaal aan te trekken werd aangetast door de aanhoudend slechte winstgevendheid. |
g) Rendement van de investeringen
|
(71) |
Omdat de opbrengst van het aandelenkapitaal in 2000 negatief werd en beide EG-producenten vervolgens failliet gingen, werd, om het rendement van de investeringen te bepalen, gebruik gemaakt van het rendement op het totale vermogen („ROTA”). Het ROTA was in 1998 en 1999 stabiel (tussen 0 en 3 %) en daalde vervolgens tot 0-5 % in 2000 en was in het onderzoektijdvak lager dan -10 %. |
h) Kasstroom
|
(72) |
Uit de analyse van de vereenvoudigde nettokasstroom, d.w.z. bedrijfswinst plus afschrijving (met uitzondering van de afschrijving van de goodwill) blijkt dat deze zich op soortgelijke wijze ontwikkelde als de winstmarge. De kasstroom steeg van indexcijfer 100 in 1998 tot 126 in 1999 om vervolgens te dalen tot 62 in 2000 en tot -65 in het onderzoektijdvak. |
i) Werkgelegenheid, productiviteit en lonen
|
(73) |
De werkgelegenheid (voltijdbanen) daalde in elk jaar van de beoordelingsperiode, van indexcijfer 100 in 1998 tot 86 in 1999, 82 in 2000 en 77 in het onderzoektijdvak. |
|
(74) |
De productiviteit, gemeten in 1 000 stuks per werknemer, gaf in de beoordelingsperiode een verbetering te zien van 8 %, terwijl de arbeidskosten per productie-eenheid, gemeten in EUR per kg, in dezelfde periode met 12 % daalden. |
j) Omvang van de huidige dumpingmarge
|
(75) |
Voor het onderzoektijdvak werd geen dumping vastgesteld bij de invoer van het betrokken product aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China omdat het onderzoek betrekking had op een kleine en niet-representatieve reeks ringbandmechanismen. Voorts kon geen absolute uitspraak worden gedaan over de dumping van ringbandmechanismen aangegeven als van oorsprong uit Thailand omdat het dumpingaspect onvoldoende was onderzocht (het OLAF-onderzoek had betrekking op de oorsprong en niet op dumping). Er kon derhalve geen uitspraak worden gedaan over de omvang van de feitelijke dumpingmarge. |
5. Conclusie
|
(76) |
De EG-producenten verkeerden in de beoordelingsperiode in een precaire situatie. Dit wordt geïllustreerd door de dalende winstgevendheid (of, in andere woorden, de toenemende verliezen na 1999) bij een teruglopende verkoop tegen steeds lagere prijzen. |
|
(77) |
De precaire situatie van de EG-producenten in het onderzoektijdvak was het resultaat van verschillende gebeurtenissen in het verleden zoals i) de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China totdat in januari 1997 antidumpingmaatregelen werden genomen; ii) de absorptie van deze maatregelen zoals vastgesteld in oktober 2000; iii) de invoer met dumping uit Indonesië totdat in juni 2002 antidumpingmaatregelen werden genomen; iv) de ontduiking van de antidumpingmaatregelen door verzending via Thailand (OLAF-onderzoek). Na een onderzoek in verband met het ontduiken van de antidumpingrechten werden de bij Verordening (EG) nr. 119/97 ingestelde antidumpingrechten uitgebreid tot het betrokken product dat vanuit Vietnam was verzonden (zie overweging 4). Hieruit blijkt dat de EG-producenten in de beoordelingsperiode steeds met dumping hadden te maken en niet de kans kregen zich te herstellen. De daling van het EG-verbruik was gering en kan derhalve op zich geen verklaring vormen voor de precaire situatie van de EG-producenten. |
F. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN EEN HERHALING VAN SCHADE
1. Gevolgen van de verwachte stijging van de invoer met dumping
|
(78) |
De Chinese producenten/exporteurs verkochten in het onderzoektijdvak van het oorspronkelijke onderzoek (d.w.z. 1 oktober 1994 tot en met 30 september 1995), 126 miljoen stuks op de EG-markt (waarvan twee vijfde door WWS). In 2001, het onderzoektijdvak van het huidige onderzoek, verkochten zij 5 miljoen stuks die waren aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Daar er een aanzienlijke reservecapaciteit is in de Volksrepubliek China (terwijl de Chinese uitvoer naar derde landen in omvang afneemt) en uit het gedrag van de Chinese producenten/exporteurs steeds blijkt dat zij bereid zijn tegen schadeveroorzakende dumpingprijzen te verkopen om marktaandeel te verkrijgen, zal de schadelijke dumping waarschijnlijk worden voortgezet of herhaald indien de antidumpingmaatregelen vervallen. |
|
(79) |
De EG-markt is de enige markt waar de Chinese producenten/exporteurs hun marktaandeel nog kunnen uitbreiden omdat de overige markten reeds worden voorzien door Chinese producenten of ondernemingen in derde landen die in handen zijn van Chinese producenten. De EG-producenten zijn niet sterk vertegenwoordigd op de meest belangrijke markten buiten de Gemeenschap waar vrijwel uitsluitend ringbandmechanismen worden verkocht uit de Volksrepubliek China of afkomstig van ondernemingen die in handen zijn van Chinese producenten/exporteurs. De prijsdruk door het betrokken product uit de Volksrepubliek China zal waarschijnlijk sterk toenemen indien de thans geldende antidumpingmaatregelen vervallen zoals blijkt uit de analyse in het kader van het anti-absorptieonderzoek. Omdat WWS een groot deel van het voor haar geldende antidumpingrecht (32,5 %) kon absorberen en de overige Chinese ondernemingen, waarvoor een antidumpingrecht van 39,4 % gold, hier ook in slaagden, is het zeer waarschijnlijk dat zij de sterke druk die zij reeds uitoefenen op de prijzen in de Gemeenschap in afwezigheid van antidumpingmaatregelen nog zullen versterken. |
|
(80) |
In de beoordelingsperiode daalde de gemiddelde prijs van ringbandmechanismen die waren aangegeven als van oorsprong uit Thailand met 9 % en de gemiddelde verkoopprijs van een Europese distributeur van als van oorsprong uit Thailand aangegeven ringbandmechanismen bleek ongeveer 12 % lager te zijn dan de gewogen gemiddelde verkoopprijs van de EG-producenten. |
|
(81) |
Wat de invoer uit andere derde landen betreft, moet worden vermeld dat Hongarije sedert 1 mei 2004 deel uitmaakt van de Gemeenschap. De fabrieken in India en Indonesië zijn beide in handen van Chinese producenten/exporteurs. Wanneer de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de Volksrepubliek China vervallen, zal het minder aantrekkelijk worden voor de producenten/exporteurs in India en Indonesië om naar de Gemeenschap uit te voeren, omdat de invoer met dumping rechtstreeks uit de Volksrepubliek China in dat geval waarschijnlijk een sterke stijging zal vertonen. |
|
(82) |
Gezien de reeds precaire situatie van de EG-producenten zal een dergelijke sterke toename van de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China in combinatie met de aanzienlijke prijsonderbieding ongetwijfeld ernstige gevolgen hebben voor de EG-producenten. Gezien de ervaring met antidumping- en antisubsidieonderzoeken die betrekking hebben op ringbandmechanismen, zal het vervallen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de Volksrepubliek China naar alle waarschijnlijkheid leiden tot een verdere en aanmerkelijke verslechtering van de situatie van de EG-producenten. |
2. Conclusie
|
(83) |
Gelet op het voorgaande is het waarschijnlijk dat wanneer de antidumpingmaatregelen vervallen de invoer van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China sterk zal stijgen en de verkoopprijzen sterk zullen dalen. Op de markt voor ringbandmechanismen worden vooral standaardproducten verkocht, zodat vooral op prijs wordt geconcurreerd. |
|
(84) |
Gezien de situatie op de EG-markt is het derhalve waarschijnlijk dat een stijging van de invoer tegen lage dumpingprijzen tot verdere druk zal leiden op de prijzen van de EG-producenten. Dit zal weer leiden tot een verdere achteruitgang van de financiële situatie van deze producenten en zeer waarschijnlijk tot een faillissement en de sluiting van de enige overgebleven fabriek. |
|
(85) |
Wanneer de maatregelen vervallen, zal de voornaamste belemmering voor de Chinese producenten/exporteurs om hun producten tegen dumpingprijzen naar de EG-markt uit te voeren wegvallen. |
|
(86) |
De conclusie is derhalve dat waarschijnlijk weer schade zal ontstaan door invoer met dumping uit de Volksrepubliek China. |
G. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP
1. Inleiding
|
(87) |
Onderzocht werd of er dwingende redenen waren die tot de conclusie leiden dat het niet in het belang is van de Gemeenschap om de bestaande antidumpingmaatregelen te handhaven. Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening werd derhalve aan de hand van het voorgelegde bewijsmateriaal onderzocht welke gevolgen een handhaving of het vervallen van de maatregelen zou hebben voor alle belanghebbenden. |
|
(88) |
Om de gevolgen te beoordelen van een handhaving van de maatregelen werden alle belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun standpunt overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening bekend te maken. Alleen de medewerkende EG-producenten en twee onafhankelijke importeurs hebben de vragenlijst beantwoord. Drie verwerkende bedrijven hebben opmerkingen toegezonden, maar hebben de vragenlijst niet beantwoord en evenmin bewijsmateriaal toegezonden. |
|
(89) |
Volgens artikel 21, lid 7, van de basisverordening worden inlichtingen slechts in aanmerking genomen indien zij met bewijsmateriaal zijn gestaafd. Omdat de verwerkende bedrijven die hadden verklaard dat het niet in het belang was van de Gemeenschap om de antidumpingmaatregelen te handhaven hun verklaring niet met bewijsmateriaal hadden gestaafd, konden hieruit geen conclusies worden getrokken. |
|
(90) |
De eerder ingestelde antidumpingmaatregelen hadden een sterke daling tot gevolg van de invoer van het betrokken product aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China, met name na het aanscherpen van de maatregelen naar aanleiding van de bevindingen inzake absorptie. Dit leidde echter weer tot een sterke stijging van de invoer van ringbandmechanismen uit andere derde landen of die werd aangegeven als van oorsprong uit andere derde landen. |
2. Belangen van de EG-producenten
|
(91) |
De groep waartoe de indieners van het verzoek behoren is de enige EG-producent van ringbandmechanismen met een productie van enige omvang. Zij bevinden zich in een moeilijke situatie door de invoer van goedkope producten die vaak tegen dumpingprijzen worden verkocht of die zijn gesubsidieerd. Na hun faillissement te hebben aangevraagd hebben zij hun onderneming gesaneerd hetgeen echter niet kon voorkomen dat de faillissementsprocedure in het laatste kwartaal van 2003 werd voortgezet. De EG-producenten trachten een gezonde onderneming op te bouwen die de concurrentie met Chinese producenten/exporteurs op de wereldmarkt het hoofd kan bieden. Indien de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit de Volksrepubliek China vervallen, is dit een ernstige aantasting van deze strategie omdat de Chinese producenten/exporteurs in het verleden hebben laten zien dat zij hun prijzen zullen verlagen tot dumpingniveau om marktaandeel te verkrijgen. Omdat de bestaande maatregelen minder doelmatig waren als gevolg van de absorptie van de rechten en door de invoer met dumping of met subsidie uit Indonesië, zouden de huidige saneringsmaatregelen van de EG-producenten bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen niet kunnen worden voortgezet. |
|
(92) |
De EG-producenten hebben een lange traditie maar kunnen waarschijnlijk niet blijven voortbestaan indien de huidige saneringsmaatregelen falen. Robert Krause GmbH & Co. KG vroeg in januari 1998 zijn faillissement aan. De opvolger Krause Ringbuchtechnik GmbH, in het bezit van Wilhelm vom Hoffe Drahtwerke GmbH sedert juni 1998 vroeg in april 2002 zijn faillissement aan. Ringbuchtechnik Produktionsgesellschaft GmbH nam de activa en het personeel van laatstgenoemde over maar zal na de aanvraag voor het inleiden van de faillissementsprocedures de productie waarschijnlijk niet hervatten. SX Bürowaren Produktions- und Handels GmbH zet de traditie van Koloman Handler AG voort. Nog een faillissement zal waarschijnlijk het einde betekenen van de EG-producenten. Wanneer de EG-producenten zullen ophouden met de productie van ringbandmechanismen, dan zal de expertise van meer dan een eeuw verloren gaan en zullen de nog resterende banen verdwijnen. |
|
(93) |
Bij een handhaving van de maatregelen zal de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk in staat zijn zijn marktaandeel te vergroten en de productiekosten omlaag en de winstgevendheid omhoog te brengen. De prijzen zullen waarschijnlijk geen ingrijpende wijzigingen ondergaan, maar het verkoopvolume kan aanmerkelijk stijgen. Door de sanering kan de concurrentiepositie, de productieplanning, de onderhandelingspositie ten aanzien van leveranciers en de verkoopactiviteiten worden verbeterd. Al deze maatregelen zullen bijdragen tot een kostenverlaging. De bedrijfstak van de Gemeenschap is gezond, omdat deze zelfs na een aantal faillissementen nog steeds een aanzienlijk deel van de EG-markt kan voorzien, met name in combinatie met de productie in Hongarije die sinds 1 mei 2004 deel uitmaakt van de EG-productie. |
|
(94) |
SX Bürowaren Produktions- und Handels GmbH heeft Bensons overgenomen, een firma die zich reeds lang bezighoudt met de handel in ringbandmechanismen met ondernemingen in Nederland, Singapore, het Verenigd Koninkrijk en de VS. Hieruit blijkt dat deze EG-producent zijn aandeel op de wereldmarkt wil vergroten en de sanering ernstig neemt. |
|
(95) |
De voornaamste punten die na de mededeling van de bevindingen van het onderzoek naar voren werden gebracht zijn de volgende: in de eerste plaats ontstaat er een risico dat de EG-producent misbruik gaat maken van een dominante positie. De Commissie heeft evenwel geen kennis van een anti-kartelprocedure ten aanzien van de betrokken ondernemingen. |
|
(96) |
In de tweede plaats werd aangevoerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap nu banden heeft met een Chinese exporteur en dat Bensons, de importeur die nu deel uitmaakt van de bedrijfstak van de Gemeenschap, het alleenrecht heeft op de verkoop van producten van WWS, een Chinese exporteur die tevens zeggenschap heeft over de productie in India. |
|
(97) |
Bensons en WWS hebben inderdaad een leveringsovereenkomst ondertekend die aanvankelijk de overdracht inhield van de intellectuele eigendomsrechten van WWS naar Bensons alsmede de overdracht van aandelen van Benson naar WWS. Deze overdrachten hebben echter niet plaatsgevonden. De overeenkomst houdt geen exclusiviteit in tussen Bensons en WWS maar stipuleert dat Bensons prioriteit krijgt en de exclusieve distributeur wordt wanneer een bepaalde leverancier zijn activiteiten staakt. Deze relatie kan derhalve niet worden bevestigd. |
3. Belangen van de importeurs
|
(98) |
De twee enige onafhankelijke importeurs die medewerking verleenden werden in augustus 2002 overgenomen door SX Bürowaren Produktions- und Handels GmbH en hadden dus na het onderzoektijdvak banden met de EG-producenten. In het algemeen wordt geen rekening gehouden met gebeurtenissen na het onderzoektijdvak. Omdat het hier echter om een bijzonder geval gaat, namelijk een belangrijke overname die van blijvende aard is, zou er wel rekening mee moeten worden gehouden. Deze importeurs hebben nu dezelfde belangen als de EG-producenten omdat zij verbonden ondernemingen zijn. |
|
(99) |
Geen enkele andere onafhankelijke importeur verleende medewerking aan het onderzoek. Dit zou erop wijzen dat zij geen aanmerkelijke gevolgen ondervinden van de bestaande maatregelen. |
4. Belangen van de verwerkende bedrijven
|
(100) |
Geen van de verwerkende bedrijven verleende medewerking aan het onderzoek. Dit zou erop wijzen dat zij geen aanmerkelijke gevolgen ondervinden van de maatregelen. Handhaving van antidumpingmaatregelen zal de situatie van deze bedrijven waarschijnlijk niet verslechteren. |
|
(101) |
De productie van een aantal producenten van mappen ging in de beoordelingsperiode achteruit of zij sloten hun productiefaciliteiten in de Gemeenschap. In een aantal gevallen verplaatsten zij hun productiecapaciteit buiten de Gemeenschap, hoofdzakelijk naar Oost-Europese landen, of breidden zij hun productiecapaciteit in deze landen uit. De redenen waren hoofdzakelijk de lage arbeidskosten en de geringe afstand van deze landen tot de EG-markt, in combinatie met het vooruitzicht dat deze landen op 1 mei 2004 lid zouden worden van de Europese Unie. De verwerkende bedrijven konden in de beoordelingsperiode profiteren van de prijsdaling van door de EG-producenten vervaardigde ringbandmechanismen en in die periode werden goedkope ringbandmechanismen vanuit India, Indonesië en Thailand ingevoerd die niet onderworpen waren aan antidumpingrechten. |
|
(102) |
Indien de bedrijfstak van de Gemeenschap zou ophouden te bestaan, zouden de verwerkende bedrijven vrijwel volledig afhankelijk worden van invoer uit de Volksrepubliek China en/of van Chinese dochterondernemingen in andere landen. De Chinese producenten/exporteurs zouden dan hun prijzen op markten buiten de Volksrepubliek China aanzienlijk kunnen verhogen, hetgeen een ernstige bedreiging zou kunnen vormen voor het concurrentievermogen van de verwerkende bedrijven. De EG-producenten hebben geen belang bij een prijsbeleid dat zou bijdragen tot de sluiting van de mappenfabrieken in de Gemeenschap omdat de EG-producenten in een veel zwakkere positie zijn wanneer ze buiten de Gemeenschap moeten concurreren met Chinese producenten/exporteurs en hun dochterondernemingen. |
|
(103) |
Zelfs indien de antidumpingmaatregelen worden gehandhaafd, dan zijn er nog steeds andere aanbieders op de markt. De antidumpingmaatregelen die momenteel van toepassing zijn op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China hebben niet geleid tot een tekort aan ringbandmechanismen op de EG-markt. |
5. Belangen van de toeleveringsbedrijven
|
(104) |
Leveranciers van staaldraad en staalband verkopen een verwaarloosbaar percentage van hun productie aan de EG-producenten van ringbandmechanismen en het resultaat van deze procedure is op hen niet van invloed. Geen van deze bedrijven heeft zich als belanghebbende aangemeld. |
6. Concurrentie en handelsverstorende gevolgen
|
(105) |
Over de gevolgen van het vervallen van de maatregelen voor de concurrentie in de Gemeenschap, moet worden opgemerkt dat er in de gehele wereld slechts een klein aantal producenten van ringbandmechanismen zijn, voornamelijk Chinese producenten of producenten die in handen zijn van de Chinese producenten/exporteurs. Het verdwijnen van de weinige producenten die niet in handen zijn van Chinese ondernemingen zou derhalve negatieve gevolgen hebben voor de concurrentie in de Gemeenschap. |
7. Conclusie
|
(106) |
Gelet op voorgaande feiten en overwegingen, is de conclusie dat er geen dwingende redenen zijn om de thans geldende antidumpingmaatregelen niet te handhaven. |
H. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(107) |
Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de antidumpingmaatregelen op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 119/97, als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2100/2000, moeten worden gehandhaafd overeenkomstig artikel 11, leden 2 en 6, van de basisverordening. |
|
(108) |
Gezien de lange duur van het onderzoek wordt het passend geacht de maatregelen te beperken tot vier jaar, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde ringbandmechanismen, ingedeeld onder GN-code ex 8305 10 00, van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
In deze verordening wordt verstaan onder ringbandmechanismen twee rechthoekige stalen plaatjes of draden met, hierop bevestigd, minstens vier halve ringen van staaldraad die met een stalen dekplaatje samen worden gehouden. Het mechanisme kan worden geopend hetzij door aan de halve ringen te trekken, hetzij door een klein stalen trekkermechanisme te bedienen dat aan het ringbandmechanisme is bevestigd.
2. Het recht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens-Gemeenschap, vóór inklaring, is als volgt:
|
a) |
voor mechanismen met 17 en 23 ringen (TARIC-codes 8305100021, 8305100022 en 8305100029), is het recht gelijk aan het verschil tussen de minimuminvoerprijs van 325 EUR per 1 000 stuks en de nettoprijs franco grens-Gemeenschap, vóór inklaring, indien deze lager is; |
|
b) |
voor andere mechanismen dan die met 17 of 23 ringen (TARIC-codes 8305100011, 8305100012 en 8305100019)
|
||||||||||||||||
Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Het antidumpingrecht wordt ingesteld voor een periode van vier jaar met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 november 2004.
Voor de Raad
De voorzitter
L. J. BRINKHORST
(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 (PB L 77 van 13.3.2004, blz. 12).
(2) PB L 22 van 24.1.1997, blz. 1.
(3) PB L 250 van 5.10.2000, blz. 1.
(4) PB L 150 van 8.6.2002, blz. 1 en blz. 17.
(5) PB L 232 van 1.7.2004, blz. 1.
(6) PB L 127 van 29.4.2004, blz. 67.
(7) PB C 122 van 25.4.2001, blz. 2.
(8) PB C 21 van 24.1.2002, blz. 25.
(9) De gegevens worden in indexvorm (1998=100) of binnen een bepaalde bandbreedte weergegeven wanneer ze van vertrouwelijke aard zijn.