|
28.12.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 381/52 |
BESCHIKKING VAN DE RAAD
van 2 december 2004
tot instelling van het Europees Vluchtelingenfonds voor de periode 2005-2010
(2004/904/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 63, lid 2, onder b),
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Een gemeenschappelijk asielbeleid, dat een gemeenschappelijk Europees asielstelsel omvat, is een wezenlijk aspect van de doelstelling van de Europese Unie om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen die openstaat voor diegenen die onder druk van de omstandigheden op wettige wijze bescherming in de Europese Unie trachten te verkrijgen. |
|
(2) |
De uitvoering van een dergelijk beleid moet berusten op solidariteit tussen de lidstaten en veronderstelt het bestaan van mechanismen die een evenwicht bevorderen tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van vluchtelingen en ontheemden. Daartoe is voor de periode 2000-2004 bij Beschikking 2000/596/EG (3) het Europees Vluchtelingenfonds ingesteld. |
|
(3) |
Er dient een Europees Vluchtelingenfonds (hierna het „Fonds” genoemd) voor de periode 2005-2010 te worden ingesteld met het oog op de onverminderde solidariteit van de lidstaten, in het licht van de recentelijk aangenomen communautaire wetgeving op asielgebied en rekening houdend met de ervaring die is opgedaan met de tenuitvoerlegging van de eerste fase van het Fonds in de periode 2000-2004. |
|
(4) |
De door de lidstaten geleverde inspanningen om vluchtelingen en ontheemden passende opvang te bieden en billijke en doeltreffende asielprocedures toe te passen, moeten worden gesteund, teneinde de rechten van hen die internationale bescherming behoeven te beschermen. |
|
(5) |
De integratie van vluchtelingen in de samenleving van het land waarin zij zijn gevestigd, is een van de doelstellingen van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, dat is aangevuld met het Protocol van New York van 31 januari 1967. Voor deze personen moeten ook de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen waarden gelden. Met het oog daarop dienen maatregelen van de lidstaten waarmee hun sociale, economische en culturele integratie wordt bevorderd te worden gesteund, daar die integratie bijdraagt tot de economische en sociale samenhang, waarvan de handhaving en de versterking in artikel 2 en in artikel 3, lid 1, onder k), van het Verdrag als een van de fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap worden genoemd. |
|
(6) |
Het is in het belang van zowel de lidstaten als de betrokkenen dat de vluchtelingen en de ontheemden die worden toegelaten om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, de mogelijkheid hebben door arbeid in hun behoeften te voorzien, overeenkomstig de bepalingen van de desbetreffende communautaire instrumenten. |
|
(7) |
De maatregelen die door de structuurfondsen worden gesteund, evenals de andere communautaire maatregelen op het gebied van onderwijs en beroepsopleiding, zijn op zich niet toereikend om deze integratie te bevorderen en daarom is het dienstig steun te geven aan specifieke maatregelen om vluchtelingen en ontheemden in staat te stellen ten volle profijt te trekken van de georganiseerde programma's. |
|
(8) |
Concrete hulp is nodig om omstandigheden te scheppen of te verbeteren die de vluchtelingen en ontheemden in staat stellen met kennis van zaken te besluiten om het grondgebied van de lidstaten te verlaten en naar hun land van herkomst terug te keren, indien zij zulks wensen. |
|
(9) |
Maatregelen waarbij instanties van twee of meer lidstaten betrokken zijn en maatregelen van communautair belang op dit gebied dienen in aanmerking te komen voor ondersteuning door het Fonds en uitwisseling tussen de lidstaten dient te worden bevorderd om vast te stellen wat de doeltreffendste methoden zijn en deze te stimuleren. |
|
(10) |
Voor de uitvoering van noodmaatregelen in verband met het bieden van tijdelijke bescherming in geval van een massale toestroom van vluchtelingen dient een financiële reserve te worden aangelegd overeenkomstig Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (4). |
|
(11) |
Om de financiële solidariteit op doeltreffende en evenredige wijze gestalte te geven en rekening te houden met de ervaring die is opgedaan bij de uitvoering van het Fonds in de periode 2000-2004, moeten de respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten voor de uitvoering en het beheer van het Fonds worden vastgesteld. De lidstaten moeten passende nationale instanties aanwijzen, wier taken moeten worden omschreven. |
|
(12) |
De steun uit het Fonds zal doeltreffender en gerichter zijn indien de medefinanciering van de subsidiabele maatregelen gebaseerd wordt op twee meerjarenprogrammeringen en een jaarlijks werkprogramma die door elke lidstaat worden opgesteld op grond van de situatie waarin hij verkeert en de geconstateerde behoeften. |
|
(13) |
Het is billijk de middelen te verdelen naar evenredigheid van de last die elke lidstaat te dragen heeft als gevolg van de inspanningen die hij zich getroost om vluchtelingen en ontheemden op te vangen, met inbegrip van vluchtelingen die internationale bescherming genieten in het kader van nationale programma's. |
|
(14) |
De voor de uitvoering van deze beschikking vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5). |
|
(15) |
Een van de waarborgen voor de doeltreffendheid van de door het Fonds gesteunde maatregelen is een doelmatige follow-up. Het is nodig de voorwaarden vast te stellen waaronder deze follow-up plaatsvindt. |
|
(16) |
Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van financiële controle, dient op dit gebied samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie tot stand te worden gebracht. |
|
(17) |
De lidstaten dienen voldoende waarborgen te bieden ten aanzien van de voorschriften betreffende alsmede de kwaliteit van de uitvoering. Het is nodig de verantwoordelijkheid van de lidstaten ten aanzien van de vervolging en correctie van onregelmatigheden en inbreuken, en die van de Commissie in geval van tekortschieten van de lidstaten vast te stellen. |
|
(18) |
De doelmatigheid en het effect van de door het Fonds gesteunde maatregelen hangen tevens af van de evaluatie daarvan. Dienaangaande dienen de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de Commissie, alsmede regelingen die de betrouwbaarheid van de evaluatie waarborgen, duidelijk te worden omschreven. |
|
(19) |
De maatregelen dienen te worden geëvalueerd met het oog op de tussentijdse herziening en de beoordeling van hun effect en het evaluatieproces dient in de follow-up van de maatregelen te worden geïntegreerd. |
|
(20) |
Aangezien de doelstelling van deze beschikking, namelijk het bevorderen van een evenwicht tussen de inspanningen van de lidstaten voor de opvang van vluchtelingen en ontheemden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze beschikking niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. |
|
(21) |
Overeenkomstig artikel 3 van het protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft het Verenigd Koninkrijk kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze beschikking. |
|
(22) |
Overeenkomstig artikel 3 van het protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, heeft Ierland kennis gegeven van zijn wens deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze beschikking. |
|
(23) |
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze beschikking die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKKING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
DOELSTELLINGEN EN TAKEN
Artikel 1
Instelling en doelstellingen
1. Bij deze beschikking wordt voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2010 het Europees Vluchtelingenfonds (hierna „het Fonds” genoemd) ingesteld.
2. Het Fonds is bestemd om, rekening houdend met de communautaire wetgeving terzake, de inspanningen van de lidstaten voor de opvang van vluchtelingen en ontheemden te steunen en aan te moedigen en de gevolgen van de opvang te dragen door medefinanciering van de in deze beschikking bedoelde acties.
Artikel 2
Financiële bepalingen
1. Het financiële referentiebedrag voor de uitvoering van het Fonds van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 bedraagt 114 miljoen EUR.
2. De jaarlijkse kredieten van het Fonds worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.
Artikel 3
Doelgroepen van de maatregelen
Voor de doeleinden van deze beschikking bestaan de doelgroepen uit onderstaande categorieën:
|
1. |
onderdanen van een derde land of staatlozen die de in het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en het bijbehorende Protocol van 1967 omschreven status bezitten en aan wie het is toegestaan als vluchteling in een van de lidstaten te verblijven; |
|
2. |
onderdanen van een derde land of staatlozen die een vorm van subsidiaire bescherming genieten in de zin van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 van de Raad inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van de verleende bescherming (6); |
|
3. |
onderdanen van een derde land of staatlozen die een verzoek om een van de in de punten 1 en 2 bedoelde vormen van bescherming hebben ingediend; |
|
4. |
onderdanen van een derde land of staatlozen die onder een regeling inzake tijdelijke bescherming in de zin van Richtlijn 2001/55/EG vallen. |
Artikel 4
Maatregelen
1. Het Fonds ondersteunt in de lidstaten uitgevoerde maatregelen met betrekking tot een of meer van de onderstaande punten:
|
a) |
de voorwaarden voor opvang en de asielprocedures; |
|
b) |
de integratie van de in artikel 3 bedoelde personen wier verblijf in de betrokken lidstaat een duurzaam en stabiel karakter draagt; |
|
c) |
de vrijwillige terugkeer van de in artikel 3 bedoelde personen, mits deze personen geen nieuwe nationaliteit hebben verworven en het grondgebied van de lidstaat niet hebben verlaten. |
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen dienen voornamelijk te bevorderen dat de bepalingen van de bestaande en toekomstige communautaire wetgeving op het gebied van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel worden uitgevoerd.
3. Deze acties houden rekening met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen, alleenstaande minderjarigen, personen met een handicap, ouderen, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die folteringen hebben ondergaan, zijn verkracht of aan andere ernstige vormen van psychologisch, fysiek of seksueel geweld zijn blootgesteld.
Artikel 5
Subsidiabele nationale maatregelen op het gebied van opvangvoorzieningen en asielprocedures
Maatregelen op het gebied van opvangvoorzieningen en asielprocedures, en in het bijzonder de volgende, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds:
|
a) |
infrastructuur of diensten in verband met huisvesting; |
|
b) |
materiële steun en medische en psychologische zorg; |
|
c) |
sociale bijstand, voorlichting of hulp bij administratieve formaliteiten; |
|
d) |
rechtsbijstand en taalkundige bijstand; |
|
e) |
onderwijs, taalonderricht en andere initiatieven die aansluiten bij de status van de persoon; |
|
f) |
het verlenen van ondersteunende diensten, zoals vertaling en opleiding, ter verbetering van de opvangvoorzieningen en de doeltreffendheid en de kwaliteit van de asielprocedures; |
|
g) |
informatie voor de lokale gemeenschappen die te maken krijgen met degenen die in het land van ontvangst worden opgevangen. |
Artikel 6
Subsidiabele nationale maatregelen op het gebied van integratie
Maatregelen om de in artikel 4, lid 1, onder b), bedoelde personen en hun gezinnen in de samenleving van de lidstaat te integreren, en in het bijzonder de volgende, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds:
|
a) |
advies en bijstand op gebieden als huisvesting, bestaansmiddelen, integratie in de arbeidsmarkt, en medische, psychologische en sociale zorg; |
|
b) |
maatregelen die de begunstigden in staat stellen zich op sociaal-cultureel vlak aan te passen aan de samenleving van de lidstaat en de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde waarden te onderschrijven; |
|
c) |
maatregelen die moeten bevorderen dat de begunstigden duurzaam deelnemen en blijven deelnemen aan het maatschappelijke en culturele leven; |
|
d) |
maatregelen die gericht zijn op onderwijs, beroepsopleiding, erkenning van kwalificaties en diploma's; |
|
e) |
maatregelen om de zelfredzaamheid te bevorderen en om deze personen in staat te stellen zelf in hun onderhoud te voorzien; |
|
f) |
maatregelen ter bevordering van verrijkende contacten en een constructieve dialoog tussen deze personen en de samenleving waarin zij worden opgenomen, inclusief acties die bevorderen dat daarbij belangrijke partners worden betrokken, zoals het grote publiek, plaatselijke autoriteiten, vluchtelingenorganisaties, vrijwilligersgroepen, sociale partners en de ruimere civiele samenleving; |
|
g) |
maatregelen om deze personen te ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden, waaronder taallessen; |
|
h) |
maatregelen ter bevordering van gelijke toegang en gelijke behandeling bij de contacten van deze personen met overheidsinstellingen. |
Artikel 7
Subsidiabele nationale maatregelen op het gebied van vrijwillige terugkeer
Maatregelen op het gebied van vrijwillige terugkeer, en in het bijzonder de volgende, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds:
|
a) |
voorlichting en advies over initiatieven of programma's op het gebied van vrijwillige terugkeer; |
|
b) |
voorlichting over de situatie in de landen of regio's van herkomst of de voormalige gewone verblijfplaats; |
|
c) |
algemene of beroepsopleiding en steun bij herintegratie; |
|
d) |
maatregelen van in de Europese Unie gevestigde herkomstgemeenschappen die de vrijwillige terugkeer van de in deze beschikking bedoelde personen vergemakkelijken; |
|
e) |
maatregelen ter vergemakkelijking van het opzetten en uitvoeren van nationale programma's voor vrijwillige terugkeer. |
Artikel 8
Communautaire maatregelen
1. In aanvulling op de projecten zoals bedoeld in de artikelen 5, 6 en 7 kan, op initiatief van de Commissie, maximaal 7 % van de voor het Fonds beschikbare middelen worden gebruikt ter financiering van transnationale maatregelen of maatregelen van communautair belang met betrekking tot het asielbeleid en maatregelen, zoals bedoeld in lid 2, ten aanzien van vluchtelingen en ontheemden.
2. Subsidiabele communautaire maatregelen hebben voornamelijk betrekking op:
|
a) |
bevordering van de communautaire samenwerking bij de uitvoering van communautaire wetgeving en goede praktijken; |
|
b) |
steun voor het opzetten van transnationale samenwerkingsnetwerken en op transnationale partnerschappen gebaseerde proefprojecten tussen instanties in twee of meer lidstaten, die bedoeld zijn om innovatie te stimuleren, de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken te vergemakkelijken en de kwaliteit van het asielbeleid te verbeteren; |
|
c) |
steun voor transnationale bewustmakingscampagnes betreffende het Europese asielbeleid en de situatie en omstandigheden waarin de in artikel 3 bedoelde personen verkeren; |
|
d) |
steun voor de verspreiding en uitwisseling van gegevens, onder meer door gebruik van ICT, over beste praktijken en alle andere aspecten van het Fonds. |
3. Het jaarlijkse werkprogramma waarin de prioriteiten voor communautaire acties zijn vastgelegd, wordt aangenomen volgens de procedure van artikel 11, lid 2.
Artikel 9
Noodmaatregelen
1. Bij de toepassing van tijdelijke beschermingsmechanismen in de zin van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad kunnen uit het Fonds, als aanvulling op de in artikel 4 bedoelde maatregelen, noodmaatregelen ten gunste van de lidstaten worden gefinancierd.
2. Subsidiabele noodmaatregelen hebben betrekking op de volgende soorten acties:
|
a) |
opvang en huisvesting; |
|
b) |
het verstrekken van middelen van bestaan, met inbegrip van voedsel en kleding; |
|
c) |
medische, psychologische of andere bijstand; |
|
d) |
personeels- en administratiekosten in verband met de opvang van de betrokkenen en de uitvoering van de maatregelen; |
|
e) |
logistieke en vervoersuitgaven. |
HOOFDSTUK II
UITVOERING EN BEHEER
Artikel 10
Uitvoering
De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze beschikking en stelt de nodige uitvoeringsbepalingen vast.
Artikel 11
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.
De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.
4. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
Artikel 12
Respectieve verantwoordelijkheden van de Commissie en de lidstaten
1. De Commissie:
|
a) |
stelt volgens de procedure van artikel 11, lid 2, richtsnoeren vast voor de prioriteiten van de in artikel 15 bedoelde meerjarenprogramma's en stelt de lidstaten in kennis van de indicatieve financiële toewijzingen voor het Fonds; |
|
b) |
ziet er in het kader van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie op toe dat de lidstaten over passende, goed functionerende beheers- en controlesystemen beschikken zodat de communautaire middelen op correcte en doeltreffende wijze worden gebruikt. Deze maatregelen omvatten voorafgaande documentencontroles en controles ter plaatse van de procedures voor de uitvoering van deze beschikking, de controlesystemen, de boekhoudsystemen en de door de verantwoordelijke instanties gevolgde procedures voor het plaatsen van opdrachten en het toekennen van subsidies. Bij ingrijpende wijzigingen in de procedures of systemen verricht de Commissie een nieuw onderzoek; |
|
c) |
zorgt voor de uitvoering van de in artikel 8 bedoelde communautaire maatregelen. |
2. De lidstaten:
|
a) |
zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de nationale maatregelen waarvoor steun uit het Fonds wordt ontvangen; |
|
b) |
nemen de nodige maatregelen voor een doeltreffende werking van het Fonds op nationaal niveau en betrekken daarbij alle partijen die met het asielbeleid te maken hebben, overeenkomstig de nationale praktijken; |
|
c) |
wijzen een verantwoordelijke autoriteit aan voor het beheer van de door het Fonds gesteunde nationale projecten overeenkomstig de toepasselijke communautaire wetgeving en het beginsel van goed financieel beheer; |
|
d) |
zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor de financiële controle van de maatregelen en zien erop toe dat de beheers- en controlesystemen zodanig worden toegepast dat een correct en doeltreffend gebruik van de communautaire middelen wordt gegarandeerd. Zij verstrekken de Commissie een beschrijving van deze systemen; |
|
e) |
verklaren dat de bij de Commissie ingediende uitgavendeclaraties accuraat zijn en zien erop toe dat hieraan op controleerbare bewijsstukken gebaseerde boekhoudsystemen ten grondslag liggen; |
|
f) |
werken met de Commissie samen bij het verzamelen van de statistische gegevens die nodig zijn voor de toepassing van artikel 17. |
3. In samenwerking met de lidstaten is de Commissie verantwoordelijk voor:
|
a) |
de verspreiding van de resultaten van de acties die in de fase 2000-2004 van het Fonds zijn uitgevoerd en van die welke in de fase 2005-2010 zullen worden uitgevoerd; |
|
b) |
passende voorlichting en publiciteit over en follow-up van de door het Fonds gesteunde acties; |
|
c) |
de samenhang en complementariteit van de acties met andere relevante communautaire beleidsterreinen, instrumenten en initiatieven. |
Artikel 13
Verantwoordelijke autoriteiten
1. Elke lidstaat wijst een verantwoordelijke autoriteit aan, die de enige gesprekspartner van de Commissie zal zijn. De autoriteit is een functioneel orgaan van de lidstaat of een nationale overheidsinstantie. Deze verantwoordelijke autoriteit kan haar uitvoerende taken geheel of gedeeltelijk delegeren aan een andere overheidsinstantie of een privaatrechtelijke entiteit met een openbaredienstverleningstaak. Indien de lidstaat een andere verantwoordelijke autoriteit dan zichzelf aanwijst, stelt hij alle regelingen vast voor zijn betrekkingen met deze autoriteit en voor de betrekkingen van de autoriteit met de Commissie.
2. Het als verantwoordelijke autoriteit aangewezen orgaan of elke instantie waaraan de autoriteit taken heeft voorgedragen, moet aan de volgende minimumvoorwaarden voldoen:
|
a) |
rechtspersoonlijkheid hebben, behalve wanneer het gaat om een functioneel orgaan van de lidstaat; |
|
b) |
beschikken over financiële en beheerscapaciteiten die in verhouding staan tot de omvang van de door haar te beheren communautaire middelen en waarmee zij zich naar behoren van haar taken kan kwijten, conform de regels die van toepassing zijn op het beheer van fondsen van de Europese Unie. |
3. De verantwoordelijke autoriteiten vervullen onder meer de volgende taken:
|
a) |
de relevante partners raadplegen bij de opstelling van het meerjarenprogramma; |
|
b) |
aanbestedingen en oproepen tot het indienen van voorstellen organiseren en publiceren; |
|
c) |
procedures voor selectie voor en toekenning van medefinanciering uit het Fonds instellen, met inachtneming van het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, en alle maatregelen nemen om eventuele belangenconflicten te vermijden; |
|
d) |
zorgen voor samenhang en complementariteit tussen de medefinanciering uit het Fonds en die in het kader van andere relevante nationale en communautaire financiële instrumenten; |
|
e) |
zorgen voor het administratief, contractueel en financieel beheer van de maatregelen; |
|
f) |
voorlichting en advies geven, en de resultaten verspreiden; |
|
g) |
zorgen voor monitoring en evaluatie; |
|
h) |
samenwerken en contact onderhouden met de Commissie en de verantwoordelijke instanties van de andere lidstaten. |
4. De lidstaat verstrekt de verantwoordelijke autoriteit of de instantie waaraan de autoriteit taken heeft overgedragen, toereikende middelen, zodat zij haar taken naar behoren kan blijven uitvoeren gedurende de gehele periode waarin door het Fonds gefinancierde acties worden uitgevoerd. De uitvoeringsactiviteiten kunnen worden gefinancierd in het kader van de in artikel 18 bedoelde regelingen voor technische en administratieve bijstand.
5. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 11, lid 2, de regels met betrekking tot de beheers- en controlesystemen van de lidstaten vast, met inbegrip van de regels voor het administratieve en financiële beheer van de nationale projecten die medefinanciering uit het Fonds ontvangen.
Artikel 14
Selectiecriteria
De verantwoordelijke autoriteit selecteert projecten aan de hand van de volgende criteria:
|
a) |
de situatie en de behoeften in de lidstaat; |
|
b) |
de kosteneffectiviteit van de uitgaven in verhouding tot het aantal mensen dat bij het project is betrokken; |
|
c) |
de ervaring, deskundigheid, betrouwbaarheid en financiële bijdrage van de organisatie die financiering aanvraagt en van eventuele partnerorganisaties; |
|
d) |
de mate waarin de projecten een aanvulling vormen op andere acties die uit de algemene begroting van de Europese Unie of in het kader van nationale programma's worden gefinancierd. |
HOOFDSTUK III
PROGRAMMERING
Artikel 15
Meerjarenprogramma's
1. De maatregelen in de lidstaten worden op basis van twee meerjarenprogramma's uitgevoerd die elk drie jaar duren (2005-2007 en 2008-2010).
2. Op basis van de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde richtsnoeren betreffende de prioriteiten van de meerjarenprogramma's en de indicatieve financiële toewijzingen van de Commissie stelt elke lidstaat voor elke periode van drie jaar een ontwerp-meerjarenprogramma op met daarin:
|
a) |
een beschrijving van de actuele situatie in de lidstaat met betrekking tot regelingen in verband met opvang, asielprocedures, integratie en vrijwillige terugkeer voor de in artikel 3 bedoelde personen; |
|
b) |
een analyse van de behoeften van de betrokken lidstaat op het gebied van opvang, asielprocedures, integratie en vrijwillige terugkeer, alsmede een indicatie van de operationele doelstellingen om in de loop van de programmeringsperiode in deze behoeften te voorzien; |
|
c) |
een beschrijving van een geschikte strategie om deze doelstellingen te verwezenlijken en de prioriteit die daaraan moet worden toegekend, rekening houdend met de resultaten van de in artikel 13, lid 3, onder a), bedoelde raadpleging van de partners, alsmede een beknopte beschrijving van de geplande maatregelen om de prioriteiten uit te voeren; |
|
d) |
een overzicht waaruit blijkt dat deze strategie strookt met de overige regionale, nationale en communautaire instrumenten; |
|
e) |
een indicatief financieringsplan waarin per doelstelling en per jaar de geplande financiële bijdrage van het Fonds staat vermeld, alsmede het totaalbedrag van de publieke of particuliere medefinanciering. |
3. Uiterlijk vier maanden nadat de Commissie de richtsnoeren en de indicatieve financiële toewijzingen voor de betrokken periode heeft meegedeeld, dienen de lidstaten hun ontwerp-meerjarenprogramma bij haar in.
4. Uiterlijk drie maanden na ontvangst van de ontwerp-meerjarenprogramma's keurt de Commissie deze overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde procedure goed in het licht van de aanbevelingen in de richtsnoeren die in overeenstemming met artikel 12, lid 1, onder a), zijn aangenomen.
Artikel 16
Jaarprogramma's
1. De door de Commissie goedgekeurde meerjarenprogramma's worden uitgevoerd door middel van jaarlijkse werkprogramma's.
2. De Commissie verschaft de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 1 juli een raming van de bedragen die hun voor het volgende jaar worden toegekend uit de totale kredieten die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure aan het Fonds worden toegewezen, waarbij de in artikel 17 beschreven verdeelsleutel wordt toegepast.
3. De lidstaten dienen jaarlijks uiterlijk op 1 november bij de Commissie een voorstel voor een jaarprogramma voor het volgende jaar in. Dit jaarprogramma wordt opgesteld overeenkomstig het goedgekeurde meerjarenprogramma en omvat:
|
a) |
de algemene selectievoorwaarden voor de projecten die worden gefinancierd in het kader van het jaarprogramma indien zij verschillen van de uitvoeringsmaatregelen van het meerjarenprogramma; |
|
b) |
een beschrijving van de taken waarmee de verantwoordelijke autoriteit bij de uitvoering van het jaarprogramma is belast; |
|
c) |
de geplande verdeling van de bijdrage van het Fonds over de verschillende maatregelen in het kader van het programma, alsmede het gevraagde bedrag voor de in artikel 18 bedoelde technische en administratieve bijstand voor de uitvoering van het jaarprogramma. |
4. De Commissie onderzoekt het voorstel van de lidstaat, waarbij rekening wordt gehouden met het definitieve bedrag dat in het kader van de begrotingsprocedure aan het Fonds is toegekend, en neemt uiterlijk op 1 maart van het betreffende jaar een besluit over de medefinanciering door het Fonds. In dat besluit wordt vermeld welk bedrag aan de lidstaat wordt toegewezen en gedurende welke periode de uitgaven subsidiabel zijn.
5. In geval van ingrijpende wijzigingen met gevolgen voor de uitvoering van het jaarprogramma, waardoor tussen acties een overdracht van middelen plaatsvindt voor meer dan 10 % van het totale bedrag dat voor dat jaar aan een lidstaat is toegekend, legt de lidstaat uiterlijk bij de indiening van het in artikel 23, lid 3, bedoelde voortgangsverslag een herzien jaarprogramma ter goedkeuring voor aan de Commissie.
Artikel 17
Jaarlijkse verdeling van de middelen voor de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten
1. Iedere lidstaat ontvangt 300 000 EUR van de jaarlijkse toewijzing aan het Fonds. Conform de nieuwe financiële vooruitzichten beloopt dit bedrag voor 2005, 2006 en 2007 500 000 EUR per jaar voor de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie toetraden.
2. De resterende beschikbare middelen worden jaarlijks naar evenredigheid als volgt onder de lidstaten verdeeld:
|
a) |
30 % van deze middelen: naar verhouding van het aantal personen in één van de categorieën van artikel 3, punten 1 en 2, dat in de loop van de drie voorgaande jaren is toegelaten; |
|
b) |
70 % van deze middelen: naar verhouding van het aantal personen bedoeld in artikel 3, punten 3 en 4, dat in de loop van de drie voorgaande jaren een lidstaat is binnengekomen. |
3. De referentiecijfers zijn de meest recente statistieken die het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen heeft verstrekt overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake het verzamelen en analyseren van statistische gegevens op het gebied van asiel.
Artikel 18
Technische en administratieve bijstand
Een deel van de jaarlijkse medefinanciering die aan een lidstaat wordt toegekend, kan worden gereserveerd voor uitgaven in verband met technische en administratieve bijstand bij de voorbereiding, de controle en de evaluatie van de maatregelen.
Het bedrag dat per jaar wordt uitgetrokken voor technische en administratieve bijstand mag niet hoger zijn dan 7 % van de aan de lidstaat toegekende jaarlijkse medefinanciering, vermeerderd met 30 000 EUR.
Artikel 19
Bijzondere bepalingen betreffende noodmaatregelen
1. De lidstaten dienen bij de Commissie een overzicht in van de behoeften en een plan voor de uitvoering van de in artikel 9 bedoelde noodmaatregelen, met een beschrijving van de geplande maatregelen en van de organisaties die zijn belast met de uitvoering daarvan.
2. De financiële steun uit het Fonds voor de in artikel 9 bedoelde noodmaatregelen kan ten hoogste gedurende zes maanden worden verleend en niet meer bedragen dan 80 % van de kosten van de maatregel.
3. De beschikbare middelen worden tussen de lidstaten verdeeld naar verhouding van het aantal personen dat in elke lidstaat de in artikel 9, lid 1, bedoelde tijdelijke bescherming geniet.
4. Artikel 20, leden 1 en 2, artikel 21 en de artikelen 23 tot en met 26 zijn van toepassing.
HOOFDSTUK IV
FINANCIEEL BEHEER EN FINANCIËLE CONTROLE
Artikel 20
Financieringsstructuur
1. De financiële bijdrage van het Fonds wordt verstrekt in de vorm van niet-terugvorderbare subsidies.
2. De maatregelen die door het Fonds worden gesteund, worden medegefinancierd door publieke of particuliere bronnen, hebben geen winstoogmerk en komen niet in aanmerking voor financiering uit andere bronnen ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie.
3. De kredieten van het Fonds dienen ter aanvulling van de overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen uitgaven van de lidstaten voor de maatregelen en activiteiten waarop deze beschikking betrekking heeft.
4. De communautaire bijdrage aan de projecten bedraagt ten hoogste:
|
a) |
voor de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten: 50 % van de totale kosten van een maatregel. Dit percentage kan oplopen tot 60 % voor bijzonder vernieuwende maatregelen, zoals maatregelen via transnationale partnerschappen of maatregelen met actieve deelname van de in artikel 3 bedoelde personen of van door deze doelgroepen opgerichte organisaties, en tot 75 % voor maatregelen in de lidstaten die steun uit het Cohesiefonds ontvangen; |
|
b) |
voor uitnodigingen tot het indienen van voorstellen in het kader van de in artikel 8 bedoelde communautaire maatregelen: 80 % van de totale kosten van een maatregel. |
5. De financiële steun van de Gemeenschap voor projecten in het kader van het Fonds wordt in de regel voor ten hoogste drie jaar toegekend, onder voorbehoud van een periodieke controle van de voortgang.
Artikel 21
Subsidiabiliteit
1. De uitgaven moeten overeenkomen met betalingen die zijn verricht door de eindbegunstigde van de subsidie en moeten worden gestaafd met facturen die zijn voldaan of met vergelijkbare boekhoudkundige stukken.
2. Alleen uitgaven die zijn verricht op of na 1 januari van het jaar waarop het in artikel 16, lid 4 bedoelde medefinancieringsbesluit van de Commissie betrekking heeft, komen in aanmerking voor steun uit het Fonds.
3. De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 3, de regels vast voor de subsidiabiliteit van de uitgaven in het kader van de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten die worden medegefinancierd door het Fonds.
Artikel 22
Vastleggingskredieten
De communautaire kredieten worden jaarlijks vastgelegd op basis van het in artikel 16, lid 4, bedoelde medefinancieringsbesluit van de Commissie.
Artikel 23
Betaling
1. De Commissie betaalt de bijdragen uit het Fonds aan de verantwoordelijke autoriteit overeenkomstig de vastleggingen.
2. Van het bedrag dat in het jaarlijkse besluit van de Commissie over de medefinanciering uit het Fonds aan de lidstaat wordt toegekend, wordt 50 % binnen 60 dagen na de goedkeuring van dit medefinancieringsbesluit aan de lidstaat uitbetaald als eerste voorschot.
3. Een tweede voorschot wordt uitbetaald uiterlijk drie maanden nadat de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan een voortgangsverslag over de uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma, alsmede aan een uitgavendeclaratie die betrekking heeft op minstens 70 % van het bedrag van het eerste voorschot. Het tweede voorschot bedraagt ten hoogste 50 % van het in het medefinancieringsbesluit toegewezen totaalbedrag, of, in ieder geval, het verschil tussen het bedrag aan communautaire middelen dat daadwerkelijk door de lidstaat is vastgelegd voor in het kader van het jaarprogramma geselecteerde maatregelen en het bedrag van het eerste voorschot.
4. Uiterlijk drie maanden nadat de Commissie haar goedkeuring heeft gehecht aan het eindverslag en aan de definitieve uitgavendeclaratie van het jaarprogramma zoals bedoeld in artikel 24, lid 3, en artikel 28, lid 2, wordt het saldo uitbetaald of wordt er een verzoek ingediend tot terugbetaling van de in het kader van het eerste of tweede voorschot uitbetaalde bedragen die de voor het Fonds goedgekeurde uitgaven overschrijden.
Artikel 24
Declaraties
1. Voor alle uitgaven die zij bij de Commissie declareert, waarborgt de verantwoordelijke autoriteit dat de nationale uitvoeringsprogramma's worden beheerd overeenkomstig de toepasselijke communautaire regelgeving en dat de middelen worden gebruikt in overeenstemming met de beginselen van goed financieel beheer.
2. De uitgavendeclaraties worden gecertificeerd door een persoon of dienst die functioneel onafhankelijk is van de diensten die bij de verantwoordelijke instantie de uitgaven fiatteert.
3. Binnen negen maanden na de in het medefinancieringsbesluit vastgestelde uiterste datum voor de uitvoering van de uitgaven, dient de verantwoordelijke autoriteit een definitieve uitgavendeclaratie in bij de Commissie. Indien deze declaratie niet binnen deze termijn bij de Commissie is ingediend, wordt het jaarprogramma automatisch door de Commissie afgesloten en worden de kredieten voor het programma geannuleerd.
Artikel 25
Controles en financiële correcties van de lidstaten
1. Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen dragen in eerste instantie de lidstaten de verantwoordelijkheid voor de financiële controle van de maatregelen. Daartoe nemen zij met name de volgende maatregelen:
|
a) |
zij voeren steekproefsgewijs controles uit, waarbij de gecontroleerde maatregelen ten minste 10 % van de totale subsidiabele uitgaven van de jaarlijkse werkprogramma's bestrijken en betrekking hebben op een representatieve steekproef van de goedgekeurde maatregelen. De lidstaten waarborgen een passende scheiding tussen deze controles en de uitvoerings- of betalingsprocedures betreffende de maatregelen; |
|
b) |
zij doen het nodige om onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en recht te zetten; zij stellen de Commissie overeenkomstig de voorschriften in kennis van onregelmatigheden en houden haar op de hoogte van het verloop van de administratieve en gerechtelijke stappen; |
|
c) |
zij werken samen met de Commissie om ervoor te zorgen dat de middelen van de Gemeenschap overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer worden gebruikt. |
2. De lidstaten voeren de financiële correcties uit die nodig zijn in verband met geconstateerde onregelmatigheden, waarbij rekening wordt gehouden met het incidentele, dan wel structurele karakter ervan. Deze financiële correcties van de lidstaten bestaan uit het geheel of gedeeltelijk intrekken van de communautaire bijdrage. Indien de terugbetaling niet plaatsvindt binnen de daarvoor door de lidstaat gestelde termijn, is achterstandsrente verschuldigd tegen de in artikel 26, lid 4, bedoelde rentevoet.
3. De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 3, de regels en procedures vast voor de financiële correcties van de lidstaten in het kader van de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde projecten in de lidstaten die worden medegefinancierd door het Fonds.
Artikel 26
Controles en financiële correcties van de Commissie
1. Onverminderd de bevoegdheden van de Rekenkamer en de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, mogen ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie de uit het Fonds gefinancierde maatregelen en de beheers- en controlesystemen ter plaatse controleren, bijvoorbeeld door middel van steekproeven. Deze controles moeten ten minste drie werkdagen van tevoren worden aangekondigd. De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van de controle teneinde de nodige medewerking te verkrijgen. Ambtenaren of andere personeelsleden van de lidstaat mogen aan deze controles deelnemen.
De Commissie kan de betrokken lidstaat verzoeken een controle ter plaatse uit te voeren om de regelmatigheid van een of meer transacties na te gaan. Ambtenaren of andere personeelsleden van de Commissie mogen aan deze controles deelnemen.
2. Indien de Commissie, nadat zij de nodige verificaties heeft verricht, concludeert dat een lidstaat de krachtens artikel 25 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, wordt in de volgende gevallen de betaling van het voorschot of van het saldo van de medefinancieringsbedragen van het Fonds voor de betrokken jaarprogramma's opgeschort:
|
a) |
indien een lidstaat de acties niet uitvoert zoals in het medefinancieringsbesluit is overeengekomen; of |
|
b) |
indien de medefinanciering van een of meer acties uit het Fonds geheel of gedeeltelijk ongerechtvaardigd is; of |
|
c) |
indien er in de beheers- en controlesystemen sprake is van ernstige tekortkomingen, die tot stelselmatige onregelmatigheden kunnen leiden. |
In die gevallen verzoekt de Commissie de lidstaat met opgave van redenen om een reactie en, in voorkomend geval, om correcties binnen een bepaalde termijn.
3. Na het verstrijken van de door de Commissie gestelde termijn kan de Commissie, indien geen overeenstemming is bereikt en de lidstaat de correcties niet heeft aangebracht, rekening houdend met de eventuele opmerkingen van de lidstaat, binnen een termijn van drie maanden besluiten:
|
a) |
het voorschot of het eindsaldo te verlagen; of |
|
b) |
de vereiste financiële correcties aan te brengen door de bijdrage van het Fonds aan de betrokken maatregelen geheel of gedeeltelijk in te trekken. |
Indien geen besluit wordt genomen om overeenkomstig punt a) of punt b) op te treden, eindigt de opschorting van de betalingen onmiddellijk.
4. Elk terug te vorderen of onverschuldigd betaald bedrag moet aan de Commissie worden terugbetaald. Indien dit bedrag niet binnen de door de Commissie gestelde termijn is terugbetaald, wordt het verschuldigde bedrag vermeerderd met achterstandsrente, berekend tegen de door de Europese Centrale Bank toegepaste rentevoet voor de basisherfinancieringstransacties in EUR, verhoogd met drieënhalf procentpunt. De referentierentevoet waarop de verhoging wordt toegepast, is de rentevoet die geldt op de eerste dag van de maand waarin de uiterste betaaldatum valt en die is bekendgemaakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.
5. De Commissie stelt overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 3, de regels en procedures vast voor de financiële correcties van de Commissie in het kader van de in de artikelen 5, 6 en 7 bedoelde maatregelen in de lidstaten die worden medegefinancierd uit het Fonds.
HOOFDSTUK V
FOLLOW-UP, EVALUATIE EN VERSLAGEN
Artikel 27
Follow-up en evaluatie
1. De Commissie zorgt in samenwerking met de lidstaten voor een regelmatige follow-up van het Fonds.
2. Er vindt regelmatig een evaluatie van het Fonds plaats, waarbij de Commissie in samenwerking met de lidstaten de relevantie, de doeltreffendheid en het effect van de uitgevoerde maatregelen toetst aan de in artikel 1 geformuleerde doelstellingen. Er wordt ook geëvalueerd in hoeverre de maatregelen die in het kader van het Fonds worden uitgevoerd, complementair zijn aan activiteiten uit hoofde van andere communautaire beleidsterreinen, instrumenten en maatregelen.
Artikel 28
Verslagen
1. In elke lidstaat neemt de verantwoordelijke autoriteit de nodige maatregelen met het oog op de follow-up en de evaluatie van de projecten.
Daartoe worden in de overeenkomsten die deze autoriteit sluit in verband met de uitvoering van de acties, bepalingen opgenomen inzake de verplichting om geregeld gedetailleerde voortgangsverslagen uit te brengen over de uitvoering van de maatregelen en een gedetailleerd eindverslag over de mate waarin de doelstellingen zijn verwezenlijkt.
2. Uiterlijk negen maanden na de in het medefinancieringsbesluit vastgestelde einddatum van de subsidiabiliteit van de uitgaven dient de verantwoordelijke instantie bij de Commissie een eindverslag in over de uitvoering van de maatregelen, alsmede de in artikel 24, lid 3, genoemde definitieve declaratie.
3. De lidstaten dienen de volgende stukken in bij de Commissie:
|
a) |
uiterlijk op 31 december 2006: een evaluatieverslag over de uitvoering van de maatregelen die medefinanciering uit het Fonds hebben ontvangen; |
|
b) |
uiterlijk op 30 juni 2009 en op 30 juni 2012: een evaluatieverslag over de resultaten en het effect van de maatregelen die medefinanciering uit het Fonds hebben ontvangen. |
4. De Commissie legt de volgende verslagen voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's:
|
a) |
uiterlijk op 30 april 2007: een tussentijds verslag over de resultaten en over de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het Fonds, eventueel vergezeld van voorstellen voor aanpassingen; |
|
b) |
uiterlijk op 31 december 2009: een tussentijds evaluatieverslag met een voorstel over de voortzetting van het Fonds; |
|
c) |
uiterlijk op 31 december 2012: een ex post-evaluatieverslag. |
HOOFDSTUK VI
OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 29
Meerjarenprogramma 2005-2007
In afwijking van artikel 15 geldt het volgende tijdschema voor de uitvoering van de meerjarenprogrammering 2005-2007:
|
a) |
uiterlijk op 31 januari 2005 deelt de Commissie de programmeringsrichtsnoeren en de indicatieve financiële toewijzingen aan de lidstaten mee; |
|
b) |
uiterlijk op 1 mei 2005 wijzen de lidstaten de in artikel 13 bedoelde verantwoordelijke autoriteit aan en dienen zij bij de Commissie het voorstel voor het in artikel 15 bedoelde meerjarenprogramma voor de periode 2005-2007 in; |
|
c) |
overeenkomstig de in artikel 11, lid 3, bedoelde procedure keurt de Commissie uiterlijk twee maanden na ontvangst van de desbetreffende voorstellen de meerjarenprogramma's goed. |
Artikel 30
Jaarprogramma 2005
In afwijking van artikel 16 geldt het volgende tijdschema voor de uitvoering in het begrotingsjaar 2005:
|
a) |
de Commissie verstrekt de lidstaten uiterlijk op 31 januari 2005 een raming van de hun toegewezen bedragen; |
|
b) |
de lidstaten dienen het in artikel 16 bedoelde voorstel voor een jaarprogramma uiterlijk op 1 juni 2005 bij de Commissie in; dit voorstel gaat vergezeld van een overzicht van de beheerssystemen en controles die zullen worden toegepast om ervoor te zorgen dat de communautaire middelen op correcte en doeltreffende wijze worden gebruikt; |
|
c) |
de Commissie keurt uiterlijk twee maanden na ontvangst van het voorstel voor het jaarprogramma de medefinancieringsbesluiten goed, nadat zij de in artikel 12, lid 1, onder b), genoemde elementen heeft geverifieerd. |
De uitgaven die tussen 1 januari 2005 en de datum van goedkeuring van de medefinancieringsbesluiten daadwerkelijk zijn verricht, komen voor steun uit het Fonds in aanmerking.
HOOFDSTUK VII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 31
Toetsing
Op basis van een voorstel van de Commissie beziet de Raad deze beschikking uiterlijk op 31 december 2010 opnieuw.
Artikel 32
Adressaten
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Gedaan te Brussel, 2 december 2004.
Voor de Raad
De voorzitter
J. P. H. DONNER
(1) Advies uitgebracht op 20 april 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) PB C 241 van 28.9.2004, blz. 27.
(3) PB L 252 van 6.10.2000, blz. 12.
(4) PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12.
(5) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.
(6) PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.