32003H0556

Aanbeveling van de Commissie van 23 juli 2003 over richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale strategieën en beste werkwijzen ter waarborging van de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw (kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 2624)

Publicatieblad Nr. L 189 van 29/07/2003 blz. 0036 - 0047


Aanbeveling van de Commissie

van 23 juli 2003

over richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale strategieën en beste werkwijzen ter waarborging van de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw

(kennisgeving geschied onder nummer C(2003) 2624)

(2003/556/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 211,

Gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over "Biowetenschappen en biotechnologie - Een strategie voor Europa"(1), en met name actie 17,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de Europese Unie mag geen enkele vorm van landbouw, of het nu gaat om conventionele landbouw, biologische landbouw of landbouw met gebruikmaking van GGO's, worden uitgesloten.

(2) De mogelijkheid verschillende agrarische productiesystemen in stand te houden is een voorwaarde om de consumenten veel keuze te kunnen bieden.

(3) Bij coëxistentie gaat het om de praktische mogelijkheid voor de landbouwers om tussen conventionele, biologische en GG-gewassen te kiezen met inachtneming van de wettelijke etiketteringsverplichtingen en/of zuiverheidsnormen.

(4) Specifieke coëxistentiemaatregelen ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid zijn zo nodig opgenomen in de toestemming die uiteindelijk volgens de procedure van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad(2) is verleend, met de wettelijke verplichting ze toe te passen.

(5) De coëxistentiekwesties die in deze aanbeveling worden behandeld, betreffen het mogelijke economische verlies en effect van de vermenging van GG- en niet-GG-gewassen en de meest geschikte beheersmaatregelen die kunnen worden genomen om vermenging minimaal te houden.

(6) In de Europese Unie lopen de landbouwstructuren en -systemen en de economische en natuurlijke omstandigheden waaronder de landbouwers werken, zeer sterk uiteen en tussen de onderscheiden delen van de Europese Unie bestaan grote verschillen wat efficiënte en kosteneffectieve maatregelen voor coëxistentie betreft.

(7) De Europese Commissie is van mening dat maatregelen voor coëxistentie moeten worden ontwikkeld en toegepast door de lidstaten.

(8) De Europese Commissie behoort de lidstaten bij dit proces te steunen en te adviseren door richtsnoeren te geven voor de aanpak van coëxistentie.

(9) Die richtsnoeren dienen een opsomming te geven van algemene beginselen en bouwstenen voor de ontwikkeling van de nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie.

(10) Twee jaar na de bekendmaking van deze aanbeveling in het Publicatieblad van de Europese Unie zal de Commissie op basis van informatie uit de lidstaten verslag aan de Raad en het Europees Parlement uitbrengen over de in de lidstaten opgedane ervaring met de toepassing van coëxistentiemaatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van een evaluatie en beoordeling van alle maatregelen die kunnen of moeten worden genomen,

BEVEELT AAN:

1. Bij de ontwikkeling van de nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie dienen de lidstaten de in de bijlage bij deze aanbeveling opgenomen richtsnoeren te volgen.

2. Deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2003.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) COM(2002) 27 def. (PB C 55 van 2.3.2002, blz. 3).

(2) PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.

BIJLAGE

INHOUDSOPGAVE

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

1. INLEIDING

1.1. Het begrip "coëxistentie"

De teelt van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) in de Europese Unie zal waarschijnlijk gevolgen hebben voor de organisatie van de landbouwproductie. Enerzijds doet de mogelijkheid van een accidentele (onbedoelde) aanwezigheid van genetisch gemodificeerde (GG) gewassen in niet-GG-gewassen en omgekeerd de vraag rijzen hoe kan worden gegarandeerd dat de producent uit de verschillende productietypen kan kiezen. In beginsel moeten landbouwers de typen landbouwgewassen van hun keuze kunnen verbouwen, of dat nu GG-, conventionele of biologische gewassen zijn. Geen enkele van deze vormen van landbouw mag in de Europese Unie zijn uitgesloten.

Deze kwestie hangt anderzijds ook samen met de keuzevrijheid van de consumenten. Om de Europese consumenten een echte keuze tussen GG- en niet-GG-levensmiddelen te geven is niet alleen een behoorlijk functionerend tracerings- en etiketteringssysteem nodig, maar moet de landbouwsector de verschillende typen producten ook kunnen leveren. De mogelijkheid voor de levensmiddelenindustrie om de consumenten veel keuze te bieden gaat hand in hand met de mogelijkheid voor de landbouw om verschillende productiesystemen in stand te houden.

Bij coëxistentie gaat het om de praktische mogelijkheid voor de landbouwers om tussen conventionele, biologische en GG-gewassen te kiezen met inachtneming van de wettelijke etiketteringsverplichtingen en/of zuiverheidsnormen.

Door een accidentele aanwezigheid van GGO's boven de in de communautaire regelgeving vastgestelde tolerantiedrempel moet een gewas dat bedoeld was als een gewas zonder GGO's, worden geëtiketteerd als een gewas dat GGO's bevat. Dit kan leiden tot inkomstenderving door een lagere prijs voor het gewas of door problemen om het te verkopen. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat landbouwers extra kosten moeten maken voor monitoringsystemen en voor maatregelen om de vermenging van GG- en niet-GG-gewassen minimaal te houden. Bij coëxistentie gaat het dus om het mogelijke economische effect van de vermenging van GG- en niet-GG-gewassen, de bepaling van werkbare beheersmaatregelen om vermenging minimaal te houden en de kosten van dergelijke maatregelen.

De coëxistentie van verschillende productietypen is niet nieuw voor de landbouw. Producenten van zaaizaad bijvoorbeeld hebben heel wat ervaring met beheersmethoden om ervoor te zorgen dat het geproduceerde zaaizaad aan de zuiverheidsnormen voldoet. Een ander voorbeeld van gescheiden productielijnen in de landbouw betreft de succesvolle coëxistentie in Europa van gele voedermaïs met verschillende speciale maïsrassen voor menselijke consumptie en met kleefmaïs voor de zetmeelindustrie.

1.2. De economische aspecten van coëxistentie tegenover de milieu- en gezondheidsaspecten

Het is belangrijk een duidelijk onderscheid te maken tussen de economische aspecten van coëxistentie en de milieu- en gezondheidsaspecten, welke laatste onder Richtlijn 2001/18/EG inzake de doelbewuste introductie van GGO's in het milieu vallen.

Volgens de bij Richtlijn 2001/18/EG vastgestelde procedure kan slechts toestemming voor de introductie van GGO's in het milieu worden verleend als een alomvattende gezondheids- en milieurisicobeoordeling is verricht. De risicobeoordeling kan een van de volgende uitkomsten opleveren:

- er blijkt sprake te zijn van een risico voor of een nadelig effect op het milieu of de gezondheid dat niet kan worden beheerd, in welk geval de toestemming wordt geweigerd;

- er wordt geen risico voor of nadelig effect op het milieu of de gezondheid geconstateerd, in welk geval de toestemming wordt verleend zonder dat andere beheersmaatregelen worden verlangd dan die welke specifiek in de regelgeving zijn voorgeschreven;

- er worden risico's geconstateerd, maar deze kunnen met passende maatregelen (bv. fysieke scheiding en/of monitoring) worden beheerd; in dit geval wordt aan de toestemming de verplichting verbonden maatregelen voor het beheer van de milieurisico's te nemen.

Indien een risico voor het milieu of de gezondheid wordt geconstateerd nadat de toestemming is verleend, kan op grond van de in artikel 23 van de richtlijn opgenomen vrijwaringsclausule een procedure worden ingeleid voor de intrekking van de toestemming of een aanpassing van de voorwaarden van de toestemming.

Aangezien alleen toegestane GGO's in de Europese Unie mogen worden geteeld(1) en de milieu- en gezondheidsaspecten dan reeds in het kader van Richtlijn 2001/18/EG zijn behandeld, hoeven op het gebied van de coëxistentie alleen nog kwesties te worden aangepakt die betrekking hebben op de economische aspecten die aan de vermenging van GG- en niet-GG-gewassen zijn verbonden.

1.3. De rondetafelconferentie over coëxistentie

Op 24 april 2003 is in Brussel onder auspiciën van de Europese Commissie een rondetafelconferentie gehouden om de meest recente onderzoeksresultaten op het gebied van de coëxistentie van GG- en niet-GG-gewassen te bespreken. Daarbij lag de nadruk op de coëxistentieproblemen die de introductie van GG-maïs en GG-koolzaad in de landbouw van de Europese Unie oplevert. Deskundigenpanels hebben de wetenschappelijke bevindingen toegelicht, die vervolgens zijn besproken met vertegenwoordigers van de landbouw, de industrie, niet-gouvernementele organisaties, de consumenten en andere belanghebbenden. Op de rondetafelconferentie werd gepoogd om op basis van praktische landbouwervaring een wetenschappelijke en technische basis te verschaffen voor de teelttechnische en andere maatregelen die eventueel zullen moeten worden genomen om een duurzame coëxistentie van de verschillende typen van landbouwproductie te vergemakkelijken.

De bijgaande richtsnoeren zijn gebaseerd op de resultaten van de rondetafelconferentie. Een door een groep van deelnemende wetenschappers opgestelde samenvatting van die resultaten is beschikbaar op het volgende internetadres: http://europa.eu.int/comm/ research/biosociety/index.

1.4. Subsidiariteit

De omstandigheden waaronder de Europese landbouwers werken, lopen zeer sterk uiteen. In Europa zijn er enorme verschillen op het gebied van bedrijfs- en kavelgrootte, productiesystemen, vruchtwisseling en bouwplan. Bij het ontwerpen, de uitvoering, de monitoring en de coördinatie van coëxistentiemaatregelen moet met deze verscheidenheid rekening worden gehouden. De toegepaste maatregelen moeten specifiek zijn toegesneden op de landbouwstructuur, de landbouwsystemen, de bouwplannen en de natuurlijke omstandigheden in de betrokken regio.

Daarom heeft de Commissie zich in haar vergadering van 5 maart 2003 voorstander getoond van een aanpak die de ontwikkeling en uitvoering van beheersmaatregelen voor coëxistentie overlaat aan de lidstaten. De rol van de Commissie zou erin bestaan relevante informatie op basis van op communautair en nationaal niveau verrichte studies te verzamelen en te coördineren, adviezen te verstrekken en richtsnoeren te geven om de lidstaten te helpen de beste werkwijzen voor coëxistentie te bepalen.

De strategieën en beste werkwijzen voor coëxistentie moeten op nationaal of regionaal niveau worden ontwikkeld en toegepast met de medewerking van de landbouwers en de andere belanghebbenden en met inachtneming van nationale en regionale factoren.

1.5. Doel en reikwijdte van de richtsnoeren

De bijgaande richtsnoeren, die niet-bindende aanbevelingen aan de lidstaten bevatten, moeten in deze context worden gezien. Het terrein waarop zij betrekking hebben, strekt zich uit van de productie van landbouwgewassen op de boerderij tot het eerste verkooppunt, d.w.z. van de inzaai tot de levering(2).

Dit document is bedoeld om de lidstaten te helpen nationale strategieën en benaderingen voor coëxistentie te ontwikkelen. De richtsnoeren zijn hoofdzakelijk toegespitst op technische en procedurele aspecten en geven een opsomming van algemene beginselen en bouwstenen om de lidstaten te helpen bij de bepaling van de beste werkwijzen voor coëxistentie.

Het is niet de bedoeling om in dit document een gedetailleerd overzicht te geven van maatregelen die rechtstreeks op het niveau van de lidstaten kunnen worden toegepast. Veel van de factoren die van belang zijn voor de ontwikkeling van beste werkwijzen voor coëxistentie die zowel kosteneffectief als efficiënt zijn, zijn specifiek voor de nationale en regionale omstandigheden.

Bovendien is de ontwikkeling van op goed rentmeesterschap gerichte regelingen en beste werkwijzen voor coëxistentie een dynamisch proces waarbij ruimte moet worden gelaten voor verbeteringen in de loop van de tijd en rekening moet worden gehouden met nieuwe ontwikkelingen op basis van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.

2. ALGEMENE BEGINSELEN

In deze afdeling wordt een opsomming gegeven van algemene beginselen en factoren waarmee de lidstaten rekening dienen te houden bij de ontwikkeling van de nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie.

2.1. Beginselen voor de ontwikkeling van coëxistentiestrategieën

2.1.1. Doorzichtigheid en betrokkenheid van de belanghebbenden

De nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie dienen in samenwerking met alle relevante belanghebbenden en op doorzichtige wijze te worden ontwikkeld. De lidstaten moeten zorgen voor een passende verspreiding van informatie over de coëxistentiemaatregelen waartoe zij besluiten.

2.1.2. Op de wetenschap gebaseerde besluiten

De beheersmaatregelen voor coëxistentie dienen de weerspiegeling te vormen van het beste wetenschappelijke bewijsmateriaal betreffende de waarschijnlijkheid en de oorzaken van vermenging van GG- en niet-GG-gewassen dat beschikbaar is. Zij moeten de teelt van GG- en niet-GG-gewassen mogelijk maken en daarbij garanderen dat de niet-GG-gewassen kunnen blijven voldoen aan de daarvoor geldende etiketterings- en zuiverheidsnormen zoals deze voortvloeien uit de communautaire regelgeving met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders en genetisch gemodificeerd zaai- en pootgoed.

Het beschikbare wetenschappelijke bewijsmateriaal moet voortdurend worden geëvalueerd en geactualiseerd om rekening te houden met de resultaten van monitoringstudies over de experimentele en commerciële teelt van GG-gewassen en met de bevindingen van nieuwe studies en van modellen die door veldexperimenten zijn gevalideerd.

2.1.3. Voortbouwen op bestaande methoden/gewoonten wat de scheiding van producten betreft

Bij de beheersmaatregelen voor coëxistentie moet worden voortgebouwd op en rekening worden gehouden met de reeds bestaande gewoonten/methoden wat de scheiding van producten betreft en de beschikbare agrarische ervaring met de behandeling van gewassen waarvan de identiteit voor specifieke gebruiksdoeleinden in stand moet worden gehouden (zogenoemde "identity preserved crops"), en met technieken voor de productie van zaai- en pootgoed.

2.1.4. Proportionaliteit

Maatregelen voor coëxistentie moeten efficiënt, kosteneffectief en proportioneel zijn. Zij mogen niet verder gaan dan wat nodig is om te garanderen dat accidentele sporen van GGO's onder de in de communautaire regelgeving vastgestelde tolerantiedrempels blijven. Zij mogen geen onnodige belasting betekenen voor de landbouwers, de producenten van zaai- en pootgoed, de coöperaties en de andere bij welk productietype ook betrokken partijen.

Bij de keuze van de maatregelen moet rekening worden gehouden met de regionale en plaatselijke beperkingen en omstandigheden en met de specifieke aard van het betrokken gewas.

2.1.5. Een passende geografische schaal

Bij het in ogenschouw nemen van alle beschikbare mogelijkheden dient prioriteit te worden gegeven aan bedrijfsspecifieke beheersmaatregelen en aan op coördinatie tussen naburige landbouwbedrijven gerichte maatregelen.

Maatregelen met een regionale dimensie kunnen in overweging worden genomen. Dergelijke maatregelen dienen uitsluitend te worden toegepast voor specifieke gewassen waarvan de teelt onverenigbaar met het waarborgen van coëxistentie zou zijn, en de geografische schaal ervan moet zo beperkt mogelijk blijven. Voor een hele regio geldende maatregelen zullen enkel in overweging worden genomen indien geen toereikende zuiverheidsniveaus kunnen worden bereikt. Zij zullen voor elk gewas en elk producttype (bv. zaaizaad tegenover plantaardige productie) afzonderlijk moeten worden gemotiveerd.

2.1.6. Specificiteit van de maatregelen

Bij de beste werkwijzen voor coëxistentie dient rekening te worden gehouden met de verschillen tussen gewassoorten, gewasrassen en producttypen (bv. plantaardige productie of zaaizaad). Om ervoor te zorgen dat geschikte maatregelen worden genomen, dient eveneens rekening te worden gehouden met de verschillen in regionale aspecten (bv. klimaatgesteldheid, topografie, bouwplannen en vruchtwisselingssystemen, landbouwstructuur, gewasspecifiek aandeel van GGO's in de betrokken regio) die van invloed kunnen zijn op de mate van vermenging van GG- en niet-GG-gewassen.

De lidstaten dienen zich allereerst te concentreren op die gewassen waarvoor GG-rassen reeds of bijna zijn goedgekeurd en waarschijnlijk op een schaal van enige omvang op hun nationale grondgebied zullen worden geteeld.

2.1.7. Toepassing van de maatregelen

De nationale strategieën voor coëxistentie moeten de belangen van de landbouwers behartigen met inachtneming van een redelijk evenwicht tussen alle productietypen. Samenwerking tussen de landbouwers dient te worden bevorderd.

De lidstaten wordt geadviseerd mechanismen ter bevordering van coördinatie en vrijwillige afspraken tussen naburige landbouwbedrijven op te zetten en procedures en regels te bepalen voor het geval dat landbouwers het over de toepassing van de betrokken maatregelen oneens zijn.

Een algemeen beginsel is dat tijdens de fase van de introductie van een nieuw productietype in een regio diegenen (landbouwers) die het nieuwe productietype introduceren, verantwoordelijk dienen te zijn voor de toepassing van de beheersmaatregelen op bedrijfsniveau die nodig zijn om de genenstroom te beperken.

De landbouwers moeten kunnen kiezen voor het productietype waaraan zij de voorkeur geven, zonder daarbij veranderingen nodig te maken van de productiepatronen die in de buurt reeds bestaan.

Landbouwers die van plan zijn GG-gewassen te gaan telen op hun bedrijf, moeten de in de buurt gevestigde landbouwers over hun voornemen informeren.

De lidstaten dienen te zorgen voor grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden om te garanderen dat de coëxistentiemaatregelen in de grensgebieden doeltreffend functioneren.

2.1.8. Beleidsinstrumenten

Er is geen bepaald beleidsinstrument dat a priori kan worden aanbevolen op het gebied van coëxistentie. Wellicht zullen de lidstaten er de voorkeur aan geven het gebruik van verschillende beleidsinstrumenten, bijvoorbeeld vrijwillige overeenkomsten, juridisch zachte benaderingen en echte regelgeving, nader te bekijken en te kiezen voor die combinatie van instrumenten en die regelintensiteit waarbij het het waarschijnlijkst is dat een doeltreffende toepassing, monitoring, evaluatie en controle van de maatregelen worden bereikt.

2.1.9. Aansprakelijkheidsregels

Het type instrumenten waarvoor wordt gekozen, kan van invloed zijn op de toepassing van de nationale aansprakelijkheidsregels in het geval van economische schade als gevolg van vermenging. De lidstaten wordt geadviseerd hun wetgeving inzake wettelijke aansprakelijkheid te onderzoeken om na te gaan of het bestaande nationale recht in dit opzicht voldoende en gelijke mogelijkheden biedt. De landbouwers, de leveranciers van zaai- en pootgoed en andere partijen dienen volledig te worden geïnformeerd over de aansprakelijkheidscriteria die in hun land gelden in het geval van schade door vermenging.

De lidstaten zullen in dit verband wellicht willen onderzoeken of het haalbaar en nuttig is de bestaande verzekeringsregelingen aan te passen of nieuwe regelingen op te zetten.

2.1.10. Monitoring en evaluatie

De gekozen beheersmaatregelen en instrumenten dienen aan een voortdurende monitoring en evaluatie te worden onderworpen om na te gaan of zij doeltreffend zijn en om de informatie te verkrijgen die nodig is om de maatregelen mettertijd te kunnen verbeteren.

De lidstaten dienen adequate controle- en inspectiesystemen op te zetten om te garanderen dat de coëxistentiemaatregelen naar behoren functioneren.

De beste werkwijzen op het gebied van coëxistentie dienen periodiek te worden herzien om rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen die te danken zijn aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang en coëxistentie zouden kunnen vergemakkelijken.

2.1.11. Verstrekking en uitwisseling van informatie op Europees niveau

Onverminderd de reeds bestaande communautaire regels en procedures dienen de lidstaten de Commissie te informeren over hun nationale strategieën voor coëxistentie en de afzonderlijke maatregelen die zijn getroffen, en ook over de resultaten van de monitoring- en evaluatiewerkzaamheden. De Commissie zal de uitwisseling van de door de lidstaten verstrekte informatie over de maatregelen, ervaringen en beste werkwijzen coördineren. Een tijdige uitwisseling van informatie kan tot synergieën leiden en onnodig dubbel werk in de onderscheiden lidstaten helpen voorkomen.

2.1.12. Onderzoek en het delen van onderzoeksresultaten

In partnerschap met de belanghebbenden dienen de lidstaten onderzoeksactiviteiten ter verbetering van hun kennis over hoe coëxistentie het best kan worden gewaarborgd, te bevorderen en te ondersteunen. De lidstaten dienen de Commissie te informeren over de lopende en de geplande onderzoeksactiviteiten op dit gebied. Het verdient ten zeerste aanbeveling dat de lidstaten onderzoeksresultaten met elkaar delen.

Onderzoeksactiviteiten met betrekking tot coëxistentie kunnen ook worden ondersteund via het zesde communautaire kaderprogramma voor onderzoek. Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek zal aanvullende studies op coëxistentiegebied uitvoeren.

De Commissie zal de uitwisseling van informatie over lopende en geplande onderzoeksprojecten op nationaal en communautair niveau vergemakkelijken. De uitwisseling van informatie kan zorgen voor een betere coördinatie tussen de nationale onderzoeksactiviteiten in de lidstaten en met de onderzoeksactiviteiten die worden ontplooid via het zesde communautaire kaderprogramma voor onderzoek.

2.2. In aanmerking te nemen factoren

Dit onderdeel geeft een niet-volledig overzicht van factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij de ontwikkeling van de nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie.

2.2.1. Te bereiken niveau van coëxistentie

Het probleem van de coëxistentie van GG- en niet-GG-gewassen kan zich op verschillende niveaus voordoen. Bijvoorbeeld:

- GG- en niet-GG-gewassen die op hetzelfde bedrijf tegelijkertijd of in opeenvolgende jaren worden geproduceerd;

- GG- en niet-GG-gewassen die in hetzelfde jaar op naburige landbouwbedrijven worden geproduceerd;

- GG- en niet-GG-productietypen die voorkomen in dezelfde regio, maar op landbouwbedrijven die op enige afstand van elkaar liggen.

Coëxistentiemaatregelen dienen specifiek te zijn voor het te bereiken niveau van coëxistentie.

2.2.2. Oorzaken van accidentele vermenging

De vermenging van GG- en niet-GG-gewassen kan verschillende oorzaken hebben, waaronder:

- stuifmeeloverdracht tussen naburige percelen, die op kleinere of grotere afstand van elkaar kunnen liggen (afhankelijk van de soort en van andere factoren die van invloed kunnen zijn op de genenoverdracht);

- vermenging van gewassen bij de werkzaamheden tijdens en na de oogst;

- overdracht van zaden of ander levensvatbaar plantenmateriaal gedurende de oogst, het vervoer of de opslag; tot op zekere hoogte kunnen ook dieren hiervoor verantwoordelijk zijn;

- opslag (na de oogst in de bodem achtergebleven voortplantingsmateriaal waaruit in latere jaren nieuwe planten voortkomen); deze oorzaak van vermenging kan bij sommige gewassen (bv. koolzaad) belangrijker zijn dan bij andere, afhankelijk van onder meer de klimaatgesteldheid (zo kunnen bv. maïszaden vorst niet overleven);

- vreemde bestanddelen in zaai- en pootgoed.

Het is belangrijk het cumulatieve effect van de verschillende oorzaken van vermenging te onderkennen. Ook in de loop van de tijd doen zich cumulatieve effecten voor die een nadelige invloed kunnen hebben op de zaadbank of op het gebruik van zaai- en pootgoed van eigen bedrijf.

2.2.3. Drempelwaarden voor de etikettering

In de nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie dient te worden uitgegaan van de etiketteringsdrempels en zuiverheidsnormen die in de regelingen voor GG-producten (levensmiddelen, diervoeders en zaai- en pootgoed) zijn vastgesteld.

Momenteel geldt op grond van Verordening (EG) nr. 1139/98 van de Raad(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 49/2000 van de Commissie(4), een etiketteringsdrempel van 1 % voor levensmiddelen. Toekomstige etiketteringsdrempels voor zowel diervoeders als levensmiddelen worden vastgelegd in een verordening inzake GG-levensmiddelen en -diervoeders. Wat deze etiketteringsdrempels betreft, zou geen onderscheid worden gemaakt tussen conventionele en biologische landbouw. Voor de accidentele aanwezigheid van niet-GGO's in GGO's bestaan geen wettelijke drempels. Voor zaai- en pootgoed van GG-rassen gelden de algemene gewasspecifieke eisen wat de zuiverheidsnormen voor de productie van zaai- en pootgoed betreft.

In de verordening inzake biologische landbouw(5) is bepaald dat bij de biologische productie geen GGO's mogen worden gebruikt. Bijgevolg is het gebruik uitgesloten van materialen, waaronder zaai- en pootgoed, die volgens het etiket GGO's bevatten. Er zou echter wel gebruik mogen worden gemaakt van partijen zaai- of pootgoed die GG-zaai- of pootgoed bevatten in een mate die onder de drempels voor zaai- en pootgoed blijft (welke partijen niet zouden hoeven te worden voorzien van een etiket waarop de aanwezigheid van GGO's is vermeld). De verordening inzake biologische landbouw voorziet in de mogelijkheid een specifieke drempel vast te stellen voor de onvermijdelijke aanwezigheid van GGO's, maar er is geen dergelijke drempel vastgesteld. Bij ontstentenis van deze specifieke drempel zijn de algemene drempels van toepassing.

2.2.4. Specifieke eigenschappen van gewassoorten en gewasrassen

- De gewasspecifieke mate van uitkruising. Zo zijn bijvoorbeeld tarwe, gerst en sojabonen hoofdzakelijk zelfbestuivers, terwijl maïs, suikerbieten en rogge kruisbestuivers zijn;

- de gewasspecifieke vormen van kruisbestuiving (d.w.z. de wind, insecten);

- het gewasspecifieke potentieel voor opslagvorming en de tijd gedurende welke in de bodem aanwezig voortplantingsmateriaal levensvatbaar blijft;

- de soort- en rasspecifieke mogelijkheden voor kruisbestuiving met nauwe verwanten, waarbij het zowel in het wild voorkomende als gekweekte planten betreft; deze mogelijkheden worden onder meer beïnvloed door de mate van zelf- en kruisbestuiving, de receptiviteit van de bloemen bij het vrijkomen van stuifmeel en de compatibiliteit tussen het stuifmeel en de stijl van de ontvangende plant;

- de bloeitijd van de stuifmeelbron en van de ontvangende populatie - de mate van overlapping van de respectieve bloeiperioden;

- de duur van de levensvatbaarheid van het stuifmeel, die afhangt van de plantensoort, het ras en de milieuomstandigheden zoals de luchtvochtigheid;

- de concurrentie tussen de stuifmeelsoorten, die wordt beïnvloed door de stuifmeelproductie in de ontvangende populatie en de door de stuifmeelbron uitgeoefende pollendruk. Deze concurrentie kan afhankelijk zijn van het gewasras. Bij de productie van hybride planten kan een groot aantal mannelijk steriele planten worden geproduceerd die zelf geen stuifmeel vormen, wat deze planten kwetsbaarder maakt voor pollendruk van buitenaf;

- de productie van groenvoer tegenover die van graankorrels (bv. snijmaïs en korrelmaïs): verschillen op het punt van het gebruikte landbouwsysteem en de teeltduur;

- de invloed die genetische uitwisseling via de pollenstroom kan hebben op de mate van vermenging in het geoogste gewas. In het geval van geoogste aardappelen of bieten is er bijvoorbeeld geen invloed. Bij de productie van snijmaïs bestaat het geoogste materiaal in uiteenlopende verhoudingen uit kolven, die door genetische uitwisseling kunnen zijn beïnvloed, en de rest van de planten, die niet is beïnvloed.

2.2.5. Plantaardige productie tegenover de productie van zaai- en pootgoed

- De etiketteringsdrempels zullen verschillend zijn voor plantaardige productie enerzijds en de productie van zaai- en pootgoed anderzijds;

- wat de productie van zaai- en pootgoed betreft, zal specifieke regelgeving worden aangenomen die momenteel door de Commissie wordt voorbereid.

2.2.6. Regionale aspecten

- Het gewasspecifieke aandeel van GGO's in de regio;

- aantal en aard van de gewasrassen (GG- en niet-GG-rassen) die in het betrokken gebied moeten coëxisteren;

- vorm en grootte van de percelen in de regio. Op kleinere percelen is de pollenimport relatief groter dan op grotere percelen;

- de versnippering en geografische spreiding van de percelen van de individuele landbouwbedrijven;

- de regionale gebruiken op het gebied van de bedrijfsvoering in de landbouw;

- de vruchtwisselingssystemen en bouwplannen in de regio, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de gewasspecifieke levensduur van voortplantingsmateriaal;

- de activiteit, het gedrag en de populatiegrootte van bestuivers (insecten, enz.);

- de klimaatgesteldheid (bv. neerslagverdeling, vochtigheidsgraad, windrichting en -kracht, lucht- en bodemtemperatuur), die de activiteit van bestuivers en het transport van door de lucht gedragen stuifmeel beïnvloedt en bepalend kan zijn voor de geteelde gewastypen, het begin van het teeltseizoen en de teeltduur, het jaarlijkse aantal productiecycli, enz.;

- de topografie (zo zijn bv. valleien of wateroppervlakten van invloed op luchtstromingen en op de windkracht);

- de omringende elementen zoals heggen, bossen en onbeteelde grond en de ruimtelijke schikking van de percelen.

2.2.7. Barrières voor genetische uitkruising

Biologische methoden ter beperking van de genenstroom kunnen het risico op kruisbestuiving verkleinen (bv. apomixis (d.w.z. asexuele voortplanting), cytoplasmatische mannelijke steriliteit, chloroplastentransformatie).

3. INDICATIEVE CATALOGUS VAN COËXISTENTIEMAATREGELEN

Deze afdeling bevat een catalogus van op coëxistentie gerichte bedrijfsvoerings- en andere maatregelen die in uiteenlopend mate en in verschillende combinaties een onderdeel kunnen worden van de nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie. Deze catalogus maakt geen aanspraak op volledigheid.

3.1. Complementariteit van de maatregelen

De maatregelen ter voorkoming van een pollenstroom naar nabijgelegen percelen zijn tot op zekere hoogte complementair en kunnen ook synergetische effecten hebben. Zo kunnen bijvoorbeeld de minimale isolatieafstanden tussen percelen met eenzelfde gewas worden verkleind als tegelijkertijd andere passende maatregelen worden genomen (programmering van verschillende bloeitijden, gebruik van gewasrassen met een verlaagde stuifmeelproductie, stuifmeelvallen, heggen, enz.).

Welk stel maatregelen het efficiëntst en meest kosteneffectief is, zal worden beïnvloed door de in onderdeel 2.2 genoemde factoren en kan sterk verschillen van gewas tot gewas en van regio tot regio.

3.2. Maatregelen op het landbouwbedrijf

3.2.1. Teeltvoorbereiding en grondbewerking

- Isolatieafstanden tussen GG- en niet-GG-gewassen van dezelfde soort en, zo nodig, hetzelfde geslacht(6):

- de isolatieafstanden moeten worden bepaald naar gelang van het uitkruisingspotentieel van het gewas. Voor gewassen met open bestuiving (zoals koolzaad) zijn grotere afstanden nodig. Voor zelfbestuivers en voor gewassen waarbij het geoogste product niet uit zaden bestaat (zoals bieten en aardappelen), zijn kortere afstanden mogelijk. De isolatieafstanden moeten de genenstroom door stuifmeeloverdracht minimaal houden, maar hoeven deze niet noodzakelijk onmogelijk te maken. Het doel is te garanderen dat het niveau van accidentele aanwezigheid onder de tolerantiedrempel blijft;

- als er verschillende drempels bestaan zoals bijvoorbeeld voor plantaardige productie en de productie van zaai- en pootgoed, moeten de isolatieafstanden dienovereenkomstig worden aangepast;

- bufferzones als alternatief voor of aanvulling op isolatieafstanden (met inbegrip van de mogelijkheid landbouwgrond een andere bestemming te geven of braak te leggen);

- stuifmeelvallen of -barrières (bv. heggen);

- passende vruchtwisselingssystemen (bv. uitbreiding van de vruchtwisseling met een zomergewas waarin opslag niet kan bloeien; of een bij de teelt in acht te nemen minimale tussentijd tussen GG- en niet-GG-rassen van dezelfde soort en, voor bepaalde soorten, ook van hetzelfde geslacht);

- planning van de productiecyclus van gewassen (bv. een op verschillende bloei- en oogstperioden gericht bouwplan);

- de omvang van de zaadbank verkleinen door een passende grondbewerking (bv. geen risterploeg gebruiken na de oogst van koolzaad);

- populaties in akkerranden beheren door middel van passende teeltmethoden, selectieve onkruiddodende middelen of technieken voor geïntegreerde onkruidbestrijding;

- optimale zaai- en plantdata en passende teelttechnieken kiezen om zo weinig mogelijk schieters te hebben;

- een zorgvuldige behandeling van zaai- en pootgoed ter voorkoming van vermenging, onder meer door verschillende typen zaai- en pootgoed zo te verpakken en te etiketteren dat zij duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, en afzonderlijk op te slaan;

- gebruik van rassen met een verminderde stuifmeelproductie of van mannelijk steriele rassen;

- zaaimachines vóór en na het gebruik ervan schoonmaken om te voorkomen dat na eerdere zaaiwerkzaamheden achtergebleven zaden terechtkomen in een nieuwe in te zaaien partij of dat zaden onbedoeld op het bedrijf worden verspreid;

- zaaimachines alleen delen met landbouwers die hetzelfde productietype toepassen;

- voorkomen dat onderweg naar en van het veld en op de perceelsgrenzen zaden worden gemorst;

- bestrijding/vernietiging van opslag in combinatie met passende zaaitijden voor het volgende seizoen om de ontwikkeling van opslag te voorkomen.

3.2.2. Handelwijze bij en na de oogst

- Zaai- en pootgoed uitsluitend produceren op geschikte percelen en delen van percelen (bv. het midden van percelen);

- verliezen van zaai- en pootgoed tijdens de oogst minimaal houden door bijvoorbeeld op het optimale tijdstip te oogsten om slechts een minimale zaaduitval te hebben;

- oogstmachines vóór en na het gebruik ervan schoonmaken om te voorkomen dat na eerdere oogstwerkzaamheden achtergebleven voortplantingsmateriaal elders terechtkomt en onbedoeld verspreid raakt;

- oogstmachines alleen delen met landbouwers die hetzelfde productietype toepassen;

- mochten andere maatregelen onvoldoende worden geacht om accidentele aanwezigheid onder de etiketteringsdrempel te houden, dan zouden de randstroken apart van de rest van het perceel kunnen worden geoogst. Het eigenlijke gewas zou dan gescheiden moeten worden gehouden van het in de randstroken geoogste gewas.

3.2.3. Vervoer en opslag

- Zorgen voor de fysieke scheiding van GG- en niet-GG-gewassen na de oogst tot het eerste verkooppunt;

- passende maatregelen en methoden toepassen voor het opslaan van zaai- en pootgoed;

- voorkomen dat geoogst gewas wordt gemorst tijdens het vervoer ervan op het bedrijf en van het bedrijf naar het eerste verkooppunt.

3.2.4. Monitoring van percelen

Monitoring van plaatsen waar zaai- of pootgoed is gemorst, van percelen en van perceelsranden om de ontwikkeling van opslag op te sporen.

3.3. Samenwerking tussen naburige landbouwbedrijven

3.3.1. Informatie over de teeltplannen

Kennisgeving van de teeltplannen voor het volgende groeiseizoen aan de landbouwbedrijven binnen het relevante gebied. Deze kennisgeving moet gebeuren voordat het zaai- en pootgoed voor het volgende groeiseizoen wordt besteld.

3.3.2. Gecoördineerde beheersmaatregelen

- Vrijwillige clustering van percelen van verschillende landbouwbedrijven voor de teelt van soortgelijke (GG-, conventionele of biologische) gewasrassen in een productiegebied;

- gebruik van gewasrassen met verschillende bloeitijden;

- afspraken over verschillende zaai- of plantdata om kruisbestuiving tijdens de bloei te voorkomen;

- coördinatie van de vruchtwisselingen.

3.3.3. Vrijwillige overeenkomsten tussen landbouwers over zones met één enkel productietype

Groepen landbouwers die bij elkaar in de buurt zijn gevestigd, kunnen de aan de scheiding van GG- en niet-GG-productietypen verbonden kosten sterk verlagen door hun productie op basis van vrijwillige overeenkomsten te coördineren.

3.4. Monitoringregelingen

- Meldingssystemen instellen die landbouwers ertoe aanzetten om problemen of onverwachte gebeurtenissen bij de toepassing van coëxistentiemaatregelen te rapporteren;

- de via monitoring verkregen feedback gebruiken als basis om de nationale strategieën en de beste werkwijzen voor coëxistentie verder aan te passen en te verfijnen;

- doeltreffende controleregelingen/-instanties opzetten die zich op kritische controlepunten richten, om ervoor te zorgen dat de beheersmaatregelen voor coëxistentie naar behoren functioneren.

3.5. Grondregister

- Het overeenkomstig artikel 31, lid 3, onder b), van Richtlijn 2001/18/EG aangelegde register kan een nuttig instrument zijn om de ontwikkelingen inzake GG-gewassen te monitoren en om de landbouwers te helpen bij de coördinatie van de plaatselijke productieplannen en bij de monitoring van de ontwikkelingen wat de verschillende gewastypen betreft. Dit register zou kunnen worden gecombineerd met een op het Global Positioning System gebaseerde kaart van de GG-, niet-GG-, en biologische percelen. De informatie zou openbaar kunnen worden gemaakt via het internet of andere communicatiedragers;

- een identificatiesysteem opzetten voor de percelen waarop GG-gewassen worden geteeld.

3.6. Een administratie bijhouden

Regelingen treffen voor het op de landbouwbedrijven bijhouden van een administratie met relevante informatie over:

- het teeltproces bij GG-gewassen en de behandeling, de opslag, het vervoer en het in de handel brengen van dergelijke gewassen - wanneer het voorstel voor een verordening betreffende de traceerbaarheid en etikettering van GGO's(7) eenmaal is aangenomen, zal het voor de landbouwers een wettelijke verplichting zijn te beschikken over systemen om te identificeren van wie zij GGO's, inclusief GG-gewassen en GG-zaai- en pootgoed, hebben ontvangen, respectievelijk aan wie zij deze hebben geleverd;

- de op het landbouwbedrijf toegepaste beheersmethoden voor coëxistentie.

3.7. Opleidingscursussen en voorlichtingsprogramma's

De lidstaten dienen opleidingscursussen voor landbouwers op vrijwillige of verplichte basis en voorlichtingsprogramma's te stimuleren om de landbouwers en andere belanghebbenden van een en ander bewust te maken en om technische kennis voor de toepassing van coëxistentiemaatregelen te verschaffen. Daartoe kan de opleiding behoren van gespecialiseerd personeel dat dan de landbouwers zou adviseren over beheersmaatregelen voor coëxistentie.

3.8. Verstrekking en uitwisseling van informatie en advisering

- De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de landbouwers volledig geïnformeerd zijn over de gevolgen van de keuze voor een bepaald (GG- of niet-GG-) productietype, vooral waar het gaat om hun verantwoordelijkheid voor de toepassing van coëxistentiemaatregelen en om de aansprakelijkheidsregels die gelden in geval van economische schade door vermenging;

- alle betrokkenen moeten voldoende worden geïnformeerd over de specifieke coëxistentiemaatregelen die moeten worden toegepast. Een van de mogelijkheden om dergelijke specifieke informatie te verspreiden zou zijn de leverancier van zaai- of pootgoed te verplichten de betrokken informatie bij de partijen zaai- of pootgoed te voegen;

- de lidstaten dienen doeltreffende en regelmatige informatie-uitwisselingen en netwerkactiviteiten tussen landbouwers en andere belanghebbenden te bevorderen;

- de lidstaten dienen de oprichting te overwegen van op het internet gebaseerde of telefonische informatiediensten ("GGO-hotlines") die specifieke vragen zouden beantwoorden en landbouwers en andere betrokkenen zouden adviseren over technische, commerciële en juridische aangelegenheden met betrekking tot GGO's.

3.9. Bemiddelingsprocedures voor geschillen

De lidstaten wordt geadviseerd maatregelen te nemen voor het instellen van bemiddelingsprocedures om verschillen van mening tussen bij elkaar in de buurt gevestigde landbouwers over de toepassing van coëxistentiemaatregelen op te lossen.

(1) Een GGO mag in de Europese Unie slechts worden geteeld als overeenkomstig Richtlijn 2001/18/EG toestemming voor de teelt ervan is verleend.

(2) De richtsnoeren hebben betrekking op de commerciële productie van zaai- en pootgoed en gewassen. Experimentele introducties van GG-gewassen worden er niet in behandeld.

(3) PB L 159 van 3.6.1998, blz. 4.

(4) PB L 6 van 11.1.2000, blz. 13.

(5) Verordening (EG) nr. 1804/1999 van de Raad (PB L 222 van 24.8.1999, blz. 1).

(6) "Geslacht" is een taxonomische term voor een groep van verwante soorten.

(7) Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (COM(2001) 182 def.).