32003D0194

2003/194/EG: Beschikking van de Commissie van 30 oktober 2002 betreffende de steunmaatregel die Duitsland heeft toegekend ten gunste van Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke GmbH (C 31/2001 (ex NN 156/1999 en N 288/1998)) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 2145) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 077 van 24/03/2003 blz. 0041 - 0056


Beschikking van de Commissie

van 30 oktober 2002

betreffende de steunmaatregel die Duitsland heeft toegekend ten gunste van Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke GmbH

(C 31/2001 (ex NN 156/1999 en N 288/1998))

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 2145)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2003/194/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, en met name op artikel 88, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken(1) en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I. PROCEDURE

(1) Bij brief van 18 mei 1998 heeft Duitsland de Commissie kennis gegeven van steunmaatregelen voor Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke GmbH ("Schmitz-Gotha"). De zaak werd onder nummer NN 156/99 ingeschreven. Bij brieven van 12 juni 1998, 21 december 1999 en 17 mei 2000 verzocht de Commissie Duitsland om aanvullende inlichtingen. Duitsland antwoordde met brieven d.d. 15 oktober 1998, 21 juli 1999, 27 april 2000, 1 december 2000 en 8 januari 2001.

(2) Bij brief van 23 mei 2001 heeft de Commissie Duitsland in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag ten aanzien van deze zaak, die ze onder nummer C 31/2001 heeft ingeschreven. De opmerkingen van Duitsland kwamen op 14 en 22 augustus 2001 binnen. Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure werd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(2) bekendgemaakt. De Commissie nodigde de belanghebbenden uit hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel kenbaar te maken, maar kreeg hierop geen antwoord. De Commissie stelde Duitsland bij brief d.d. 1 oktober 2001 nog enkele vragen, die op 14 december 2001 werden beantwoord. Verdere inlichtingen kwamen op 16 en 28 mei en op 3 juli 2002 binnen.

II. BESCHRIJVING

1. De begunstigde

(3) Deze procedure heeft betrekking op financieringsmaatregelen voor de herstructurering van Schmitz-Gotha, een in Thüringen gevestigde onderneming, die actief is in de voertuigbouw en met name in de sector carrosserie en aanhangwagens. De voorloper van Schmitz-Gotha was Gothaer Fahrzeugwerke GmbH (hierna: de voormalige onderneming Gotha), een onderneming die vroeger staatseigendom was en die na haar privatisering in 1994 bij de houdstermaatschappij Lintra Beteiligungsholding GmbH ("Lintra-Holding") werd ondergebracht. Naast andere steun ontving de groep van acht ondernemingen van Lintra-Holding voor de periode 1995-1997 van overheidswege, ter ondersteuning van hun privatisering, 175 miljoen DEM aan steun voor het dekken van verliezen. Reeds in 1996 was deze laatste steun volledig opgebruikt en maakte de voormalige onderneming Gotha weer een verlies van 12,4 miljoen DEM. Voor 1997 werd nog eens een verlies van 7,5 miljoen DEM verwacht. De privatisering van de voormalige onderneming Gotha werd in 1996 dan ook als mislukt beschouwd en de Bundesanstalt für vereinigungsbedingte Sonderaufgaben (BvS) kreeg opnieuw de zeggenschap over de onderneming. BvS besloot de herstructurering voort te zetten teneinde de onderneming voor te bereiden op een verkoop. Uiteindelijk werden de als verkoopbaar beschouwde delen van de materiële vaste activa van de voormalige onderneming Gotha overgenomen door twee ondernemingen, Schmitz-Gotha en Gothaer Fahrzeugtechnik. De overige materiële activa werden geliquideerd. Over deze voorafgaande ontwikkeling van de voormalige onderneming Gotha werden de volgende cijfers bekendgemaakt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(4) Van de acht potentiële investeerders deden slechts de beide huidige investeerders, Schmitz Cargobull AG (70 %) en Josef Koch GmbH (30 %), een gezamenlijk bod op Schmitz-Gotha. Zij kochten de materiële activa op 10 september 1997 voor de prijs van 1 DEM. De heer Koch werd daarop de enige directeur van Schmitz-Gotha. Na de overname in 1997 had Schmitz-Gotha 77 werknemers.

2. De herstructurering

(5) Het grootste probleem van de voormalige transportmiddelenproducent Gotha (nu Schmitz-Gotha) was dat de onderneming niet in staat bleek te zijn concurrerende eigen producten in serie te produceren, waardoor zij afhankelijk was van de productie op bestelling voor hoofdzakelijk twee belangrijke klanten. Bij de productie op bestelling ging het slechts om kleinere partijen. Gezien de geringe hoeveelheden die werden geproduceerd, was de technische en de personeelscapaciteit van de onderneming veel te groot, hetgeen tot te hoge vaste kosten leidde. Duitsland betoogt dat met het oog op de herstructurering investeringen nodig waren voor het scheiden van de infrastructuur van de twee ondernemingen die de oorspronkelijke onderneming opvolgden, alsook voor de sanering, het onderhoud en de aanschaf van machines en logistiek voor het opzetten van een efficiënte serieproductie van eigen producten.

(6) Vóór het besluit tot inleiding van de procedure werden de volgende herstructureringskosten opgegeven:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(7) Volgens het oorspronkelijk voorgelegde plan moest de onderneming binnen twee tot drie jaar voldoende concurrentievermogen verwerven en ten laatste in het vierde boekjaar duurzaam positieve bedrijfsresultaten behalen. Volgens het herstructureringsplan zou Schmitz-Gotha zijn productie vooral toespitsen op carrosserie, aanhangwagens en diverse soorten speciale aanhangwagens en tevens de afdeling Projectontwikkeling van de groep-Schmitz voor klanten zoals het Duitse leger en verhuurbedrijven op zich nemen. Schmitz-Gotha zou daarbij een beroep doen op het uitgebreide distributienet van zijn investeerders.

(8) Op 9 oktober 1997, een maand na de overname door de nieuwe investeerders, verwierf Schmitz-Gotha voor 3,7 miljoen DEM een belang van 100 % in een van zijn toeleveringsbedrijven, [...](3) - een door de heer Koch opgericht en door deze als directeur-aandeelhouder geleid bedrijf. Ondanks het in het besluit tot inleiding van de procedure vervatte bevel tot informatieverstrekking, dat met name betrekking had op de omstandigheden waaronder het belang van 100 % in [...]* was verworven, heeft Duitsland geen koopovereenkomst en geen nauwkeurige gegevens over de vorige eigenaren van [...]* overgelegd. Uit de verstrekte inlichtingen valt alleen maar af te leiden dat [...]* voorheen in handen van drie particulieren was. Van de koopprijs werd op 25 februari 1998 2,2 miljoen DEM betaald. De resterende 1,5 miljoen DEM zou in vier jaarlijkse termijnen van 375000 DEM worden betaald, op voorwaarde dat [...]* een jaarlijks bedrijfsresultaat vóór belastingen van 500000 DEM behaalde. Omdat men ervan uitging dat de firma de geplande resultaten zou verwezenlijken, werd het resterende bedrag van 1,5 miljoen DEM volledig opzij gezet. Iedere betaalde termijn leidde tot een dienovereenkomstige vermindering van het aflossingsbedrag. De bedoeling van de overname was de productie te stroomlijnen en de toelevering van speciale voertuigonderdelen te verzekeren.

(9)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Financieringsmaatregelen van de overheid ten behoeve van de herstructurering

(10) Oorspronkelijk gaf Duitsland de volgende maatregelen op als overheidsbijdrage aan de herstructurering na de overname in 1997:

TABEL 1

Oorspronkelijk als overheidsbijdrage opgegeven maatregelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(11) In 1997 kreeg de voormalige onderneming Gotha bovendien een BvS-subsidie ten bedrage van 6,1 miljoen DEM voor de vergoeding van ontslagen werknemers. Volgens Duitsland ging het in dit geval niet om steun, aangezien de werknemers de begunstigden waren. Zelfs indien de maatregel toch als steun zou worden aangemerkt, kon Schmitz-Gotha niet als de begunstigde worden beschouwd, omdat de onderneming overeenkomstig de Duitse wettelijke voorschriften alle resterende personeelsleden had overgenomen. In dit geval moest de voormalige onderneming Gotha dus als de begunstigde worden beschouwd, omdat de maatregel voor de inkrimping van het personeelsbestand van de vroegere onderneming Gotha en de liquidatie van de onderneming had gediend.

4. Financiële bijdragen uit andere bronnen

(12) Oorspronkelijk werden door Duitsland de volgende bedragen als bijdragen van de begunstigde of uit externe commerciële bronnen aangegeven:

TABEL 2

Oorspronkelijk als particuliere bijdragen opgegeven maatregelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

5. De markt

(13) De onderneming is actief in de voertuigbouw, en met name de sector carrosserie en aanhangwagens (NACE-code 1.34.20), een sector waarin intracommunautaire handel plaatsvindt. Haar aandeel in de productie van aanhangwagens bedroeg in 2000 19 % van de Duitse en 7 % van de Europese markt.

(14) Duitsland beweerde aanvankelijk dat men zich bij de beoordeling van de capaciteit moest baseren op het aantal werknemers en productiefaciliteiten, omdat de productie van aanhangwagens hoofdzakelijk montagewerk is. Van 1997 tot 2001 nam het aantal werknemers toe van 77 tot 240, terwijl het aantal productielocaties gelijk bleef. Het feit dat er voor aanhangwagens lange leveringstermijnen bestaan, bewijst volgens Duitsland dat er op deze markt geen overcapaciteit bestaat.

6. Besluit tot inleiding van de procedure overeenkomstig artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag

(15) In het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure werden de in tabel 1, maatregel 1, weergegeven maatregelen, in tegenstelling tot het standpunt van Duitsland, als steun aangemerkt omdat ze als een voordeel voor de onderneming moeten worden beschouwd, hoewel ze voor de tewerkstelling van individuele werknemers waren bestemd. Zij vallen derhalve onder artikel 87 van het EG-Verdrag.

(16) Niettegenstaande de argumenten van Duitsland werd de in overweging 11 beschreven BvS-subsidie van 6,1 miljoen DEM ook als steun aangemerkt, omdat de uit werkgelegenheidswetten of CAO's voortvloeiende verplichtingen tot betaling van ontslagvergoedingen een onderdeel zijn van de gewone kosten, die door de onderneming zelf moeten worden gedragen. De maatregelen werden als steun voor Schmitz-Gotha beschouwd, omdat de Commissie van oordeel was dat deze maatregelen, hoewel ze aan de voormalige onderneming Gotha werden betaald, uitsluitend bedoeld waren om de overname door de opvolger mogelijk te maken. Omdat er geen informatie was verstrekt over de verdeling van deze subsidie over de twee ondernemingen die Gotha hebben opgevolgd, verzocht de Commissie terzake informatie te verstrekken.

(17) Bij de inleiding van de procedure werd ervan uitgegaan dat de steun onder de nieuwe communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden(4) ("de richtsnoeren van 1999") viel, omdat werd aangenomen dat een deel van de steun na de bekendmaking van deze richtsnoeren in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen was verleend.

(18) Daarnaast uitte de Commissie bij de inleiding van de procedure twijfels ten aanzien van de volgende punten:

a) Was in de verkoop aan de nieuwe investeerders voor de prijs van 1 DEM geen nieuwe steun vervat, aangezien niet vaststond of de verkoop in het kader van een openbare en onvoorwaardelijke procedure had plaatsgevonden? Bovendien was niet duidelijk of de betaalde prijs wel de marktprijs was, aangezien de liquidatiewaarde op 4,36 miljoen DEM was geraamd.

b) Voldeed de in het kader van maatregel 2 van tabel 1 verleende investeringssubsidie wel aan de voorwaarden van de door Duitsland genoemde regeling?

c) Voldeed de in het kader van maatregel 1, onder b), van tabel 1 verleende subsidie aan de voorwaarden van de betrokken regeling?

d) Was het herstructureringsplan wel geschikt om de levensvatbaarheid op lange termijn van de onderneming te herstellen, aangezien de mogelijk uit de negatieve eindbeschikking in de zaak Lintra-Holding voortvloeiende verplichting voor de onderneming om - naast andere begunstigden - steun ten bedrage van 7,1 miljoen DEM terug te betalen, de verwezenlijking van de doelstellingen van het herstructureringsplan in het gedrang zou kunnen brengen?

e) Leidde de steun, niettegenstaande de beweringen van Duitsland, niet tot buitensporige vervalsing van de mededinging door capaciteitsverhoging, aangezien het aantal werknemers tijdens de herstructurering van 77 tot 240 steeg?

f) Stond de steun wel in verhouding tot de kosten en baten van de herstructurering, aangezien volgens de tijdens het voorlopige onderzoek verstrekte informatie de financiëleherstructureringsbijdragen vermoedelijk niet de opgegeven herstructureringskosten dekten? Bovendien was het twijfelachtig of de begunstigde met eigen of vreemde middelen een aanzienlijke bijdrage aan de herstructurering had geleverd, aangezien de volgende door Duitsland opgegeven bedragen waarschijnlijk niet als bijdragen van de begunstigde in de zin van de richtsnoeren kunnen worden beschouwd:

i) de lening van de Vereinsbank ten bedrage van 2,65 miljoen DEM (maatregel 5 in tabel 2), die volgens de beschikbare gegevens nooit door Schmitz-Gotha werd gebruikt;

ii) de lening van de Vereinsbank ten bedrage van 2,35 miljoen DEM (maatregel 7 in tabel 2), omdat deze door steunmaatregelen van een KfW-programma werd geherfinancierd.

In tegenstelling met de verklaringen van Duitsland bleken de bijdragen van de begunstigde aan de herstructurering dus slechts 4 miljoen DEM te bedragen.

g) Bovendien was het twijfelachtig of de steun beperkt bleef tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum, aangezien Schmitz-Gotha tijdens de herstructurering een belang van 100 % in een andere onderneming verwierf voor de prijs van 3,7 miljoen DEM.

(19) Wegens de in verband met de in overweging 18, onder a) t/m c), e), f), ii), en g), geuite twijfels gaf de Commissie een bevel tot informatieverstrekking overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag(5).

III. OPMERKINGEN VAN DUITSLAND

(20) In het kader van de formele onderzoeksprocedure verstrekte Duitsland de volgende nieuwe of gewijzigde gegevens.

(21) Voor de als nummer 1 in tabel 1 vermelde maatregelen gaf Duitsland andere bedragen op dan in de oorspronkelijk verstrekte informatie. Volgens de laatste informatie heeft Schmitz-Gotha tussen 1997 en 2000 loonsubsidies ten bedrage van 527000 DEM ontvangen. Daarvan zou 43824 DEM overeenkomstig de mededeling van de Commissie inzake de-minimissteun(6) zijn verleend en 351160 DEM in het kader van een goedgekeurde steunregeling(7). Ten slotte werd, in het kader van een Duitse wetsbepaling(8), een bedrag van 131745 DEM verleend. Volgens Duitsland was dit geen staatssteun, maar een algemene maatregel die op de professionele herintegratie van individuele werknemers is gericht en derhalve niet aan de onderneming maar aan opnieuw in dienst genomen individuele werknemers ten goede komt.

(22) Wat betreft de verdeling van de BvS-subsidie van 6,1 miljoen DEM voor vergoedingen voor ontslagen werknemers bij de overgang van de voormalige onderneming Gotha naar de onderneming die deze opvolgde (overweging 11), verklaarde Duitsland dat bij de overname van de activa door Schmitz-Gotha slechts 26 van de 144 werknemers niet werden overgenomen. Dezen hadden voor een bedrag van 497000 DEM ontslagvergoeding ontvangen, welke met de BvS-subsidie was betaald. Alle overige bedragen zouden voor de liquidatie van de oude onderneming zijn gebruikt.

(23) Volgens Duitsland werd de BvS-subsidie van 3,2 miljoen DEM (maatregel 3 van tabel 1) niet in 1999, maar in 1998 verleend.

(24) Wat de verkoopsprocedure betreft, voerde Duitsland aan dat door uitvoerige persberichten over de ondergang van Lintra-Holdinggesellschaft alle potentiële gegadigden reeds op de hoogte waren van de geplande verkoop van de activa. Bovendien werden de grootste ondernemingen van de sector voertuigbouw vóór de verkoop ook rechtstreeks benaderd. Op grond daarvan hadden acht ondernemingen belangstelling getoond voor het verwerven van de activa en documentatie ontvangen. Vier van deze ondernemingen waren aan onderhandelingen begonnen; slechts twee ervan hadden een geloofwaardig bod gedaan. Het bod van Schmitz/Koch bleek het economisch beste bod van de twee.

(25) In verband met de liquidatiewaarde van 4,26 miljoen DEM tegenover de verkoopprijs van 1 DEM wijst Duitsland erop dat de volgens een deskundigenrapport ("Forensika-rapport") vastgestelde liquidatiewaarde slechts betrekking had op delen van de activa die niet geheel overeenkwamen met de aan Schmitz-Gotha verkochte activa. Daarenboven mocht niet uit het oog worden verloren dat voor de totale liquidatie financiële middelen ten bedrage van 15,375 miljoen DEM beschikbaar hadden moeten worden gesteld en dat het rendement van de desbetreffende activa wegens het negatieve totaalresultaat in geen geval positief had kunnen uitvallen. Ten slotte moest bij de vaststelling van de liquidatiewaarde van de verkochte activa rekening worden gehouden met het feit dat de capaciteit, die als basis voor de evaluatie diende, nooit ten volle kon worden benut. De werkelijke waarde bedroeg daarom slechts 50 % van de berekende waarde, waarvan nog eens 2,5 miljoen DEM moest worden afgetrokken voor rechtstreeks in verband met de verkoop ontstane herstructureringskosten. De marktwaarde van de aan Schmitz-Gotha verkochte activa kon dus onmogelijk meer dan 0 DEM bedragen.

(26) Over de mogelijke verplichting tot terugbetaling van 7,1 miljoen DEM van onrechtmatig aan Lintra Holding toegekende steun deelde Duitsland mee dat dit bedrag bij de liquidatie van de voormalige onderneming Gotha werd terugbetaald.

(27) Wat de mogelijke vervalsing van de mededinging betreft, heeft Duitsland de volgende bijkomende informatie over de markt verstrekt:

a) het marktaandeel van Schmitz-Gotha voor opleggers bedroeg 4,28 % in Duitsland en 0,2 % in de Gemeenschap;

b) wegens de sterke cyclische schommelingen die deze economische sector kenmerken, is het moeilijk om nauwkeurige informatie over de capaciteitssituatie te geven. Uit het aantal tussen 1998 en 2000 afgegeven kentekenbewijzen en de leveringstermijnen van zes tot acht maanden in 1999 viel echter niet af te leiden dat er sprake was van overcapaciteit op de markt. De benutting van de capaciteit was van 80,2 % in 1997 tot 89,2 % in 1999 gestegen. De orderportefeuille was tussen 1996 en 1999 van gemiddeld 10,8 weken tot 12,8 weken verhoogd. De gemiddelde omzet was tussen 1997 en 2000 met ongeveer 30 % gestegen;

c) de productiecapaciteit van de onderneming was ongeveer 50 % te groot, maar kon niet gedeeltelijk worden stilgelegd. Daarom leidde de verhoging van het aantal werknemers enkel tot een betere benutting van de bestaande productiecapaciteit.

Duitsland voerde daarenboven aan dat de capaciteit, overeenkomstig de richtsnoeren, als productiecapaciteit in de zin van technische capaciteit moest worden beoordeeld; zijn eerdere bewering dat de capaciteit van Schmitz-Gotha beter aan de hand van het aantal werknemers kon worden beoordeeld, mocht dan ook niet verkeerd worden begrepen. Duitsland benadrukte dat de technische capaciteit niet werd verhoogd en doorgaans slechts voor 50 % was benut. In verband met de uitbreiding van het aantal werknemers merkte Duitsland op dat het bedrijf in oktober 1997 was overgenomen zonder dat men een nauwkeurig zicht had op de toekomstige orders en mogelijke productievolumes. Daarom vond de belangrijkste uitbreiding in 1998 plaats, toen de behoefte aan personeel beter kon worden ingeschat. Sindsdien was het personeelsbestand bijna niet meer uitgebreid.

(28) Met betrekking tot de passende eigen bijdrage in de kosten en baten van de herstructurering heeft Duitsland de volgende bijkomende gegevens over de bijdragen van de begunstigde verstrekt:

a)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB:

De tabel bevat afgeronde cijfers en is daardoor rekenkundig niet helemaal correct.

b) Voor maatregel 2 in tabel 1, waarvoor oorspronkelijk 2,42 miljoen DEM was vermeld, gaf Duitsland een ander bedrag op. De maatregel omvatte investeringssubsidies van 1,836 miljoen DEM en een investeringspremie in het kader van een goedgekeurde regeling(9) ten bedrage van 362000 DEM, wat in totaal op 2,198 miljoen DEM uitkwam.

c) Er was een overschot van 14,732 miljoen DEM gerealiseerd, dat in de kapitaalreserves van de onderneming was opgenomen. Daarom had de onderneming geen gebruik hoeven te maken van 650000 DEM van de investeringssubsidies van maatregel 2 in tabel 1 en van een lening van de Vereinsbank (maatregel 5 in tabel 2).

d) Maatregel 7 in tabel 2 was uitsluitend door zekerheden van Schmitz-Gotha gedekt, waarvoor de KfW, die deze lening herfinancierde, geen honoreringsgarantie beschikbaar stelde. Het in de verlaagde rentevoet van 4,25 % (in plaats van 5,11 %, zoals oorspronkelijk vermeld) vervatte steunelement bedroeg hetzij 1,69 %, d.w.z. 39000 DEM per jaar, hetzij 5,69 %, d.w.z. 131000 DEM, indien de rentevoet met 4 % werd verhoogd overeenkomstig de mededeling van de Commissie over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld(10).

Volgens Duitsland bedraagt de bijdrage van de begunstigde uit eigen middelen of externe financiering 20,692 miljoen DEM of 75,72 %.

(29) Volgens de laatste gegevens bedroeg de steun van overheidswege 6,636 miljoen DEM, die als volgt was onderverdeeld:

TABEL 3

Na de inleiding van de procedure als overheidsbijdrage opgegeven maatregelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(30)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

IV. BEOORDELING VAN DE STEUN

(31) Overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Maatregelen die onder artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag vallen en geen bestaande steun zijn, zijn in de regel onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, tenzij de uitzonderingsbepalingen van artikel 87, lid 2 of 3, van het EG-Verdrag erop van toepassing zijn.

1. Staatssteun

(32) Volgens de beschikbare informatie is de maatregel uit hoofde van §227 SGB III, d.i. maatregel 1, onder a), i), in tabel 3, onmiskenbaar een algemene maatregel. Zelfs indien deze als steun moet worden aangemerkt, zou dat niet van invloed zijn op de uitkomst van deze beschikking; deze maatregel hoeft dus niet verder te worden onderzocht. Volgens de beschikbare gegevens werd van de BvS-subsidie van 6,1 miljoen DEM slechts 497000 DEM (maatregel 3, onder a), in tabel 3) gebruikt voor de vergoeding van ontslagen werknemers, die Schmitz-Gotha had moeten overnemen. Het resterende bedrag van 5,6 miljoen DEM werd voor de liquidatie van de vroegere onderneming gebruikt en hoeft dus niet te worden onderzocht in het kader van deze beschikking.

(33) Tijdens de verkoopsprocedure van 1997 werden de belangrijkste ondernemingen van de sector voertuigbouw benaderd; acht daarvan toonden interesse en twee ervan schreven uiteindelijk in. De in het Forensika-rapport bepaalde liquidatiewaarde had enkel betrekking op delen van de activa die niet overeenkwamen met de aan Schmitz-Gotha verkochte delen en ging voorbij aan de bijkomende financiële lasten die rechtstreeks in verband met de verkoop waren ontstaan. Dankzij de aanvullende informatie die Duitsland over de verkoopsprocedure van 1997 verstrekte, kon het aanvankelijk geopperde bezwaar dat de verkoop mogelijk een steunelement bevatte, dus worden weggenomen.

(34) Artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag is op alle overige financiële maatregelen van Duitsland ten behoeve van de begunstigde onderneming van toepassing. De Commissie stelt vast dat BvS een federale instelling is die, evenals haar voorganger de Treuhandanstalt, als taak heeft de staatsbedrijven in Oost-Duitsland te privatiseren. BvS maakt deel uit van de federale overheid en is die overheid verantwoording verschuldigd. De maatregelen van BvS moeten bijgevolg als maatregelen van de staat worden beschouwd. De Commissie stelt tevens vast dat KfW, Duitslands steunverleningsbank, een overheidsinstelling is waarvoor de federale overheid zich als borg onbeperkt aansprakelijk heeft gesteld. Om deze redenen moeten de maatregelen van KfW ook aan de staat worden toegerekend.

(35) Met deze maatregelen werden aan een onderneming economische voordelen verleend die deze nooit uit externe commerciële bronnen zou hebben gekregen. Het betreft hier derhalve steunmaatregelen die de mededinging kunnen vervalsen. Wegens de aard van de steun en het feit dat er tussen de lidstaten handelsverkeer plaatsvindt in de producten van de sector waarin de begunstigde onderneming actief was, vallen de financiële maatregelen onder artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag.

(36) Wat betreft maatregel 1, onder a), ii), in tabel 3, stelt de Commissie vast dat deze volgens de beschikbare informatie in overeenstemming is met de mededeling inzake de-minimissteun(11), aangezien het totaalbedrag in de betrokken periode van drie jaar niet meer dan 100000 EUR bedroeg. Deze maatregel hoeft bijgevolg niet te worden beoordeeld in het kader van deze beschikking. Hoe dan ook zou de beoordeling van het onderhavige geval niet anders uitvallen indien wel met deze maatregel rekening zou worden gehouden.

(37) Wat de in het kader van goedgekeurde regelingen verleende steun betreft, stelt de Commissie vast dat de aanvullende inlichtingen die Duitsland over de maatregelen 1, onder b), en 2, onder a), in tabel 3 heeft verstrekt, haar twijfels omtrent de juiste toepassing van deze regelingen konden wegnemen. Ook met betrekking tot de investeringspremie van 362000 DEM (maatregel 2, onder b), in tabel 3), waarvan pas na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure melding werd gemaakt, kan aan de hand van de beschikbare informatie worden vastgesteld dat de voorwaarden van de regeling in acht zijn genomen. Deze maatregelen hoeven in het kader van deze beschikking derhalve niet verder te worden onderzocht.

(38) De maatregelen ten bedrage van 4,087 miljoen DEM onder nummer 3 in tabel 3 werden niet in het kader van een door de Commissie goedgekeurde steunregeling verleend en moeten derhalve als ad-hocsteun worden beoordeeld.

(39) Met name in verband met maatregel 3, onder c), in tabel 3 (lening van 2,35 miljoen DEM) zij opgemerkt dat deze door KfW tegen een verlaagde rentevoet werd geherfinancierd en derhalve een rentesubsidie omvat. Zoals hierna wordt uiteengezet, moest Schmitz-Gotha op het moment dat deze subsidie werd verleend als een onderneming in moeilijkheden worden beschouwd. Daarom moet hier een verhoogde referentierentevoet worden toegepast om het steunelement van deze met overheidsmiddelen gefinancierde rentesubsidie te berekenen. Overeenkomstig de mededeling over de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld kan voor dergelijke bijzondere risicogevallen de rentevoet met 4 % of meer worden verhoogd. Omdat Schmitz-Gotha de bedoelde lening zonder de herfinanciering van KfW niet tegen deze voorwaarden had gekregen, hanteert de Commissie in dit geval een met de minimumtoeslag van 4 % verhoogde referentierentevoet, d.w.z. 9,94 %, om het in deze lening vervatte steunelement te berekenen. De in deze lening vervatte investeringspremie komt dus uit op 5,69 % per jaar, of een jaarlijks bedrag van 131000 DEM, en moet als steun worden beschouwd.

(40) Voorts moet worden vastgesteld dat Duitsland de verplichting die het uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag heeft, niet is nagekomen. Daarom betreft het onwettige steun. Dit hoeft echter nog niet te betekenen dat de steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt; om dit na te gaan moeten de maatregelen overeenkomstig artikel 87 van het EG-Verdrag afzonderlijk worden onderzocht.

2. Uitzonderingsbepalingen van artikel 87 van het EG-Verdrag

(41) Het doel van de steun bestaat erin de herstructurering van de begunstigde onderneming mogelijk te maken. Omdat van de uitzonderingsbepalingen van artikel 87, leden 2 en 3, geen andere bepaling toepasbaar is, komt artikel 87, lid 3, onder c), in aanmerking.

(42) In haar richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun geeft de Commissie nauwkeurig de voorwaarden aan waaronder zij overeenkomstig artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag haar beoordelingsbevoegdheid mag uitoefenen. Omdat uit de door Duitsland in het kader van de formele onderzoeksprocedure verstrekte informatie bleek dat alle steunmaatregelen aan de begunstigde werden verleend vóór de bekendmaking van de richtsnoeren van 1999, zijn, overeenkomstig punt 101 van deze richtsnoeren, de richtsnoeren in de versie van 1994 (Communautaire kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden(12)), van toepassing.

(43) De voorwaarde om in aanmerking te komen voor herstructureringssteun overeenkomstig de richtsnoeren van 1994 is dat de begunstigde een onderneming in moeilijkheden moet zijn. Volgens punt 2.1 van deze richtsnoeren worden ondernemingen in moeilijkheden gekenmerkt door een verminderende rentabiliteit of toenemend verlies, een dalende omzet, een geringere cashflow en een lage nettowaarde van de activa.

(44) De Commissie stelt vast dat de voormalige onderneming Gotha eerst verliezen bleef maken, die pas in het eerste jaar na de privatisering gedeeltelijk konden worden gedekt doordat de overheid de verliezen overnam. Daarom kon de vroegere onderneming Gotha zonder meer als een onderneming in moeilijkheden worden beschouwd. De steun is na de overname in 1997 aan de onderneming verleend. Er zij op gewezen dat de door Schmitz-Gotha overgenomen activiteit met moeilijkheden kampte, zoals het onvermogen om in serie te produceren en de te grote technische en personeelscapaciteit, die tot te hoge vaste kosten leidde. Er kan van worden uitgegaan dat de structurele moeilijkheden van de voormalige onderneming Gotha door de nieuwe investeerders werden overgenomen. Door de noodzakelijke scheiding van de infrastructuur zijn bovendien nog extra kosten ontstaan. In het oorspronkelijk in 1998 voorgelegde herstructureringsplan waren, ondanks de steunverlening, aanhoudende verliezen voor de eerste drie jaar voorzien. De Commissie gaat er dan ook van uit dat de onderneming ook na de overname als een onderneming in moeilijkheden moet worden beschouwd.

(45) In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure betwijfelde de Commissie of aan de voorwaarden van de richtsnoeren was voldaan.

a) Herstel van de levensvatbaarheid

(46) Bij de inleiding van de procedure werd vastgesteld dat de maatregelen in het kader van het herstructureringsplan in principe geschikt waren om de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn te herstellen. Er werd wel op gewezen dat de verwezenlijking van de doelstellingen van het plan, door de aan deze herstructurering verbonden verplichting dat "vroegere steun" ten bedrage van 7,1 miljoen DEM eventueel moest worden terugbetaald, op losse schroeven kwam te staan.

(47) Tijdens de formele onderzoeksprocedure deelde Duitsland de Commissie mee dat de "oude" schulden ondertussen door de vroegere onderneming waren afgelost. Hierdoor werden de aanvankelijke twijfels omtrent het herstel van de levensvatbaarheid weggenomen. Dit lijkt te worden bevestigd door de economische ontwikkeling van de onderneming, die reeds in 1999 het geplande bedrijfsresultaat van 5 miljoen DEM met [...]* miljoen DEM overtrof en dus een bedrijfsresultaat van [...]* miljoen DEM behaalde.

b) Voorkomen van vervalsing van de mededinging

(48) De Commissie stelt vast dat de markt waarin Schmitz-Gotha actief is, gekenmerkt wordt door cyclische schommelingen, zodat de precieze situatie op het gebied van de capaciteit moeilijk vast te stellen is. Gelet op de aanvullende informatie die is verstrekt, lijkt er evenwel geen overcapaciteit te bestaan. De Commissie stelt ook vast dat volgens de door Duitsland verstrekte gegevens de technische capaciteit niet werd vergroot. Bovendien constateert zij dat het met het oog op het herstel van de levensvatbaarheid noodzakelijk was de aanvankelijk sterk ingekrompen personeelscapaciteit weer uit te breiden, en dat de personeelscapaciteit vergeleken bij die van de voormalige onderneming Gotha desondanks niet is vergroot. De oorspronkelijke bezwaren in verband met vervalsing van de mededinging konden dan ook worden ingetrokken.

c) Evenredigheid uit het oogpunt van de kosten en baten van de herstructurering

(49) Overeenkomstig de richtsnoeren van 1994 moeten de begunstigden in de regel met eigen middelen of via externe financiering een belangrijke bijdrage aan het herstructureringsplan leveren. Met externe financiering wordt financiering tegen marktvoorwaarden bedoeld.

(50) Volgens de thans beschikbare informatie bedroegen de herstructureringskosten 27,328 miljoen DEM. Zoals uiteengezet hadden deze kosten grotendeels betrekking op investeringen in de activa van de onderneming.

(51) Uit de laatste verstrekte gegevens blijkt dat deze kosten uit de volgende bronnen werden gefinancierd.

TABEL 4

Financiering van de herstructureringskosten volgens de na de inleiding van de procedure verstrekte informatie

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

NB:

De tabel bevat afgeronde cijfers en is daardoor rekenkundig niet helemaal correct.

(52) Duitsland is van mening dat hierin eigen bijdragen van de begunstigde of externe financiering ten bedrage van 20692000 DEM zijn vervat.

(53) Aan de hand van de informatie waarover de Commissie beschikt, kan het volgende worden vastgesteld.

(54) Maatregel 4 in tabel 4, de beschikbaarstelling van eigen kapitaal ten bedrage van 3 miljoen DEM, kan als een bijdrage van de begunstigde worden aangemerkt.

(55) De lening van 1 miljoen DEM (maatregel 6 in tabel 4) werd door een particuliere bank verleend met als enige garantie zekerheden die door de begunstigde, zonder tussenkomst van de overheid, werden gesteld. De lening kan dus als bijdrage van de begunstigde worden beschouwd.

(56) De lening van de Vereinsbank ten bedrage van 2,35 miljoen DEM (maatregel 7 in tabel 2) werd geherfinancierd door KfW en omvat derhalve steun in de vorm van een rentesubsidie. Deze bijdrage kan in principe dan ook niet als zijnde onder marktvoorwaarden verleend worden beschouwd. Overeenkomstig de vaste praktijk van de Commissie kan het na aftrek van de rentesubsidie overblijvende bedrag echter als bijdrage van de begunstigde worden beschouwd, voorzover daar althans geen andere steunelementen in zijn vervat. Omdat in dit geval de lening uitsluitend door zekerheden van de begunstigde zonder overheidsbijdrage werd gedekt, kan het bedrag van 1,96 miljoen DEM (maatregel 7 in tabel 4) als bijdrage van de begunstigde worden beschouwd.

(57) Wat het overschot van 14,732 miljoen DEM (maatregel 8 in tabel 4) betreft, zij opmerkt dat cashflow in de regel niet als een bijdrage van de begunstigde kan worden beschouwd, omdat hij indirect of direct door de verleende steun is ontstaan en het precieze bedrag ervan bij de opstelling van het herstructureringsplan niet kan worden berekend. Daarom kan maatregel 8 principieel niet in aanmerking worden genomen. Hetzelfde geldt voor het bedrag van 650000 DEM van de investeringspremie (maatregel 2 in tabel 3), dat volgens de informatie van Duitsland niet werd gebruikt, omdat deze maatregel in ieder geval als steun moest worden beschouwd. Aangezien Duitsland heeft meegedeeld dat een reeds verleend krediet van de Vereinsbank ten bedrage van 2,65 miljoen DEM (maatregel 5 in tabel 4) wegens het ontstane overschot niet werd gebruikt, lijkt het twijfelachtig of dit bedrag als bijdrage van de begunstigde aan de herstructurering kan worden aangemerkt. Dit is echter niet van invloed op het resultaat van het onderzoek inzake de evenredigheid van de steun.

(58) De Commissie dient derhalve vast te stellen of de bijdrage van de eigen of externe financiering, in tegenstelling tot wat Duitsland beweert, slechts 5,96 miljoen DEM bedraagt.

(59) Anderzijds is een aanzienlijk deel van de herstructureringskosten gefinancierd met bijdragen die noch als bijdragen van de ontvanger van de steun noch als subsidies kunnen worden beschouwd, omdat ze uit de cashflow van de onderneming zijn gefinancierd. Vooral door deze omstandigheid valt het aandeel van de als zodanig te erkennen bijdrage van de begunstigde aan de totale herstructureringskosten zo laag uit. Daarnaast mag niet uit het oog worden verloren dat dit bedrag bijna gelijk is aan het door middel van subsidies gefinancierde bedrag van 6,6 miljoen DEM en dat de Commissie in eerdere gevallen die betrekking hadden op de nieuwe Duitse deelstaten, soms vrij geringe bijdragen van de begunstigde heeft aanvaard. Daarom kan de aanvankelijke twijfel over de vraag of de begunstigde een belangrijke bijdrage aan de herstructurering heeft geleverd, als weggenomen worden beschouwd.

(60) Bij de inleiding van de procedure werd bovendien betwijfeld of de steun, zoals in de richtsnoeren van 1994 wordt voorgeschreven, tot het strikt noodzakelijke minimum werd beperkt. Volgens het evenredigheidscriterium moet de steun worden beperkt tot het voor de herstructurering noodzakelijke minimum om het concurrentievervalsende effect ervan te beperken. Dit betekent ook dat de steun de begunstigde niet in staat mag stellen nieuwe, voor de herstructurering niet noodzakelijke investeringen te financieren.

(61) Bij het begin van de herstructurering in oktober 1997 kocht Schmitz-Gotha de leverancier [...]* voor 3,7 miljoen DEM. 2,2 miljoen DEM van de koopprijs werd meteen al in het eerste halfjaar van de herstructurering betaald. De rest, 1,5 miljoen DEM, werd echter afgelost in vier jaarlijkse termijnen, die aan het bereiken van een bepaalde omzet door [...]* waren gekoppeld. De overname van [...]* moet als een "nieuwe investering" worden beschouwd, die overeenkomstig de richtsnoeren van 1994 slechts te rechtvaardigen is, indien ze nodig was voor de herstructurering.

(62) In dit verband moet worden vastgesteld dat de investeerders de materiële activa voor 1 DEM verwierven. De heer Koch was een van de investeerders en tegelijkertijd de oprichter en directeur-aandeelhouder van [...]*, alsmede de toekomstige directeur van beide bedrijven. De Commissie wijst er nogmaals op dat Duitsland, ondanks het bevel tot informatieverstrekking, noch de koopovereenkomst noch nauwkeuriger schriftelijke gegevens over de oorspronkelijke eigendomssituatie van [...]* heeft verstrekt. Daarom kan de Commissie, gezien de overige omstandigheden en de mondeling verstrekte informatie, niet uitsluiten dat een belangrijk deel van [...]* vóór de overname direct of indirect eigendom van de heer Koch of zijn familie was. Duitsland heeft terzake aangevoerd dat Schmitz-Gotha de van [...]* betrokken onderdelen niet zelf kon produceren en evenmin in staat was de leveringsvoorwaarden aanmerkelijk te verbeteren en dat het hoofddoel van de overname bijgevolg was de productiekosten te drukken. De Commissie kan niet uitsluiten dat door de overname van [...]* een aanzienlijk bedrag dat voor de financiering van de herstructurering had moeten worden gebruikt, in feite aan een van de nieuwe investeerders werd betaald. De overname van [...]* was in ieder geval niet nodig om een goede samenwerking met [...]* te garanderen. Aangezien de heer Koch de oprichter en directeur-aandeelhouder van [...]* was en later ook de directeur van Schmitz-Gotha werd, lijkt het onwaarschijnlijk dat geen betere aankoopvoorwaarden met [...]* te bedingen waren. Bovendien moet een concurrerende onderneming in beginsel in staat zijn haar toeleveringsbehoefte tegen marktprijzen te financieren zonder daarbij in financiële moeilijkheden te geraken.

(63) Uit de door Duitsland verstrekte informatie blijkt dat de overname van [...]* een nuttige investering voor de onderneming was, aangezien deze tot aanzienlijke besparingen leidde die ertoe hebben bijgedragen dat de herstructureringsfase met een jaar kon worden ingekort. Dit betekent echter niet dat de investering nodig was om de herstructurering uit te voeren. Een onderneming die steun voor de financiering van haar herstructurering krijgt, kan met die steun niet om het even welke investering die haar efficiëntie verhoogt, financieren, omdat dergelijke investeringen tegelijkertijd ook altijd het vermogen van de begunstigde beperken om de herstructurering met eigen middelen te financieren. Alleen indien zonder de investering het welslagen van de herstructurering als zodanig onzeker is of deze op onaanvaardbare wijze zou worden vertraagd, kan een investering als noodzakelijk voor de herstructurering worden beschouwd, aangezien met de steun slechts wordt beoogd het concurrentievermogen van de onderneming binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen. Bij iedere investering die verder reikt dan wat nodig is om het concurrentievermogen binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen, worden onvermijdelijk financiële middelen gebruikt die voor de echt noodzakelijke herstructureringskosten hadden moeten worden aangewend en die aldus het voor de herstructurering benodigde steunbedrag zouden hebben verlaagd. Dit leidt ertoe dat de investeringen die niet in deze zin voor de herstructurering noodzakelijk zijn, een steunintensiteit met zich brengen die hoger is dan het strikt noodzakelijke minimum dat volgens het evenredigheidscriterium voor de herstructurering nodig is.

(64) De verlaging van de leveringskosten als zodanig volstaat niet om de noodzaak van de aankoop voor de herstructurering te rechtvaardigen. Bovendien heeft Duitsland nooit verklaard dat het succes van de herstructurering zonder de overname van [...]* in het gedrang zou zijn gekomen of op onaanvaardbare wijze zou zijn vertraagd. Ook zonder de overname van [...]* was in de oorspronkelijke planning voorzien dat in het vierde boekjaar een positief bedrijfsresultaat zou worden geboekt. Volgens de laatste informatie kon dit tijdsbestek door de overname van [...]* van vier tot drie jaar worden verkort. Maar zelfs indien slechts na vier jaar winst zou worden behaald, zou dat niet als een onredelijk tijdsbestek voor de herstructurering kunnen worden beschouwd. Het is integendeel zo dat men reeds in het oorspronkelijke plan op een vrij snel herstel van het concurrentievermogen rekende. Er moet derhalve worden vastgesteld dat ook zonder de overname van [...]* de herstructurering binnen een redelijk tijdsbestek tot een goed einde had kunnen worden gebracht en dat de overname bijgevolg niet nodig was voor het welslagen van de herstructurering. De Commissie stelt dan ook vast dat de aankoop van [...]* niet volstrekt noodzakelijk was voor het bereiken van de doelstellingen van het plan. Dit betekent dat de voor deze aankoop aangewende middelen elders aan de financiering van de herstructurering hadden moeten bijdragen, waardoor het voor de herstructurering benodigde steunbedrag lager was uitgevallen.

(65) De koopprijs van 3,7 miljoen DEM vormt een deel van de investeringen van 23,8 miljoen DEM die voor de herstructurering van 27,3 miljoen DEM bestemd waren. Uit het feit dat de overname al bij het begin van de herstructurering plaatsvond en een bedrag van 2,2 miljoen DEM reeds in het eerste halfjaar van de herstructurering werd betaald, blijkt dat de onderneming reeds op dat moment een liquiditeitsoverschot van minstens 2,2 miljoen DEM had, waarmee het investeringen kon doen die niet nodig waren voor de herstructurering. Het resterende bedrag van 1,5 miljoen DEM werd vervolgens in slechts vier jaarlijkse termijnen van 375000 DEM afgelost. Hoewel deze termijnen daadwerkelijk werden betaald, moet erop worden gewezen dat ze slechts behoefden te worden betaald indien [...]* een jaarlijks bedrijfsresultaat vóór belastingen van 500000 DEM behaalde. Ook al lijkt [...]* op het moment van de overname een winstgevend bedrijf te zijn geweest en ook al heeft het de voorziene resultaten later ook verwezenlijkt, toch stelt de Commissie vast dat het ten tijde van de aankoop nog niet zeker was of het bedrijf de beoogde resultaten daadwerkelijk zou kunnen bereiken. Daarom kan worden gesteld dat, om dezelfde redenen als die waarom de cashflow niet als bijdrage van de begunstigde aan de herstructurering kan worden aangemerkt, de cashflow ten bedrage van 1,5 miljoen DEM waarmee de overname werd gefinancierd, niet gegarandeerd was en derhalve geen deel uitmaakte van het liquiditeitsoverschot van de onderneming.

(66) De Commissie concludeert derhalve dat het voor de herstructurering strikt noodzakelijke minimum, zoals bedoeld in de richtsnoeren van 1994, met een steunbedrag van 2,2 miljoen DEM is overschreden. De Commissie beschouwt deze steun van 2,2 miljoen DEM overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag derhalve als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

V. CONCLUSIES

(67) De Commissie stelt vast dat de aan Schmitz-Gotha verleende steun voor een bedrag van 2,2 miljoen DEM niet tot het voor de herstructurering strikt noodzakelijke minimum was beperkt en derhalve niet voldoet aan de criteria van de richtsnoeren van 1994.

(68) Duitsland heeft de genoemde steun in strijd met artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag onrechtmatig verleend. De steun is voor een bedrag van 2,2 miljoen DEM onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van de richtsnoeren van 1994,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De steun die Duitsland aan Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke GmbH heeft verleend, is voor eenbedrag van 1,12 miljoen EUR onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

1. Duitsland neemt alle noodzakelijke maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigde terug te vorderen.

2. De terugvordering geschiedt onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures voorzover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten. De terug te vorderen steun omvat rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigde(n) ter beschikking is gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van de referentierentevoet welke wordt gehanteerd voor de berekening van het nettosubsidie-equivalent in het kader van regionale steunregelingen.

Artikel 3

Duitsland deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 30 oktober 2002.

Voor de Commissie

Mario Monti

Lid van de Commissie

(1) PB C 211 van 28.7.2001, blz. 15.

(2) Zie voetnoot 1.

(3) Bedrijfsgeheim, aangeduid met [...]*.

(4) PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.

(5) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(6) PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9.

(7) Zie voetnoot 3.

(8) Paragrafen 217 en 10 van het Sozialgesetzbuch III.

(9) Investitionszulage für die neuen Bundesländer, SG(96) D 3794 van 11 april 1996 (N 494/A/95).

(10) PB C 273 van 9.9.1997, blz. 3.

(11) Zie voetnoot 7. Vergelijk ook met Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30).

(12) PB C 368 van 23.12.1994, blz. 12.