32002R1411

Verordening (EG) nr. 1411/2002 van de Commissie van 29 juli 2002 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op getextureerd filamentgaren van polyester uit India

Publicatieblad Nr. L 205 van 02/08/2002 blz. 0026 - 0049


Verordening (EG) nr. 1411/2002 van de Commissie

van 29 juli 2002

tot instelling van een voorlopig compenserend recht op getextureerd filamentgaren van polyester uit India

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1), en met name op artikel 12,

Na overleg met het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

(1) Op 9 november 2001 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(2) de inleiding bekendgemaakt van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van getextureerd filamentgaren van polyester uit India en Indonesië.

(2) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die in september 2001 was ingediend door het "International Committee of Rayon and Synthetic Fibres (CIRFS)" namens producenten die een groot deel vertegenwoordigen van de productie van getextureerd filamentgaren van polyester in de Gemeenschap. De klacht bevatte bewijsmateriaal dat dit product uit India en Indonesië werd gesubsidieerd en dat genoemde producenten hierdoor aanmerkelijke schade hadden geleden, welk bewijsmateriaal toereikend werd geacht om tot de inleiding van een antisubsidieprocedure over te gaan.

(3) Met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(3) werd op dezelfde datum bekendgemaakt dat ook een antidumpingprocedure werd ingeleid betreffende hetzelfde product uit India.

(4) Momenteel zijn definitieve antidumpingmaatregelen van toepassing op getextureerd filamentgaren van polyester uit Maleisië (Verordening (EG) nr. 1001/1997 van de Raad(4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1992/2000(5)), Indonesië, Thailand (Verordening (EG) nr. 2160/1996 van de Raad(6), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1078/2001(7)) en Taiwan (Verordening (EG) nr. 3905/1988 van de Raad(8), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2010/2000(9)). De maatregelen ten aanzien van Maleisië(10), Taiwan(11), Indonesië(12) en Thailand(13) worden thans onderzocht in het kader van een herzieningsprocedure bij het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad(14), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000(15). Bij dat onderzoek wordt nagegaan of de maatregelen al dan niet moeten worden gehandhaafd.

(5) Voordat de procedure werd ingeleid, heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad ("de basisverordening"), de Indiase en de Indonesische overheid ervan in kennis gesteld dat zij een met voldoende bewijsmateriaal ondersteunde klacht had ontvangen dat getextureerd filamentgaren van polyester uit hun land dat in de Gemeenschap werd ingevoerd werd gesubsidieerd en dat de bedrijfstak van de Gemeenschap hierdoor aanmerkelijke schade leed. De Indiase en Indonesische overheid werd uitgenodigd om de in de klacht omschreven situatie te bespreken om tot een oplossing te komen. De Indiase overheid is op deze uitnodiging ingegaan en heeft met de diensten van de Commissie in Brussel besprekingen gevoerd, maar kon niet met voldoende bewijsmateriaal aantonen dat de klacht ongegrond was. De Indonesische overheid heeft geen gehoor gegeven aan de uitnodiging.

(6) De Commissie heeft de producenten/exporteurs en hun representatieve organisaties, de haar bekende belanghebbende importeurs/handelaars, de vertegenwoordigers van de betrokken exportlanden, de gebruikers van het betrokken product, de toeleveranciers van de EG-producenten, de klagende EG-producenten en alle andere haar bekende EG-producenten officieel van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt schriftelijk uiteen te zetten en te verzoeken te worden gehoord.

(7) De Indiase overheid, de Indonesische overheid en een aantal producenten/exporteurs in India en Indonesië alsmede EG-producenten, gebruikers en importeurs/handelaars in de Gemeenschap hebben hun standpunt schriftelijk uiteengezet. Alle partijen die binnen de gestelde termijn een verzoek hadden ingediend om te worden gehoord en konden aantonen dat er bijzondere redenen om hen te horen, werden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

(8) Gezien het kennelijk zeer grote aantal producenten/exporteurs van het betrokken product in India en Indonesië, zoals bleek uit de klacht, werd in het bericht van inleiding van de procedure voorgesteld voor het onderzoek naar subsidiëring gebruik te maken van steekproeven.

(9) De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan een representatieve steekproef van producenten/exporteurs in India en heeft van hen uitgebreide informatie ontvangen (zie overwegingen 17 tot en met 22).

(10) Voor Indonesië werd het gebruik van steekproeven niet nodig geacht, daar slechts een klein aantal producenten/exporteurs in dat land zich bij de Commissie had aangemeld en de in het bericht van inleiding gevraagde gegevens had verstrekt. De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan en antwoord ontvangen van vijf producenten/exporteurs in Indonesië.

(11) Voorts heeft de Commissie vragenlijsten toegezonden aan alle andere haar bekende belanghebbenden. Twee van de zes klagende EG-producenten en één EG-producent die aanvankelijk geen deel uitmaakte van de klagende partij hebben de vragenlijst beantwoord, alsmede de Indische en Indonesische overheid. De Commissie heeft tevens antwoord ontvangen van één gebruiker van het betrokken product en twee toeleveranciers van de bedrijfstak van de Gemeenschap die voldoende uitgebreide en representatieve informatie verstrekten om bij de beoordeling van het belang van de Gemeenschap te worden gebruikt. Geen enkele importeur in de Gemeenschap die geen banden had met de producenten/exporteurs heeft de vragenlijst beantwoord of zich bekendgemaakt.

(12) De Commissie heeft alle informatie die zij voor de vaststelling van subsidiëring, schade en het belang van de Gemeenschap nodig had, verzameld en gecontroleerd. Bij de Indiase en Indonesische overheid en bij volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:

a) EG-producenten

- Dupont SA, Verenigd Koninkrijk

- Sinterama SpA, Italië

b) Producenten/exporteurs in India

- Indo Rama Synthetics Ltd, Nagpur, Maharashtra

- Reliance Industries Ltd, Mumbai, Maharashtra

- Welspun Syntex Ltd, Mumbai, Maharashtra

c) Producenten/exporteurs in Indonesië

- PT. Indorama Synthetics Tbk, Jakarta

- PT. Mutu Gading Tekstil, Jakarta

- PT. Panasia Indosyntec, Bandung

- PT. Polyfin Canggih, Bandung

- PT Sulindafin (PT Susilia Idah Synthetic Fiber Industries), Jakarta.

(13) Het onderzoek naar subsidiëring en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2000 tot 30 september 2001 (hierna het "onderzoektijdvak" genoemd). De analyse van de trends die van belang zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 oktober 1997 tot het eind van het onderzoektijdvak (hierna "de beoordelingsperiode" genoemd).

B. ONDERZOCHT PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Onderzocht product

(14) Het product waarop de klacht betrekking heeft is getextureerd filamentgaren van polyester, hierna PTY genoemd (polyester textured filament yarn), ingedeeld onder de GN-code 5402 33 00, van oorsprong uit India en Indonesië. Het wordt rechtstreeks verkregen uit gedeeltelijk verstrekte garens van polyesters en vervolgens getextureerd. Het wordt gebruikt voor de vervaardiging van geweven of gebreide stoffen van polyester of van polyester/katoen. Er zijn verschillende soorten PTY die van elkaar kunnen worden onderscheiden al naar gelang gewicht (denier), het aantal filamenten, vlamvertragende werking, de wijze waarop het is geverfd en getwijnd. Voorts zijn er verschillende kwaliteiten, afhankelijk van de doelmatigheid van het productieproces. Er zijn echter geen significante verschillen in de fysieke basiskenmerken en toepassingsmogelijkheden van de verschillende soorten en kwaliteiten. Deze worden in het kader van dit onderzoek derhalve als een enkel product beschouwd.

2. Soortgelijk product

(15) Bij het onderzoek bleek dat PTY dat in India en Indonesië wordt vervaardigd en daar verkocht dezelfde fysieke basiskenmerken en toepassingen heeft als PTY dat uit die landen naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd. PTY dat door de klagende EG-producenten wordt vervaardigd en op de EG-markt verkocht heeft dezelfde fysieke basiskenmerken en toepassingen als PTY dat uit India en Indonesië naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd.

(16) PTY dat op de binnenlandse markt in India en Indonesië wordt verkocht en naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd en PTY dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd en verkocht zijn soortgelijk producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C. STEEKPROEF

1. Steekproef van Indiase exporteurs

(17) Gezien het grote aantal producenten/exporteurs in India dat in de klacht was genoemd, was de Commissie aanvankelijk van oordeel dat zij overeenkomstig artikel 27 van de basisverordening gebruik zou moeten maken van steekproeven.

(18) Om de steekproef te kunnen samenstellen overeenkomstig artikel 27, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie de producenten/exporteurs verzocht zich binnen drie weken na de inleiding van de procedure bekend te maken en basisinformatie te verstrekken over hun uitvoer en binnenlandse verkoop, hun activiteiten met betrekking tot de productie van PTY en over de activiteiten van de met hen gelieerde ondernemingen die zich bezig hielden met de productie en/of verkoop van PTY. De Indiase autoriteiten en de Indiase organisatie van producenten/exporteurs hebben geen bezwaar gemaakt tegen het gebruik van een steekproef.

2. Voorselectie van medewerkende ondernemingen

(19) Twaalf ondernemingen in India meldden zich aan en verstrekten binnen de in artikel 27, lid 2, van de basisverordening voorgeschreven termijn van drie weken de vereiste informatie. Twee van deze ondernemingen waren echter handelaars die niet in een steekproef kunnen worden opgenomen. De overige tien producenten die bereid waren deel uit te maken van de steekproef werden aanvankelijk als medewerkende producenten beschouwd en voor de steekproef in aanmerking genomen. Zij vertegenwoordigden 98 % van de uitvoer van PTY uit India naar de Gemeenschap.

(20) Ondernemingen die zich niet binnen de voorgeschreven termijn van drie weken hadden aangemeld werden beschouwd als niet-medewerkende ondernemingen.

3. Samenstelling van de steekproef

(21) Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de basisverordening gebeurde de selectie voor de steekproef door de producenten te kiezen die goed waren voor een zo groot mogelijke omvang van de export die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijze kon worden onderzocht. De Commissie heeft aldus drie producenten/exporteurs geselecteerd in overeenstemming met de Indiase organisatie van producenten/exporteurs en de Indiase autoriteiten. De drie geselecteerde ondernemingen vertegenwoordigden ongeveer 70 % van de uitvoer van PTY uit India naar de Gemeenschap en ongeveer 65 % van de binnenlandse verkoop van PTY in India.

(22) De zeven medewerkende producenten/exporteurs die uiteindelijk niet in de steekproef werden opgenomen, werden ervan in kennis gesteld dat een eventueel compenserend recht voor hen zou worden berekend overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de basisverordening. Een aantal van deze ondernemingen had aanvankelijk laten weten voornemens te zijn overeenkomstig artikel 27, lid 3, van de basisverordening een verzoek in te dienen om de vaststelling van een individuele subsidiemarge wanneer zij niet in de steekproef zouden worden opgenomen. Binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn werd hiertoe echter geen met bewijsmateriaal ondersteund verzoek ontvangen.

(23) De in de steekproef opgenomen ondernemingen werd een vragenlijst toegezonden. Voor de uiteindelijk in de steekproef opgenomen ondernemingen die volledig medewerking verleenden aan het onderzoek werd een individuele subsidiemarge en een individueel recht vastgesteld.

D. SUBSIDIES

I. INDIA

1. Inleiding

(24) Op basis van de informatie in de klacht en de antwoorden op de vragenlijst van de Commissie werden de volgende vijf regelingen onderzocht op grond waarvan exportsubsidies zouden zijn verleend:

i) de regeling exportproductiezones/exportgeörienteerde bedrijven (EPZ/EGB-regeling),

ii) de regeling "Duty Entitlement Passbook" (DEPB-regeling),

iii) de regeling "exportbevordering kapitaalgoederen" (EK-regeling),

iv) de regeling vrijstelling vennootschapsbelasting,

v) de regeling voorafgaande vergunningen.

(25) De in overweging 24 genoemde regelingen i), ii) iii) en v) zijn gebaseerd op de Wet buitenlandse handel (ontwikkeling en regulering) van 1992 (nr. 22 van 1992) die op 7 augustus 1992 in werking is getreden. Afdeling 5 van deze wet geeft de Indiase overheid de mogelijkheid berichten over het in- en uitvoerbeleid bekend te maken. Deze berichten zijn samengevat in het document "in- en uitvoerbeleid" dat om de vijf jaar door het ministerie van Handel wordt uitgegeven en dat jaarlijks wordt bijgewerkt. Het document "In- en uitvoerbeleid" dat relevant is voor het onderzoektijdvak van onderhavige procedure heeft betrekking op de periode van vijf jaar van 1 april 997 tot en met 31 maat 2002. Bovendien geeft de Indiase overheid ook uitleg over haar beleid inzake de buitenlandse handel in het "Handboek voor in- en uitvoerprocedures, 1 april 1997 t/m 31 maart 2002 (deel 1)".

De in overweging 24, onder iv) genoemde regeling vrijstelling vennootschapsbelasting is gebaseerd op de Wet vennootschapsbelasting van 1961 die jaarlijks bij de begrotingswet wordt gewijzigd.

2. De regeling Exportproductiezones/Exportgeoriënteerde bedrijven (EPZ/EGB-regeling)

a) Rechtsgrond

(26) Een ander instrument van het in- en uitvoerbeleid, dat betrekking heeft op de bevordering van de export, is de EPZ/EGB-regeling die in 1965 werd ingevoerd. In het onderzoektijdvak waren de douaneberichten 53/97, 133/94 en 126/94 van toepassing op die regeling. In hoofdstuk 9 en aanhangsel I van het document "In- en uitvoerbeleid 1997/2002" en in het Handboek van procedures zijn nadere gegevens te vinden over deze regeling.

b) Voorwaarden

(27) Ondernemingen die zich ertoe verbinden hun gehele productie van goederen en diensten uit te voeren, kunnen gebruik maken van de EPZ/EGB-regeling. Is deze regeling eenmaal toegekend, dan komt de betrokken onderneming voor bepaalde voordelen in aanmerking. Er zijn zeven erkende exportproductiezones in India. Exportgeoriënteerde bedrijven kunnen overal in India zijn gevestigd. Zij staan onder toezicht van de douane overeenkomstig afdeling 65 van de Douanewet. Hoewel bedrijven in EPZ's en EGB's normalerwijze hun gehele productie moeten uitvoeren, staat de Indiase overheid deze bedrijven op bepaalde voorwaarden toch toe een deel van hun productie op de binnenlandse markt te verkopen.

c) Conclusies

(28) Geen van de onderzochte ondernemingen bleek van deze regeling gebruik te hebben gemaakt, daar zij geen productie-eenheden hadden in exportproductiezones of geen exportgeörienteerde productie-eenheden hadden. Daarom werd deze regeling in het kader van deze procedure niet verder onderzocht.

3. De regeling "Duty Entitlement Passbook" (DEPB-regeling)

Rechtsgrond

(29) De DEPB-regeling is op 1 april 1997 in werking getreden op grond van douanebericht 34/97. De punten 7.14 t/m 7.17 van het document "In- en uitvoerbeleid" en de punten 7.32 t/m 7.53 van het Handboek van procedures bevatten een gedetailleerde omschrijving van de regeling. De DEPB-regeling is de opvolger van de Passbook-regeling die op 31 maart 1997 werd beëindigd. Deze regeling bestaat in twee varianten:

- de DEPB-pre-exportregeling en de

- de DEPB-post-exportregeling.

DEPB-pre-exportregeling

(30) De Indiase overheid verklaarde dat de DEPB-pre-exportregeling op 1 april 2000 werd afgeschaft, zodat de regeling in het onderzoektijdvak niet van toepassing was. De onderzochte ondernemingen hadden dan ook geen enkel voordeel verkregen in het kader van de DEPB-pre-exportregeling. Daarom behoeft niet te worden nagegaan of deze regeling aanleiding geeft tot compenserende maatregelen.

De DEPB-post-exportregeling

a) Voorwaarden

(31) De DEPB-post-exportregeling is bestemd voor producenten/exporteurs (m.a.w. elke producent in India die exporteert) of handelaren/exporteurs.

b) Toepassing in de praktijk

(32) Elke exporteur die aan de voorwaarden voldoet, kan kredietpunten aanvragen die worden berekend in procenten van de waarde van de uitgevoerde eindproducten. De Indiase autoriteiten hebben voor de meeste producten, waaronder het betrokken product, DEPB-percentages berekend aan de hand van de "Standard Input-Output Norms". De vergunning waarop de toegekende kredietpunten zijn vermeld, wordt automatisch afgegeven.

(33) De toegekende kredietpunten kunnen worden gebruikt bij de latere invoer van goederen (bijvoorbeeld grondstoffen of kapitaalgoederen), mits daarop geen verboden of beperkingen van toepassing zijn. Deze ingevoerde goederen kunnen op de binnenlandse markt worden verkocht (waar zij aan omzetbelasting zijn onderworpen) of op andere wijze worden gebruikt.

(34) DEPB-vergunningen zijn vrij overdraagbaar en worden daarom vaak verkocht. De DEPB-vergunning is vanaf de datum van afgifte 12 maanden geldig. Het bedrijf moet de bevoegde instantie een vergoeding van 0,5 % van de toegekende krediepunten betalen.

c) Conclusies

(35) Deze regeling is duidelijk afhankelijk van exportprestaties. Wanneer een bedrijf goederen uitvoert, verkrijgt het kredietpunten die gebruikt kunnen worden om rechten te betalen bij de toekomstige invoer van goederen (grondstoffen of kapitaalgoederen) of die verkocht kunnen worden.

(36) De kredietpunten worden automatisch berekend aan de hand van op een op de "Standard Input-Output Norms" gebaseerde formule. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het feit of de inputs werden ingevoerd, of daarover invoerrechten werden betaald, of de inputs daadwerkelijk bij de vervaardiging van exportproducten werden gebruikt, noch met de hoeveelheden. Een onderneming kan een vergunning aanvragen, ongeacht of zij de goederen invoert of ingevoerde goederen uit andere bronnen betrekt.

(37) De DEPB-post-exportregeling is geen toegestane regeling voor de terugbetaling of kwijtschelding van rechten in de zin van de basisverordening. De exporteur is niet verplicht de goederen die vrij van rechten zijn ingevoerd te gebruiken bij de vervaardiging van het exportproduct en de kredietpunten worden niet afgeleid van de gebruikte inputs. Het lijkt hier derhalve om een hogere kwijtschelding of terugbetaling te gaan in de zin van artikel 2, lid 1, onder a) ii) van de basisverordening. De terugbetaling of kwijtschelding van rechten is niet beperkt tot de rechten op de goederen die bij de vervaardiging van het exportproduct zijn verbruikt.

(38) Een van de onderzochte ondernemingen heeft in het onderzoektijdvak meer dan 90 % van de DEPB-vergunningen verkocht, een andere heeft 60 % van die vergunningen verkocht, terwijl de derde onderneming alle vergunningen zelf heeft gebruikt en zelfs een aanzienlijk aantal heeft aangekocht.

(39) Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de regeling een subsidie is, daar er een financiële bijdrage van de Indiase overheid is in de vorm van gederfde invoerrechten, waardoor de DEPB-vergunninghouder een voordeel verkrijgt omdat hij de eerder bij uitvoer verdiende kredietpunten kan gebruiken om goederen vrij van rechten in te voeren. Het is een subsidie die rechtens afhankelijk is van exportprestaties en daarom specifiek is in de zin van artikel 3, lid 4, onder a) van de basisverordening.

d) Berekening van het subsidiepercentage

(40) Het voordeel voor de ondernemingen werd berekend op basis van het aantal kredietpunten die werden gebruikt of overgedragen. Wanneer de kredietpunten werden overgedragen (verkocht) werd het voordeel berekend, onafhankelijk van de verkoopprijs omdat de verkoop een louter commercieel besluit is dat niet van invloed is op het verkregen voordeel. Het subsidiebedrag werd aan de gehele uitvoer in het onderzoektijdvak toegerekend. De in de steekproef opgenomen ondernemingen bleken een voordeel te hebben verkregen van respectievelijk 9,1 %, 2,9 % en 0,4 %. Bij de berekening van het voordeel is een aftrek toegepast voor de vergoedingen die betaald moesten worden om de subsidie te verkrijgen.

(41) Een onderneming voerde aan dat het voordeel van de DEPB-regeling beperkt moest worden tot de kredietpunten die waren gebruikt om goederen voor de PTY-productie in te voeren. Daar deze onderneming ook kredietpunten had verkocht, is het niet mogelijk deze in verband te brengen met bepaalde door haar vervaardigde producten. Het voordeel kon daarom niet uitsluitend aan de PTY-productie, maar moest aan de gehele export worden toegerekend.

4. De regeling Exportbevordering-Kapitaalgoederen (EK-regeling)

a) Rechtsgrond

(42) Deze regeling werd op 1 april 1992 ingevoerd. In het onderzoektijdvak waren de douaneberichten 28/1997, 29/1997 en 49/2000 van toepassing. Over deze regelingen wordt nadere uitleg gegeven in hoofdstuk 6 van het document "In- en uitvoerbeleid 1997/2002" en in het Handboek van procedures.

b) Voorwaarden

(43) De EK-regeling is bestemd voor producenten/exporteurs (d.w.z. iedere producent in India die exporteert) of handelaars/exporteurs. Sinds 1 april 1997 komen producenten die banden hebben met handelaars/exporteurs eveneens voor de regeling in aanmerking.

c) Toepassing in de praktijk

(44) Om voor de regeling in aanmerking te komen moet de onderneming de betrokken autoriteiten gegevens verstrekken over de soort en de waarde van de in te voeren kapitaalgoederen. Afhankelijk van de exportprestaties waartoe de onderneming zich verbindt, mag deze kapitaalgoederen tegen een nulrecht of een verminderd recht invoeren. Een vergunning voor de invoer tegen een voorkeurstarief wordt automatisch afgegeven. Om de vergunning te verkijgen moet een vergoeding worden betaald. De uitgevoerde goederen moeten met behulp van de ingevoerde kapitaalgoederen zijn vervaardigd.

d) Conclusies

(45) De betaling door een exporteur van een nulrecht of een verminderd recht is een financiële bijdrage van de Indiase overheid, daar deze hierdoor inkomsten derft en de ontvanger een voordeel verkrijgt omdat hij minder of geen invoerrechten behoeft te betalen. De EK-regeling is daarom een subsidie.

(46) Daar de subsidie rechtens afhankelijk is van exportprestaties in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, geeft zij aanleiding tot compenserende maatregelen. De vergunning kan niet worden verkregen zonder de verbintenis aan te gaan goederen uit te voeren, en de subsidie wordt daarom als specifiek beschouwd.

e) Berekening van het subsidiepercentage

Het voordeel voor de exporteurs werd berekend door het bedrag aan niet-betaalde douanerechten op kapitaalgoederen te nemen en dit te spreiden over een periode die overeenstemt met de normale afschrijvingstermijn van die kapitaalgoederen in de bedrijfstak die het betrokken product vervaardigt. Vervolgens werd het aan de gehele uitvoer in het onderzoektijdvak toegerekend. Aan dit bedrag werd de rente in het onderzoektijdvak toegevoegd teneinde het volledige voordeel van de regeling voor de ontvanger te berekenen. Gezien de aard van deze subsidie, die gelijkstaat aan een eenmalige gift, werd het passend geacht daarvoor het commerciële rentetarief in het onderzoektijdvak in India te gebruiken, d.w.z. 11,5 %.

(47) Slechts twee van de onderzochte producenten/exporteurs hebben in het onderzoektijdvak van deze regeling gebruikgemaakt. Een producent/exporteur heeft een subsidie van 1,25 % verkregen, terwijl het subsidiepercentage voor de andere te verwaarlozen was.

(48) Een producent/exporteur stelde dat "wanneer aan de exportverplichting voor EK-vergunningen reeds is voldaan, er geen sprake kan zijn van een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie; wanneer de voorwaarde is vervuld, is er geen exportverplichting meer en dan is er ook geen tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie meer".

(49) Het argument van de onderneming om het voordeel van de vrijstelling van het recht niet in aanmerking te nemen voor die vergunningen waarvoor de voorwaarden reeds zijn vervuld (dat wil zeggen aan de exportverplichting voor deze vergunningen is reeds voldaan) kan niet worden aanvaard, daar de op grond van deze vergunningen ingevoerde kapitaalgoederen nog bij de productie worden gebruikt en nog niet geheel zijn afgeschreven. Daar de EK-regeling een eenmalige subsidie is, moet het voordeel voor de onderneming worden beschouwd als die van een eenmalige gift, die aan de normale afschrijvingsperiode moet worden toegerekend, zelfs indien reeds aan alle exportverplichtingen is voldaan.

5. Regeling Vrijstelling vennootschapsbelasting (VV-regeling)

a) Rechtsgrond

(50) De Wet vennootschapsbelasting van 1961 is rechtsgrond van de VV-regeling. Deze wet, die elk jaar bij de begrotingswet wordt gewijzigd, omschrijft de beginselen van de belastingheffing en van de verschillende vrijstellingen/verminderingen die kunnen worden aangevraagd. Bedrijven kunnen onder meer vrijstelling aanvragen op grond van de afdelingen 10A, 10B en 80HHC van de wet die voorzien in de vrijstelling van de vennootschapsbelasting op exportwinsten.

b) Voorwaarden

(51) Vrijstelling op grond van afdeling 10A kan worden aangevraagd door ondernemingen die in vrijhandelszones zijn gevestigd, vrijstelling op grond van 10B door exportgerichte bedrijven en vrijstelling op grond van afdeling 80HHC door alle ondernemingen die exporteren.

c) Toepassing in de praktijk

(52) Om in aanmerking te komen voor bovengenoemde vrijstellingen/verminderingen moet een onderneming een aanvraag indienen bij zijn belastingaangifte aan het eind van het belastingjaar. Het belastingjaar loopt van 1 april tot 31 maart. De belastingaangifte moet voor de daaropvolgende 30 november worden ingediend. De belastingautoriteiten hebben drie jaar de tijd om deze aangifte te behandelen. Een onderneming kan slechts een verzoek indienen voor een van de vrijstellingen die op grond van de drie bovengenoemde afdelingen beschikbaar zijn.

d) Conclusie inzake VV-regeling

(53) In punt e) van de lijst met voorbeelden van exportsubsidies (bijlage I bij de basisverordening) wordt de "gehele of gedeeltelijke vrijstelling, in verband met de uitvoer, van directe belastingen" een exportsubsidie genoemd. De VV-regeling houdt dan ook een financiële bijdrage in van de Indiase overheid daar deze inkomsten uit een directe belasting derft die haar normalerwijze toekomen indien de onderneming geen vrijstelling had gevraagd. Deze financiële bijdrage betekent een voordeel voor de begunstigde omdat hij minder belasting verschuldigd is.

(54) De subsidie is rechtens afhankelijk van exportprestaties in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, omdat alleen winst op de uitvoer wordt vrijgesteld. Zij wordt derhalve als een specifieke subsidie beschouwd.

e) Berekening van het subsidiepercentage

(55) Aanvragen om vrijstelling op grond van de afdelingen 10A, 10B en 80HHC worden ingediend bij de belastingaangifte aan het eind van het belastingjaar. Daar het belastingjaar in India van 1 april tot 31 maart loopt, leek het aangewezen de voordelen die op grond van deze regeling zijn verkregen te berekenen aan de hand van het belastingjaar 2001 (d.w.z. 1 april 2000 tot 31 maart 2001), dat samenvalt met zes maanden van het onderzoektijdvak. Het voordeel voor de exporteur werd derhalve berekend op grond van het verschil tussen het normaal verschuldigde bedrag aan belastingen met en zonder vrijstelling. De vennootschapsbelasting bedroeg in dat jaar 39,55 %. Het subsidiebedrag werd aan de gehele uitvoer in het belastingjaar 2000/2001 toegerekend.

(56) Slechts een onderzochte onderneming heeft gebruikgemaakt van afdeling 80HHC van deze regeling en een voordeel van 0,6 % verkregen. De twee andere ondernemingen hebben in het belastingjaar 2000/2001 fiscale verliezen geleden en hebben in het onderzoektijdvak dus geen voordeel verkregen van deze regeling.

6. De regeling "Voorafgaande vergunningen"

a) Rechtsgrond

(57) De regeling is gebaseerd op de wet Buitenlandse handel (ontwikkeling en regulering in 1992 (nr. 22 van 1992)) die op 7 augustus 1992 in werking trad. Over deze regeling wordt nadere uitleg gegeven in de punten 7.2 tot en met 7.13 van het document "In- en Uitvoerbeleid" en de punten 7.2. t/m 7.31 en 7.54 van het Handboek van procedures.

b) Voorwaarde

(58) Exporteurs (producenten/exporteurs of exporteurs/handelaars) kunnen "voorafgaande vergunningen" aanvragen om inputs voor de productie van exportproducten vrij van rechten te kunnen invoeren.

c) Toepassing in de praktijk

(59) De invoer die uit hoofde van deze regeling is toegestaan wordt bepaald aan de hand van een percentage van de hoeveelheid uitgevoerde eindproducten. De toegestane invoer wordt in hoeveelheden of in waarde uitgedrukt. In beide gevallen wordt het percentage om te bepalen welke invoer met vrijstelling van rechten kan plaatsvinden, voor de meeste producten, met inbegrip van het betrokken product, vastgesteld aan de hand van de "standard input output norms". De in de "voorafgaande vergunningen" genoemde inputs zijn materialen die bij de productie van het uitgevoerde eindproduct zijn gebruikt.

(60) De houder van een dergelijke vergunning die inputs in eigen land wil aankopen in plaats van deze rechtstreeks in te voeren, kan deze aanschaffen met behulp van een "voorafgaande vergunning voor tussenleveranciers". In dit geval wordt de op de binnenlandse markt aangekochte hoeveelheid van de vergunning afgeboekt en wordt een "voorafgaande vergunning voor een tussenleverancier" afgegeven ten behoeve van de binnenlandse leverancier. Deze kan daarmee goederen vrij van rechten invoeren die als inputs voor exportproducten aan de uiteindelijke exporteur worden geleverd.

(61) Volgens het antwoord van de Indiase overheid op de vragenlijst en het handboek van procedures, aanhangsel 21, moeten de houders van de voorafgaande vergunningen voor elke vergunning "een waarheidsgetrouwe en correcte boekhouding voeren van het verbruik en de benutting van de op grond van de vergunning ingevoerde goederen".

d) Conclusies

(62) De regeling is duidelijk afhankelijk van exportprestaties. Alleen ondernemingen die exporteren ontvangen een vergunning die kan worden gebruikt om van rechten te worden vrijgesteld op ingevoerde of anderzins aangekochte inputs, op basis van verwachte uitvoer.

(63) De drie onderzochte ondernemingen bleken in het onderzoektijdvak gebruik te hebben gemaakt van voorafgaande vergunningen en van voorafgaande vergunningen voor tussenleveranciers.

(64) De Indiase overheid claimde dat de regeling voorafgaande vergunningen een op hoeveelheden gebaseerde regeling was en dat de inputs die op grond daarvan konden worden ingevoerd verband hielden met de uitgevoerde eindproducten. Alle inputs die op grond van die regeling werden ingevoerd, moesten bij de vervaardiging van de exportproducten worden gebruikt of voor de aanvulling van de voorraad inputs die waren gebruikt om reeds uitgevoerde eindproducten te vervaardigen.

(65) Er bleek echter geen systeem of procedure te bestaan met behulp waarvan kon worden nagegaan welke inputs bij de vervaardiging van het exportproduct zijn verbruikt. Er kan slechts worden aangetoond dat vrij van rechten ingevoerde inputs bij de productie zijn gebruikt, zonder onderscheid tussen de bestemming van de goederen (voor het binnen- of het buitenland). Daarom kan niet worden gesteld dat de regeling voorafgaande vergunningen of de regeling voorafgaande vergunningen voor tussenleveranciers aan de voorwaarden voldoet om als een regeling voor de terugbetaling of kwijtschelding van rechten op inputs of vervangende inputs te worden beschouwd.

(66) Beide regelingen kunnen daarom als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidieregeling worden beschouwd. De onderzochte ondernemingen konden echter aantonen dat zij niet meer materialen vrij van rechten hadden ingevoerd dan zij gebruikt hadden voor de vervaardiging van de exportproducten. Daarom werd in dit geval geconcludeerd dat de vrijstelling van invoerrechten op inputs in overeenstemming was met het bepaalde in de bijlagen I, II en III van de basisverordening.

(67) De ondernemingen hebben daarom in het kader van deze procedure op grond van deze regeling geen voordeel verkregen.

7. Percentage van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

(68) De tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies werden, overeenkomstig de basisverordening, uitgedrukt in een percentage van de waarde van de uitvoer en bedroegen voor de onderzochte producenten/exporteurs respectievelijk 9,1 %, 4,1 % en 1,0 % (dit laatste cijfer lag onder het als minimaal te beschouwen percentage van 3 % overeenkomstig artikel 14, lid 5, onder b), van de basisverordening.)

(69) Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van de basisverordening, is de daaruit voortvloeiende gewogen gemiddelde subsidiemarge voor de medewerkende, niet in de steekproef opgenomen ondernemingen 5,0 %. Daar het algemene niveau van medewerking in India hoog was (de medewerkende ondernemingen waren goed voor meer dan 98 % van de uitvoer naar de Gemeenschap) werd als residuele subsidiemarge voor alle andere ondernemingen de hoogste subsidiemarge aangehouden die voor een afzonderlijke onderneming was vastgesteld, namelijk 9,1 %.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

II. INDONESIË

1. Inleiding

(70) Op grond van de gegevens in de klacht en de antwoorden op de vragenlijst van de Commissie, werden de volgende drie regelingen onderzocht op grond waarvan subsidies zouden zijn verleend:

i) Regeling van het Bureau voor de coördinatie van investeringen (Badan Koordinasi Penanaman Modal - BKPM);

ii) de Bapeksta-regeling (Administratiecentrum voor vrijstellingen en terugbetalingen van invoerrechten van het ministerie van Financiën);

iii) de (specifieke) regeling Vrijstelling Vennootschapsbelasting.

2. Berekening van het subsidiepercentage

(71) De Commissie heeft eerst het voordeel berekend dat de onderzochte producenten/exporteurs op grond van bovengenoemde regelingen hebben verkregen. Het voordeel op grond van de Bapeksta-regeling werd berekend door het bedrag aan douanerechten te nemen waarvoor in het onderzoektijdvak vrijstelling was verkregen en dit toe te rekenen aan de waarde van uitvoer in het onderzoektijdvak. Het voordeel op grond van de BKPM-regeling werd berekend door het bedrag aan rechten op grondstoffen en onderdelen te nemen dat in het onderzoektijdvak niet betaald hoefde te worden en het bedrag aan niet-betaalde rechten op kapitaalgoederen in de periode van 1 januari 1991 tot het einde van het onderzoektijdvak, waarop de normale afschrijvingstermijn in de betrokken bedrijfstak werd toegepast. Geen van de onderzochte ondernemingen heeft gebruikgemaakt van de regeling voor de vrijstelling van vennootschapsbelasting.

(72) De gewogen gemiddelde subsidiemarge voor Indonesië bleek 0,4 % te bedragen, welk percentage duidelijk minder is dan het als minimaal te beschouwen percentage van 3 % voor Indonesië overeenkomstig artikel 14, lid 5, onder b), van de basisverordening.

(73) Voor de afzonderlijke exporteurs werden subsidiepercentages van 0,1 % tot 2,3 % vastgesteld; deze lagen dus alle onder het als minimaal te beschouwen percentage. Opgemerkt wordt dat de gewogen gemiddelde subsidiemarge werd vastgesteld door voor de uitgevoerde hoeveelheden waarvoor de exporteurs geen medewerking verleenden (3 % van de totale invoer in de Gemeenschap in het onderzoektijdvak) de hoogste subsidiemarge aan te houden die voor een medewerkende producent/exporteur was vastgesteld.

(74) Gezien het bovenstaande behoeft de Commissie niet te onderzoeken of bovengenoemde subsidies tot compenserende maatregelen aanleiding geven.

E. BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

1. Productie in de Gemeenschap

(75) PTY wordt in de Gemeenschap door de volgende ondernemingen vervaardigd:

- Drie EG-producenten die volledig medewerking verleenden aan het onderzoek. De klacht was namens twee van hen ingediend.

- Vier EG-producenten, van de zes die de klacht hadden ingediend, die in de klacht algemene informatie hadden verstrekt over hun activiteiten. Zij verleenden geen volledige medewerking aan het onderzoek, maar steunden de procedure.

- Twee andere niet-klagende producenten die enige algemene informatie over hun activiteiten hebben verstrekt en de klacht steunden, maar die geen uitgebreide gegevens hebben verstrekt.

- Veertien andere niet-klagende producenten die geen medewerking verleenden aan het onderzoek en ook hun standpunt niet hebben bekendgemaakt.

(76) De door al deze ondernemingen vervaardigde PTY vormt derhalve de productie in de Gemeenschap, in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening.

2. Definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(77) De gezamenlijke productie van de drie medewerkende producenten bedroeg 85238 ton in het onderzoektijdvak, d.w.z. 37 % van een geraamde totale productie in de Gemeenschap van ongeveer 228491 ton. Wanneer echter de productie van de negen producenten die de procedure steunden bij elkaar wordt geteld, maakt deze 74 % uit van de productie van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak.

(78) Eén belanghebbende voerde aan dat slechts drie EG-producenten hun medewerking hadden verleend aan het onderzoek en dat hun gezamenlijke productie geen groot deel vertegenwoordigde van de totale productie in de Gemeenschap. Voorts voerde hij aan dat vier van de zes EG-producenten die de klacht hadden ingediend uiteindelijk geen medewerking hebben verleend omdat zij zich niet als benadeelden beschouwden. De procedure was dus op een verkeerde basis ingeleid en de gegevens die waren gebruikt om de schade te beoordelen die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden gaven een vertekend beeld.

(79) Als antwoord hierop wordt opgemerkt dat alle ondernemingen die vóór de inleiding van de procedure de klacht uitdrukkelijk steunden ongeveer tweederde van de productie in de Gemeenschap vertegenwoordigden zodat er voldoende steun was om een onderzoek in te leiden. Voorts vertegenwoordigden de drie ondernemingen die volledig aan het onderzoek medewerkten meer dan 25 % van de productie in de Gemeenschap en zijn dus goed voor een groot deel van de productie in de zin van artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 8, van de basisverordening.

(80) De Commissie is derhalve van oordeel dat de drie medewerkende EG-producenten de "bedrijfstak van de Gemeenschap" vormen in de zin van artikel 9, lid 1, en artikel 10, lid 8, van de basisverordening.

F. SCHADE

1. Inleiding

1.1. Gegevens over de invoer

(81) De ontwikkelingen van de invoer, wat omvang en prijzen betreft, werden vastgesteld aan de hand van Eurostat-informatie. Alle ingevoerde PTY valt onder de GN-code 5402 33 00 en onder deze code worden geen andere producten ingedeeld. De Eurostat-gegevens voor India werden vergeleken met de gegevens die de producenten/exporteurs voor het onderzoektijdvak hadden verstrekt en bleken grotendeels overeen te komen.

(82) De subsidiemarges voor Indonesië bleken onder het niveau te liggen dat als minimaal wordt beschouwd. Indonesië dient daarom voorlopig van de schadebeoordeling te worden uitgesloten.

1.2. Gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap

(83) De gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn afkomstig van de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijsten van de drie EG-producenten die medewerking hadden verleend.

2. Verbruik in de Gemeenschap

(84) Het zichtbare verbruik van PTY in de Gemeenschap werd vastgesteld op basis van de invoer van dit product in de Gemeenschap, de gecontroleerde cijfers van de bedrijfstak van de Gemeenschap over hun verkoop op de EG-markt en de geraamde verkoop van de andere producenten in de Gemeenschap op basis van hun antwoorden op de vragenlijst van de Commissie, het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal en de Eurostat-uitvoerstatistieken.

(85) Het verbruik van PTY in de Gemeenschap bereikte in het onderzoektijdvak ongeveer 340000 ton. Zoals blijkt uit onderstaande tabel werd in de beoordelingsperiode een stijging van 19 % waargenomen. Het verbruik bereikte een piek in 1998, waarna een daling optrad.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Invoer uit India

3.1. Omvang van de invoer

(86) De omvang van de invoer uit India verdrievoudigde in de beoordelingsperiode van 7583 ton in 1996 tot 22683 ton in het onderzoektijdvak. Na een scherpe stijging tussen 1996 en 1998, daalde de invoer in 1999 om zich in 2000 weer te herstellen. In het onderzoektijdvak was er een verdere stijging van 17 % ten opzichte van 2000.

(87) Het marktaandeel dat met deze invoer overeenstemde bedroeg 7 % in het onderzoektijdvak, terwijl dit aan het begin van de beoordelingsperiode 3 % was.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.2. Invoerprijzen

(88) De prijzen van PTY uit India daalden in de beoordelingsperiode met 7 %. In 1999 was er een sterke prijsdaling terwijl ook de omvang van de invoer sterk terugliep.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.3. Prijsonderbieding

(89) Om de prijsonderbieding te kunnen beoordelen werden de prijzen van het door de bedrijfstak van de Gemeenschap verkochte PTY vergeleken met de prijzen van PTY uit India in het onderzoektijdvak op de EG-markt, op basis van gewogen gemiddelde prijzen per soort PTY.

(90) Bij de vergelijking van PTY uit India met het door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde PTY werd rekening gehouden met decitex (gram per duizend meter garen), het aantal filamenten, de chemische samenstelling (bijvoorbeeld vlamvertragend) en verfwijze (niet geverfd, spinbadgeverfd of op traditionele wijze geverfd).

(91) Voor de prijzen van PTY uit India is uitgegaan van de prijzen die de medewerkende producenten/exporteurs hebben opgegeven in hun antwoord op de vragenlijst, cif grens Gemeenschap, gecorrigeerd voor douanerechten en kosten na invoer. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn de door die bedrijfstak opgegeven prijzen in de antwoorden op de vragenlijst, bij verkoop in de Gemeenschap aan de eerste onafhankelijke afnemer, af fabriek.

(92) De aldus vastgestelde prijsonderbieding door medewerkende producenten/exporteurs bleek 21 % à 36 % te bedragen van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

4. Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

4.1. Productie, productiecapaciteit en capaciteitsbenutting

(93) De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg in de beoordelingsperiode met 18 %, doch daalde in het onderzoektijdvak ten opzichte van 2000 met 3 %. De productiecapaciteit steeg in dezelfde periode met 33 %. De capaciteit werd voortdurend uitgebreid en gemoderniseerd om het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap te versterken. De capaciteitsbenutting was tot 1998 vrij hoog, maar daalde in de volgende perioden met 11 procentpunten.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.2. Voorraden

(94) De eindejaarsvoorraden varieerden per jaar, met een tendens van een daling ten opzichte van de productie.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.3. Omvang van de verkoop, marktaandeel en groei

(95) De omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de EG-markt steeg in de beoordelingsperiode met 8 %. De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg echter minder dan het verbruik, dat in deze periode met 16 % steeg. De bedrijfstak van de Gemeenschap verloor daardoor in de beoordelingsperiode 2 procentpunten marktaandeel.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.4. Factoren die van invloed zijn op de prijzen

(96) De verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalden in de beoordelingsperiode met 9 %. De steeds grotere invoer uit India tegen lage en steeds lagere prijzen oefende een aanzienlijke druk uit op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap die zich gedwongen zag zijn prijzen te verlagen om zijn marktaandeel te behouden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.5. Winstgevendheid

(97) De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap, uitgedrukt in de opbrengst van de nettoverkoop op de EG-markt, daalde in de beoordelingsperiode sterk, namelijk van + 3 % in 1996 tot - 12 % in het onderzoektijdvak

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.6. Investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(98) In de beoordelingsperiode werden steeds investeringen gedaan, maar minder in het onderzoektijdvak. De meeste uitgaven waren bestemd voor machines, uitrusting en diversen. In 1998, toen de financiële vooruitzichten van de bedrijfstak van de Gemeenschap nog gunstig waren, waren de investeringen bijzonder hoog in verband met de oprichting van een nieuwe PTY-fabriek.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(99) Het vermogen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om kapitaal aan te trekken, hetzij van externe financiers of financieringsinstellingen of van moedermaatschappijen was in het begin van de beoordelingsperiode nog niet ernstig aangetast. Gezien de verliezen in het onderzoektijdvak was het vermogen om kapitaal aan te trekken in het onderzoektijdvak echter ernstig achteruit gegaan.

4.7. Rendement van investeringen

(100) Voor de beoordeling van de gevolgen van de invoer van gesubsidieerd PTY voor het rendement van de investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap onderzocht de Commissie de winst of verliezen vóór belasting in vergelijking met de activa van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(101) De verkoop van PTY maakt het grootste deel uit van de omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zodat het rendement van de investeringen hiermee in verhouding stond.

(102) De ontwikkeling van de rendement van investeringen kwam overeen met de cijfers voor de winstgevendheid en liet een duidelijke verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zien.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.8. Cashflow

(103) De verkoop van PTY maakt het grootste deel uit van de omzet van de bedrijfstak van de Gemeenschap. De cashflow werd in verhouding berekend.

(104) Uit onderstaande tabel met betrekking tot de cashflow van de bedrijfstak van de Gemeenschap blijkt duidelijk de verslechtering van zijn financiële situatie.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4.9. Werkgelegenheid, productiviteit en lonen

(105) De volgende tabel geeft cijfers over het aantal werknemers en de loonkosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap in verband met PTY.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(106) Aan het eind van het onderzoektijdvak telde de bedrijfstak van de Gemeenschap 1403 werknemers, hetgeen neerkomt op een stijging van 19 % over de gehele beoordelingsperiode, na een aanzienlijke stijging in 1998 en 1999 toen de bedrijfstak van de Gemeenschap besloot zijn productiecapaciteit aanzienlijk uit te breiden. Deze uitbreiding was gepland toen de vooruitzichten nog gunstig waren (zie overweging 98). In dezelfde periode stegen de loonkosten in verhouding tot het aantal werknemers met 30 %.

(107) De productiviteit in het onderzoektijdvak was ongeveer dezelfde als in 1996. In 1999, toen zowel de productiecapaciteit als het aantal werknemers steeg, gaf de productiviteit een tijdelijke achteruitgang te zien.

4.10. Herstel van eerdere dumping

(108) In 1997 en 1998 waren de financiële resultaten van de bedrijfstak van de Gemeenschap bevredigend, waaruit bleek dat deze bedrijfstak zich had hersteld van eerdere invoer met dumping waartegen antidumpingmaatregelen waren genomen. Er zijn momenteel definitieve antidumpingmaatregelen van toepassing op PTY uit Maleisië, Indonesië, Thailand en Taiwan (zie overweging 4).

4.11. Subsidiemarge

(109) De subsidiemarges voor India zijn vermeld onder het kopje "Subsidies" (zie overweging 69). Deze marges zijn duidelijk meer dan minimaal. Gezien de omvang van de invoer en de prijzen van gesubsidieerd PTY kunnen de gevolgen van de subsidiemarge niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

5. Conclusie inzake schade

(110) Van 1996 tot en met het onderzoektijdvak verdrievoudigde de omvang van de invoer van PTY uit India van minder dan 7500 ton tot meer dan 22000 ton. Dit leidde tot een totale stijging van het marktaandeel van PTY uit India met 4 procentpunten, terwijl het verbruik in die periode met 19 % was gestegen. De prijzen van PTY uit India bleven tijdens de gehele periode in kwestie onder die van de bedrijfstak van de Gemeenschap; de prijsonderbieding ging in het onderzoektijdvak van 30 % tot 45 %.

(111) Tezelfdertijd, van 1996 tot en met het onderzoektijdvak, verslechterde de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, met name in termen van marktaandeel, verkoopprijzen, winstgevendheid, rendement van investeringen, cash flow en vermogen om kapitaal aan te trekken. De slechte financiële resultaten van de bedrijfstak van de Gemeenschap waren het gevolg van de druk op de prijzen.

(112) Gezien het bovenstaande wordt voorlopig vastgesteld dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 8 van de basisverordening.

G. OORZAAK VAN DE SCHADE

1. Inleiding

(113) Overeenkomstig artikel 8, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden was veroorzaakt door de invoer van gesubsidieerd PTY uit India. Overeenkomstig artikel 8, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie tevens andere bekende factoren onderzocht waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap mogelijk schade heeft geleden om ervoor te zorgen dat door deze factoren veroorzaakte schade niet ten onrechte aan de invoer van gesubsidieerd PTY wordt toegeschreven.

(114) Momenteel zijn maatregelen van toepassing op de invoer van PTY uit Thailand, Indonesië, Taiwan en Maleisië die tot doel hebben de schadelijke gevolgen van dumping te elimineren. Ook loopt thans een antidumpingonderzoek naar de invoer van PTY uit deze vier landen in het kader van een herzieningsprocedure bij het vervallen van de maatregelen (zie overweging 4). Met deze feiten werd bij dit onderzoek rekening gehouden.

2. Gevolgen van de invoer van gesubsidieerd PTY

2.1. Omvang van de invoer

(115) De invoer van PTY uit India verdrievoudigde in de beoordelingsperiode tot 22683 ton in het onderzoektijdvak.

(116) De aanzienlijke stijging van de omvang van de invoer uit India en het toegenomen marktaandeel van PTY uit India in de beoordelingsperiode, tegen prijzen die aanzienlijk lager waren dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap vielen samen met een sterke achteruitgang van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, met name in termen van marktaandeel, verkoopprijzen, cash flow, vermogen om kapitaal aan te trekken, rendement van investeringen en winstgevendheid.

(117) Deze achteruitgang was het sterkst in het onderzoektijdvak, toen de omvang van de invoer van gesubsidieerd PTY ten opzichte van 2000 met nog eens 17 % tot een recordhoogte steeg.

2.2. Prijzen

(118) Van 1996 tot het onderzoektijdvak daalden de prijzen van PTY uit India met 7 %, terwijl het marktaandeel van PTY uit India met 4 procentpunten steeg. In dezelfde periode verlaagde de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verkoopprijzen met 9 % in een vergeefse poging om zijn marktaandeel te behouden.

(119) De prijzen van PTY uit India waren voortdurend lager dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap; de onderbiedingsmarge voor de onderzochte exporteurs varieerde in het onderzoektijdvak van 30 % tot 45 %.

(120) PTY uit India, waarvan invoer en marktaandeel vanaf 1996 steeds stegen en waarvan de gesubsidieerde prijzen bijzonder laag waren, oefende druk uit op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap waardoor diens financiële situatie achteruit ging.

3. Gevolgen van andere factoren

3.1. Invoer uit andere derde landen

(121) Bij invoer van PTY uit vier landen, namelijk Indonesië, Maleisië, Taiwan en Thailand, zijn antidumpingrechten van toepassing. Het marktaandeel in de Gemeenschap van PTY uit deze landen was in het onderzoektijdvak 18 %. In de beoordelingsperiode steeg de invoer uit deze landen met 3 procentpunten, namelijk van 15 % in 1996 tot 18 % in het onderzoektijdvak. De gemiddelde cif-prijzen van PTY uit deze landen zijn duidelijk lager dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Alleen de Indonesische en Taiwanese producenten/exporteurs van PTY waarop een antidumpingrecht van 0 % van toepassing was, hebben hun verkoop op de EG-markt zien stijgen. Het is niet uit te sluiten dat deze invoer mede de oorzaak is geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Dit wordt momenteel onderzocht in het kader van de herzieningsprocedures die op basis van artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 op 31 mei 2002(16) zijn ingeleid.

(122) PTY uit andere derde landen was in het onderzoektijdvak goed voor een marktaandeel van 19 %. De omvang van de invoer van PTY uit deze andere derde landen was in de beoordelingsperiode met 47 % gestegen. De grootste hoeveelheden kwamen uit de Verenigde Staten, Turkije en Zuid-Korea. De gemiddelde cif-prijzen van PTY uit deze landen zijn iets lager dan de prijzen af fabriek van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Wanneer echter rekening wordt gehouden met de douanerechten en de kosten na invoer liggen deze min of meer op hetzelfde niveau als die prijzen. Deze invoer kan derhalve geen schade hebben toegebracht aan de bedrijfstak van de Gemeenschap.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.2. Prijzen van grondstoffen

(123) De voornaamste grondstof voor de productie van PTY is verstrekt garen van polyester (POY - polyester oriented yarn).

(124) De bedrijfstak van de Gemeenschap betrekt POY van zowel binnen als buiten de Gemeenschap. Een deel wordt aangekocht bij gelieerde ondernemingen. Bij een nauwkeurige vergelijking, per decitex, van de prijzen tussen gelieerde ondernemingen met de prijzen die in de gespecialiseerde pers (PCI) zijn vermeld, bleek dat bij verkoop aan gelieerde ondernemingen dezelfde prijzen golden als bij verkoop aan onafhankelijke ondernemingen. Ook de verkoopvoorwaarden zijn vergelijkbaar met de algemene marktvoorwaarden.

(125) Zoals blijkt uit onderstaande tabel waren de prijzen die de bedrijfstak van de Gemeenschap voor POY heeft betaald hoog in 1997-1998 om vervolgens te dalen tot niveaus die lager waren dan aan het begin van de beoordelingsperiode. De schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden is derhalve niet te wijten aan de prijzen van grondstoffen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3.3. Exportprestaties van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(126) De omvang van de uitvoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap steeg in de beoordelingsperiode met bijna 400 % tot 5200 ton, omdat deze bedrijfstak sinds vele jaren handelsbetrekkingen heeft met partners buiten de Gemeenschap. De omvang van de uitvoer is echter marginaal in vergelijking met de gehele omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(127) Daar de uitvoer in deze periode is gestegen, kan deze niet de oorzaak zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

3.4. Verandering in het verbruik

(128) Het verbruik van PTY in de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode met 19 % gestegen. Deze factor heeft derhalve niet bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

4. Conclusie inzake oorzakelijk verband

(129) De sterke stijging van de hoeveelheden PTY die in de beoordelingsperiode, en met name in het onderzoektijdvak, uit India werden ingevoerd en van het daarmee overeenstemmende marktaandeel, alsmede de sterke prijsonderbieding in het onderzoektijdvak hadden zeer ongunstige gevolgen voor het marktaandeel en de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Dit kwam tot uiting in een aantal economische indicatoren die de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap weergeven, met name de winstgevendheid en het rendement van investeringen. Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de invoer van PTY uit India aanzienlijke negatieve gevolgen heeft gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat de gevolgen van andere factoren, met name de invoer uit andere derde landen, met inbegrip van Indonesië, Maleisië, Taiwan en Thailand, niet afdoen aan de conclusie dat er een duidelijk en sterk oorzakelijk verband is tussen de invoer van gesubsidieerd PTY uit India en de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

Omdat bij de analyse een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de schadelijke gevolgen van de invoer van gesubsidieerde product PTY uit India, wordt geconcludeerd dat deze andere factoren niet afdoen aan het feit dat de aanmerkelijke schade kan worden toegeschreven aan de invoer van gesubsidieerd PTY.

(130) De voorlopige conclusie is derhalve dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 8, lid 6, van de basisveordening door de invoer van gesubsidieerd PTY uit India.

H. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Algemene opmerking

(131) De Commissie heeft onderzocht of er, ondanks de conclusie inzake schadelijke subsidiëring, dwingende redenen zijn om in dit geval, in het belang van de Gemeenschap, geen maatregelen te nemen. Overeenkomstig artikel 31, lid 1, van de basisverordening werd het belang van de Gemeenschap beoordeeld door de verschillende betrokken belangen in aanmerking te nemen, namelijk die van de bedrijfstak van de Gemeenschap en van andere EG-producenten, van importeurs/handelaars en gebruikers van PTY en van de toeleveranciers van de PTY-producenten.

2. Onderzoek

(132) De Commissie heeft de importeurs, de toeleveranciers van de PTY-producenten en de industriële gebruikers van PTY vragenlijsten gezonden. In totaal werden 13 vragenlijsten verzonden aan toeleveranciers, 21 aan gebruikers, 14 aan importeurs en 16 aan andere PTY-producenten.

(133) Binnen de hiervoor vastgestelde termijn werden antwoorden op de vragenlijsten ontvangen van:

- een rechtstreekse toeleverancier, die MEG en PTA aan de bedrijfstak van de Gemeenschap levert:

- BP Chemicals Ltd (VK);

- een gebruiker van PTY, die textiel vervaardigt dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de automobiel- en meubelstofferingssector:

- Mattes & Ammann KG (Duitsland);

- twee andere producenten van PTY

- FITEXAR SA(Portugal),

- Manifattura di Stabbia Spa (Italië);

- geen enkele importeur van PTY heeft de vragenlijst beantwoord.

3. Waarschijnlijke gevolgen van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en andere PTY-producenten in de Gemeenschap

(134) De bedrijfstak van de Gemeenschap is gezond en in staat om aan de vraag op de markt te voldoen. Deze bedrijfstak heeft veel moeite gedaan om te voldoen aan de behoeften van de afnemers, en met name de autoindustrie, die om producten van hoge kwaliteit vraagt die worden geleverd wanneer zij dat wenst. De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft laten zien dat zij zijn concurrentiepositie op de EG-markt wil behouden. Voorbeelden hiervan zijn:

a) de ontwikkeling van specifieke producten voor niche-markten;

b) de verbetering van de productiviteit, met inbegrip van een ver doorgevoerd gebruik van moderne productietechnieken (bijvoorbeeld steeds grotere mechanisatie en automatisering).

(135) Het is duidelijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap baat zou hebben bij de voorgestelde maatregelen. Het lijdt geen twijfel dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in een situatie met normale marktvoorwaarden gezond en concurrerend is. Dit blijkt uit de winsten die in de periode 1996-1999 werden gemaakt en zijn positie in een gespecialiseerd segment van de EG-markt die nog niet met gesubsidieerde producten heeft te maken.

(136) De bedrijfstak van de Gemeenschap heeft door de invoer van gesubsidieerde producten schade geleden. De prijzen van PTY uit India onderboden en oefenden druk uit op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zodat deze marktaandeel verloor en bij de groei van de markt moest achterblijven. De winstgevendheid en het rendement van investeringen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden door de invoer van PTY uit India behoorlijk aangetast. Ook de investeringen liepen terug, met name in het onderzoektijdvak. Indien deze situatie zo blijft, zullen verliezen, zoals die in het onderzoektijdvak, blijven aanhouden en wordt de bedrijfstak van de Gemeenschap op langere termijn in haar voortbestaan bedreigd.

(137) De andere producenten die de vragenlijst van de Commissie hebben beantwoord, sloten zich bij dit standpunt aan.

(138) De voorlopige conclusie is dat maatregelen in het belang zouden zijn van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de overige EG-producenten.

4. Waarschijnlijke gevolgen van maatregelen voor importeurs

(139) Geen enkele importeur of handelaar heeft de vragenlijst beantwoord.

(140) Het gebrek aan medewerking van de importeurs leidde tot de conclusie dat maatregelen ten aanzien van PTY uit India waarschijnlijk geen grote gevolgen zullen hebben voor de situatie van onafhankelijke importeurs van en handelaars in PTY in de Gemeenschap.

5. Waarschijnlijke gevolgen van maatregelen voor toeleveranciers

(141) De EG-producenten kopen hoofdzakelijk mono-ethyleenglycol (MEG), gezuiverd tereftalzuur (PTA) of dimethyltereftalaat (DMT) aan om verstrekt filamentgaren van polyester (POY) te vervaardigen en dit vervolgens te verwerken tot PTY. Een aantal EG-producenten koopt ook rechtstreeks POY aan.

(142) De toeleverancier die meewerkte aan het onderzoek heeft meer dan 300 mensen in dienst die zich bezighouden met de productie van PTA en MEG.

(143) De medewerkende toeleverancier werkte nauw samen met EG-producenten en een groot deel van zijn omzet was afkomstig van de verkoop aan de EG-producenten. Een daling van de aankopen door de bedrijfstak van de Gemeenschap zou derhalve dramatische gevolgen hebben voor deze toeleverancier.

(144) Het is duidelijk dat maatregelen zouden helpen om het peil van de activiteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap en in extenso die van zijn toeleveranciers in stand te houden. De Commissie heeft derhalve voorlopig vastgesteld dat compenserende maatregelen in het belang zijn van de toeleveringsbedrijven.

6. Waarschijnlijke gevolgen van maatregelen voor gebruikers

(145) Slechts één gebruiker verleende medewerking. Deze was voornamelijk bezorgd over de gevolgen van een mogelijke verdere concentratie van de PTY-sector indien maatregelen worden genomen omdat grote multinationale ondernemingen hiertoe reeds de aanzet hebben gegeven.

(146) Dit argument is niet overtuigend omdat de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak 23 producenten telde. Indien geen maatregelen worden genomen, zal de precaire financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap waarschijnlijk leiden tot een verdere wereldwijde concentratie. Het voortbestaan van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou bovendien gevaar kunnen lopen, waardoor de gebruikers geheel van invoer afhankelijk zouden kunnen worden. Wanneer evenwel maatregelen worden genomen, zullen de verschillende EG-producenten waarschijnlijk met elkaar en met niet-gesubsidieerd PTY uit derde landen concurreren, wat gunstig is voor de gebruikers.

(147) Gezien de geringe respons op de vragenlijsten en rekening houdend met de opmerkingen van de onderneming die de vragenlijst wel heeft beantwoord, wordt voorlopig geconcludeerd dat compenserende maatregelen niet schadelijk zullen zijn voor het voortbestaan en het concurrentievermogen van de afnemers.

7. Conclusie

(148) Compenserende maatregelen zijn in het belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap, de andere PTY-producenten in de Gemeenschap en van de toeleveranciers. Met behulp van deze maatregelen zullen deze sectoren hun winstgevendheid kunnen verbeteren en in staat zijn nieuwe investeringen te doen die van groot belang zijn voor hun voortbestaan.

(149) Indien geen maatregelen worden genomen, zal, door de voortdurende daling van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap zoals in de beoordelingsperiode werd waargenomen, ernstige schade ontstaan.

(150) Compenserende maatregelen zullen bovendien niet schadelijk zijn voor het voortbestaan en het concurrentievermogen van PTY-gebruikers.

(151) Gezien het bovenstaande is de voorlopige conclusie van de Commissie dat er geen dwingende redenen zijn om in dit geval geen voorlopige compenserende maatregelen te nemen.

I. MAATREGELEN TEN AANZIEN VAN INDONESIË

(152) Daar de subsidiemarge voor Indonesië minimaal bleek te zijn, wordt voorlopig besloten geen compenserende maatregelen te nemen ten aanzien van PTY uit dit land.

J. VOORLOPIGE COMPENSERENDE MAATREGELEN

1. Schademarge

(153) Om verdere schade door de invoer van gesubsidieerd PTY te voorkomen, werd het dienstig geacht compenserende maatregelen te nemen in de vorm van voorlopige rechten.

(154) Bij het berekenen van de hoogte van deze rechten, heeft de Commissie rekening gehouden met de subsidiemarges en het bedrag aan rechten dat noodzakelijk is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

(155) De Commissie stelde hiertoe een niet-schadelijke prijs vast uitgaande van de productiekosten van de bedrijfstak van de Gemeenschap, vermeerderd met een redelijke winstmarge van 8 %, welke winstmarge noodzakelijk werd geacht om het voortbestaan van de bedrijfstak zeker te stellen en die tevens de winstmarge was van de bedrijfstak in 1998, toen gesubsidieerd PTY uit India nog niet zo'n sterke druk uitoefende op de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de invoer uit aan maatregelen onderworpen landen reeds op een niveau was dat vergelijkbaar was met dat in het onderzoektijdvak. De niet-schadelijke prijs werd vergeleken met de prijzen van het gesubsidieerde en met dumping ingevoerde PTY die bij de berekening van de prijsonderbieding waren gebruikt, zoals hierboven beschreven. De schademarge werd vastgesteld door de verschillen die uit deze vergelijking naar voren kwamen uit te drukken in procenten van de totale cif-invoerwaarde.

(156) De schademarge die van toepassing is op producenten/exporteurs die wel medewerking hebben verleend, doch geen deel uitmaakten van de steekproef, werd vastgesteld door de gewogen gemiddelde schademarge te nemen van de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(157) Voor producenten/exporteurs in India die noch de vragenlijst van de Commissie hebben beantwoord noch zich anderzijds hebben bekendgemaakt, werd de voor het gehele land geldende schademarge vastgesteld op basis van de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening. Gezien het hoge niveau van medewerking in India werd het passend geacht als schademarge voor niet-medewerkende ondernemingen de hoogste schademarge aan te houden die was vastgesteld voor een onderneming in India die wel medewerking had verleend.

2. Voorlopige maatregelen

(158) Omdat de subsidiemarges lager bleken dan de schademarges moeten de voorlopige rechten, overeenkomstig artikel 12, lid 1, van de basisverordening, met de subsidiemarges overeenstemmen.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(159) De in deze verordening genoemde individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen in het kader van deze procedure. Zij weerspiegelen de situatie die tijdens het onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het residuele recht dat "voor alle ondernemingen" in het land geldt) zijn dus uitsluitend van toepassing op producten uit het betrokken land die door de genoemde ondernemingen (rechtspersonen) zijn geproduceerd. Producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor "alle andere ondernemingen" geldt.

(160) Aanvragen om de toepassing van een specifiek voor een bepaalde onderneming geldend compenserend recht (bv. na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie(17) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houden met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen,

3. Slotbepaling

(161) Gelet op de beginselen van een behoorlijke bestuur, dient een periode te worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient erop te worden gewezen dat alle bevindingen in het kader van deze verordening voorlopig zijn en herzien kunnen worden voordat de Commissie eventueel definitieve maatregelen voorstelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een voorlopig compenserend recht ingesteld op getextureerd filamentgaren van polyester, ingedeeld onder de GN-code 5402 33 00, van oorsprong uit India.

2. Het voorlopige compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, op het in lid 1 genoemde product dat wordt vervaardigd door de hieronder vermelde ondernemingen is als volgt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. De bepalingen inzake douanerechten zijn van toepassing, tenzij anders vermeld.

4. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Gemeenschap van het in lid 1 omschreven product dient zekerheid te worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

Artikel 2

Onverminderd artikel 30 van Verordening (EG) nr. 2026/97 kunnen belanghebbenden binnen 20 dagen na de inwerkingtreding van deze verordening de Commissie verzoeken in kennis te worden gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.

Belanghebbenden kunnen overeenkomstig artikel 31, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2026/97 binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen maken over de toepassing ervan.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 1 van deze verordening heeft een geldigheidsduur van vier maanden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 juli 2002.

Voor de Commissie

Pascal Lamy

Lid van de Commissie

(1) PB L 288 van 21.10.1997, blz. 1.

(2) PB C 315 van 9.11.2001, blz. 2 en 5.

(3) PB C 315 van 9.11.2001, blz. 2 en 5.

(4) PB L 145 van 5.6.1997, blz. 1.

(5) PB L 238 van 22.9.2000, blz. 1.

(6) PB L 289 van 12.11.1996, blz. 14.

(7) PB L 149 van 2.6.2001, blz. 5.

(8) PB L 347 van 16.12.1988, blz. 10.

(9) PB L 241 van 26.9.2000, blz. 1.

(10) PB C 135 van 6.6.2002, blz. 10.

(11) PB C 170 van 14.6.2001, blz. 2.

(12) PB C 316 van 10.11.2001, blz. 9.

(13) PB C 316 van 10.11.2001, blz. 9.

(14) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.

(15) PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2.

(16) PB C 129 van 31.5.2002, blz. 2 en 5.

(17) Europese Commissie Directoraat-generaal Handel

Directoraat B

J 79 5/17

Wetstraat 200 B - 1049 Brussel