32002R0996

Verordening (EG) nr. 996/2002 van de Commissie van 11 juni 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad inzake aanvullende steun in de rundvleessector ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

Publicatieblad Nr. L 152 van 12/06/2002 blz. 0014 - 0015


Verordening (EG) nr. 996/2002 van de Commissie

van 11 juni 2002

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad inzake aanvullende steun in de rundvleessector ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad van 19 juli 1993 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 442/2002(2), en met name op artikel 6, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Verordening (EEG) nr. 2019/93, waarin onder andere specifieke maatregelen ten behoeve van de rundveehouderij op de kleinere eilanden van de Egeïsche Zee zijn vastgesteld, is grondig gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 442/2002. Naar aanleiding van deze wijziging moeten ter wille van de juridische duidelijkheid nieuwe uitvoeringsbepalingen van de eerstgenoemde verordening met betrekking tot de aanvullende steun voor rundvleesproducenten worden vastgesteld en moet Verordening (EEG) nr. 2889/93 van de Commissie van 21 oktober 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2019/93 van de Raad wat betreft de toeslagen op de speciale premie voor rundvleesproducenten en de premie voor het aanhouden van zoogkoeien(3) worden ingetrokken.

(2) Op grond van artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2019/93 wordt aan de rundvleesproducenten een toeslag voor het mesten van mannelijke runderen toegekend boven op de speciale premie als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees(4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2345/2001 van de Commissie(5). Overeenkomstig de tweede alinea van het genoemde lid moet worden bepaald dat deze toeslag jaarlijks, binnen de grenzen van het in artikel 4, leden 1 en 4, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde regionale maximum, voor ten hoogste 12000 mannelijke runderen wordt toegekend.

(3) Om het beheer van de regeling niet te compliceren, moet worden bepaald dat slechts één aanvraag voor de in Verordening (EEG) nr. 2019/93 bedoelde aanvullende steun en de in Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde premies ingediend wordt.

(4) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rundvlees,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. De in artikel 6, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2019/93 bedoelde toeslag op de speciale premie voor het mesten van mannelijke runderen wordt toegekend overeenkomstig de in Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde voorschriften voor de aanvraag van de speciale premie voor mannelijke runderen.

Deze toeslag wordt jaarlijks, binnen de grenzen van het in artikel 4, leden 1 en 4, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde regionale maximum, toegekend voor ten hoogste 12000 mannelijke runderen. Zolang dit aantal niet wordt overschreden, wordt de in artikel 4, lid 4, van die verordening bedoelde evenredige vermindering niet toegepast.

2. De in artikel 6, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2019/93 bedoelde toeslag op de premie voor het aanhouden van zoogkoeien wordt toegekend overeenkomstig de in Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde voorschriften voor de aanvraag van de premie voor het aanhouden van zoogkoeien.

Artikel 2

Voor de in artikel 1, lid 1, respectievelijk lid 2, bedoelde toeslag en voor de in Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde speciale premie, respectievelijk zoogkoeienpremie, dient de producent één enkele aanvraag in overeenkomstig de voorschriften van die verordening.

Artikel 3

1. De Griekse autoriteiten delen de Commissie onverwijld de bepalingen mee die zij eventueel voor de toekenning van de in artikel 1 bedoelde toeslagen vaststellen.

2. De Griekse autoriteiten delen de Commissie elk jaar uiterlijk op 31 juli voor het vorige kalenderjaar mee voor hoeveel dieren de in artikel 1, leden 1 en 2, bedoelde toeslagen zijn aangevraagd en toegekend.

Artikel 4

Verordening (EEG) nr. 2889/93 wordt ingetrokken.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding. Artikel 2 is echter van toepassing met ingang van 1 januari 2003.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 juni 2002.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 184 van 27.7.1993, blz. 1.

(2) PB L 68 van 12.3.2002, blz. 4.

(3) PB L 263 van 22.10.1993, blz. 8.

(4) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 21.

(5) PB L 315 van 1.12.2001, blz. 29.