32002R0977

Verordening (EG) nr. 977/2002 van de Raad van 4 juni 2002 tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde ringbandmechanismen uit Indonesië en tot beëindiging van de antisubsidieprocedure ten aanzien van bepaalde ringbandmechanismen uit India

Publicatieblad Nr. L 150 van 08/06/2002 blz. 0017 - 0033


Verordening (EG) nr. 977/2002 van de Raad

van 4 juni 2002

tot instelling van een definitief compenserend recht op bepaalde ringbandmechanismen uit Indonesië en tot beëindiging van de antisubsidieprocedure ten aanzien van bepaalde ringbandmechanismen uit India

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad van 6 oktober 1997 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn(1), en met name op artikel 15,

Gezien het voorstel dat de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

1. Huidig onderzoek

(1) Op 18 mei 2001 heeft de Commissie door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(2) de inleiding aangekondigd van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde ringbandmechanismen van oorsprong uit India en Indonesië en is zij met een onderzoek begonnen.

(2) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 3 april 2001 was ingediend door de volgende EG-producenten: Koloman Handler GmbH, Oostenrijk ("Koloman") en Krause GmbH & Co. KG, Duitsland ("Krause"), die tezamen goed zijn voor een groot deel, namelijk ongeveer 90 %) van de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over de subsidiëring van genoemd product en de aanmerkelijke schade die daardoor was ontstaan werd voldoende geacht om een procedure in te leiden.

(3) De inleiding van een parallelle antidumpingprocedure betreffende hetzelfde product uit dezelfde landen werd op dezelfde dag bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(3).

(4) Voordat de procedure werd ingeleid heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 10, lid 9, van Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad (hierna de "basisverordening" genoemd), de Indiase en Indonesische overheid in kennis gesteld van het feit dat zij een met bewijsmateriaal gestaafde klacht had ontvangen over de invoer van gesubsidieerde ringbandmechanismen uit India en Indonesië en over de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap daardoor leed. Vertegenwoordigers van beide overheden werden voor overleg uitgenodigd om de inhoud van de klacht te bespreken en om in onderling overleg tot een oplossing te komen. De Commissie heeft overleg gepleegd met vertegenwoordigers van beide overheden in Brussel. Zij heeft nota genomen van de opmerkingen die deze vertegenwoordigers over de beweringen in de klacht heeft gemaakt betreffende de invoer van gesubsidieerde producten en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden aanmerkelijke schade. Als gevolg van dit overleg werd een aantal in de klacht genoemde regelingen niet in het onderzoek opgenomen.

(5) De Commissie heeft de EG-producenten, de producenten/exporteurs, de haar bekende belanghebbende importeurs en verwerkende bedrijven, de vertegenwoordigers van de betrokken exportlanden en de indieners van de klacht officieel van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om, binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn, hun standpunt schriftelijk bekend te maken en te verzoeken om te worden gehoord.

(6) De Commissie heeft vragenlijsten gezonden aan alle haar bekende belanghebbenden en alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn kenbaar hadden gemaakt. Deze vragenlijsten werden beantwoord door de Indiase overheid, een EG-producent, een producent/exporteur in India en zijn gelieerde exporteur buiten de Gemeenschap en twee importeurs in de Gemeenschap, alsmede door een verwerkend bedrijf dat banden had met deze importeurs.

De Commissie heeft alle informatie verzameld en geverifieerd die zij voor de vaststelling van subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap noodzakelijk achtte. Bij de Indiase overheid en de hiernavolgende ondernemingen werden controles verricht:

a) EG-producent

- Koloman Handler GmbH, Oostenrijk

b) Producenten/exporteurs in India

- ToCheungLee Stationery Mfg Co. Pvt. Ltd, Tiruvallore

c) Gelieerde exporteurs buiten de Gemeenschap (in Hongkong)

- ToCheungLee (BVI) Limited/World Wide Stationery Mfg. Co, Ltd (houdstermaatschappij)

d) Onafhankelijke importeurs

- Bensons International Systems Ltd, Verenigd Koninkrijk

- Bensons International Systems BV, Nederland

e) Verwerkend bedrijf

- Esselte, Verenigd Koninkrijk.

(7) Het onderzoek naar subsidiëring en schade had betrekking op de periode van 1 april 2000 tot en met 31 maart 2001 ("onderzoektijdvak"). Voor de analyse van de trends die relevant zijn voor de schadebeoordeling heeft de Commissie gegevens over de periode van 1 januari 1998 tot het einde van het onderzoektijdvak onderzocht ("beoordelingsperiode").

2. Voorlopige maatregelen

(8) Omdat bepaalde aspecten van schade, oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap, met name vanwege de herstructurering van de klagende bedrijven, verder onderzocht moesten worden, werden geen voorlopige compenserende maatregelen genomen ten aanzien van ringbandmechanismen uit India en Indonesië.

3. Vervolg van de procedure

(9) Alle partijen werden in kennis gesteld van het besluit geen voorlopige maatregelen te nemen. De Commissie is verder gegaan met het verzamelen en verifiëren van alle gegevens die zij voor haar definitieve bevindingen nodig had. Zij heeft met name controles ter plaatse verricht bij een bedrijf in de Gemeenschap dat ringbandmechanismen verwerkte en bij twee onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap.

(10) Alle partijen werden in kennis gesteld van de voornaamste gegevens en overwegingen op basis waarvan de Commissie voornemens was de aanbeveling te doen definitieve compenserende maatregelen te nemen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en de bevindingen werden zo nodig dienovereenkomstig gewijzigd.

B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Betrokken product

(11) De procedure heeft betrekking op bepaalde ringbandmechanismen (hierna ook "betrokken product" genoemd) die onder GN-code ex 8305 10 00 zijn ingedeeld. Dit onderzoek is niet van toepassing op onder dezelfde GN-code vallende hendel-boogmechanismen.

(12) Ringbandmechanismen bestaan uit twee rechthoekige stalen platen of draden waarin tenminste vier halve ringen van staaldraad zijn bevestigd die met een stalen dekplaatje worden samengehouden. Het mechanisme kan worden geopend, hetzij door aan de halve ringen te trekken, hetzij door een klein stalen trekkermechanisme te bedienen dat aan het ringbandmechanisme is bevestigd. De ringen kunnen verschillende vormen hebben. De meest voorkomende zijn rond, rechthoekig of D-vormig.

(13) Ringbandmechanismen worden voor het opbergen van verschillende soorten documenten of papieren gebruikt. Zij worden onder meer gebruikt door de fabrikanten van ringbandmappen en voor softwarehandleidingen en technische handleidingen, foto- en postzegelalbums, catalogi en brochures.

(14) In het onderzoektijdvak werden in de Gemeenschap honderden modellen ringbandmechanismen verkocht. Deze modellen varieerden in omvang, vorm, aantal ringen, grootte van de basisplaat en in het systeem voor het openen van de ringen (manueel opentrekken of met trekkermechanisme). Omdat geen duidelijk onderscheid kon worden gemaakt tussen die modellen, die in wezen dezelfde fysieke en technische kenmerken bezitten en die in zekere mate onderling verwisselbaar zijn, heeft de Commissie besloten alle ringbandmechanismen in het kader van deze procedure als een enkel product te beschouwen.

2. Soortgelijk product

(15) De Commissie stelde vast dat in India vervaardigde en verkochte ringbandmechanismen en die welke uit India naar de Gemeenschap werden uitgevoerd in wezen dezelfde fysieke en technische kenmerken hadden en voor dezelfde doeleinden werden gebruikt.

(16) De Commissie stelde bovendien vast dat er geen verschil was tussen de fysieke en technische basiskenmerken en gebruiksmogelijkheden van de uit India in de Gemeenschap ingevoerde ringbandmechanismen en die welke door de indieners van de klacht in de Gemeenschap werden vervaardigd en verkocht.

(17) Gezien het gebrek aan medewerking van Indonesische producenten heeft de Commissie zich overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening gebaseerd op de beschikbare gegevens. Wegens het ontbreken van andere informatie voor dit land achtte de Commissie het dienstig de in de klacht verstrekte gegevens te gebruiken, volgens welke de in Indonesië vervaardigde en aldaar verkochte of naar de Gemeenschap uitgevoerde ringbandmechanismen en de ringbandmechanismen die door de klagende producenten in de Gemeenschap worden vervaardigd en aldaar verkocht soortgelijke producten zijn.

(18) Geconcludeerd werd dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde en in de Gemeenschap verkochte ringbandmechanismen, de uit India en Indonesië naar de Gemeenschap uitgevoerde ringbandmechanismen en die welke in India en Indonesië worden vervaardigd en aldaar verkocht soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 5, van de basisverordening.

(19) In het onderzoektijdvak was op het betrokken product het conventionele douanerecht van 2,7 % voor 2000 en 2001 van toepassing. In het kader van het systeem van algemene preferenties kwam het betrokken product uit India en Indonesië in aanmerking voor een vermindering van 100 % van het conventionele douanerecht dat in 2000 en 2001 verschuldigd was. Tengevolge hiervan was zowel in 2000 als in 2001 een recht van 0 % van toepassing.

C. SUBSIDIES

1. India

a) Inleiding

(20) Aan de hand van de gegevens in de klacht en de antwoorden op de vragenlijst van de Commissie hebben de diensten van de Commissie de volgende regelingen onderzocht op grond waarvan exportsubsidies zouden zijn verleend:

- de regeling exportproductiezones/exportgeoriënteerde bedrijven (de EPZ/EGB-regeling),

- de regeling "duty entitlement passbook" (de DEPB-regeling),

- de regeling exportbevordering-kapitaalgoederen (de EK-regeling),

- de regeling vrijstelling vennootschapsbelasting (de VV-regeling).

(21) De drie eerstgenoemde regelingen zijn gebaseerd op de Wet Buitenlandse Handel (ontwikkeling en regulering) van 1992 die op 7 augustus 1992 in werking is getreden. Volgens deze wet kan de Indiase overheid berichten uitvaardigen over het in- en uitvoerbeleid. Deze worden samengevat in documenten inzake het "in- en uitvoerbeleid" die om de vijf jaar worden uitgegeven en jaarlijks worden bijgewerkt. Het document "in- en uitvoerbeleid" dat relevant is voor het onderzoektijdvak van onderhavige procedure heeft betrekking op de jaren 1997 tot en met 2002.

(22) Laatstgenoemde regeling, de regeling vrijstelling vennootschapsbelasting, is gebaseerd op de Wet Vennootschapsbelasting van 1961 die jaarlijks bij de begrotingswet wordt gewijzigd.

(23) Een bedrijf heeft de vragenlijst voor producenten/exporteurs beantwoord. Een buiten de Gemeenschap gevestigd bedrijf dat banden heeft met deze producent/exporteur heeft ook de vragenlijst beantwoord. Volgens de invoergegevens van Eurostat was de producent/exporteur in India goed voor de gehele uitvoer van het betrokken product vanuit India naar de Gemeenschap.

b) De regeling exportproductiezones/exportgeörienteerde bedrijven (EPZ/EGB-regeling)

i) Rechtsgrond

(24) De EPZ/EGB-regeling die in 1965 werd ingevoerd is een beleidsinstrument ter bevordering van de export. In het onderzoektijdvak waren de douaneberichten 53/97, 133/94 en 126/94 van toepassing op die regeling. In hoofdstuk 9 van het document in- en uitvoerbeleid 1997/2002 en in het handboek van procedures zijn nadere gegevens te vinden over deze regeling.

ii) Voorwaarden

(25) Ondernemingen die zich ertoe verbinden hun gehele productie van goederen uit te voeren kunnen gebruikmaken van de EPZ/EGB-regeling. Is deze regeling eenmaal toegekend, dan komt de betrokken onderneming voor bepaalde voordelen in aanmerking. Er zijn zeven erkende EPZ's in India. EGB's kunnen overal in India zijn gevestigd. Zij staan onder toezicht van de douane overeenkomstig afdeling 65 van de Douanewet. Hoewel bedrijven in EPZ's en EGB's in het algemeen verplicht zijn hun gehele productie uit te voeren, staat de Indiase overheid deze bedrijven op bepaalde voorwaarden toch toe een deel van hun productie op de binnenlandse markt te verkopen. De medewerkende producent/exporteur heeft de status van exportgeoriënteerd bedrijf.

iii) Toepassing in de praktijk

(26) Bedrijven die de EGB-status wensen te verkrijgen of die zich in een EPZ wensen te vestigen, dienen bij de bevoegde autoriteiten een aanvraag in die gegevens bevat over onder meer de geplande productie, de geraamde waarde van de uitvoer, de behoeften aan ingevoerde en binnenlandse goederen voor de volgende vijf jaar. Indien de aanvraag wordt aanvaard, worden de aan deze aanvaarding verbonden voorwaarden aan de onderneming medegedeeld. In een EPZ gevestigde ondernemingen en EGB's mogen zelf bepalen welke producten zij vervaardigen. De erkenning als in een EPZ gevestigde onderneming of als EGB geldt voor een periode van vijf jaar en kan worden verlengd.

(27) In EPZ's gevestigde bedrijven en EGB's kunnen de volgende voordelen ontvangen:

i) vrijstelling van invoerrechten op alle soorten goederen (waaronder kapitaalgoederen, grondstoffen en consumptiegoederen) die zij voor of in verband met hun productie nodig hebben, voorzover deze niet voorkomen op de negatieve invoerlijst;

ii) vrijstelling van accijns op in het binnenland aangekochte goederen;

iii) vrijstelling van de vennootschapsbelasting die volgens afdeling 10A of 10B van de Wet Vennootschapsbelasting verschuldigd is voor een periode van tien jaar;

iv) terugbetaling van de centrale omzetbelasting op goederen die plaatselijk werden aangekocht;

v) de onderneming mag voor 100 % in buitenlandse handen zijn;

vi) faciliteiten om een deel van de productie op de binnenlandse markt af te zetten.

(28) De importeur dient op de voorgeschreven wijze een boekhouding te voeren van de ingevoerde goederen, het ge- en verbruik van die goederen en van de uitgevoerde goederen. Deze boekhouding wordt, op diens verzoek, regelmatig gecontroleerd door het Commissariaat voor de Ontwikkeling.

(29) De importeur moet een minimaal nettobedrag aan deviezen verdienen (een percentage van de export) en de exportprestaties moeten in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de vergunning. Alle activiteiten van een EGB of een in een EPZ gevestigd bedrijf moeten plaatsvinden onder douanetoezicht.

iv) Conclusies over de EPZ/EGB-regeling

(30) In onderhavig geval werd de EGB-regeling gebruikt voor de invoer van kapitaalgoederen, grondstoffen en consumptiegoederen en de aanschaf van goederen op de binnenlandse markt. De Commissie heeft onderzocht in hoeverre deze concessies tot compenserende maatregelen aanleiding gaven.

(31) Het bleek dat de EPZ/EGB-regeling het toekennen van subsidies inhoudt, daar de concessies op grond van de regeling een financiële bijdrage van de Indiase overheid vormen - die inkomsten derft waarop zij normalerwijze recht had - waardoor de ontvangers een voordeel verkrijgen.

(32) De schorsing van de rechten op kapitaalgoederen heeft dezelfde werking als een vrijstelling daar, zolang aan de exportvoorwaarden wordt voldaan, het uitsluitend van de betrokken onderneming afhangt of en wanneer de betrokken goederen het douanetoezicht zullen verlaten.

(33) Deze subsidie is rechtens afhankelijk van exportprestaties in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, aangezien zij niet kan worden verkregen zonder dat de onderneming zich ertoe verbindt te exporteren. Zij wordt derhalve als een specifieke subsidie beschouwd die tot compenserende maatregelen aanleiding geeft.

v) Berekening van het subsidiepercentage

Schorsing van de invoerrechten bij de aanschaf van kapitaalgoederen:

(34) De Indiase producent/exporteur heeft van de EGB-regeling gebruikgemaakt om de schorsing van de rechten te verkrijgen die normalerwijze bij de invoer van kapitaalgoederen verschuldigd was.

(35) Het voordeel voor dit bedrijf werd berekend door het bedrag aan onbetaalde douanerechten te nemen dat normalerwijze op de ingevoerde kapitaalgoederen verschuldigd was geweest en dit bedrag om te slaan over een periode van zeven jaar, daar dit de termijn is die door het bedrijf en de betrokken sector als de normale afschrijvingstermijn voor de ingevoerde kapitaalgoederen wordt beschouwd. Aan het aldus berekende, aan het onderzoektijdvak toe te rekenen bedrag werd voor het onderzoektijdvak rente toegevoegd om het gehele voordeel van deze regeling voor de ontvanger vast te stellen. Daar het verkregen voordeel neerkomt op een eenmalige gift werd de commerciële rente van 10 % aangerekend die in India in het onderzoektijdvak van toepassing was. Dit bedrag werd vervolgens aan de gehele uitvoer in het onderzoektijdvak toegerekend.

(36) Het aldus berekende voordeel bedroeg 2,42 %.

Vrijstelling van douanerechten bij de invoer van grondstoffen en consumptiegoederen:

(37) De Indiase producent/exporteur heeft van de EGB-regeling gebruikgemaakt om vrijstelling te verkrijgen van de douanerechten bij de invoer van grondstoffen en consumptiegoederen.

(38) Bij de controle ter plaatse werd de aard en de hoeveelheid van deze ingevoerde goederen nagegaan. Het bedrijf kon voor alle in het onderzoektijdvak ingevoerde grondstoffen duidelijk aantonen dat er een verband was met de hoeveelheid uitgevoerde eindproducten en dat er niet meer inputs waren ingevoerd dan bij de productie van de exportproducten waren gebruikt.

(39) Deze ingevoerde goederen komen daarom in aanmerking voor de uitzondering in punt i) van de lijst met voorbeelden van uitvoersubsidies in bijlage I van de basisverordening, daar alle goederen die vrij van rechten waren ingevoerd in het exportproduct waren verwerkt en er geen teveel aan invoerrechten was kwijtgescholden.

Vrijstelling van accijnzen op goederen die in het eigen land zijn aangekocht:

(40) De Indiase producent/exporteur heeft de EGB-regeling gebruikt om vrijstelling te verkrijgen van de accijnzen op goederen die in het eigen land zijn aangekocht.

(41) De accijzen die door een niet-EGB (dat wil zeggen een bedrijf dat niet de bijzondere status van EGB heeft verkregen) worden betaald, worden evenwel als een terugbetaalbare post geboekt (op grond van de CENVAT/MODVAT-regeling) en gebruikt bij de betaling van accijnzen bij de verkoop in het eigen land. De vrijstelling van een EGB van accijnzen betekent dus geen extra inkomstenderving voor de Indiase overheid. Het EGB heeft geen extra voordelen verkregen.

Terugbetaling van de centrale omzetbelasting op plaatselijk aangeschafte goederen:

(42) De Indiase producent/exporteur heeft de EGB-regeling gebruikt om terugbetaling te verkrijgen van de centrale omzetbelasting op plaatselijk aangeschafte goederen. Deze terugbetaling komt neer op het toekennen van een subsidie, daar de overheid hierdoor inkomsten derft en de ontvanger een voordeel verkrijgt.

(43) Het voordeel werd berekend door het bedrag te nemen van de terugbetaalbare omzetbelasting op plaatselijke aankopen in het onderzoektijdvak. De Indiase producent/exporteur bleek zijn plaatselijke aankopen bijna uitsluitend te doen in de staat waarin hij is gevestigd (Tamil Nadu) en de centrale omzetbelasting is uitsluitend van toepassing op interstatale transacties. Het bedrag aan centrale omzetbelasting dat deze onderneming terugbetaald kon krijgen bedroeg daarom slechts 0,01 %.

c) De regeling vrijstelling vennootschapsbelasting (VV-regeling)

i) Rechtsgrond

(44) De Wet Vennootschapsbelasting van 1961 is de rechtsgrond van de VV-regeling. Deze wet omschrijft de beginselen van de belastingheffing en van de verschillende vrijstellingen/verminderingen die kunnen worden aangevraagd. Bedrijven kunnen onder meer vrijstellingen aanvragen op grond van de afdelingen 10A, 10B en 80HHC van de wet die voorzien in de vrijstelling van de vennootschapsbelasting op exportwinsten.

ii) Voorwaarden

(45) Vrijstelling op grond van afdeling 10A kan worden aangevraagd door ondernemingen die in vrijhandelszones zijn gevestigd, vrijstelling op grond van afdeling 10B door exportgerichte bedrijven en vrijstelling op grond van afdeling 80HHC door alle exportondernemingen.

iii) Toepassing in de praktijk

(46) De aanvraag voor een aftrek op de vennootschapsbelasting voor winsten op exportproducten wordt bij de jaarlijkse belastingaangifte ingediend.

iv) Conclusies over de VV-regeling

(47) Op grond van de VV-regeling verleent de Indiase overheid een financiële bijdrage aan een bedrijf, waardoor zij inkomsten derft omdat zij de directe belastingen niet ontvangt die normalerwijze verschuldigd zijn. Deze financiële bijdrage is een voordeel voor de ontvanger die hierdoor minder vennootschapsbelasting betaalt.

(48) De VV-regeling is rechtens afhankelijk van exportprestaties in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, daar slechts door uitvoer verkregen inkomsten van de belastbare inkomsten kunnen worden afgetrokken. Deze subsidie is dus specifiek en geeft tot compenserende maatregelen aanleiding.

v) Berekening van het subsidiepercentage

(49) Daar de Indiase producent/exporteur een EGB is, kwam hij op grond van afdeling 10B van de Wet Vennootschapsbelasting in aanmerking voor een vrijstelling van de vennootschapsbelasting en heeft hij in het onderzoektijdvak om aftrek verzocht. Het voordeel werd berekend door het bedrag te nemen dat op de winst verschuldigd zou zijn geweest indien geen aftrek was toegepast.

(50) Het aldus berekende voordeel bedroeg 0,15 %.

d) Andere subsidieregelingen

(51) Bij het onderzoek is gebleken dat de producent/exporteur geen gebruik heeft gemaakt van een van de andere onderzochte regelingen. Daarom behoeft niet te worden onderzocht of deze tot compenserende maatregelen aanleiding geven.

e) Percentage van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies

(52) De tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies werden overeenkomstig de basisverordening, uitgedrukt in procenten van de waarde en bedroegen voor de onderzochte producent/exporteur 2,5 %. Dit percentage ligt onder de minimale waarde en de subsidiemarge voor India moet daarom als te verwaarlozen worden beschouwd.

2. Indonesië

a) Inleiding

(53) Naar aanleiding van het in overweging 4 genoemde overleg besloten de diensten van de Commissie het onderzoek tot twee regelingen te beperken, namelijk de BKPM en de Cakung EPZ. Zij hebben de Indonesische overheid een vragenlijst gezonden, waarop echter geen enkel antwoord is ontvangen. Daarom werd bij de Indonesische overheid geen controle verricht. De enige producent/exporteur in Indonesië die bij de Commissie bekend was, heeft de vragenlijst niet beantwoord, ondanks een verlenging van de daartoe vastgestelde termijn. Gezien dit gebrek aan medewerking werd deze onderneming medegedeeld dat de voorlopige bevindingen op de beschikbare gegevens zouden worden gebaseerd overeenkomstig artikel 28, lid 1, van de basisverordening wat ertoe zou kunnen leiden, als in artikel 28, lid 6, bepaald, dat de resultaten voor haar minder gunstig zouden kunnen zijn dan wanneer zij wel medewerking had verleend. Overeenkomstig artikel 26, lid 1, van de basisverordening werd bij deze producent/exporteur geen controle ter plaatse verricht.

(54) Overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening moesten subsidiëring en exportprijzen worden vastgesteld aan de hand van de beschikbare gegevens. De Commissie heeft het dienstig geoordeeld haar bevindingen te baseren op de gegevens in de klacht en op de gegevens die zij had verkregen in het kader van een vorige antisubsidieprocedure betreffende Indonesië(4). Overeenkomstig artikel 28, lid 5, werden deze gegevens, indien mogelijk, ook gecontroleerd aan de hand van gegevens uit onafhankelijke bronnen.

b) BKPM-regelingen

(55) Volgens de klacht heeft de betrokken producent/exporteur gebruikgemaakt van voordelen die worden verstrekt door de dienst Coördinatie Investeringen (BKPM), een overheidsinstantie die belast is met de planning en bevordering van investeringen.

(56) Bij het bovengenoemde vorige onderzoek is gebleken dat de BKPM goedkeuring verleent voor zowel buitenlandse (PMA) als binnenlandse (PMDN) investeringen. Ondernemingen die door de BKPM als PMA- of PMDN-ondernemingen zijn erkend, zijn vrijgesteld van rechten en heffingen op de invoer van kapitaalgoederen (machines, uitrusting, onderdelen en hulpuitrusting) en grondstoffen.

(57) De BKPM-regelingen zijn subsidieregelingen, daar de ontvanger door de financiële bijdrage van de Indonesische overheid, in de vorm van gederfde rechten, rechtstreeks een voordeel verkrijgt.

(58) De regelingen zijn geen regelingen voor de teruggave of kwijtschelding van rechten overeenkomstig de bijlagen I, II en II bij de basisverordening, daar bij het productieproces geen kapitaalgoederen worden verbruikt en er geen verplichting is het grondstofbevattende eindproduct uit te voeren.

(59) De BKPM-regelingen zijn rechtens niet afhankelijk van exportprestaties of het gebruik van binnenlandse in plaats van buitenlandse goederen.

(60) De voorwaarden om voor de voordelen in aanmerking te komen worden door de BKPM vastgesteld en lijken vaak te worden bijgewerkt. De BKPM-subsidies zijn uitdrukkelijk tot bepaalde ondernemingen beperkt, waarbij bepaalde sectoren zijn uitgesloten. De subsidieverlenende autoriteiten hebben een zekere discretionaire bevoegdheid bij het beoordelen van de subsidieaanvragen: het verlenen van de subsidies gebeurt niet automatisch.

(61) De BKPM-regelingen zijn daarom niet in overeenstemming met artikel 3, lid 2, onder b), van de basisverordening, waarin is bepaald dat de subsidieverlenende instantie objectieve criteria moet hanteren die neutraal zijn, die bepaalde ondernemingen niet ten opzichte van andere begunstigen en die economisch van aard en horizontaal van toepassing zijn. Deze regelingen worden dus specifiek geacht in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van de basisverordening, daar zij slechts voor bepaalde ondernemingen beschikbaar zijn. Doordat de betrokken producent/exporteur en de Indonesische overheid geen medewerking verleenden, kon niet worden vastgesteld in welke mate hij van deze regeling gebruik heeft gemaakt.

c) Indonesische zones onder douanetoezicht - exportproductiezone Cakung

(62) Uit het adres van de niet-medewerkende producent/exporteur blijkt dat hij gevestigd is in de exportproductiezone Cakung - een gebied dat bekend staat onder de naam "douanetoezichtzone Nusantara". De onderneming heeft dit bevestigd. Bedrijven die in een dergelijke zone zijn gevestigd komen voor voordelen in aanmerking waarvoor andere bedrijven gewoonlijk niet in aanmerking komen. Deze bedrijven zijn met name vrijgesteld van invoerrechten op goederen die bij de productie van uitgevoerde eindproducten zijn gebruikt.

(63) Daar de producent/exporteur geen medewerking heeft verleend, heeft hij geen gegevens verstrekt waaruit bleek dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de voordelen die gewoonlijk in een dergelijke zone worden toegekend. Om het gebrek aan medewerking niet te belonen en omdat de exporteur inderdaad in een EPZ bleek te zijn gevestigd, is de Raad gerechtigd ervan uit te gaan dat van de daarvoor geldende voordelen gebruik is gemaakt.

(64) Overeenkomstig de bevindingen van het vorige onderzoek is de regeling voor de terugbetaling of kwijtschelding van rechten die voor een dergelijke zone geldt een financiële bijdrage van de overheid, daar deze hierdoor inkomsten derft en de ontvanger een voordeel verkrijgt.

(65) Een dergelijke regeling voor de terugbetaling of kwijtschelding van rechten is een subsidie die rechtens afhankelijk is van exportprestaties in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van de basisverordening, daar deze terugbetaling of kwijtschelding niet kan worden verkregen indien de onderneming zich niet tot export verplicht. Deze subsidie is dus specifiek en geeft aanleiding tot compenserende maatregelen.

(66) Doordat de producent/exporteur geen medewerking verleende, kon niet worden vastgesteld of de door hem ingevoerde producten onder de uitzondering vallen die zijn vermeld in de bijlagen bij de basisverordening: er kon niet worden vastgesteld of de ingevoerde goederen in de exportproducten zijn verwerkt en dat geen te hoog bedrag werd terugbetaald of kwijtgescholden.

d) Conclusies inzake subsidiëring

(67) Uit de beschikbare gegevens, overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening, blijkt dat de niet-medewerkende producent/exporteur gebruik kon maken van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies. Het lijkt redelijk ervan uit te gaan dat hij inderdaad gebruik heeft gemaakt van deze subsidies. Voor de vaststelling van maatregelen wordt ervan uitgegaan, zoals in het vorige onderzoek, dat een deel (50 %) binnenlandse subsidies en het andere deel (50 %) exportsubsidies zijn, daar slechts een van de twee regelingen, de EPZ-regeling, als een exportsubsidie werd beschouwd.

(68) Geoordeeld wordt dat het gebrek aan medewerking het resultaat is van het gebruik van en voordeel bij tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies boven het percentage dat voor Indonesië als minimaal wordt beschouwd. Om te voorkomen dat een gebrek aan medewerking wordt beloond en gezien de in de klacht vervatte gegevens en de resultaten van het vorige onderzoek, wordt de volgende voorlopige subsidiemarge vastgesteld, in procenten van de invoerprijs, cif grens Gemeenschap, vóór inklaring, voor alle producenten/exporteurs in Indonesië:

alle exporteurs: 10,0 %.

D. SCHADE

1. Voorafgaande opmerking

(69) Omdat slechts een Indiase exporteur/producent aan het onderzoek medewerkte en de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts uit een onderneming bestaat, werden de gegevens die specifiek op die ondernemingen betrekking hadden om redenen van vertrouwelijkheid geïndexeerd of met een zekere marge weergegeven overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening.

2. Productie van de Gemeenschap

(70) Het betrokken product werd niet alleen door de twee klagende EG-producenten geproduceerd, maar ook in Italië en Spanje. Hoewel de Italiaanse onderneming de Commissie geen volledige gegevens deed toekomen, bleek uit de ontvangen gegevens dat zij in het onderzoektijdvak goed was voor ongeveer 10 % van de totale productie van het betrokken product in de Gemeenschap. De Spaanse onderneming, die de Commissie evenmin volledige gegevens deed toekomen, bleek in 2001 te verwaarlozen hoeveelheden van het betrokken product te hebben vervaardigd en het grootste deel van de door haar verkochte hoeveelheden uit een van de betrokken landen te hebben ingevoerd. Laatstgenoemde onderneming diende derhalve veel meer als een importeur dan als een producent te worden beschouwd.

(71) Een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd bedrijf had zich vroeger beziggehouden met de productie van een bepaalde soort ringbandmechanismen. Deze onderneming bevestigde schriftelijk dat zij de productie van dit product enkele jaren geleden had gestaakt. Er zijn in de Gemeenschap geen andere producenten bekend.

(72) Gezien het bovenstaande vormen de productie van de klagende EG-producenten en van de andere, in Italië gevestigde EG-producent de totale productie in de Gemeenschap in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening.

3. Definitie van het begrip bedrijfstak van de Gemeenschap

a) Bedrijfstak van de Gemeenschap

(73) Een van de twee klagende producenten (Krause) heeft de vragenlijst niet beantwoord en werd daarom als een niet-medewerkende producent beschouwd. Deze producent werd derhalve, hoewel hij de klacht had onderschreven, niet als een deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap beschouwd. Ten aanzien van de andere producent (Koloman) werd vastgesteld dat deze het betrokken product in het onderzoektijdvak niet alleen in de Gemeenschap had vervaardigd, maar ook in Hongarije. Koloman verkocht in de Gemeenschap zowel ringbandmechanismen die in de Gemeenschap als in Hongarije waren vervaardigd en gebruikte bij de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap ook in Hongarije vervaardigde delen. Een deel van de productie van deze producent was begin 2000 verplaatst door de overbrenging van bepaalde machines van Oostenrijk naar Hongarije. Ondanks dit feit zijn de kernactiviteiten van deze onderneming in de Gemeenschap gebleven, waar haar hoofdkantoor, opslagplaatsen, verkoopkantoor en belangrijke productieafdelingen zijn gevestigd en waar zich nog veel knowhow op het gebied van techniek en marketing bevindt. De invoer uit Hongarije dient ter aanvulling van het assortiment van deze producent en doet geen afbreuk aan de status van Koloman als producent van de Gemeenschap. De in Hongarije vervaardigde delen die in het eindproduct waren opgenomen bleken slechts een klein deel van de productiekosten van het eindproduct en, dientengevolge, van de toegevoegde waarde uit te maken. Deze invoer doet dientengevolge geen afbreuk aan de status van deze fabrikant als producent van de Gemeenschap.

(74) Het onderzoek bevestigde dat de enige medewerkende EG-producent goed was voor meer dan 25 % van de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap en daarom voldeed aan de voorwaarden van artikel 10, lid 8, van de basisverordening. Deze onderneming werd derhalve geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap te vormen in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening en zal hierna "de bedrijfstak van de Gemeenschap" worden genoemd.

b) Gebeurtenissen na het onderzoektijdvak

(75) In november 2001, dit wil zeggen na het einde van het onderzoektijdvak, werd bij de medewerkende EG-producent, Koloman, een curator aangesteld en werd het bedrijf in het kader van een vereffeningsprocedure overgenomen door een Oostenrijkse onderneming waarvan de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde moedermaatschappij ook het Hongaarse filiaal van Koloman verwierf.

(76) De overnemers deelden de Commissie mede dat zij de klacht verder steunden.

c) Verbruik in de Gemeenschap

(77) Het zichtbare verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld op basis van de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap, de verkoop van de andere EG-producenten in de Gemeenschap, zoals in de klacht vermeld, gecorrigeerd voor het onderzoektijdvak, informatie van de medewerkende producent/exporteur en de Eurostat-gegevens over de invoer. Daarbij werd rekening gehouden met het feit dat GN-code 8305 10 00 ook producten omvat waarop deze procedure niet van toepassing is. Voor Indonesië werd bij gebrek aan medewerking van de Indonesische exporteurs gebruikgemaakt van de beste gegevens die beschikbaar waren, in dit geval de gegevens van Eurostat. Op basis van de gegevens in de klacht - dit was de beste informatie die beschikbaar was - werd ervan uitgegaan dat de gehele invoer uit Indonesië onder de genoemde GN-code uit het betrokken product bestond. Volgens de niet-medewerkende Indonesische producent voerde hij ongeveer 15 % minder naar de Gemeenschap uit dan de gebruikte invoercijfers aangaven. Deze bewering kon echter niet worden gecontroleerd en het verschil zou verklaard kunnen worden door de omrekening van de Eurostat-cijfers, die in ton zijn uitgedrukt, in stuks. Op deze basis bleek het verbruik in de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 5 % te zijn gestegen. Het verbruik was van 1998 op 1999 betrekkelijk stabiel en was vervolgens geleidelijk gestegen tot het aan het einde van het onderzoektijdvak 348 miljoen stuks bedroeg.

4. Invoer uit Indonesië

(78) De procedure ten aanzien van India werd beëindigd. Daarom wordt slechts de invoer uit Indonesië geanalyseerd, het enige overgebleven betrokken land.

a) Omvang van de invoer

(79) De omvang van de invoer van ringbandmechanismen uit Indonesië is in de periode 1998-2000 afgenomen, en vervolgens, van 2000 tot en met het onderzoektijdvak, enigszins gestegen. De invoer van dit product uit dit land is evenwel eerst in 1997 begonnen, was reeds aanzienlijk in 1998 en bedroeg in het onderzoektijdvak 32 miljoen stuks.

b) Marktaandeel

(80) Het marktaandeel van ringbandmechanismen uit Indonesië bedroeg 8 à 13 %, na een afname sinds 1998 met 2 procentpunten.

c) Prijzen

i) Prijsverloop

(81) De gewogen gemiddelde prijzen bij invoer uit Indonesië namen van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 5 % af, dat wil zeggen van 105 ecu per duizend stuks tot 99 EUR per duizend stuks. De prijsdaling was bijzonder sterk in 1999 ten opzichte van 1998 toen de prijzen met 3 % daalden en in het onderzoektijdvak ten opzichte van 2000, toen de prijzen met 2 % daalden.

ii) Onderbieding

(82) Door het gebrek aan medewerking van de Indonesische exporteurs vond de vergelijking plaats aan de hand van de gegevens van Eurostat, die werden gecorrigeerd voor douanerechten en kosten na invoer. Deze prijzen werden in hetzelfde handelsstadium vergeleken met de prijzen van de EG-producenten af fabriek.

(83) De prijsonderbieding werd opnieuw onderzocht en zo nodig gewijzigd aan de hand van gegevens die bij de aanvullende controlebezoeken werden verstrekt. De prijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië bleken de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 30 à 40 % te onderbieden. Noodzakelijke prijsverhogingen konden niet plaatsvinden waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap geen winst kon maken.

5. Toestand van de bedrijfstak van de Gemeenschap

a) Productie

(84) De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vertoonde een neergaande tendens en liep van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 25 % terug. In de periode 1998-1999 daalde de productie aanzienlijk (-15 %). Dit was ook het geval in de periode 1999-2000, doch daarna bleef de omvang van de productie tot het einde van het onderzoektijdvak stabiel.

b) Productiecapaciteit en capaciteitsbenutting

(85) De productiecapaciteit vertoonde dezelfde tendens als de productie en liep van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 26 % terug.

(86) De capaciteitsbenutting was in de beoordelingsperiode derhalve stabiel.

c) Voorraden

(87) De eindejaarsvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap liepen in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 12 % terug.

d) Verkoop in de Gemeenschap

(88) Ondanks de toename van het verbruik in de Gemeenschap liep de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak sterk in omvang terug, namelijk met 25 %. De daling vond plaats in de periode 1998-1999 (-10 %) en in nog sterkere mate in de periode 1999-2000 (-15 %).

e) Marktaandeel

(89) Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met meer dan 4 procentpunten af en volgde zodoende dezelfde trend als de omvang van de verkoop.

f) Prijzen

(90) De gemiddelde nettoverkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 4 %. Deze daling was bijzonder uitgeproken van 1998 op 1999 (-6 %), toen de invoerprijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië aanmerkelijk daalden, zoals in overweging 81 vermeld.

g) Rentabiliteit

(91) De gewogen gemiddelde rentabiliteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 10 procentpunten en vanaf het jaar 2000 leed deze bedrijfstak verlies. Ten gevolge van deze ongunstige ontwikkeling werd bij de onderneming die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormt een curator aangesteld, zoals in overweging 75 vermeld.

h) Cashflow en het vermogen om kapitaal aan te trekken

(92) De cashflow van de bedrijfstak van de Gemeenschap in verband met de verkoop van ringbandmechanismen vertoonde grotendeels dezelfde trend als de rentabiliteit, namelijk een aanzienlijke daling in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak.

(93) Uit het onderzoek bleek dat de bedrijfstak van de Gemeenschap als gevolg van zijn financiële situatie, en in het bijzonder zijn verminderde rentabiliteit, in deze periode meer problemen ondervond bij het aantrekken van kapitaal.

i) Werkgelegenheid, lonen en productiviteit

(94) Het aantal arbeidsplaatsen in de bedrijfstak van de Gemeenschap in verband met de productie van ringbandmechanismen liep in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 30 % terug. De totale loonsom volgde dezelfde tendens en daalde in deze periode met 27 %, wat neerkwam op een stijging van het gemiddelde loon met 5 % in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak. De productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap, per werknemer, nam in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 8 % toe.

j) Investeringen en rendement van investeringen

(95) De investeringen liepen in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 39 % terug. De daling was bijzonder sterk van 1999 op 2000. Het onderzoek wees uit dat de meeste kapitaaluitgaven verband hielden met de vervanging of het onderhoud van bestaande installaties.

(96) Het rendement van de investeringen, dat wil zeggen de verhouding tussen de nettowinst en de nettoboekwaarde van de investeringen, vertoonde vrijwel dezelfde tendens als de rentabiliteit en werd in 2000 negatief.

k) Groei

(97) Hoewel het verbruik in de Gemeenschap in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 5 % toenam, liep de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 25 % in omvang terug, terwijl de invoer aanzienlijk bleef. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon derhalve niet profiteren van de, weliswaar beperkte, toename van de vraag in de Gemeenschap.

6. Verplaatsing van een deel van de productie

(98) Teneinde na te gaan of de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet het gevolg was van een wijziging in de productiestructuur in de Gemeenschap, werd eveneens onderzocht of de verplaatsing van een deel van de productie, als vermeld in overweging 73 (door de overbrenging van machines van Oostenrijk naar Hongarije) begin 2000 gevolgen heeft gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Hoewel de neergaande tendens van bepaalde schade-indicatoren door deze verplaatsing werd versterkt (bijvoorbeeld de productie, de productiecapaciteit en de omvang van de verkoop), gaven andere indicatoren, zoals capaciteitsbenutting en gemiddelde verkoopprijzen, een verbetering te zien, waardoor de verliezen afnamen. Naar raming hield ongeveer 60 % van de productiedaling en ongeveer 80 % van de daling van de verkoop verband met deze overbrenging van de productie-installaties, maar zonder deze overbrenging zou de prijsdaling driemaal zo groot zijn geweest en de rentabiliteit nog 7 procentpunten lager. Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet het gevolg was van een wijziging in het productiepatroon in de Gemeenschap.

(99) Aangevoerd werd dat de hoofdactiviteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet meer in de Gemeenschap zijn, omdat de verplaatsing naar Hongarije tot een daling van de productie in de Gemeenschap met 60 % leidde en tot een daling van de verkoop in de Gemeenschap met 80 %.

(100) Zoals in overweging 98 vermeld, leidde de verplaatsing niet tot een dergelijke vermindering van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap: zij leidde slechts tot een daling van de productie in de Gemeenschap met 15 % en tot een daling van de verkoop met 20 % van in de Gemeenschap geproduceerde producten. De conclusie in overweging 73 over de kernactiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt derhalve bevestigd.

7. Conclusie inzake schade

(101) De situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap (rekening houdend met de verplaatsing van een deel van de productie als vermeld in overweging 98) bleek in de beoordelingsperiode te zijn verslechterd.

(102) Hoewel de antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië na 1998 tot een aanzienlijke daling van de invoer uit deze landen leidden, heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap niet ten volle van deze ontwikkeling kunnen profiteren. Vanaf 1998 wezen de meeste schade-indicatoren, zoals productie, omvang van de verkoop, marktaandeel, winstgevendheid, rendement op investeringen, cashflow en werkgelegenheid op een negatieve ontwikkeling. Met name de daling van de verkoopprijzen had ongunstige gevolgen voor de rentabiliteit.

(103) Terwijl de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak terugliep, werden uit Indonesië grote hoeveelheden ingevoerd. De prijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië onderboden die van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 30 à 40 %. Hierdoor werden bovendien prijsverhogingen verhinderd.

(104) De situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleek derhalve dermate te zijn verslechterd dat geconcludeerd werd dat deze bedrijfstak aanmerkelijke schade heeft geleden.

(105) Er wordt aan herinnerd dat de financiële situatie van de onderneming die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormde zo precair was dat na het onderzoektijdvak een curator moest worden aangesteld.

E. OORZAKELIJK VERBAND

1. Inleiding

(106) Overeenkomstig artikel 8, leden 6 en 7, van de basisverordening werd onderzocht of de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden, was veroorzaakt door de invoer van ringbandmechanismen uit Indonesië, gezien de omvang van die invoer en de gevolgen daarvan voor de prijzen in de Gemeenschap en of die schade als aanmerkelijk kon worden beschouwd. De Commissie heeft eveneens onderzocht of deze schade ook door andere factoren dan de invoer van gesubsidieerde producten kon zijn veroorzaakt, om te voorkomen dat schade die door deze andere factoren was veroorzaakt aan de invoer van gesubsidieerde producten uit Indonesië werd toegeschreven.

2. Gevolgen van de invoer van gesubsidieerde producten

(107) De omvang van de invoer van gesubsidieerde producten nam van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 14 % af, terwijl het daarmee overeenstemmende marktaandeel in de Gemeenschap met 2 procentpunten kromp. Deze invoer bleef echter aanzienlijk en het marktaandeel dat daarmee overeenstemde bedroeg in de periode 1998 - onderzoektijdvak 8 à 13 %. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden aanzienlijk onderboden. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde met meer dan 4 procentpunten. Terzelfdertijd daalden de gemiddelde prijzen van de bedrijfstak met 4 %. De werkelijke prijsdaling was in feite nog sterker; zoals in overweging 98 vermeld.

(108) In dezelfde periode, namelijk van 1998 tot en met het onderzoektijdvak, verslechterde de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals bleek uit de daling van de omvang van de verkoop, van het marktaandeel, de prijzen en van de winstgevendheid waardoor tenslotte verliezen werden geleden. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon dus niet echt profiteren van bovengenoemde maatregelen ten aanzien van de Volksrepubliek China en Maleisië.

(109) Een Indonesische producent/exporteur voerde aan dat de invoer uit Indonesië geen schade kon hebben veroorzaakt, daar hij van 1999 op 2000 daalde en het marktaandeel minimaal was. Volgens dezelfde onderneming kon de invoer uit Indonesië geen werkelijke gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap daar de productie in de Gemeenschap vijf- à zesmaal hoger was dan de invoer uit Indonesië.

(110) Er wordt echter op gewezen dat de invoer uit Indonesië van 1998 op 2000 weliswaar daalde, maar dat deze in het onderzoektijdvak weer enigszins steeg ten opzichte van 2000, zonder evenwel het niveau van 1998 te bereiken. Bovendien, zoals in overweging 80 vermeld, hadden de ringbandmechanismen uit Indonesië in de periode 1998 - onderzoektijdvak een marktaandeel van 8 à 13 %, wat aanzienlijk is en duidelijk meer dan minimaal. Tenslotte wordt erop gewezen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk is omschreven in overweging 74 en dat deze aanzienlijk minder produceert dan de Indonesische onderneming beweert.

(111) Daarom wordt geconcludeerd dat de invoer van gesubsidieerde producten uit Indonesië de gevolgen van de antidumpingmaatregelen van 1997 ten aanzien van de Volksrepubliek China en Maleisië (en die in 2000 ten aanzien van de Volksrepubliek China werden gewijzigd) hebben afgezwakt en dat deze invoer een belangrijke oorzaak is geweest van de in de voorgaande alinea's beschreven ongunstige ontwikkelingen.

3. Gevolgen van andere factoren

a) Invoer uit andere derde landen

(112) Onderzocht werd of andere factoren dan de invoer van gesubsidieerde producten uit Indonesië (mede) de schade konden hebben veroorzaakt die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en met name of de invoer uit andere landen dan Indonesië tot die situatie kon hebben bijgedragen.

(113) De omvang van de invoer uit andere derde landen steeg van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 17 %, terwijl het daarmee overeenstemmende marktaandeel met meer dan 5 procentpunten steeg. Deze stijging is grotendeels veroorzaakt door de stijging van de invoer uit India, Hongarije en Thailand, terwijl de invoer uit de Volksrepubliek China en Maleisië ten gevolge van de in 1997 genomen antidumpingmaatregelen sterk daalde.

(114) De gewogen gemiddelde stukprijs bij invoer uit derde landen daalde met 16 % van 1998 tot en met het onderzoektijdvak. De prijzen van ringbandmechanismen uit bijna alle derde landen daalden in deze periode behalve de prijzen van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China die tengevolge van de antidumpingmaatregelen sterk stegen, hoewel ze eerst in het onderzoektijdvak zo hoog waren als de Hongaarse prijzen.

i) India

(115) Eerst werd onderzocht of de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden mede kon zijn veroorzaakt door de invoer uit India. Hoewel de invoer uit India van 1998 tot en met het onderzoektijdvak sterk was gestegen, werden de prijzen van ringbandmechanismen uit India met 2 tot 30 % onderboden door de prijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië. Toen in 1998 voor het eerst ringbandmechanismen uit India werden ingevoerd, waren de prijzen ervan meer dan 40 % hoger dan die van ringbandmechanismen uit Indonesië, voor een vergelijkbare hoeveelheid. Sindsdien zijn de prijzen bij invoer uit India steeds gedaald, maar zijn altijd hoger gebleven dan de Indonesische prijzen (in het onderzoektijdvak meer dan 5 % hoger). Daarom wordt geconcludeerd dat hoewel de invoer uit India ongunstige gevolgen heeft gehad voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, de nadelige gevolgen van de invoer uit Indonesië, op zich genomen, niettemin aanzienlijk zijn geweest. Indonesië was een invloedrijke en belangrijke speler op de EG-markt. Uit Indonesië werd minder ingevoerd dan uit India, maar het ging nog steeds om aanzienlijke hoeveelheden. De Indonesische prijzen onderboden de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap nog sterker dan de Indiase prijzen. Voorts wordt opgemerkt dat voorgaande analyse ernstig bemoeilijkt werd door het feit dat Indonesië geen medewerking verleende waardoor er geen gegevens beschikbaar waren over de modellen van het betrokken product uit Indonesië en de marktsegmenten waarvoor zij waren bestemd.

ii) De Volksrepubliek China

(116) Ook werd onderzocht of de absorptie van het in 1997 op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China ingestelde antidumpingrecht geleid of bijgedragen kon hebben tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Opgemerkt wordt dat de gevolgen van de in 1997 ingestelde maatregelen voor de verkoopprijzen waarschijnlijk werden afgezwakt door de absorptie van het recht, maar dat dit recht vanaf 1998 toch tot een belangrijke vermindering van de invoer uit de Volksrepubliek China heeft geleid. Met de invoer uit Indonesië werd eerst in 1997 begonnen, maar deze invoer had in 1998 reeds ongeveer hetzelfde niveau bereikt als de invoer uit de Volksrepubliek China. Vervolgens daalde de invoer uit de Volksrepubliek China sterk, terwijl de invoer uit Indonesië tot het onderzoektijdvak slechts weinig afnam, toen de invoer uit Indonesië meer dan driemaal zo hoog was dan de invoer uit de Volksrepubliek China. Omdat in het onderzoektijdvak uit de Volksrepubliek China veel minder werd ingevoerd dan uit Indonesië, werd geconcludeerd dat eerstgenoemde invoer niet zulke ernstige gevolgen kon hebben gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap als de gevolgen van de invoer van gesubsidieerde producten uit Indonesië.

iii) Hongarije

(117) Om te bepalen of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade had geleden door de invoer uit Hongarije, op zich genomen, werd de omvang van de invoer uit Hongarije en het prijsniveau van het Hongaarse product op de EG-markt onderzocht.

(118) De invoer uit Hongarije van 1998 tot en met het onderzoektijdvak werd geanalyseerd aan de hand van de gegevens die de EG-producent had verstrekt wiens fabriek in Hongarije de enige in Hongarije was die het betrokken product maakte.

(119) In de beoordelingsperiode is de invoer van ringbandmechanismen uit Hongarije toegenomen. De prijzen waartegen de bedrijfstak van de Gemeenschap ringbandmechanismen uit Hongarije in de Gemeenschap verkocht, daalden in de beoordelingsperiode, maar zij waren hoger dan de prijzen van ringbandmechanismen uit alle andere derde landen en werden onderboden door de prijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië.

(120) De productie van ringbandmechanismen in Hongarije door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd geanalyseerd en vergeleken met de productie in Oostenrijk. Het bleek dat er weinig overeenstemming was tussen de in Oostenrijk en de in Hongarije geproduceerde modellen.

(121) Gezien het geringe aantal modellen dat zowel in Oostenrijk als in Hongarije werd vervaardigd, werd geconcludeerd dat de productie in Hongarije diende ter aanvulling van het assortiment van de bedrijfstak van de Gemeenschap waardoor deze zijn afnemers een grotere keuze kon bieden; de productie in Hongarije had dus geen nadelige gevolgen voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(122) Op grond van het bovenstaande werd geconcludeerd dat de invoer uit Hongarije niet in aanmerkelijke mate had bijgedragen tot de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

iv) Thailand

(123) Daar, zoals in Verordening (EG) nr. 2100/2000(5) werd vermeld, sommige producten van Chinese oorsprong bij de nationale douaneautoriteiten werden aangegeven als zijnde van Thaise oorsprong, waardoor de verschuldigde antidumpingrechten werden ontdoken, werd het dienstig geoordeeld de gevolgen van de invoer van vanuit Thailand verzonden ringbandmechanismen te evalueren.

(124) De invoer uit Thailand bleek in de beoordelingsperiode aanzienlijk te zijn gestegen, daar zij eerst in 1998 met ongeveer 1 miljoen stuks was begonnen en in het onderzoektijdvak meer dan 23 miljoen stuks bedroeg. Bovendien bleek uit de Eurostat-gegevens dat de verkoopprijzen van ringbandmechanismen uit Thailand doorgaans lager waren dan die van ringbandmechanismen uit Indonesië.

(125) Hoewel ringbandmechanismen uit Thailand ongeveer 20 % goedkoper waren dan ringbandmechanismen uit Indonesië, werd uit Indonesië eenderde meer ingevoerd dan uit Thailand. Gezien deze veel geringere invoer uit Thailand, werd geconcludeerd dat deze, in vergelijking met de invoer van gesubsidieerde producten uit Indonesië, niet veel invloed kon hebben gehad op de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(126) Een Indonesische exporteur die geen medewerking heeft verleend, heeft de analyse van de invoer uit Thailand in twijfel getrokken. De hoeveelheden die uit Indonesië worden ingevoerd zouden relatief kleiner zijn en de Indonesische prijzen zijn hoger dan de Thaise. Er wordt echter op gewezen dat hoewel de Thaise prijzen lager waren dan de Indonesische, uit Indonesië meer dan 30 % meer wordt ingevoerd dan uit Thailand. De conclusie in overweging 125 wordt daarom bevestigd.

b) Andere factoren

(127) Ook werd onderzocht of andere factoren dan de bovenvermelde mede de oorzaak konden zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

(128) Volgens de medewerkende importeurs was de markt voor ringbandmechanismen zeer prijsgevoelig en producenten moesten grote hoeveelheden verkopen om concurrerend te zijn. Volgens dezelfde importeurs zou de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts op de EG-markt en niet op de wereldmarkt verkopen, waardoor hij meer kostenefficiënt zou kunnen werken. In dit verband wordt erop gewezen dat de verhouding tussen de verkoop binnen en buiten de Gemeenschap door de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak niet aanmerkelijk is gewijzigd. Niettemin, ofschoon de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk op de EG-markt was gericht, heeft deze bedrijfstak zijn product in 1998 met winst uitgevoerd, dus in een periode waarin de invoer uit Indonesië reeds aanzienlijk was.

(129) Een verwerkend bedrijf voerde aan dat de schade veroorzaakt was door de sterke concurrentie in de sector kantoorbenodigdheden. Door deze concurrentie zouden de verwerkende bedrijven/distributeurs van het betrokken product zoveel druk op de prijzen in de Gemeenschap hebben uitgeoefend dat deze daalden. De invoer van gesubsidieerde producten zou de druk op de prijzen die de verwerkende bedrijven in de Gemeenschap reeds uitoefenden nog hebben versterkt, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap schade kwam te lijden.

(130) Bovendien werd onderzocht of de druk op de prijzen door de normale gang van zaken op de markt van ringbandmechanismen was veroorzaakt, omdat de prijzen van bijna alle leveranciers van 1998 tot en met het onderzoektijdvak daalden.

(131) Opgemerkt wordt dat de algemene prijsdaling gezien moet worden in het licht van voortdurende oneerlijke handelspraktijken, eerst vanuit de Volksrepubliek China en Maleisië en vervolgens vanuit Indonesië, wat van invloed was op de EG-markt.

(132) Zoals in overweging 128 vermeld, is de markt voor ringbandmechanismen zeer prijsgevoelig. Omdat de producten uit Indonesië gesubsidieerd bleken te zijn en tegen prijzen werden verkocht die van 1998 tot en met het onderzoektijdvak lager waren dan de gemiddelde prijs per stuk van alle andere ingevoerde ringbandmechanismen, wordt geconcludeerd dat deze invoer, die in het onderzoektijdvak een aandeel van 8 à 13 % op de EG-markt had, op deze markt druk uitoefende op de prijzen.

(133) Tenslotte werd geanalyseerd of het prijsgedrag van Krause, de niet-medewerkende EG-producent, kon hebben bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden. Bij nader onderzoek van de gegevens over Krause bleek dat de situatie van deze EG-producent in de beoordelingsperiode eveneens achteruit was gegaan, met name wat verkoopprijzen en winstgevendheid betreft. Het lijkt er dus op dat deze producent niet mede de oorzaak is geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden; zijn situatie was eveneens ongunstig beïnvloed door de invoer uit Indonesië daar hij, evenals de bedrijfstak van de Gemeenschap, genoodzaakt was geweest zijn prijzen te verlagen.

(134) Om de hierboven uiteengezette redenen werd geconcludeerd dat de druk op de prijzen in de Gemeenschap niet beschouwd moest worden als een normale marktontwikkeling, maar het gevolg was van de onbillijke handelspraktijken van Indonesië.

(135) De Indonesische autoriteiten voerden aan dat de leveranties uit Indonesië uitsluitend bestemd waren geweest voor de Italiaanse producent van ringbandmappen die hiermee zijn assortiment aanvulde.

(136) Deze bewering bleek echter in strijd met de verklaring van de niet-medewerkende Indonesische exporteur die aanvoerde dat de enige markt waarop de Indonesische producent goed vertegenwoordigd is, die van het Verenigd Koninkrijk is. Dit blijkt ook uit Eurostat.

(137) Deze producent voerde aan dat de invoer uit Indonesië geen schade kon hebben veroorzaakt, daar hij voornamelijk naar het Verenigd Koninkrijk uitvoert, waar de bedrijfstak van de Gemeenschap weinig actief is. Deze bewering is niet alleen in strijd met die van de Indonesische autoriteiten, maar bovendien wordt de schade op EG-basis geanalyseerd en niet op regionale basis.

4. Conclusie inzake oorzakelijk verband

(138) Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en die vooral tot uiting is gekomen in de negatieve ontwikkeling van productie, omvang van de verkoop, prijzen, marktaandeel, winstgevendheid, rendement op investeringen, cashflow en werkgelegenheid - waarbij rekening werd gehouden met de verplaatsing van een deel van de productie naar Hongarije - werd veroorzaakt door de betrokken invoer van gesubsidieerde producten. De invoer uit India, Thailand en de Volksrepubliek China en de verplaatsing van een deel van de productie buiten de Gemeenschap hadden tezamen slechts beperkte gevolgen voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(139) De niet-medewerkende Indonesische exporteur beweerde eveneens dat er een tegenspraak is tussen de conclusie in overweging 138 en het feit dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen in te leiden ten aanzien van de Volksrepubliek China.

(140) Er wordt op gewezen dat een procedure bij het vervallen van antidumpingmaatregelen ten doel heeft na te gaan of het waarschijnlijk is dat dumping en schade zullen worden voortgezet of opnieuw zullen optreden indien de maatregelen vervallen. Het feit dat de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak heeft geleden aan Indonesië wordt toegeschreven, doet niet af aan de analyse van het toekomstige gedrag van Chinese exporteurs op de EG-markt en de waarschijnlijke gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bovendien wordt erop gewezen dat het Chinese marktaandeel in de laatste twee jaar van de beoordelingsperiode zeer gering was.

(141) Op grond van deze analyse, waarbij een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de gevolgen van alle bekende factoren en van de invoer van gesubsidieerde producten voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, wordt geconcludeerd dat deze andere factoren niet afdoen aan het feit dat de vastgestelde aanmerkelijke schade moet worden toegeschreven aan de invoer van gesubsidieerde producten.

F. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Voorafgaande opmerking

(142) Onderzocht werd of er dwingende redenen waren om in dit bijzondere geval in het belang van de Gemeenschap geen maatregelen te nemen. Te dien einde en overeenkomstig artikel 31, lid 1, van de basisverordening werden de gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen voor alle betrokkenen bij deze procedure onderzocht op grond van het voorgelegde bewijsmateriaal.

(143) Om de waarschijnlijke gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen te beoordelen, is informatie opgevraagd bij alle belanghebbenden. Er werden vragenlijsten gezonden aan de twee klagende EG-producenten, twee andere EG-producenten, negen onafhankelijke importeurs, 49 bedrijven die het betrokken product verwerken en een organisatie van verwerkende bedrijven. Een klagende EG-producent (Koloman), twee onafhankelijke importeurs en een verwerkend bedrijf dat banden had met die importeurs hebben de vragenlijst beantwoord. Een ander verwerkend bedrijf heeft opmerkingen gemaakt zonder de vragenlijst te beantwoorden.

(144) Deze antwoorden en opmerkingen vormden de basis voor de analyse van het algemene belang van de Gemeenschap.

2. Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

a) Opmerking vooraf

(145) Verschillende producenten in de Gemeenschap zijn de afgelopen jaren gestopt met de productie van ringbandmechanismen. Bij het onderzoek bleek, zoals in overweging 71 vermeld, dat van de overgebleven ondernemingen ook een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming haar productie enkele jaren geleden heeft stopgezet. De productie van de in Italië gevestigde onderneming bleek slechts gering te zijn - deze onderneming voerde een groot deel van de door haar verkochte ringbandmechanismen in. De Spaanse onderneming diende veeleer als een importeur dan als een producent te worden beschouwd, aangezien haar productie te verwaarlozen was en zij meer dan 90 % van de door haar verkochte ringbandmechanismen uit Indonesië invoerde. De twee klagende ondernemingen blijken de enige ondernemingen in de Gemeenschap te zijn die nog een aanzienlijke hoeveelheid ringbandmechanismen produceren.

(146) De twee klagende EG-producenten hebben in het verleden reeds ernstige schade geleden door de invoer van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië, zoals beschreven in Verordening (EG) nr. 119/97(6) waardoor, onder meer, van 1992 tot oktober 1995, 28 % van de arbeidsplaatsen verloren ging. Zoals in overweging 94 vermeld, is het aantal arbeidsplaatsen bij de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak nogmaals met 30 % afgenomen.

(147) Gezien de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt geconcludeerd dat de productie in de Gemeenschap, indien de bedrijfstak niet volledig herstelt van de gevolgen van de onbillijke subsidiepraktijken, waarschijnlijk geheel zal worden stopgezet en dat de afnemers in hoge mate van invoer afhankelijk zullen worden.

b) Financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(148) De financiële situatie van de onderneming die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormt heeft zich in de beoordelingsperiode zo negatief ontwikkeld dat, zoals in overweging 75 vermeld, na het onderzoektijdvak een curator werd aangesteld. De verliezen van deze onderneming waren het gevolg van de concurrerentie met gesubsidieerde producten. Uit het feit dat de medewerkende EG-producent is overgenomen blijkt dat de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap een herstructurering ondergaat en dat veel moeite wordt gedaan om deze bedrijfstak te laten voortbestaan en winstgevend te maken.

c) Mogelijke gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(149) Door compenserende maatregelen zouden de marktvoorwaarden in de Gemeenschap weer billijk worden, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap het verloren marktaandeel weer kan herwinnen en, door een verhoging van de capaciteitsbenutting, zijn kostprijs kan verlagen en zijn winstgevendheid verhogen. De maatregelen zullen naar verwachting positieve gevolgen hebben voor het prijsniveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Tot slot wordt verwacht dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, door een stijging van de productie en van de omvang van de verkoop enerzijds en de verdere daling van de kostprijs anderzijds, eventueel gecombineerd met een matige prijsstijging, in staat zal zijn zijn financiële situatie te verbeteren.

(150) Worden daarentegen geen compenserende maatregelen genomen, dan is het waarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn prijzen verder zal moeten verlagen en/of verder marktaandeel zal verliezen. Beide scenario's leiden waarschijnlijk tot een verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Voorts wordt het dan waarschijnlijk dat de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap op vrij korte termijn zal worden gestaakt.

(151) Omdat de bedrijfstak van de Gemeenschap bovendien niet uitsluitend het betrokken product vervaardigt, maar ook andere producten die ongeveer eenderde van zijn omzet uitmaken, is het zeer waarschijnlijk dat het sluiten van de productielijnen voor ringbandmechanismen het voortbestaan van de gehele fabriek in gevaar zal brengen en zal leiden tot de sluiting van alle productielijnen, hetgeen ook ongunstige gevolgen zal hebben voor de werkgelegenheid en investeringen.

d) Mogelijke verplaatsing van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(152) Onderzocht werd of maatregelen als niet in het belang van de Gemeenschap beschouwd konden worden, gezien de verplaatsing van een deel van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap buiten de Gemeenschap. De mogelijkheid van een verdere verplaatsing van de productie buiten de Gemeenschap werd eveneens onderzocht.

(153) Zoals in overweging 98 vermeld, kon de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verliezen beperken door de verplaatsing van een deel zijn productie-installaties in 2000. Deze verplaatsing was een strategisch besluit om de gevolgen van de invoer van gesubsidieerde producten tegen te gaan. Bovendien is het waarschijnlijk dat deze verplaatsing, die tot een verbetering van de financiële situatie heeft geleid, onrechtstreeks tot gevolg had dat dit bedrijf aantrekkelijker werd voor de nieuwe investeerder die het onlangs heeft overgenomen.

(154) Voorts heeft de Commissie voldoende bevestiging ontvangen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet van plan is opnieuw een deel van de productie buiten de Gemeenschap te verplaatsen. Bovendien is een dergelijke verplaatsing onwaarschijnlijk omdat de herstructurering, gecombineerd met compenserende maatregelen, de bedrijfstak van de Gemeenschap opnieuw winstgevend zouden moeten maken.

3. Belang van de importeurs

(155) Sommige importeurs, die echter geen ringbandmechanismen uit Indonesië aankochten, merkten op dat het overschakelen op andere leveranciers met extra kosten gepaard zou gaan of overgangsproblemen zou veroorzaken. De importeurs wezen er met name op dat zij na de antidumpingmaatregelen van 1997 reeds gedwongen waren geweest van leverancier te veranderen en dat zij dit niet weer opnieuw wilden doen.

(156) Compenserende maatregelen hebben echter niet ten doel importeurs of verwerkende bedrijven te dwingen van leverancier te veranderen, maar om concurrentievervalsing in de Gemeenschap tegen te gaan. De importeurs erkenden dat een aantal andere derde landen gemakkelijk ringbandmechanismen kon produceren en het leek niet moeilijk dit product in een land aan te kopen ten aanzien waarvan geen compenserende maatregelen golden. Voorts konden zij ook ringbandmechanismen verhandelen die in de Gemeenschap waren gemaakt. Het zoeken naar andere leveranciers veroorzaakt waarschijnlijk slechts problemen van tijdelijke aard die waarschijnlijk niet opwegen tegen de voordelen van compenserende maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

4. Belang van de verwerkende bedrijven en de consument

a) Verwerkende bedrijven

(157) Zowel de medewerkende onafhankelijke importeurs als het verwerkende bedrijf (de producent van ringbandmappen) voerden aan dat compenserende maatregelen ernstige nadelige gevolgen voor de financiële situatie van verwerkende bedrijven zouden hebben.

(158) De mogelijke gevolgen van de compenserende maatregelen ten aanzien van Indonesië voor de productiekosten van de verwerkende bedrijven werden onderzocht. Er werd een raming gemaakt van de gevolgen voor een verwerkend bedrijf dat uitsluitend gebruik zou maken van ringbandmechanismen uit Indonesië. In dit, meest ongunstige, geval zouden de maatregelen ten aanzien van Indonesië leiden tot een stijging van de productiekosten met ongeveer 1,3 %. Zoals reeds werd vermeld, is dit een volledig hypothetisch scenario omdat geen enkel verwerkend bedrijf dat aan het onderzoek medewerkte het betrokken product uitsluitend in Indonesië aankocht.

(159) Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat de gevolgen van compenserende rechten voor verwerkende bedrijven te verwaarlozen zouden zijn. Gezien het gebrek aan medewerking van andere verwerkende bedrijven kan meer in het algemeen worden gesteld dat de gevolgen voor de kosten voor alle andere verwerkende bedrijven eveneens te verwaarlozen zullen zijn.

(160) Het medewerkende verwerkende bedrijf voerde aan dat het de afgelopen drie jaar een deel van zijn productie buiten de Gemeenschap had moeten verplaatsen en drie fabrieken had moeten sluiten nadat antidumpingmaatregelen waren genomen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië; indien nu compenserende maatregelen ten aanzien van Indonesië zouden worden genomen, zou het, door de daaruit voortvloeiende verhoging van de productiekosten, opnieuw gedwongen zijn de productie van ringbandmappen buiten de Gemeenschap te verplaatsen en/of de betrokken fabrieken te sluiten. Dit zou voor het geheel van zijn activiteiten gevolgen kunnen hebben, dus ook voor de vervaardiging van andere producten, waarvan de productie-installaties ook verplaatst zouden worden, waardoor veel arbeidsplaatsen in de Gemeenschap verloren zouden gaan.

(161) Een algemene opmerking is dat het risico dat stroomafwaartse bedrijven, tengevolge van compenserende maatregelen, zich elders vestigen, beperkt wordt doordat een deel van de afnemers van ringbandmappen bedrijven zijn en dat het voor deze afnemers van wezenlijk belang is dat de producenten van ringbandmappen niet te ver weg zijn, flexibel op de vraag kunnen reageren en de markt goed kennen. Bij het onderzoek bleek dat de voornaamste criteria voor de afnemers van ringbandmappen de prijs zijn, kwaliteit en service, alsmede een spoedige levering. Zoals in de overwegingen 157 en 158 reeds vermeld, werd bovendien vastgesteld dat de financiële gevolgen van de compenserende maatregelen voor de stroomafwaartse bedrijven te verwaarlozen waren. Dat slechts één ringbandmappenproducent volledig medewerking verleende aan het onderzoek, schijnt ten slotte de conclusie te bevestigen dat compenserende maatregelen geen doorslaggevende gevolgen voor de verwerkende bedrijven zullen hebben.

(162) Bovendien hebben sommige belanghebbenden erop gewezen dat de verplaatsing van verschillende verwerkende bedrijven in de laatste jaren het gevolg was van de hoge productiekosten in de Gemeenschap. Dit bevestigt dat het naar elders verplaatsen van productie-eenheden gezien moet worden in de ruimere context van de algemene kostenstructuur waarop, zoals reeds vermeld, compenserende maatregelen een te verwaarlozen invloed hebben.

(163) In verband met de specifieke situatie van het medewerkend verwerkend bedrijf bleek uit het onderzoek dat hoewel dit bedrijf een deel van zijn productie tussen 1998 en het onderzoektijdvak, dit wil zeggen na de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië, buiten de Gemeenschap had verplaatst, dit bedrijf juist na de instelling van die antidumpingmaatregelen van leverancier veranderde en de ringbandmechanismen bij de medewerkende importeurs betrok die op hun beurt vanaf 1998 hoofdzakelijk uit India begonnen in te voeren, in plaats van uit de Volksrepubliek China. Het is derhalve moeilijk om een verband te leggen tussen de verplaatsing van de productie van ringbandmappen buiten de Gemeenschap door dat bedrijf en de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de Volksrepubliek China en Maleisië. Bovendien hebben compenserende rechten, zoals in overweging 159 vermeld, een te verwaarlozen invloed op de productiekosten van verwerkende bedrijven.

(164) De hierboven genoemde verplaatsing van een deel van de productie bleek eerder het gevolg van de extern gerichte strategie van bedoeld bedrijf dat in de laatste jaren een aantal ondernemingen heeft verworven. Deze strategie leidde uiteindelijk tot een consolidering en herstructurering van de verschillende eenheden van de groep, waarvan sommige werden gesloten. De verplaatsing van enkele productie-eenheden buiten de Gemeenschap moet gezien worden als een onderdeel van deze strategie die ten doel heeft de positie van dit bedrijf op de EG-markt te versterken en zijn aanwezigheid in Oost-Europa te ontwikkelen.

(165) Op grond van het bovenstaande en gezien de te verwaarlozen gevolgen die rechten waarschijnlijk voor het betrokken verwerkend bedrijf zullen hebben, is het weinig waarschijnlijk dat compenserende maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië, op zich, ertoe leiden dat nog meer eenheden voor de productie van ringbandmappen buiten de Gemeenschap worden verplaatst.

(166) In verband met de sluiting van fabrieken en het risico op verdere sluitingen tengevolge van compenserende maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië werd vastgesteld dat het medewerkende verwerkende bedrijf de laatste drie jaren drie fabrieken heeft gesloten toen de maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië van kracht waren. Rekening houdend met de te verwaarlozen gevolgen van compenserende maatregelen voor de productiekosten en de financiële situatie van het verwerkend bedrijf in kwestie, zoals in overweging 164 vermeld, is het weinig waarschijnlijk dat de maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië, op zich, tot de sluiting van die fabrieken hebben geleid en dat compenserende maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië tot de sluiting van nog meer fabrieken zullen leiden.

b) De consument

(167) Het betrokken product wordt in de detailhandel niet verkocht. Consumentenorganisaties hebben zich in het kader van deze procedure niet aangemeld.

(168) Het medewerkende verwerkende bedrijf voerde ook aan dat compenserende maatregelen de prijs voor de eindgebruiker van ringbandmappen, de consument, zouden verhogen. Gezien bovenstaande uiteenzetting over de gevolgen voor de producenten van ringbandmappen is het niet waarschijnlijk dat de consument van ringbandmappen met een aanzienlijke prijsstijging geconfronteerd zal worden.

(169) Bovendien bleek bij het onderzoek dat het medewerkende verwerkende bedrijf zijn producten hoofdzakelijk aan distributeurs verkoopt. In het ergste geval, wanneer een kostenstijging voor de verwerkende bedrijven geheel aan de eindconsument wordt doorberekend, zou dit tot een prijsstijging van ten hoogste 4 % van de consumentenprijs leiden. Het is echter weinig waarschijnlijk dat dit zal gebeuren, daar het in het algemeen zo is dat elke schakel in de distributieketen een deel van de kostenstijging voor zijn rekening neemt om zijn concurrentievermogen te handhaven.

(170) Op basis van het bovenstaande werd geoordeeld dat de gevolgen voor de bedrijven die ringbandmechanismen verwerken en voor de consumenten van ringbandmappen niet zodanig waren dat dit een dwingende reden was om geen compenserende maatregelen te nemen, waarvan de negatieve gevolgen waarschijnlijk niet zullen opwegen tegen de positieve gevolgen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

c) Gevolgen voor het concurrentievermogen

(171) Ook werd onderzocht of de bedrijfstak van de Gemeenschap, na het nemen van compenserende maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië, van een dominante positie op de EG-markt zou kunnen profiteren, met name gezien de antidumpingmaatregelen die in 1997 werden genomen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië en de herstructurering van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(172) Op de eerste plaats wordt eraan herinnerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak slechts een marktaandeel tussen 10 en 15 % had. De twee klagende EG-producenten zouden tezamen in het onderzoektijdvak een marktaandeel tussen 32 en 37 % hebben gehad. Zelfs indien de door Koloman ingevoerde ringbandmechanismen bij dit marktaandeel worden opgeteld, zou dit in het onderzoektijdvak van 47 tot 52 % zijn geweest. Bovendien wordt erop gewezen dat de Commissie weliswaar een procedure heeft ingeleid voor de herziening van de maatregelen die van toepassing zijn op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China, maar dat deze procedure geen betrekking heeft op Maleisië. Daarnaast kunnen nog steeds ringbandmechanismen uit India worden ingevoerd. Het wordt derhalve weinig waarschijnlijk geacht dat compenserende maatregelen ten aanzien van Indonesië tot ongunstige gevolgen voor de concurrentie op de EG-markt zullen leiden. Na het nemen van antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit zowel de Volksrepubliek China als Maleisië heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap geen dominante positie verworven, ook al werden destijds uit andere derde landen geen ringbandmechanismen ingevoerd.

(173) Zoals reeds in overweging 150 vermeld, is het anderzijds waarschijnlijk dat, indien geen compenserende maatregelen worden genomen, de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap op korte termijn niet meer zal kunnen worden voortgezet. Het is zeker niet in het belang van de verwerkende bedrijven dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productie van ringbandmechanismen staakt. Het enige medewerkende verwerkende bedrijf heeft immers in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak dussen 20 en 50 % van zijn ringbandmechanismen bij de bedrijfstak van de Gemeenschap aangekocht. Indien deze bedrijfstak zijn productie van ringbandmechanismen definitief zou staken, zouden de verwerkende bedrijven zeer afhankelijk worden van invoer.

(174) Indien maatregelen worden genomen, blijven er nog steeds talrijke andere leveranciers. Ringbandmechanismen worden of kunnen worden aangekocht bij de bedrijfstak van de Gemeenschap, bij andere EG-producenten, in India en in Hongkong. Bovendien zal met de invoer uit Maleisië waarschijnlijk opnieuw worden begonnen daar de antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit dat land onlangs vervielen. Bovendien is gebleken dat antidumpingmaatregelen op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië niet tot een tekort aan dit product hebben geleid. Ten slotte bleken de gevolgen van de maatregelen voor de verwerkende bedrijven te verwaarlozen, waardoor het betrokken product zeer waarschijnlijk nog uit Indonesië zal worden ingevoerd.

5. Conclusie over het belang van de Gemeenschap

(175) Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn geen compenserende rechten in te stellen.

G. DEFINITIEVE MAATREGELEN

1. Schademarge

(176) Gezien de conclusies inzake subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap dient een definitief compenserend recht te worden vastgesteld dat hoog genoeg is om een einde te maken aan de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer van gesubsidieerde producten lijdt.

(177) De Commissie heeft overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening onderzocht hoe hoog het recht moest zijn om de schade weg te nemen die de bedrijfstak van de Gemeenschap door de invoer van gesubsidieerde producten lijdt. Geoordeeld werd dat een prijs moest worden berekend die gebaseerd was op de productiekosten van de EG-producenten waaraan een redelijk bedrag voor winst was toegevoegd.

(178) Een winstmarge van 5 % op de omzet werd als een redelijk minimum beschouwd, rekening houdend met de noodzaak van investeringen op lange termijn en, in het bijzonder, de winst die de bedrijfstak van de Gemeenschap redelijkerwijze had kunnen maken indien geen gesubsidieerde producten waren ingevoerd.

(179) Gezien het gebrek aan medewerking werd geoordeeld dat de schademarge gelijk moest zijn aan het verschil tussen deze berekende prijs en de cif-prijzen, na toepassing van correcties, als in overweging 82 vermeld.

(180) De aldus vastgestelde schademarge bedroeg 42,3 % voor Indonesië.

2. Definitieve compenserende maatregelen

(181) Gezien het bovenstaande en overeenkomstig artikel 15, lid 2, van de basisverordening dient het definitieve compenserende recht met de schademarge overeen te stemmen, daar deze lager was dan de subsidiemarge. Daarom is het volgende recht van toepassing:

Indonesië (alle ondernemingen): 10,0 %.

(182) Om binnen de termijn te blijven die is vastgesteld bij artikel 11, lid 9, van de basisverordening, dient deze verordening in werking te treden op de dag van haar publicatie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een definitief compenserend recht ingesteld op bepaalde ringbandmechanismen, ingedeeld onder GN-code ex 8305 10 00 (Taric-codes 8305 10 00 10 en 8305 10 00 20 ), van oorsprong uit Indonesië. In het kader van deze verordening bestaan ringbandmechanismen uit twee rechthoekige stalen platen of draden waarop ten minste vier halve ringen van staaldraad zijn bevestigd die met een stalen dekplaatje worden samengehouden. Het mechanisme kan worden geopend hetzij door aan de halve ringen te trekken hetzij door een klein stalen trekkermechanisme te bedienen dat aan het ringbandmechanisme is bevestigd.

2. Het definitieve compenserende recht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt voor producten uit:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

4. De procedure ten aanzien van ringbandmechanismen uit India wordt beëindigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 4 juni 2002.

Voor de Raad

De voorzitter

R. De Rato Y Figaredo

(1) PB L 288 van 21.10.1997, blz. 1.

(2) PB C 147 van 18.5.2001, blz. 4.

(3) PB C 147 van 18.5.2001, blz. 2.

(4) Verordening (EG) nr. 978/2000 (PB L 113 van 12.5.2000, blz. 1).

(5) PB L 250 van 5.10.2000, blz. 1.

(6) PB L 22 van 24.1.1997, blz. 1.