32002R0976

Verordening (EG) nr. 976/2002 van de Raad van 4 juni 2002 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde ringbandmechanismen uit Indonesië en tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende bepaalde ringbandmechanismen uit India

Publicatieblad Nr. L 150 van 08/06/2002 blz. 0001 - 0016


Verordening (EG) nr. 976/2002 van de Raad

van 4 juni 2002

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde ringbandmechanismen uit Indonesië en tot beëindiging van de antidumpingprocedure betreffende bepaalde ringbandmechanismen uit India

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1), met name op artikel 9,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

1. Eerdere procedure met betrekking tot ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië

(1) In januari 1997 heeft de Raad, bij Verordening (EG) nr. 119/97(2), definitieve antidumpingrechten ingesteld op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië.

(2) In september 2000 heeft de Raad, in het kader van een herzieningsprocedure op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 384/96 ("de basisverordening"), de definitieve antidumpingrechten op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China bij Verordening (EG) nr. 2100/2000(3) gewijzigd.

(3) In januari 2002 heeft de Commissie, op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, een procedure ingeleid tot herziening van de antidumpingmaatregelen die op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China(4) van toepassing waren. Er werd geen verzoek om een herzieningsprocedure ontvangen in verband met de maatregelen die van toepassing waren op ringbandmechanismen uit Maleisië, zodat deze in januari 2002 vervielen.

2. Onderhavig onderzoek

(4) Op 18 mei 2001 heeft de Commissie, door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(5) ("het bericht van inleiding") de inleiding aangekondigd van een antidumpingprocedure betreffende bepaalde ringbandmechanismen uit India en Indonesië.

(5) De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 3 april 2001 was ingediend door de volgende EG-producenten: Koloman Handler AG, Oostenrijk ("Koloman"), en Krause Ringbuchtechnik GmbH & Co. KG, Duitsland ("Krause"), die een groot deel - in dit geval ongeveer 90 % - van de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap vertegenwoordigden. De klacht bevatte bewijsmateriaal over de dumping van bedoeld product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade dat toereikend werd geacht om tot de inleiding van een procedure over te gaan.

(6) De inleiding van een parallelle antisubsidieprocedure in verband met de invoer van hetzelfde product uit dezelfde landen werd op dezelfde datum aangekondigd door middel van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(6).

(7) De Commissie heeft de haar bekende producenten/exporteurs, exporteurs en importeurs, de vertegenwoordigers van de betrokken exportlanden, de indieners van de klacht en alle haar bekende producenten en verwerkende bedrijven in de Gemeenschap officieel van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om, binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn, hun standpunt schriftelijk bekend te maken en te verzoeken om te worden gehoord.

(8) Eén exporteur/producent in elk van de betrokken landen maakte zijn standpunt schriftelijk bekend. Alle partijen die hierom binnen de vastgestelde termijn verzochten en die konden aantonen dat er bijzondere redenen waren om hen te horen, werden gehoord.

(9) De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan alle haar bekende belanghebbenden en aan alle andere ondernemingen die zich binnen de in het bericht van inleiding genoemde termijn hadden aangemeld. De Commissie heeft antwoord ontvangen van één van de twee klagende EG-producenten, van één exporteur/producent in India alsmede van zijn gelieerde exporteur buiten de Gemeenschap, van één verwerkend bedrijf en van twee onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap. De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap noodzakelijk achtte, verzameld en geverifieerd. Controlebezoeken vonden plaats bij de volgende ondernemingen:

a) EG-producent

- Koloman Handler AG, Oostenrijk

b) Exporteur/producent in India

- ToCheungLee Stationery Mfg Co. Pvt. Ltd, Tiruvallore

c) Gelieerde exporteurs buiten de Gemeenschap (in Hongkong)

- ToCheungLee (BVI) Limited/World Wide Stationery Mfg. Co., Ltd (houdstermaatschappij)

d) Onafhankelijke importeurs

- Bensons International Systems Ltd, Verenigd Koninkrijk

- Bensons International Systems BV, Nederland

e) Verwerkend bedrijf

- Esselte, Verenigd Koninkrijk.

(10) Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 april 2000 tot en met 31 maart 2001 ("onderzoektijdvak"). Voor de ontwikkelingen die relevant waren voor de schadebeoordeling werden gegevens over de periode van 1 januari 1998 tot het eind van het onderzoektijdvak in aanmerking genomen ("beoordelingsperiode").

3. Voorlopige maatregelen

(11) Omdat bepaalde aspecten van schade, oorzakelijk verband en het belang van de Gemeenschap, met name vanwege de herstructurering van de klagende bedrijven, verder onderzocht moesten worden, werden geen voorlopige antidumpingmaatregelen genomen ten aanzien van ringbandmechanismen uit India en Indonesië.

4. Vervolg van de procedure

(12) Alle partijen werden in kennis gesteld van het besluit geen voorlopige maatregelen te nemen. De Commissie is verder gegaan met het verzamelen en verifiëren van alle gegevens die zij voor haar definitieve bevindingen nodig had. Zij heeft met name controles ter plaatse verricht bij een bedrijf in de Gemeenschap dat ringbandmechanismen verwerkte en bij twee onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap.

(13) Alle partijen werden in kennis gesteld van de voornaamste gegevens en overwegingen op basis waarvan de Commissie voornemens was de aanbeveling te doen definitieve antidumpingmaatregelen te nemen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en de bevindingen werden zo nodig dienovereenkomstig gewijzigd.

B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Betrokken product

(14) De procedure heeft betrekking op bepaalde ringbandmechanismen (hierna ook "betrokken product" genoemd) die onder GN-code ex 8305 10 00 zijn ingedeeld. Dit onderzoek is niet van toepassing op onder dezelfde GN-code ingedeelde hendel-boogmechanismen.

(15) Ringbandmechanismen bestaan uit twee rechthoekige stalen platen of draden waarin ten minste vier halve ringen van staaldraad zijn bevestigd die met een stalen dekplaatje worden samengehouden. Het mechanisme kan worden geopend, hetzij door aan de halve ringen te trekken, hetzij door een klein stalen trekkermechanisme te bedienen dat aan het ringbandmechanisme is bevestigd. De ringen kunnen verschillende vormen hebben. De meest voorkomende zijn rond, rechthoekig of D-vormig.

(16) Ringbandmechanismen worden voor het opbergen van verschillende soorten documenten of papieren gebruikt. Zij worden onder meer gebruikt door de fabrikanten van ringbandmappen en voor softwarehandleidingen en technische handleidingen, foto- en postzegelalbums, catalogi en brochures.

(17) In het onderzoektijdvak werden in de Gemeenschap honderden modellen ringbandmechanismen verkocht. Deze modellen varieerden in omvang, vorm, aantal ringen, grootte van de basisplaat en in het systeem voor het openen van de ringen (manueel opentrekken of met trekkermechanisme). Omdat geen duidelijk onderscheid kon worden gemaakt tussen die modellen, die in wezen dezelfde fysieke en technische kenmerken bezitten en die in zekere mate onderling verwisselbaar zijn, heeft de Commissie besloten alle ringbandmechanismen in het kader van deze procedure als een enkel product te beschouwen.

2. Soortgelijk product

(18) De Commissie stelde vast dat in India vervaardigde en verkochte ringbandmechanismen en die welke uit India naar de Gemeenschap werden uitgevoerd in wezen dezelfde fysieke en technische kenmerken hadden en voor dezelfde doeleinden werden gebruikt.

(19) De Commissie stelde bovendien vast dat er geen verschil was tussen de fysieke en technische basiskenmerken en gebruiksmogelijkheden van de uit India in de Gemeenschap ingevoerde ringbandmechanismen en die welke door de indieners van de klacht in de Gemeenschap werden vervaardigd en verkocht.

(20) Gezien het gebrek aan medewerking van Indonesische producenten heeft de Commissie zich overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening gebaseerd op de beschikbare gegevens. Wegens het ontbreken van andere informatie voor dit land achtte de Commissie het dienstig de in de klacht verstrekte gegevens te gebruiken, volgens welke de in Indonesië vervaardigde en aldaar verkochte of naar de Gemeenschap uitgevoerde ringbandmechanismen en de ringbandmechanismen die door de klagende producenten in de Gemeenschap worden vervaardigd en aldaar verkocht soortgelijke producten zijn.

(21) Geconcludeerd werd dat de door de bedrijfstak van de Gemeenschap vervaardigde en in de Gemeenschap verkochte ringbandmechanismen, de uit India en Indonesië naar de Gemeenschap uitgevoerde ringbandmechanismen en die welke in India en Indonesië worden vervaardigd en aldaar verkocht soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

(22) In het onderzoektijdvak was op het betrokken product het conventionele douanerecht van 2,7 % voor 2000 en 2001 van toepassing. In het kader van het systeem van algemene preferenties kwam het betrokken product uit India en Indonesië evenwel in aanmerking voor een vermindering van 100 % van het conventionele douanerecht dat in 2000 en 2001 verschuldigd was. Tengevolge hiervan was zowel in 2000 als in 2001 een recht van 0 % van toepassing.

C. DUMPING

1. India

(23) Een onderneming heeft de vragenlijst voor producenten/exporteurs beantwoord. Een met deze producent/exporteur gelieerde onderneming buiten de Gemeenschap heeft eveneens een vragenlijst beantwoord. Volgens de invoergegevens van Eurostat is deze producent/exporteur goed voor volledige uitvoer van het betrokken product uit India naar de Gemeenschap.

a) Normale waarde

(24) Voor de vaststelling van de normale waarde heeft de Commissie eerst onderzocht of de totale verkoop van ringbandmechanismen door de Indiase producent/exporteur op de binnenlandse markt representatief was in vergelijking met zijn totale uitvoer naar de Gemeenschap. De verkoop van deze producent/exporteur op de binnenlandse markt was niet representatief in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening, omdat deze, in hoeveelheden uitgedrukt, minder dan 5 % van diens totale uitvoer naar de Gemeenschap bedroeg.

(25) Omdat de verkoop op de binnenlandse markt niet representatief was en het product door geen enkele andere producent/exporteur op de binnenlandse markt werd verkocht, diende de normale waarde, overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, te worden vastgesteld aan de hand van de fabricagekosten, waaraan een redelijk bedrag voor verkoop- en administratiekosten en andere algemene kosten (VAA-kosten) en winst werd toegevoegd.

(26) Daarom werden de VAA-kosten en de winst van deze onderneming bij de verkoop van het betrokken product op de binnenlandse markt aan de fabricagekosten van de uitgevoerde modellen toegevoegd. De door de producent/exporteur opgegeven VAA-kosten werden overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening gecorrigeerd om deze in overeenstemming te brengen met de gecontroleerde rekeningen van de onderneming.

(27) Na de bekendmaking van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan het voornemen bestond definitieve maatregelen te nemen, heeft de medewerkende Indiase producent/exporteur aangevoerd dat zijn VAA-kosten en winst op de binnenlandse verkoop niet konden worden gebruikt bij het samenstellen van de normale waarde voor hem, daar hij geen representatieve verkoop had op de binnenlandse markt, en dat de gebruikte winstmarge niet redelijk was in vergelijking met de bij de schadebeoordeling gebruikte winstmarge die bij vorige onderzoeken was gebruikt en in feite bij export werd behaald.

(28) Wat de VAA-kosten betreft, kon de Indiase producent/exporteur niet aantonen dat zijn VAA-kosten aanmerkelijk anders waren geweest indien de omvang van binnenlandse verkoop groter was geweest dan 5 % van de omvang van de uitvoer. Dit argument moest dan ook van de hand worden gewezen.

(29) Wat de winst betreft, werd de situatie opnieuw bezien in het licht van nieuwe gegevens voor de Indiase markt. Aan de hand van deze nieuwe gegevens werd vastgesteld dat een redelijke winstmarge, die niet hoger is dan de normale winst die andere exporteurs of producenten van dezelfde algemene categorie producten op de binnenlandse markt van het land van oorsprong, India, maken, niet hoger is dan 5 %. De berekening werd dienovereenkomstig gewijzigd.

b) Exportprijs

(30) Daar de gehele export naar de Gemeenschap via onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap verliep, werd de exportprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening bepaald aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen.

c) Vergelijking

(31) Met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de exportprijs werd, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, door middel van correcties rekening gehouden met de verschillen die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen.

(32) De uitvoer naar de Gemeenschap geschiedde via een gelieerde onderneming in Hongkong die als handelsmaatschappij optrad. De prijs bij uitvoer uit Hongkong werd gecorrigeerd door aftrek van een commissieloon voor de door deze onderneming verrichte taken.

(33) Waar toepasselijk en gerechtvaardigd, werden bovendien correcties toegepast voor verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, verpakking en kredietverlening.

d) Dumpingmarge

(34) De gewogen gemiddelde normale waarde van elk naar de Gemeenschap uitgevoerd model van het betrokken product werd overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening met de gewogen gemiddelde exportprijs af fabriek van dat model in hetzelfde handelsstadium vergeleken.

(35) Bij deze vergelijking bleek dat ringbandmechanismen van de medewerkende producent/exporteur in het onderzoektijdvak niet met dumping in de Gemeenschap zijn ingevoerd. De definitieve dumpingmarge, in procenten van de cif-invoerprijs, franco grens Gemeenschap, voor inklaring, bedraagt:

- ToCheungLee Stationery Mfg. Co. Pvt. Ltd: 0,0 %

(36) Aangezien de medewerkende producent/exporteur goed was voor de volledige uitvoer van het betrokken product uit India naar de Gemeenschap, werd de residuele dumpingmarge afgestemd op de dumpingmarge die voor de medewerkende producent/exporteur werd vastgesteld, dat wil zeggen 0,0 %.

2. Indonesië

(37) De enige bekende producent/exporteur in Indonesië en zijn gelieerde importeur hebben de vragenlijst niet beantwoord. Deze onderneming werd overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening ervan in kennis gesteld dat de bevindingen, indien zij geen medewerking verleende, op de beschikbare gegevens gebaseerd zouden worden. De onderneming heeft desondanks geen medewerking verleend aan het onderzoek. Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van de basisverordening werd bij deze producent/exporteur geen controle ter plaatse verricht.

a) Normale waarde en exportprijs

(38) Omdat voor dit land geen andere betrouwbare informatie beschikbaar was, moest gebruik worden gemaakt van de beschikbare gegevens. Het werd dienstig geacht de berekeningen op de in de klacht vervatte gegevens te baseren. Overeenkomstig artikel 18, lid 5, van de basisverordening, werden deze gegevens, voorzover mogelijk, gecontroleerd aan de hand van gegevens uit onafhankelijke bronnen.

(39) Voor vijf verschillende soorten ringbandmechanismen uit Indonesië werd de normale waarde samengesteld door de fabricagekosten te nemen en daaraan een redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst toe te voegen.

(40) De exportprijs werd voor elk van de vijf types samengesteld op basis van de prijs bij verkoop aan de eerste onafhankelijke koper in de Gemeenschap. Correcties voor VAA-kosten en een redelijke winst werden gebaseerd op de in de klacht vervatte gegevens.

(41) De enige bekende producent/exporteur in Indonesië voerde aan dat de normale waarde die op de gegevens in de klacht was gebaseerd niet representatief was voor zijn werkelijke normale waarde en voorts dat de Commissie, op grond van artikel 18, lid 5, van de basisverordening de gegevens in de klacht moet vergelijken met gegevens uit onafhankelijke bronnen, zoals gepubliceerde prijslijsten, officiële statistieken of andere onafhankelijke officiële gegevens.

(42) Zoals hierboven vermeld heeft deze producent/exporteur geen gegevens verstrekt waarop de normale waarde kon worden gebaseerd. Er is zoveel mogelijk getracht andere informatiebronnen te vinden en de gegevens van de klacht met andere te vergelijken, zoals die van het internet, van een onafhankelijke importeur en van Eurostat. In de klacht waren vijf modellen genoemd met een reeks prijzen voor de normale waarde en werden deze vergeleken met de exportprijzen van dezelfde modellen. Een vergelijking van elke afzonderlijke normale waarde of een gewoon gemiddelde van de normale waarden die in de klacht waren genoemd met de gewogen gemiddelde exportprijzen die in Eurostat waren te vinden, zou geen zinvolle basis voor een vergelijking zijn geweest. Er werden geen andere gegevens verkregen over de normale waarde of de exportprijs die betrouwbaarder werden geacht dan die in de klacht.

b) Vergelijking

(43) Er werden, voorzover van toepassing, correcties toegepast voor de kosten van vervoer en distributie om een eerlijke vergelijking mogelijk te maken. De correcties werden eveneens gebaseerd op de in de klacht vervatte en gecontroleerde gegevens.

c) Dumpingmarge

(44) De normale waarde van elk naar de Gemeenschap uitgevoerd en onderzocht model van het betrokken product werd, overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening, met de exportprijs af fabriek van dat model vergeleken.

(45) Bij de vergelijking bleek dat het betrokken product uit Indonesië met dumping in de Gemeenschap was ingevoerd. De dumpingmarge, in procenten van de cif-invoerprijs franco grens Gemeenschap, voor inklaring, is voor alle producenten/exporteurs in Indonesië als volgt:

(46) Alle exporteurs: 144,0 %.

D. SCHADE

1. Voorafgaande opmerking

(47) Omdat slechts een Indiase exporteur/producent aan het onderzoek meewerkte en de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts uit een onderneming bestaat, werden de gegevens die specifiek op die ondernemingen betrekking hadden om redenen van vertrouwelijkheid geïndexeerd of met een zekere marge weergegeven overeenkomstig artikel 19 van de basisverordening.

2. Productie van de Gemeenschap

(48) Het betrokken product werd niet alleen door de twee klagende EG-producenten geproduceerd, maar ook in Italië en Spanje. Hoewel de Italiaanse onderneming de Commissie geen volledige gegevens deed toekomen, bleek uit de ontvangen gegevens dat zij in het onderzoektijdvak goed was voor ongeveer 10 % van de totale productie van het betrokken product in de Gemeenschap. De Spaanse onderneming, die de Commissie evenmin volledige gegevens deed toekomen, bleek in 2001 te verwaarlozen hoeveelheden van het betrokken product te hebben vervaardigd en het grootste deel van de door haar verkochte hoeveelheden uit een van de betrokken landen te hebben ingevoerd. Laatstgenoemde onderneming diende derhalve veel meer als een importeur dan als een producent te worden beschouwd.

(49) Een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd bedrijf had zich vroeger beziggehouden met de productie van een bepaalde soort ringbandmechanismen. Deze onderneming bevestigde schriftelijk dat zij de productie van dit product enkele jaren geleden had gestaakt. Er zijn in de Gemeenschap geen andere producenten bekend.

(50) Gezien het bovenstaande vormen de productie van de klagende EG-producenten en van de andere, in Italië gevestigde EG-producent de totale productie in de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

3. Definitie van het begrip bedrijfstak van de Gemeenschap

a) Bedrijfstak van de Gemeenschap

(51) Een van de twee klagende producenten (Krause) heeft de vragenlijst niet beantwoord en werd daarom als een niet-medewerkende producent beschouwd. Deze producent werd derhalve, hoewel hij de klacht had onderschreven, niet als een deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap beschouwd. Ten aanzien van de andere producent (Koloman) werd vastgesteld dat deze het betrokken product in het onderzoektijdvak niet alleen in de Gemeenschap had vervaardigd, maar ook in Hongarije. Koloman verkocht in de Gemeenschap zowel ringbandmechanismen die in de Gemeenschap als in Hongarije waren vervaardigd en gebruikte bij de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap ook in Hongarije vervaardigde delen. Een deel van de productie van deze producent was begin 2000 verplaatst door de overbrenging van bepaalde machines van Oostenrijk naar Hongarije. Ondanks dit feit zijn de kernactiviteiten van deze onderneming in de Gemeenschap gebleven, waar haar hoofdkantoor, opslagplaatsen, verkoopkantoor en belangrijke productie-afdelingen zijn gevestigd en waar zich nog veel knowhow op het gebied van techniek en marketing bevindt. De invoer uit Hongarije dient ter aanvulling van het assortiment en doet geen afbreuk aan de status van Koloman als producent van de Gemeenschap. De in Hongarije vervaardigde delen die in het eindproduct waren opgenomen bleken slechts een klein deel van de productiekosten van het eindproduct en, dientengevolge, van de toegevoegde waarde uit te maken. Deze invoer doet dientengevolge geen afbreuk aan de status van deze fabrikant als producent van de Gemeenschap.

(52) Het onderzoek bevestigde dat de enige medewerkende EG-producent goed was voor meer dan 25 % van de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap en daarom voldeed aan de voorwaarden van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Deze onderneming werd derhalve geacht de bedrijfstak van de Gemeenschap te vormen in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening en zal hierna "de bedrijfstak van de Gemeenschap" worden genoemd.

b) Gebeurtenissen na het onderzoektijdvak

(53) In november 2001, dit wil zeggen na het einde van het onderzoektijdvak, werd bij de medewerkende EG-producent, Koloman, een curator aangesteld en werd het bedrijf in het kader van een vereffeningsprocedure overgenomen door een Oostenrijkse onderneming waarvan de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde moedermaatschappij ook het Hongaarse filiaal van Koloman verwierf.

(54) De overnemers deelden de Commissie mede dat zij de klacht verder steunden.

c) Verbruik in de Gemeenschap

(55) Het zichtbare verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld op basis van de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap in de Gemeenschap, de verkoop van de andere EG-producenten in de Gemeenschap, zoals in de klacht vermeld, gecorrigeerd voor het onderzoektijdvak, informatie van de medewerkende producent/exporteur en de Eurostat-gegevens over de invoer. Daarbij werd rekening gehouden met het feit dat GN-code 8305 10 10 ook producten omvat waarop deze procedure niet van toepassing is. Voor Indonesië werd bij gebrek aan medewerking van de Indonesische exporteurs gebruikgemaakt van de beste gegevens die beschikbaar waren, in dit geval de gegevens van Eurostat. Op basis van de gegevens in de klacht - dit was de beste informatie die beschikbaar was - werd ervan uitgegaan dat de gehele invoer uit Indonesië onder de genoemde GN-code uit het betrokken product bestond. Volgens de niet-medewerkende Indonesische producent voerde hij ongeveer 15 % minder naar de Gemeenschap uit dan de gebruikte invoercijfers aangaven. Deze bewering kon echter niet worden gecontroleerd en het verschil zou verklaard kunnen worden door de omrekening van de Eurostat-cijfers, die in ton zijn uitgedrukt, in stuks. Op deze basis bleek het verbruik in de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 5 % te zijn gestegen. Het verbruik was van 1998 op 1999 betrekkelijk stabiel en was vervolgens geleidelijk gestegen tot het aan het einde van het onderzoektijdvak 348 miljoen stuks bedroeg.

4. Invoer uit Indonesië

(56) De procedure ten aanzien van India werd beëindigd. Daarom wordt slechts de invoer uit Indonesië geanalyseerd, het enige overgebleven betrokken land.

a) Omvang van de invoer

(57) De omvang van de invoer van ringbandmechanismen uit Indonesië is in de periode 1998-2000 afgenomen, en vervolgens, van 2000 tot en met het onderzoektijdvak, enigszins gestegen. De invoer van dit product uit dit land is evenwel eerst in 1997 begonnen, was reeds aanzienlijk in 1998 en bedroeg in het onderzoektijdvak 32 miljoen stuks.

b) Marktaandeel

(58) Het marktaandeel van ringbandmechanismen uit Indonesië bedroeg 8 à 13 %, na een afname sinds 1998 met 2 procentpunten.

c) Prijzen

i) Prijsverloop

(59) De gewogen gemiddelde prijzen bij invoer uit Indonesië namen van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 5 % af, dat wil zeggen van 105 ECU per duizend stuks tot 99 EUR per duizend stuks. De prijsdaling was bijzonder sterk in 1999 ten opzichte van 1998 toen de prijzen met 3 % daalden en in het onderzoektijdvak ten opzichte van 2000, toen de prijzen met 2 % daalden.

ii) Onderbieding

(60) Door het gebrek aan medewerking van de Indonesische exporteurs vond de vergelijking plaats aan de hand van de gegevens van Eurostat, die werden gecorrigeerd voor douanerechten en kosten na invoer. Deze prijzen werden in hetzelfde handelsstadium vergeleken met de prijzen van de EG-producenten af fabriek.

(61) De prijsonderbieding werd opnieuw onderzocht en zo nodig gewijzigd aan de hand van gegevens die bij de aanvullende controlebezoeken werden verstrekt. De prijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië bleken de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 30 à 40 % te onderbieden. Noodzakelijke prijsverhogingen konden niet plaatsvinden waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap geen winst kon maken.

5. Toestand van de bedrijfstak van de Gemeenschap

a) Productie

(62) De productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap vertoonde een neergaande tendens en liep van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 25 % terug. In de periode 1998-1999 daalde de productie aanzienlijk (- 15 %). Dit was ook het geval in de periode 1999-2000, doch daarna bleef de omvang van de productie tot het einde van het onderzoektijdvak stabiel.

b) Productiecapaciteit en capaciteitsbenutting

(63) De productiecapaciteit vertoonde dezelfde tendens als de productie en liep van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 26 % terug.

(64) De capaciteitsbenutting was in de beoordelingsperiode derhalve stabiel.

c) Voorraden

(65) De eindejaarsvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap liepen in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 12 % terug.

d) Verkoop in de Gemeenschap

(66) Ondanks de toename van het verbruik in de Gemeenschap liep de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak sterk in omvang terug, namelijk met 25 %. De daling vond plaats in de periode 1998-1999 (- 10 %) en in nog sterkere mate in de periode 1999-2000 (- 15 %).

e) Marktaandeel

(67) Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met meer dan 4 procentpunten af en volgde zodoende dezelfde trend als de omvang van de verkoop.

f) Prijzen

(68) De gemiddelde netto verkoopprijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 4 %. Deze daling was bijzonder uitgesproken van 1998 op 1999 (- 6 %) toen de invoerprijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië aanmerkelijk daalden, zoals in overweging 59 vermeld.

g) Rentabiliteit

(69) De gewogen gemiddelde rentabiliteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 10 procentpunten en vanaf het jaar 2000 leed deze bedrijfstak verlies. Ten gevolge van deze ongunstige ontwikkeling werd bij de onderneming die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormde een curator aangesteld, zoals in overweging 53 vermeld.

h) Cashflow en het vermogen om kapitaal aan te trekken

(70) De cashflow van de bedrijfstak van de Gemeenschap in verband met de verkoop van ringbandmechanismen vertoonde grotendeels dezelfde tendens als de rentabiliteit, namelijk een aanzienlijke daling in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak.

(71) Uit het onderzoek bleek dat de bedrijfstak van de Gemeenschap als gevolg van zijn financiële situatie, en in het bijzonder zijn verminderde rentabiliteit, in deze periode meer problemen ondervond bij het aantrekken van kapitaal.

i) Werkgelegenheid, lonen en productiviteit

(72) Het aantal arbeidsplaatsen in de bedrijfstak van de Gemeenschap in verband met de productie van ringbandmechanismen liep in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 30 % terug. De totale loonsom volgde dezelfde tendens en daalde in deze periode met 27 %, wat neerkwam op een stijging van het gemiddelde loon met 5 % in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak. De productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap, per werknemer, nam in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 8 % toe.

j) Investeringen en rendement van investeringen

(73) De investeringen liepen in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 39 % terug. De daling was bijzonder sterk van 1999 op 2000. Het onderzoek wees uit dat de meeste kapitaaluitgaven verband hielden met de vervanging of het onderhoud van bestaande installaties.

(74) Het rendement van de investeringen, dat wil zeggen de verhouding tussen de nettowinst en de nettoboekwaarde van de investeringen, vertoonde vrijwel dezelfde tendens als de rentabiliteit en werd in 2000 negatief.

k) Groei

(75) Hoewel het verbruik in de Gemeenschap in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 5 % toenam, daalde de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 25 %, terwijl de invoer aanzienlijk bleef. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon derhalve niet profiteren van de, weliswaar beperkte, toename van de vraag in de Gemeenschap.

l) Hoogte van de dumpingmarge

(76) De gevolgen van de feitelijke dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Gemeenschap kunnen, gezien de omvang van de invoer en de prijzen van de uit het betrokken land ingevoerde producten, niet als onbeduidend worden beschouwd.

m) Herstel van de gevolgen van de invoer met dumping in het verleden

(77) De bedrijfstak van de Gemeenschap is nog niet geheel hersteld van de gevolgen van de invoer met dumping van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië. Zoals vermeld is Verordening (EG) nr. 119/97, waarbij een definitief antidumpingrecht werd ingesteld, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2100/2000 teneinde rekening te houden met de bevindingen van een procedure ten aanzien van de Volksrepubliek China betreffende de absorptie van de antidumpingrechten. Terwijl de maatregelen ten aanzien van Maleisië in januari 2002 vervielen, werd een herzieningsprocedure ingeleid betreffende de invoer van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China.

6. Verplaatsing van een deel van de productie

(78) Teneinde na te gaan of de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet het gevolg was van een wijziging in de productiestructuur in de Gemeenschap, werd eveneens onderzocht of de verplaatsing van een deel van de productie, als vermeld in overweging 51 (door de overbrenging van machines van Oostenrijk naar Hongarije) begin 2000 gevolgen heeft gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Hoewel de neergaande tendens van bepaalde schade-indicatoren door deze verplaatsing werd versterkt (bijvoorbeeld de productie, de productiecapaciteit en de omvang van de verkoop), gaven andere indicatoren, zoals capaciteitsbenutting en gemiddelde verkoopprijzen, een verbetering te zien, waardoor de verliezen afnamen. Naar raming hield ongeveer 60 % van de productiedaling en ongeveer 80 % van de daling van de verkoop verband met deze overbrenging van de productie-installaties, maar zonder deze overbrenging zou de prijsdaling driemaal zo groot zijn geweest en de rentabiliteit nog 7 procentpunten lager. Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet het gevolg was van een wijziging in het productiepatroon in de Gemeenschap.

(79) Aangevoerd werd dat de kernactiviteiten van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet meer in de Gemeenschap plaatsvinden, omdat de verplaatsing naar Hongarije tot een daling van de productie in de Gemeenschap met 60 % leidde en tot een daling met 80 % van de verkoop.

(80) In overweging 78 vermeld, bracht de verplaatsing niet een dusdanige vermindering van de productie in de Gemeenschap teweeg, maar leidde zij slechts tot een daling met 15 % van de productie van deze onderneming in de Gemeenschap en tot een daling met 20 % van de verkoop van in de Gemeenschap geproduceerde ringbandmechanismen. De conclusie in overweging 51 betreffende de kernactiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt derhalve bevestigd.

7. Conclusie inzake de schade

(81) De situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap (rekening houdend met de verplaatsing van een deel van de productie als vermeld in overweging 78) bleek in de beoordelingsperiode te zijn verslechterd.

(82) Hoewel de antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië na 1998 tot een aanzienlijke daling van de invoer uit deze landen leidden, heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap niet ten volle van deze ontwikkeling kunnen profiteren. Vanaf 1998 wezen de meeste schade-indicatoren, zoals productie, omvang van de verkoop, marktaandeel, winstgevendheid, rendement op investeringen, cashflow en werkgelegenheid op een negatieve ontwikkeling. Met name de daling van de verkoopprijzen had ongunstige gevolgen voor de rentabiliteit.

(83) Terwijl de omvang van de verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak terugliep, werden uit Indonesië grote hoeveelheden ingevoerd. De prijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië onderboden die van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 30 à 40 %. Hierdoor werden bovendien prijsverhogingen verhinderd.

(84) De situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleek derhalve dermate te zijn verslechterd dat geconcludeerd werd dat deze bedrijfstak aanmerkelijke schade heeft geleden.

(85) Er wordt aan herinnerd dat de financiële situatie van de onderneming die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormde zo precair was dat na het onderzoektijdvak een curator moest worden aangesteld.

E. OORZAKELIJK VERBAND

1. Inleiding

(86) Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening werd onderzocht of de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden, was veroorzaakt door de invoer van ringbandmechanismen uit Indonesië, gezien de omvang van die invoer en de gevolgen daarvan voor de prijzen in de Gemeenschap en of die schade als aanmerkelijk kon worden beschouwd. De Commissie heeft eveneens onderzocht of deze schade ook door andere factoren dan invoer met dumping kon zijn veroorzaakt, om te voorkomen dat schade die door deze andere factoren was veroorzaakt aan de invoer met dumping uit Indonesië werd toegeschreven.

2. Gevolgen van de invoer met dumping

(87) De omvang van de invoer met dumping nam van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 14 % af, terwijl het daarmee overeenstemmende marktaandeel in de Gemeenschap met 2 procentpunten kromp. Deze invoer bleef echter aanzienlijk en het marktaandeel dat daarmee overeenstemde bedroeg in de periode 1998 - onderzoektijdvak 8 % à 13 %. De prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap werden aanzienlijk onderboden. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap daalde met meer dan 4 procentpunten. Terzelfder tijd daalden de gemiddelde prijzen van de bedrijfstak met 4 %. De werkelijke prijsdaling was in feite nog sterker, als in overweging 78 vermeld.

(88) In dezelfde periode, namelijk van 1998 tot en met het onderzoektijdvak, verslechterde de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, zoals bleek uit de daling van de omvang van de verkoop, van het marktaandeel, de prijzen en van de winstgevendheid waardoor ten slotte verliezen werden geleden. De bedrijfstak van de Gemeenschap kon dus niet echt profiteren van de antidumpingmaatregelen die waren genomen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië.

(89) Een Indonesische producent/exporteur voerde aan dat de invoer uit Indonesië geen schade kon hebben veroorzaakt, daar zij van 1999 op 2000 daalde en het marktaandeel minimaal was. Volgens dezelfde onderneming kon de invoer uit Indonesië geen werkelijke gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap daar de productie in de Gemeenschap vijf- à zesmaal hoger was dan de invoer uit Indonesië.

(90) Er wordt echter op gewezen dat de invoer uit Indonesië van 1998 op 2000 weliswaar daalde, maar dat deze in het onderzoektijdvak weer enigszins steeg ten opzichte van 2000, zonder evenwel het niveau van 1998 te bereiken. Bovendien, zoals in overweging 58 vermeld, hadden de ringbandmechanismen uit Indonesië in de periode 1998 - onderzoektijdvak een marktaandeel van 8 à 13 %, wat aanzienlijk is en duidelijk meer dan minimaal. Ten slotte wordt erop gewezen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap duidelijk is omschreven in overweging 52 en dat deze aanzienlijk minder produceert dan de Indonesische onderneming beweert.

(91) Daarom wordt geconcludeerd dat de invoer met dumping uit Indonesië de gevolgen van de antidumpingmaatregelen van 1997 ten aanzien van de Volksrepubliek China en Maleisië (en die in 2000 ten aanzien van de Volksrepubliek China werden gewijzigd) hebben afgezwakt en dat deze invoer een belangrijke oorzaak is geweest van de in de voorgaande alinea's beschreven ongunstige ontwikkelingen.

3. Gevolgen van andere factoren

a) Invoer uit andere derde landen

(92) Onderzocht werd of andere factoren dan de invoer met dumping uit Indonesië (mede) de schade konden hebben veroorzaakt die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en met name of de invoer uit andere landen dan Indonesië tot die situatie konden hebben bijgedragen.

(93) De omvang van de invoer uit andere derde landen steeg van 1998 tot en met het onderzoektijdvak met 17 %, terwijl het daarmee overeenstemmende marktaandeel met meer dan 5 procentpunten daalde. Deze stijging is grotendeels veroorzaakt door de stijging van de invoer uit India, Hongarije en Thailand, terwijl de invoer uit de Volksrepubliek China en Maleisië ten gevolge van de in 1997 genomen antidumpingmaatregelen sterk daalde.

(94) De gewogen gemiddelde stukprijs bij invoer uit derde landen daalde met 16 % van 1998 tot en met het onderzoektijdvak. De prijzen van ringbandmechanismen uit bijna alle derde landen daalden in deze periode behalve de prijzen van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China die ten gevolge van de antidumpingmaatregelen sterk stegen, hoewel ze eerst in het onderzoektijdvak zo hoog waren als de Hongaarse prijzen.

i) India

(95) Eerst werd onderzocht of de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden mede kon zijn veroorzaakt door de invoer uit India. Hoewel de invoer uit India van 1998 tot en met het onderzoektijdvak sterk was gestegen, waren de prijzen van ringbandmechanismen uit India 2 % tot 30 % lager dan die van ringbandmechanismen uit Indonesië. Toen ringbandmechanismen in 1998 voor het eerst uit India werden ingevoerd, waren de prijzen ervan meer dan 40 % hoger dan van die uit Indonesië, voor een vergelijkbare hoeveelheid. Sindsdien zijn de prijzen bij invoer uit India steeds gedaald, maar zijn altijd hoger gebleven dan die uit Indonesië (in het onderzoektijdvak meer dan 5 % hoger). Daarom wordt geconcludeerd dat hoewel de invoer uit India ongunstige gevolgen heeft gehad voor de bedrijfstak van de Gemeenschap, de nadelige gevolgen van de invoer uit Indonesië, op zich genomen, niettemin aanzienlijk zijn geweest. Indonesië was een invloedrijke en belangrijke speler op de EG-markt. De hoeveelheden die uit Indonesië werden ingevoerd waren lager dan die welke uit India werden ingevoerd, maar nog steeds aanzienlijk. De Indonesische prijzen waren nog lager dan die van het product uit India. Voorts wordt opgemerkt dat voorgaande analyse ernstig bemoeilijkt werd door het feit dat Indonesië geen medewerking verleende en dat er daarom geen gegevens beschikbaar waren over de modellen van het betrokken product uit Indonesië en de marktsegmenten waarvoor zij zijn bestemd.

ii) De Volksrepubliek China

(96) Ook werd onderzocht of de absorptie van het in 1997 op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China ingestelde antidumpingrecht geleid of bijgedragen kon hebben tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden. Opgemerkt wordt dat de absorptie van dit recht de gevolgen van dit recht voor de verkoopprijzen waarschijnlijk heeft afgezwakt, maar dat dit recht vanaf 1998 toch een belangrijke vermindering van de invoer uit de Volksrepubliek China tot gevolg had. Bovendien nam de invoer uit Indonesië pas in 1997 een aanvang, maar had in 1998 reeds ongeveer hetzelfde niveau bereikt als de invoer uit de Volksrepubliek China. Vervolgens daalde de invoer uit de Volksrepubliek China sterk, terwijl de invoer uit Indonesië tot het onderzoektijdvak slechts weinig afnam, toen de invoer uit Indonesië meer dan driemaal zo hoog was dan de invoer uit de Volksrepubliek China. Omdat in het onderzoektijdvak uit de Volksrepubliek China veel minder werd ingevoerd dan uit Indonesië, werd geconcludeerd dat eerstgenoemde invoer niet zulke ernstige gevolgen kon hebben gehad voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap als de gevolgen van de invoer met dumping uit Indonesië.

iii) Hongarije

(97) Om te bepalen of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade had geleden door de invoer uit Hongarije, op zich genomen, werd de omvang van de invoer uit Hongarije en het prijsniveau van het Hongaarse product op de EG-markt onderzocht.

(98) De invoer uit Hongarije van 1998 tot en met het onderzoektijdvak werd geanalyseerd aan de hand van de gegevens die de EG-producent had verstrekt wiens fabriek in Hongarije de enige in Hongarije was die het betrokken product maakte.

(99) In de beoordelingsperiode is de invoer van ringbandmechanismen uit Hongarije toegenomen. De prijzen waartegen de bedrijfstak van de Gemeenschap ringbandmechanismen uit Hongarije in de Gemeenschap verkocht, daalden in de beoordelingsperiode, maar zij waren hoger dan de prijzen van ringbandmechanismen uit alle andere derde landen en werden onderboden door de prijzen van ringbandmechanismen uit Indonesië.

(100) De productie van ringbandmechanismen in Hongarije door de bedrijfstak van de Gemeenschap werd geanalyseerd en vergeleken met de productie in Oostenrijk. Het bleek dat er weinig overeenstemming was tussen de in Oostenrijk en de in Hongarije geproduceerde modellen.

(101) Gezien het geringe aantal modellen dat zowel in Oostenrijk als in Hongarije werd vervaardigd, werd geconcludeerd dat de productie in Hongarije diende ter aanvulling van het assortiment van de bedrijfstak van de Gemeenschap waardoor deze zijn afnemers een grotere keuze kon bieden; de productie in Hongarije had dus geen nadelige gevolgen voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(102) Op grond van het bovenstaande werd geconcludeerd dat de invoer uit Hongarije niet in aanmerkelijke mate had bijgedragen tot de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

iv) Thailand

(103) Daar, zoals in Verordening (EG) nr. 2100/2000 van 29 september 2000 werd vermeld, "sommige producten van Chinese oorsprong bij de nationale douaneautoriteiten werden aangegeven als zijnde van Thaise oorsprong, waardoor de verschuldigde antidumpingrechten werden ontdoken", werd het dienstig geoordeeld de gevolgen van de invoer van vanuit Thailand verzonden ringbandmechanismen te evalueren.

(104) De invoer uit Thailand bleek in de beoordelingsperiode aanzienlijk te zijn gestegen, daar zij eerst in 1998 met ongeveer 1 miljoen stuks was begonnen en in het onderzoektijdvak meer dan 23 miljoen stuks bedroeg. Bovendien bleek uit de Eurostat-gegevens dat de verkoopprijzen van ringbandmechanismen uit Thailand doorgaans lager waren dan die van ringbandmechanismen uit Indonesië.

(105) Hoewel ringbandmechanismen uit Thailand ongeveer 20 % goedkoper waren dan ringbandmechanismen uit Indonesië, werd uit Indonesië een derde meer ingevoerd dan uit Thailand. Gezien deze veel geringere invoer uit Thailand, werd geconcludeerd dat deze, in vergelijking met de invoer met dumping uit Indonesië, niet veel invloed kon hebben gehad op de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(106) Een Indonesische exporteur die geen medewerking heeft verleend, heeft de analyse van de invoer uit Thailand in twijfel getrokken. De hoeveelheden die uit Indonesië worden ingevoerd zouden relatief kleiner zijn en de Indonesische prijzen zijn hoger dan de Thaise. Er wordt echter op gewezen dat hoewel de Thaise prijzen lager waren dan de Indonesische, uit Indonesië meer dan 30 % meer wordt ingevoerd dan uit Thailand. De conclusie in overweging 105 wordt daarom bevestigd.

b) Andere factoren

(107) Ook werd onderzocht of andere factoren dan de bovenvermelde mede de oorzaak konden zijn geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden.

(108) Volgens de medewerkende importeurs was de markt voor ringbandmechanismen zeer prijsgevoelig en producenten moesten grote hoeveelheden verkopen om concurrerend te zijn. Volgens dezelfde importeurs zou de bedrijfstak van de Gemeenschap slechts op de EG-markt en niet op de wereldmarkt verkopen, waardoor hij meer kostenefficiënt zou kunnen werken. In dit verband wordt erop gewezen dat de verhouding tussen de verkoop binnen en buiten de Gemeenschap door de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak niet aanmerkelijk is gewijzigd. Niettemin, ofschoon de bedrijfstak van de Gemeenschap sterk op de EG-markt was gericht, heeft deze bedrijfstak zijn product in 1998 met winst uitgevoerd, dus in een periode waarin de invoer uit Indonesië reeds aanzienlijk was.

(109) Een verwerkend bedrijf voerde aan dat de schade veroorzaakt was door de sterke concurrentie in de sector kantoorbenodigheden. Door deze concurrentie zouden de verwerkende bedrijven/distributeurs van het betrokken product zoveel druk op de prijzen in de Gemeenschap hebben uitgeoefend dat deze daalden. De invoer met dumping zou de druk op de prijzen die de verwerkende bedrijven in de Gemeenschap reeds uitoefenden nog hebben versterkt, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap schade kwam te lijden.

(110) Bovendien werd onderzocht of de druk op de prijzen door de normale gang van zaken op de markt van ringbandmechanismen was veroorzaakt, omdat de prijzen van bijna alle leveranciers van 1998 tot en met het onderzoektijdvak daalden.

(111) Opgemerkt wordt dat de algemene prijsdaling gezien moet worden in het licht van voortdurende oneerlijke handelspraktijken, eerst vanuit de Volksrepubliek China en Maleisië en vervolgens vanuit Indonesië, wat van invloed was op de EG-markt.

(112) Zoals in overweging 108 vermeld, is de markt voor ringbandmechanismen zeer prijsgevoelig. Omdat de invoer uit Indonesië met dumping plaatsvond tegen prijzen die van 1998 tot en met het onderzoektijdvak lager waren dan de gemiddelde prijs per stuk van alle andere ingevoerde ringbandmechanismen, wordt geconcludeerd dat deze invoer, die in het onderzoektijdvak een aandeel van 8 à 13 % op de EG-markt had, op deze markt druk uitoefende op de prijzen.

(113) Ten slotte werd geanalyseerd of het prijsgedrag van Krause, de niet-medewerkende EG-producent, kon hebben bijgedragen tot de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden. Bij nader onderzoek van de gegevens over Krause bleek dat de situatie van deze EG-producent in de beoordelingsperiode eveneens achteruit was gegaan, met name wat verkoopprijzen en winstgevendheid betreft. Het lijkt er dus op dat deze producent niet mede de oorzaak is geweest van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden; zijn situatie was eveneens ongunstig beïnvloed door de invoer uit Indonesië daar hij, evenals de bedrijfstak van de Gemeenschap, genoodzaakt was geweest zijn prijzen te verlagen.

(114) Om de hierboven uiteengezette redenen werd geconcludeerd dat de druk op de prijzen in de Gemeenschap niet beschouwd moest worden als een normale marktontwikkeling, maar het gevolg was van de onbillijke handelspraktijken van Indonesië.

(115) De Indonesische autoriteiten voerden aan dat de leveranties uit Indonesië uitsluitend bestemd waren geweest voor de Italiaanse producent van ringbandmappen die hiermee zijn assortiment aanvulde.

(116) Deze bewering bleek echter in strijd met de verklaring van de niet-medewerkende Indonesische exporteur die aanvoerde dat de enige markt waarop de Indonesische producent goed vertegenwoordigd is, die van het Verenigd Koninkrijk is. Dit blijkt ook uit Eurostat.

(117) Deze producent voerde aan dat de invoer uit Indonesië geen schade kon hebben veroorzaakt, daar hij voornamelijk naar het Verenigd Koninkrijk uitvoert, waar de bedrijfstak van de Gemeenschap weinig actief is. Deze bewering is niet alleen in strijd met die van de Indonesische autoriteiten, maar bovendien wordt de schade op EG-basis geanalyseerd en niet op regionale basis.

4. Conclusie inzake oorzakelijk verband

(118) Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden en die vooral tot uiting is gekomen in de negatieve ontwikkeling van productie, omvang van de verkoop, prijzen, marktaandeel, winstgevendheid, rendement op investeringen, cash flow en werkgelegenheid - waarbij rekening werd gehouden met de verplaatsing van een deel van de productie naar Hongarije - werd veroorzaakt door de betrokken invoer met dumping. De invoer uit India, Thailand en de Volksrepubliek China en de verplaatsing van een deel van de productie buiten de Gemeenschap hadden tezamen slechts beperkte gevolgen voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(119) De niet-medewerkende Indonesische exporteur beweerde eveneens dat er een tegenspraak is tussen de conclusie in overweging 118 en het feit dat er voldoende bewijsmateriaal is om een procedure bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen in te leiden ten aanzien van de Volksrepubliek China.

(120) Er wordt op gewezen dat een procedure bij het vervallen van antidumpingmaatregelen ten doel heeft na te gaan of het waarschijnlijk is dat dumping en schade zullen worden voortgezet of opnieuw zullen optreden indien de maatregelen vervallen. Het feit dat de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak heeft geleden aan Indonesië wordt toegeschreven, doet niet af aan de analyse van het toekomstige gedrag van Chinese exporteurs op de EG-markt en de waarschijnlijke gevolgen daarvan voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Bovendien wordt erop gewezen dat het Chinese marktaandeel in de laatste twee jaar van de beoordelingsperiode zeer gering was.

(121) Op grond van deze analyse, waarbij een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de gevolgen van alle bekende factoren en van de invoer met dumping voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, wordt geconcludeerd dat deze andere factoren niet afdoen aan het feit dat de vastgestelde aanmerkelijke schade moet worden toegeschreven aan de invoer met dumping.

F. BELANG VAN DE GEMEENSCHAP

1. Voorafgaande opmerking

(122) Onderzocht werd of er dwingende redenen waren om in dit bijzondere geval in het belang van de Gemeenschap geen maatregelen te nemen. Te dien einde en overeenkomstig artikel 21, lid 1, van de basisverordening werden de gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen voor alle betrokkenen bij deze procedure onderzocht op grond van het voorgelegde bewijsmateriaal.

(123) Om de waarschijnlijke gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen te beoordelen, is informatie opgevraagd bij alle belanghebbenden. Er werden vragenlijsten gezonden aan de twee klagende EG-producenten, twee andere EG-producenten, negen onafhankelijke importeurs, 49 bedrijven die het betrokken product verwerken en een organisatie van verwerkende bedrijven. Een klagende EG-producent (Koloman), twee onafhankelijke importeurs en een verwerkend bedrijf dat banden had met die importeurs hebben de vragenlijst beantwoord. Een ander verwerkend bedrijf heeft opmerkingen gemaakt zonder de vragenlijst te beantwoorden.

(124) Deze antwoorden en opmerkingen vormden de basis voor de analyse van het algemene belang van de Gemeenschap.

2. Belang van de bedrijfstak van de Gemeenschap

a) Opmerking vooraf

(125) Verschillende producenten in de Gemeenschap zijn de afgelopen jaren gestopt met de productie van ringbandmechanismen. Bij het onderzoek bleek, zoals in overweging 49 vermeld, dat van de overgebleven ondernemingen ook een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming haar productie enkele jaren geleden heeft stopgezet. De productie van de in Italië gevestigde onderneming bleek slechts gering te zijn - deze onderneming voerde een groot deel van de door haar verkochte ringbandmechanismen in. De Spaanse onderneming diende veeleer als een importeur dan als een producent te worden beschouwd, aangezien haar productie te verwaarlozen was en zij meer dan 90 % van de door haar verkochte ringbandmechanismen uit Indonesië invoerde. De twee klagende ondernemingen blijken de enige ondernemingen in de Gemeenschap te zijn die nog een aanzienlijke hoeveelheid ringbandmechanismen produceren.

(126) De twee klagende EG-producenten hebben in het verleden reeds ernstige schade geleden door de invoer van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië, zoals beschreven in Verordening (EEG) nr. 119/97 waardoor, onder meer, van 1992 tot oktober 1995, 28 % van de arbeidsplaatsen verloren ging. Zoals in overweging 72 vermeld, is het aantal arbeidsplaatsen bij de bedrijfstak van de Gemeenschap van 1998 tot en met het onderzoektijdvak nogmaals met 30 % afgenomen.

(127) Gezien de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt geconcludeerd dat de productie in de Gemeenschap, indien de bedrijfstak niet volledig herstelt van de gevolgen van de onbillijke dumpingpraktijken, waarschijnlijk geheel zal worden stopgezet en dat de afnemers in hoge mate van invoer afhankelijk zullen worden.

b) Financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(128) De financiële situatie van de onderneming die de bedrijfstak van de Gemeenschap vormt heeft zich in de beoordelingsperiode zo negatief ontwikkeld dat, zoals in overweging 53 vermeld, na het onderzoektijdvak een curator werd aangesteld. De verliezen van deze onderneming waren het gevolg van de concurrerentie met producten die tegen dumpingprijzen werden verkocht. Uit het feit dat de medewerkende EG-producent is overgenomen, blijkt dat de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap een herstructurering ondergaat en dat veel moeite wordt gedaan om deze bedrijfstak te laten voortbestaan en winstgevend te maken.

c) Mogelijke gevolgen van het al dan niet nemen van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(129) Door antidumpingmaatregelen zouden de marktvoorwaarden in de Gemeenschap weer billijk worden, waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap het verloren marktaandeel weer kan herwinnen en, door een verhoging van de capaciteitsbenutting, zijn kostprijs kan verlagen en zijn winstgevendheid verhogen. De maatregelen zullen naar verwachting positieve gevolgen hebben voor het prijsniveau van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Tot slot wordt verwacht dat de bedrijfstak van de Gemeenschap, door een stijging van de productie en van de omvang van de verkoop enerzijds en de verdere daling van de kostprijs anderzijds, eventueel gecombineerd met een matige prijsstijging, in staat zal zijn zijn financiële situatie te verbeteren.

(130) Worden daarentegen geen antidumpingmaatregelen genomen, dan is het waarschijnlijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn prijzen verder zal moeten verlagen en/of verder marktaandeel zal verliezen. Beide scenario's leiden waarschijnlijk tot een verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap. Voorts wordt het dan waarschijnlijk dat de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap op vrij korte termijn zal worden gestaakt.

(131) Omdat de bedrijfstak van de Gemeenschap bovendien niet uitsluitend het betrokken product vervaardigt, maar ook andere producten die ongeveer eenderde van zijn omzet uitmaken, is het zeer waarschijnlijk dat het sluiten van de productielijnen voor ringbandmechanismen het voortbestaan van de gehele fabriek in gevaar zal brengen en zal leiden tot de sluiting van alle productielijnen, hetgeen ook ongunstige gevolgen zal hebben voor de werkgelegenheid en investeringen.

d) Mogelijke verplaatsing van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(132) Onderzocht werd of antidumpingmaatregelen als niet in het belang van de Gemeenschap beschouwd konden worden, gezien de verplaatsing van een deel van de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap buiten de Gemeenschap. De mogelijkheid van een verdere verplaatsing van de productie buiten de Gemeenschap werd eveneens onderzocht.

(133) Op de eerste plaats, zoals in overweging 78 vermeld, kon de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verliezen beperken door de verplaatsing van een deel zijn productie-installaties in 2000. Deze verplaatsing was een strategisch besluit om de gevolgen van dumping tegen te gaan. Bovendien is het waarschijnlijk dat deze verplaatsing, die tot een verbetering van de financiële situatie heeft geleid, onrechtstreeks tot gevolg had dat dit bedrijf aantrekkelijker werd voor de nieuwe investeerder die het onlangs heeft overgenomen.

(134) Voorts heeft de Commissie voldoende bevestiging ontvangen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet van plan is opnieuw een deel van de productie buiten de Gemeenschap te verplaatsen. Bovendien is een dergelijke verplaatsing onwaarschijnlijk omdat de herstructurering, gecombineerd met antidumpingmaatregelen, de bedrijfstak van de Gemeenschap opnieuw winstgevend zouden moeten maken.

3. Belang van de importeurs

(135) Sommige importeurs, die echter geen ringbandmechanismen uit Indonesië aankochten, merkten op dat het overschakelen op andere leveranciers met extra kosten gepaard zou gaan of overgangsproblemen zou veroorzaken. De importeurs wezen er met name op dat zij na de antidumpingmaatregelen van 1997 reeds gedwongen waren geweest van leverancier te veranderen en dat zij dit niet weer opnieuw wilden doen.

(136) Antidumpingmaatregelen hebben echter niet ten doel importeurs of verwerkende bedrijven te dwingen van leverancier te veranderen, maar om concurrentievervalsing in de Gemeenschap tegen te gaan. De importeurs erkenden dat een aantal andere derde landen gemakkelijk ringbandmechanismen konden produceren en het leek niet moeilijk dit product in een land aan te kopen ten aanzien waarvan geen antidumpingmaatregelen golden. Voorts konden zij ook ringbandmechanismen verhandelen die in de Gemeenschap waren gemaakt. Het zoeken naar andere leveranciers veroorzaakt waarschijnlijk slechts problemen van tijdelijke aard die waarschijnlijk niet opwegen tegen de voordelen van antidumpingmaatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

4. Belang van de verwerkende bedrijven en de consument

a) Verwerkende bedrijven

(137) Zowel de medewerkende onafhankelijke importeurs als het verwerkende bedrijf (de producent van ringbandmappen) voerden aan dat antidumpingmaatregelen ernstige nadelige gevolgen voor de financiële situatie van verwerkende bedrijven zouden hebben.

(138) De mogelijke gevolgen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van Indonesië voor de productiekosten van de verwerkende bedrijven werden onderzocht. Er werd een raming gemaakt van de gevolgen voor een verwerkend bedrijf dat uitsluitend gebruik zou maken van ringbandmechanismen uit Indonesië. In dit, meest ongunstige, geval zouden de maatregelen ten aanzien van Indonesië leiden tot een stijging van de productiekosten met ongeveer 4 %. Zoals reeds werd vermeld, is dit een volledig hypothetisch scenario omdat geen enkel verwerkend bedrijf dat aan het onderzoek meewerkte het betrokken product uitsluitend in Indonesië aankocht.

(139) Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat de gevolgen van antidumpingmaatregelen voor verwerkende bedrijven te verwaarlozen zouden zijn. Gezien het gebrek aan medewerking van andere verwerkende bedrijven kan meer in het algemeen worden gesteld dat de gevolgen voor de kosten voor alle andere verwerkende bedrijven eveneens te verwaarlozen zullen zijn.

(140) Het medewerkende verwerkende bedrijf voerde aan dat het de afgelopen drie jaar een deel van zijn productie buiten de Gemeenschap moet verplaatsen en drie fabrieken had moeten sluiten nadat antidumpingmaatregelen waren genomen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië. Indien nu antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië zouden worden genomen, zou hij, door de daaruit voortvloeiende verhoging van de productiekosten, opnieuw gedwongen zijn de productie van ringbandmappen buiten de Gemeenschap te verplaatsen en/of de betrokken fabrieken te sluiten. Dit zou voor het geheel van zijn activiteiten gevolgen kunnen hebben, dus ook voor de vervaardiging van andere producten, waarvan de productie-installaties ook verplaatst zouden worden, waardoor veel arbeidsplaatsen in de Gemeenschap verloren zouden gaan.

(141) Een algemene opmerking is dat het risico dat stroomafwaartse bedrijven, ten gevolge van antidumpingmaatregelen, zich elders vestigen, beperkt wordt doordat een deel van de afnemers van ringbandmappen bedrijven zijn en dat het voor deze afnemers van wezenlijk belang is dat de producenten van ringbandmappen niet te ver weg zijn, flexibel op de vraag kunnen reageren en de markt goed kennen. Bij het onderzoek bleek dat de voornaamste criteria voor de afnemers van ringbandmappen de prijs zijn, kwaliteit en service, alsmede een spoedige levering. Zoals in de overwegingen 137 en 138 reeds vermeld, werd bovendien vastgesteld dat de financiële gevolgen van de antidumpingmaatregelen voor de stroomafwaartse bedrijven te verwaarlozen waren. Dat slechts één ringbandmappenproducent volledig medewerking verleende aan het onderzoek, schijnt ten slotte de conclusie te bevestigen dat antidumpingmaatregelen geen doorslaggevende gevolgen voor de verwerkende bedrijven zullen hebben.

(142) Bovendien hebben sommige belanghebbenden erop gewezen dat de verplaatsing van verschillende verwerkende bedrijven in de laatste jaren het gevolg was van de hoge productiekosten in de Gemeenschap. Dit bevestigt dat het naar elders verplaatsen van productie-eenheden gezien moet worden in de ruimere context van de algemene kostenstructuur waarop, zoals reeds vermeld, antidumpingmaatregelen een te verwaarlozen invloed hebben.

(143) In verband met de specifieke situatie van het medewerkend verwerkend bedrijf bleek uit het onderzoek dat hoewel dit bedrijf een deel van zijn productie tussen 1998 en het onderzoektijdvak, dit wil zeggen na de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië, buiten de Gemeenschap had verplaatst, dit bedrijf juist na de instelling van die antidumpingmaatregelen van leverancier veranderde en de ringbandmechanismen bij de medewerkende importeurs betrok die op hun beurt vanaf 1998 hoofdzakelijk uit India begonnen in te voeren, in plaats van uit de Volksrepubliek China. Het is derhalve moeilijk om een verband te leggen tussen de verplaatsing van de productie van ringbandmappen buiten de Gemeenschap door dat bedrijf en de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de Volksrepubliek China en Maleisië. Bovendien hebben antidumpingmaatregelen, zoals in overweging 139 vermeld, een te verwaarlozen invloed op de productiekosten van verwerkende bedrijven.

(144) De hierboven genoemde verplaatsing van een deel van de productie bleek eerder het gevolg van de extern gerichte strategie van bedoeld bedrijf dat in de laatste jaren een aantal ondernemingen heeft verworven. Deze strategie leidde uiteindelijk tot een consolidering en herstructurering van de verschillende eenheden van de groep, waarvan sommige werden gesloten. De verplaatsing van enkele productie-eenheden buiten de Gemeenschap moet gezien worden als een onderdeel van deze strategie die ten doel heeft de positie van dit bedrijf op de EG-markt te versterken en zijn aanwezigheid in Oost-Europa te ontwikkelen.

(145) Op grond van het bovenstaande en gezien de te verwaarlozen gevolgen die antidumpingrechten waarschijnlijk voor het betrokken verwerkend bedrijf zullen hebben, is het weinig waarschijnlijk dat antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië, op zich, ertoe leiden dat nog meer eenheden voor de productie van ringbandmappen buiten de Gemeenschap worden verplaatst.

(146) In verband met de sluiting van fabrieken en het risico op verdere sluitingen ten gevolge van antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië werd vastgesteld dat het medewerkende verwerkende bedrijf de laatste drie jaren drie fabrieken heeft gesloten toen de maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië van kracht waren. Rekening houdend met de te verwaarlozen gevolgen van antidumpingmaatregelen voor de productiekosten en de financiële situatie van het verwerkend bedrijf in kwestie, zoals in overweging 144 vermeld, is het weinig waarschijnlijk dat de maatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië, op zich, tot de sluiting van die fabrieken hebben geleid en dat antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië tot de sluiting van nog meer fabrieken zullen leiden.

b) De consument

(147) Het betrokken product wordt in de detailhandel niet verkocht. Consumentenorganisaties hebben zich in het kader van deze procedure niet aangemeld.

(148) Het medewerkende verwerkende bedrijf voerde ook aan dat antidumpingmaatregelen de prijs voor de eindgebruiker van ringbandmappen, de consument, zouden verhogen. Gezien bovenstaande uiteenzetting over de gevolgen voor de producenten van ringbandmappen is het niet waarschijnlijk dat de consument van ringbandmappen met een aanzienlijke prijsstijging geconfronteerd zal worden.

(149) Bovendien bleek bij het onderzoek dat het medewerkende verwerkende bedrijf zijn producten hoofdzakelijk aan distributeurs verkoopt. In het ergste geval, wanneer een kostenstijging voor de verwerkende bedrijven geheel aan de eindconsument wordt doorberekend, zou dit tot een prijsstijging van ten hoogste 4 % van de consumentenprijs leiden. Het is echter weinig waarschijnlijk dat dit zal gebeuren, daar het in het algemeen zo is dat elke schakel in de distributieketen een deel van de kostenstijging voor zijn rekening neemt om zijn concurrentievermogen te handhaven.

(150) Op basis van bovenstaande werd geoordeeld dat de gevolgen voor de bedrijven die ringbandmechanismen verwerken en voor de consumenten van ringbandmappen niet zodanig waren dat dit een dwingende reden was om geen antidumpingmaatregelen te nemen; de negatieve gevolgen van antidumpingmaatregelen zullen waarschijnlijk niet opwegen tegen de positieve gevolgen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

c) Gevolgen voor het concurrentievermogen

(151) Ook werd onderzocht of de bedrijfstak van de Gemeenschap, na het nemen antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit Indonesië, van een dominante positie op de EG-markt zou kunnen profiteren, met name gezien de antidumpingmaatregelen die in 1997 werden genomen ten aanzien van ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië en de herstructurering van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(152) Op de eerste plaats wordt eraan herinnerd dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak slechts een marktaandeel van 10 à 15 % had. De twee klagende EG-producenten zouden tezamen in het onderzoektijdvak een marktaandeel van 32 à 37 % hebben gehad. Zelfs indien de door Koloman ingevoerde ringbandmechanismen bij dit marktaandeel zouden zijn opgeteld, zou dit in het onderzoektijdvak 47 à 52 % zijn geweest. Bovendien wordt erop gewezen dat de Commissie weliswaar een procedure heeft ingeleid voor de herziening van de maatregelen die van toepassing zijn op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China, maar dat deze procedure geen betrekking heeft op Maleisië. Daarnaast kunnen nog steeds ringbandmechanismen uit India worden ingevoerd. Het wordt derhalve weinig waarschijnlijk geacht dat antidumpingmaatregelen ten aanzien van Indonesië tot ongunstige gevolgen voor de concurrentie op de EG-markt zullen leiden. Na het nemen van antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit zowel de Volksrepubliek China als Maleisië heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap geen dominante positie verworven, ook al werden destijds uit andere derde landen geen ringbandmechanismen ingevoerd.

(153) Zoals reeds in overweging 130 vermeld, is het anderzijds waarschijnlijk dat, indien geen antidumpingmaatregelen worden genomen, de productie van ringbandmechanismen in de Gemeenschap op korte termijn niet meer zal kunnen worden voortgezet. Het is zeker niet in het belang van de verwerkende bedrijven dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productie van ringbandmechanismen staakt. Het enige medewerkende verwerkende bedrijf heeft immers in de periode van 1998 tot en met het onderzoektijdvak 20 à 50 % van zijn ringbandmechanismen bij de bedrijfstak van de Gemeenschap aangekocht. Indien de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn productie van ringbandmechanismen definitief zou staken, zouden de verwerkende bedrijven zeer afhankelijk worden van invoer.

(154) Indien maatregelen worden genomen, blijven er nog steeds talrijke andere leveranciers. Ringbandmechanismen worden of kunnen worden aangekocht bij de bedrijfstak van de Gemeenschap, bij andere EG-producenten, in India en in Hongkong. Bovendien zal met de invoer uit Maleisië waarschijnlijk opnieuw worden begonnen daar de antidumpingmaatregelen ten aanzien van ringbandmechanismen uit dat land onlangs vervielen. Bovendien is gebleken dat antidumpingmaatregelen op ringbandmechanismen uit de Volksrepubliek China en Maleisië niet tot een tekort aan dit product hebben geleid. Ten slotte bleken de gevolgen van de maatregelen voor de verwerkende bedrijven te verwaarlozen, waardoor het betrokken product zeer waarschijnlijk nog uit Indonesië zal worden ingevoerd.

5. Conclusie inzake het belang van de Gemeenschap

(155) Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er zijn geen dwingende reden geen antidumpingrechten in te stellen.

G. DEFINITIEVE MAATREGELEN

1. Schademarge

(156) Gezien de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Gemeenschap dienen definitieve antidumpingmaatregelen te worden genomen om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Gemeenschap door invoer met dumping schade blijft lijden.

(157) De Commissie heeft overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening onderzocht hoe hoog het recht moest zijn om de schade weg te nemen die de bedrijfstak van de Gemeenschap door invoer met dumping lijdt. Geoordeeld werd dat een prijs moest worden berekend die gebaseerd was op de productiekosten van de EG-producenten waaraan een redelijk bedrag voor winst was toegevoegd.

(158) Een winstmarge van 5 % op de omzet werd als een redelijk minimum beschouwd, rekening houdend met de noodzaak van investeringen op lange termijn en, in het bijzonder, de winst die de bedrijfstak van de Gemeenschap redelijkerwijze had kunnen maken indien geen invoer met dumping had plaatsgevonden.

(159) Gezien het gebrek aan medewerking werd geoordeeld dat de schademarge gelijk moest zijn aan het verschil tussen deze berekende prijs en de cif-prijzen, na toepassing van correcties, als in overweging 60 vermeld.

(160) De aldus vastgestelde schademarge bedroeg 42,3 % voor Indonesië.

2. Definitieve antidumpingmaatregelen

(161) Gezien het bovenstaande en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening zouden de definitieve antidumpingrechten voor Indonesië normalerwijze gelijk moeten zijn aan de schademarge.

(162) In verband met de parallelle antisubsidieprocedure wordt er evenwel op gewezen dat in artikel 24, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2026/97 van de Raad(7) (hierna de "basis-antisubsidieverordening" genoemd) en artikel 14, lid 1, van de basisverordening is bepaald dat "op geen enkel product zowel antidumpingrechten als compenserende rechten worden geheven ter verhelping van een zelfde situatie die door dumping of de toekenning van uitvoersubsidies is ontstaan". In het kader van dit onderzoek werd vastgesteld dat antidumpingrechten dienen te worden ingesteld op het betrokken product uit Indonesië en dat het derhalve noodzakelijk is te bepalen of en in welke mate de subsidiemarge en de dumpingmarge het gevolg zijn van een zelfde situatie.

(163) In het kader van de parallelle antisubsidieprocedure werd, overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basis-antisubsidieverordening, een compenserend recht van 10 % ingesteld dat met de subsidiemarge overeenstemde. Sommige onderzochte Indonesische regelingen waren exportsubsidies in de zin van artikel 3, lid 4, onder a), van de basis-antisubsidieverordening. Deze subsidies waren als zodanig onvermijdelijk van invloed op de exportprijs van de Indonesische producenten/exporteurs en hadden een hogere dumpingmarge ten gevolge. Dit betekent dat de voor de Indonesische producenten vastgestelde dumpingmarges ten dele aan de exportsubsidies moeten worden toegeschreven. De schademarge was echter aanzienlijk lager dan de dumpingmarge, zelfs na de correctie om rekening te houden met de exportsubsidies. In deze omstandigheden wordt het niet passend geacht zowel een compenserend recht als een antidumpingrecht in te stellen dat geheel met de vastgestelde subsidie- en dumpingmarge overeenstemt. De hoogte van de twee rechten tezamen mag niet hoger zijn dan de schademarge. Daar een deel van de schademarge van 42,3 % gedekt wordt door het compenserende recht van 10 %, bedraagt de resterende schademarge 32,3 %.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(164) Aangevoerd werd dat dit in strijd was met artikel 14, lid 1, van de basisverordening daar van geen product zowel antidumpingrechten als compenserende rechten mogen worden geheven om een zelfde situatie te verhelpen die ten gevolge van dumping of de toekenning van exportsubsidies is ontstaan. Als in de overwegingen 162 en 163 vermeld, zijn de rechten gecorrigeerd overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de basisverordening. Dit argument moest dus worden afgewezen.

(165) Om binnen de termijn te blijven die is vastgesteld bij artikel 6, lid 9, van de basisverordening, dient deze verordening in werking te treden op de dag van haar publicatie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bepaalde ringbandmechanismen, ingedeeld onder GN-code ex 8305 10 00 (Taric-codes: 8305 10 00*10 en 8305 10 00*20 ), van oorsprong uit Indonesië. In het kader van deze verordening bestaan ringbandmechanismen uit twee rechthoekige stalen platen of draden waarin ten minste vier halve ringen van staaldraad zijn bevestigd die met een stalen dekplaatje worden samengehouden. Het mechanisme kan worden geopend hetzij door aan de halve ringen te trekken hetzij door een klein stalen trekkermechanisme te bedienen dat aan het ringbandmechanisme is bevestigd.

2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Gemeenschap, vóór inklaring, bedraagt voor producten uit:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

4. De procedure ten aanzien van ringbandmechanismen uit India wordt beëindigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 4 juni 2002.

Voor de Raad

De voorzitter

R. De Rato Y Figaredo

(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1 Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000 (PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2).

(2) PB L 22 van 24.1.1997, blz. 1.

(3) PB L 250 van 5.10.2000, blz. 1.

(4) PB C 21 van 24.1.2002, blz. 25.

(5) PB C 147 van 18.5.2001, blz. 2.

(6) PB C 147 van 18.5.2001, blz. 4.

(7) PB L 288 van 21.10.1997, blz. 1.