32002R0270

Verordening (EG) nr. 270/2002 van de Commissie van 14 februari 2002 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft gespecificeerd risicomateriaal en epizoötiebewaking ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1326/2001 wat betreft diervoeding en het in de handel brengen van schapen en geiten en producten daarvan

Publicatieblad Nr. L 045 van 15/02/2002 blz. 0004 - 0015


Verordening (EG) nr. 270/2002 van de Commissie

van 14 februari 2002

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft gespecificeerd risicomateriaal en epizoötiebewaking ten aanzien van overdraagbare spongiforme encefalopathieën en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1326/2001 wat betreft diervoeding en het in de handel brengen van schapen en geiten en producten daarvan

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1326/2001 van de Commissie(2), en met name op artikel 23,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In bijlage III bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn uitvoerige voorschriften vastgelegd voor het toezicht op overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij schapen en geiten.

(2) Deze voorschriften moeten opnieuw worden herzien in verband met het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep van 18-19 oktober 2001, waarin werd geadviseerd om met spoed met behulp van de beschikbare snelle tests en een statistisch deugdelijke steekproefopzet en -grootte een onderzoek in te stellen naar de incidentie van TSE's.

(3) In zijn advies van 29-30 november 2001 betreffende de eisen voor statistisch betrouwbare BSE/TSE-onderzoeken heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep aangegeven dat de TSE-prevalentie onder volwassen schapen al naar de lidstaat uiteen kan lopen van 20 tot 500 TSE-positieven per 1 miljoen schapen. In lidstaten met een grote schapenpopulatie is een steekproefgrootte waarmee een prevalentie van één positief geval op 20000 gezonde slachtdieren met een betrouwbaarheid van 95 % kan worden opgespoord het maximum dat op dit moment redelijkerwijs haalbaar is. De steekproefgrootte voor landen met een kleinere schapenpopulatie moet worden aangepast aan het aantal dieren dat daadwerkelijk moet worden getest.

(4) De leeftijdscriteria voor het omschrijven van de te bemonsteren populaties moeten om praktische redenen worden verruimd door een verwijzing naar het gebit. Lidstaten die andere methoden hanteren om de leeftijd van het dier te bepalen, moet toegestaan worden een leeftijd van 18 maanden als criterium te blijven gebruiken.

(5) In het advies van de Wetenschappelijke Stuurgroep van 29-30 november 2001 wordt ook aangeraden om bij een aselecte deelsteekproef van de gecontroleerde schapen het prioneiwitgenotype te bepalen. De steekproefgrootte voor landen met een kleinere schapenpopulatie moet worden aangepast aan het aantal dieren dat daadwerkelijk moet worden bemonsterd.

(6) Finland en Oostenrijk hebben hun eerste geval van boviene spongiforme encefalopathie (BSE) op 7, respectievelijk 13 december 2001 bevestigd. Daarom mag het deze lidstaten niet langer worden toegestaan af te wijken van de voorschriften betreffende het toezicht op gezonde geslachte dieren, de verwijdering van de wervelkolom en de uitvoering van de afdoende statistische studie.

(7) Nadere voorschriften voor de verwijdering en vernietiging van gespecificeerd risicomateriaal tijdens de overgangsperiode zijn vastgesteld in deel A van bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 999/2001.

(8) Om elke onnodige verstoring van de interne markt te vermijden en gelet op de in Beschikking 2001/233/EG van de Commissie(3) genoemde adviezen van de Wetenschappelijke Stuurgroep, moeten runderkarkassen met wervelkolom of delen van die karkassen ook voor handel tussen de lidstaten en bij invoer uit derde landen worden aanvaard. Er moeten specifieke controlemaatregelen worden vastgesteld betreffende de verwijdering van de wervelkolom, zodat de lidstaten hierop kunnen toezien.

(9) De lidstaten moeten ook kunnen toestaan dat de wervelkolom wordt verwijderd in speciaal daarvoor erkende, gecontroleerde en geregistreerde slagerijen.

(10) In zijn advies van 29 juni 2001 inzake vetweefsel behorend bij het spijsverteringskanaal van runderen, schapen en geiten heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep erop gewezen dat er bij runderen infectiviteit aanwezig kan zijn in de mesenteriale zenuwen en de mesenteriale lymfklieren die bij de arteria mesenterica gelegen zijn. Aangezien toezicht op de verwijdering van alleen dit specifieke gebied waarschijnlijk niet uitvoerbaar zal zijn, moet het hele mesenterium van runderen als gespecificeerd risicomateriaal worden aangemerkt.

(11) De na de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal te volgen voorschriften, met name betreffende de kleuring van dat materiaal, moeten nader gepreciseerd worden.

(12) De verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal uit producten die voor de menselijke voeding of de diervoeding bestemd zijn, is de belangrijkste maatregel ter bescherming van de volksgezondheid. Zolang nog geen besluiten over de indeling van derde landen genomen zijn, moeten de minimale beschermende maatregelen van Verordening (EG) nr. 999/2001 voor de invoer uit alle derde landen die niet als BSE-vrij worden beschouwd, uit voorzorg worden gehandhaafd. Een aantal derde landen waarvoor uit de risicobeoordeling van de Wetenschappelijke Stuurgroep blijkt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat er onder inheemse dieren BSE voorkomt, zijn vrijgesteld van de overgangsmaatregelen. Gepreciseerd moet worden onder welke voorwaarden invoer uit bedoelde landen toegestaan is, met name wat betreft de herkomst van de in te voeren producten.

(13) In zijn advies van 29 juni 2001 over het geografische BSE-risico van bepaalde derde landen heeft de Wetenschappelijke Stuurgroep geconcludeerd dat het naast de al eerder beoordeelde landen uiterst onwaarschijnlijk is dat BSE voorkomt onder inheemse runderen in Panama en El Salvador. Daarom moeten Panama en El Salvador worden toegevoegd aan de lijst van derde landen waarvoor een uitzondering is toegestaan voor alle invoer van producten van dierlijke oorsprong, levende runderen en embryo's en eicellen van runderen.

(14) Verordening (EG) nr. 999/2001 moet dus dienovereenkomstig gewijzigd worden.

(15) De ervaring heeft uitgewezen dat de maatregelen betreffende diervoeding van Verordening (EG) nr. 1326/2001 nader moeten worden gepreciseerd, terwijl het bij Beschikking 2000/766/EG van de Raad(4) ingestelde verbod tijdens de overgangsperiode gehandhaafd moet blijven. Ook moet worden gepreciseerd dat de voorschriften van die verordening betreffende het op de markt brengen van levende schapen en geiten en van sperma, embryo's en eicellen van die dieren gedurende de overgangsperiode van toepassing zijn.

(16) Verordening (EG) nr. 1326/2001 moet dus dienovereenkomstig gewijzigd worden.

(17) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Veterinair Comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1. Bijlage III wordt vervangen door de tekst van bijlage I bij deze verordening.

2. Bijlage XI wordt als volgt gewijzigd:

a) deel A wordt vervangen door de tekst van bijlage II bij deze verordening;

b) deel B, punt 2, wordt vervangen door: "2. Zweden kan besluiten van het bepaalde in punt 1, tweede streepje, af te wijken in afgelegen gebieden waar de veedichtheid gering is.";

c) deel D, punt 4, wordt vervangen door: "4. Het bepaalde in de punten 2 en 3 is niet van toepassing op de invoer van runderen die geboren en ononderbroken gehouden zijn in de onderstaande landen, noch op de invoer van embryo's en eicellen van dergelijke dieren:

Argentinië

Australië

Botswana

Brazilië

Chili

Costa Rica

El Salvador

Namibië

Nieuw-Zeeland

Nicaragua

Panama

Paraguay

Uruguay

Singapore

Swaziland.".

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 1326/2001 wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 1, punt 2, wordt gelezen: "2. is het bepaalde in artikel 7 pas op een lidstaat van toepassing wanneer het besluit ter bepaling van de BSE-status van die lidstaat in werking getreden is en de communautaire bepalingen inzake diervoeding die betrekking hebben op overdraagbare spongiforme encefalopathieën in die lidstaat daadwerkelijk worden toegepast. Totdat het bepaalde in artikel 7 op die lidstaat van toepassing is, is bijlage XI, deel C, daarop van toepassing.";

2. bijlage I, tweede streepje, wordt gelezen: "- artikel 15, lid 1, betreffende het in de handel brengen van levende runderen en sperma, embryo's en eicellen van runderen;".

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 april 2002.

De bepalingen van artikel 1, punt 2, onder c), en van bijlage XI, deel A, punt 10, van Verordening (EG) nr. 999/2001, zoals gewijzigd door bijlage II van deze verordening, zijn echter van toepassing met ingang van 1 maart 2002.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 februari 2002.

Voor de Commissie

David Byrne

Lid van de Commissie

(1) PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2) PB L 177 van 30.6.2001, blz. 60.

(3) PB L 84 van 23.3.2001, blz. 59.

(4) PB L 306 van 7.12.2000, blz. 32.

BIJLAGE I

"BIJLAGE III

SYSTEEM VAN TOEZICHT

HOOFDSTUK A

I. Toezicht op runderen

1. Algemeen

Het toezicht op runderen wordt uitgevoerd met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.1, onder b).

2. Toezicht op dieren die voor menselijke consumptie worden geslacht

2.1. Alle runderen die ouder zijn dan 24 maanden:

- waarbij een speciale noodslachting zoals omschreven in artikel 2, onder n), van Richtlijn 64/433/EEG van de Raad(1) is toegepast, of

- die overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, punt 28, onder c), van Richtlijn 64/433/EEG zijn geslacht,

worden op BSE getest.

2.2. Alle runderen die ouder zijn dan 30 maanden en op normale wijze voor menselijke consumptie worden geslacht, worden op BSE getest.

2.3. In afwijking van punt 2.2 kan Zweden besluiten van de dieren die op zijn grondgebied zijn geboren, gefokt en geslacht slechts een steekproef te onderzoeken. Deze steekproef omvat ten minste 10000 dieren per jaar.

3. Toezicht op dieren die niet voor menselijke consumptie worden geslacht

Runderen die ouder zijn dan 24 maanden en gestorven of gedood zijn, maar niet

- met het oog op vernietiging krachtens Verordening (EG) nr. 716/96 van de Commissie(2) zijn gedood,

- in verband met een epidemie, zoals mond- en klauwzeer, zijn gedood,

- voor menselijke consumptie zijn geslacht,

worden steekproefsgewijs op BSE getest. Het aantal monsters is ten minste gelijk aan de in de tabel aangegeven steekproefgrootte. De bemonstering moet permanent en representatief voor elk gebied zijn.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Toezicht op dieren die met het oog op vernietiging zijn opgekocht krachtens Verordening (EG) nr. 716/96

4.1. Alle dieren die een noodslachting ondergaan of bij de antemortemkeuring ziek blijken te zijn, worden op BSE getest.

4.2. Alle dieren die tussen 1 augustus 1996 en 1 augustus 1997 zijn geboren, worden op BSE getest.

4.3. Een steekproef van ten minste 50000 dieren per jaar die niet onder de punten 4.1 en 4.2 vallen, worden op BSE getest.

5. Toezicht op andere dieren

Naast de in de punten 2 tot en met 4 bedoelde tests kunnen de lidstaten op vrijwillige basis besluiten andere runderen op hun grondgebied te testen, in het bijzonder als die dieren van oorsprong zijn uit landen met inheemse BSE, zijn gevoederd met mogelijk besmet diervoeder of geboren zijn uit of afstammen van met BSE besmette moederdieren.

6. Maatregelen op grond van het testen

6.1. Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht dier op BSE wordt getest, wordt het in bijlage I, hoofdstuk XI, van Richtlijn 64/433/EEG bedoelde keurmerk pas op het karkas van dat dier aangebracht wanneer de snelle test een negatief resultaat heeft opgeleverd.

6.2. De lidstaten mogen van het bepaalde in punt 6.1 afwijken indien er in het slachthuis een officieel systeem bestaat dat garandeert dat geen delen van onderzochte dieren die van een keurmerk zijn voorzien, het slachthuis verlaten voordat met de snelle test een negatief resultaat verkregen is.

6.3. Alle delen van het kadaver van een op BSE getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, tenzij zij overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, worden vernietigd.

6.4. Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, vernietigd, behalve het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, deel III, bedoelde registers.

6.5. Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht dier bij de snelle test positief blijkt, worden afgezien van het positieve karkas ten minste het karkas dat op dezelfde slachtlijn onmiddellijk aan het positieve karkas voorafging en de twee karkassen die onmiddellijk na het positieve dier kwamen, overeenkomstig punt 6.4 vernietigd.

6.6. De lidstaten mogen van het bepaalde in punt 6.5 afwijken als er in het slachthuis een systeem bestaat waardoor besmetting tussen karkassen wordt voorkomen.

II. Toezicht op schapen en geiten

1. Algemeen

Het toezicht op schapen en geiten wordt uitgevoerd met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder b).

2. Toezicht op dieren die voor menselijke consumptie worden geslacht

Dieren ouder dan 18 maanden of waarbij meer dan twee van de blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken, die voor menselijke consumptie worden geslacht, worden getest overeenkomstig de in de tabel aangegeven steekproefgrootte. De bemonstering moet representatief voor elk gebied en elk seizoen zijn. De steekproef moet zodanig worden opgezet dat oververtegenwoordiging van een bepaalde groep ten aanzien van de oorsprong, de soort, de leeftijd, het ras, het productietype of enig ander kenmerk wordt vermeden. De leeftijd van de dieren wordt geschat aan de hand van het gebit, duidelijke tekenen van volgroeidheid of andere betrouwbare informatie. Meervoudige bemonstering van hetzelfde koppel dient zo mogelijk te worden vermeden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Toezicht op dieren die niet voor menselijke consumptie worden geslacht

Dieren die ouder zijn dan 18 maanden of waarbij meer dan twee van de blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken, en die gestorven of gedood zijn, maar niet

- in verband met een epidemie, zoals mond- en klauwzeer, zijn gedood,

- voor menselijke consumptie zijn geslacht,

worden getest overeenkomstig de in de tabel aangegeven steekproefgrootte. De bemonstering moet representatief voor elk gebied en elk seizoen zijn. De steekproef moet zodanig worden opgezet dat oververtegenwoordiging van een bepaalde groep ten aanzien van de oorsprong, de soort, de leeftijd, het ras, het productietype of enig ander kenmerk wordt vermeden. De leeftijd van de dieren wordt geschat aan de hand van het gebit, duidelijke tekenen van volgroeidheid of andere betrouwbare informatie. Meervoudige bemonstering van hetzelfde koppel dient zo mogelijk te worden vermeden.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

4. Toezicht op andere dieren

De lidstaten kunnen naast de in de punten 2 en 3 bedoelde toezichtprogramma's op vrijwillige basis toezicht houden op andere dieren, in het bijzonder:

- dieren die voor de zuivelproductie worden gebruikt,

- dieren van oorsprong uit landen met inheemse TSE's,

- dieren die zijn gevoederd met mogelijk besmet diervoeder,

- dieren die zijn geboren uit of afstammen van met TSE besmette moederdieren,

- dieren uit met TSE besmette koppels.

5. Maatregelen op grond van het testen van schapen en geiten

Alle delen van het kadaver van een getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, tenzij zij overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, worden vernietigd.

Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4, vernietigd, behalve het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, deel III, bedoelde registers.

6. Genotypering

6.1. Voor elk positief TSE-geval bij schapen wordt het prioneiwitgenotype bepaald. TSE-gevallen bij resistente genotypes (schapen met genotypes die op beide allelen van codon 136 voor alanine coderen, op beide allelen van codon 154 voor arginine en op beide allelen van codon 171 voor arginine) worden onmiddellijk aan de Commissie gemeld. Indien mogelijk wordt bij die gevallen een stamtypering uitgevoerd. Ingeval stamtypering van dergelijke gevallen niet mogelijk is, wordt op het beslag van oorsprong en alle andere beslagen waarin het dier zich heeft bevonden intensief toezicht gehouden teneinde andere TSE-gevallen voor stamtypering te vinden.

6.2. Naast de uit hoofde van punt 6.1 gegenotypeerde dieren wordt het genotype bepaald bij een aselecte deelsteekproef van de schapen die krachtens hoofdstuk A, deel II, punt 2, zijn getest. Deze deelsteekproef maakt ten minste 1 % van de totale steekproef voor elke lidstaat uit en omvat minimaal 100 dieren per lidstaat. In plaats hiervan mogen de lidstaten ook een overeenkomstig aantal levende dieren van vergelijkbare leeftijd genotyperen.

HOOFDSTUK B

I. Gegevens die in het verslag van de lidstaten moeten staan

1. Het aantal verdachte gevallen per diersoort dat overeenkomstig artikel 12, lid 1, aan een verplaatsingsbeperking onderworpen is.

2. Het aantal verdachte gevallen per diersoort dat overeenkomstig artikel 12, lid 2, aan een laboratoriumonderzoek onderworpen is, alsmede het resultaat van het onderzoek.

3. Het aantal koppels waarin verdachte gevallen bij schapen en geiten zijn gemeld en onderzocht overeenkomstig artikel 12, leden 1 en 2.

4. De geschatte omvang van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel I, punten 3 en 4.

5. Het aantal onderzochte runderen van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel I, punten 2 tot en met 5, de methode van de selectie van de bemonstering en het resultaat van de onderzoeken.

6. De geschatte omvang van de subpopulaties, bedoeld in hoofdstuk A, deel II, punten 2 en 3, die voor bemonstering geselecteerd zijn.

7. Het aantal onderzochte schapen en geiten en koppels van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel II, punten 2 tot en met 4, de methode van de selectie van de bemonstering en het resultaat van de onderzoeken.

8. Aantal, leeftijdsverdeling en geografische spreiding van de positieve gevallen van BSE en scrapie. Het land van oorsprong, indien verschillend van het rapporterende land, van positieve gevallen van BSE en scrapie. Aantal en geografische spreiding van koppels waarbij scrapie is geconstateerd. Voor elk BSE-geval moet het geboortejaar en zo mogelijk de geboortemaand worden vermeld.

9. De positieve TSE-gevallen bij andere dieren dan runderen, schapen en geiten.

10. Genotype en zo mogelijk ras van elk dier dat in elke deelsteekproef als bedoeld in hoofdstuk A, deel II, punten 6.1 en 6.2, is bemonsterd.

II. Gegevens die in de samenvatting van de Commissie moeten staan

De samenvatting moet tabellen bevatten met ten minste de in deel I bedoelde gegevens van elke lidstaat.

III. Registers

1. De bevoegde autoriteit houdt registers bij van:

- het aantal en de soorten dieren die overeenkomstig artikel 12, lid 1, aan een verplaatsingsbeperking onderworpen zijn;

- het aantal klinische en epizoötiologische onderzoeken zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, en het resultaat daarvan;

- het aantal laboratoriumonderzoeken zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, en het resultaat daarvan;

- aantal, identiteit en oorsprong van de dieren die bemonsterd zijn in het kader van de in hoofdstuk A bedoelde toezichtprogramma's, alsmede zo mogelijk leeftijd, ras en anamnestische informatie;

- het prioneiwitgenotype van positieve TSE-gevallen bij schapen.

De registers moeten zeven jaar bewaard worden.

2. Het laboratorium waar het onderzoek heeft plaatsgevonden moet alle testgegevens bewaren, met name de werkboeken, paraffineblokken en, indien van toepassing, foto's van Western blots. De registers moeten zeven jaar bewaard worden.

(1) PB 121 van 29.7.1964, blz. 2012/64.

(2) PB L 99 van 20.4.1996, blz. 14."

BIJLAGE II

"BIJLAGE XI

IN DE ARTIKELEN 22 EN 23 BEDOELDE OVERGANGSMAATREGELEN

A. Betreffende gespecificeerd risicomateriaal, separatorvlees en slachtmethoden

1. Onderstaand gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd en vernietigd overeenkomstig de punten 5 tot en met 8 en indien van toepassing 11.

a) De onderstaande weefsels worden aangewezen als gespecificeerd risicomateriaal:

i) de schedel, inclusief de hersenen en de ogen, de amandelen, de wervelkolom, exclusief de staartwervels en de dwarsuitsteeksels van de lendenwervels, maar inclusief de achterwortelganglia en het ruggenmerg, van runderen van meer dan twaalf maanden, alsmede de ingewanden vanaf de twaalfvingerige darm tot en met het rectum, en het mesenterium van runderen ongeacht de leeftijd;

ii) de schedel, inclusief de hersenen en de ogen, de amandelen en het ruggenmerg van schapen en geiten van meer dan twaalf maanden of waarbij een van de blijvende snijtanden door het tandvlees is gebroken, en de milt van schapen en geiten ongeacht de leeftijd.

De hierboven voor de verwijdering van de wervelkolom van runderen vastgestelde leeftijd kan door wijziging van deze verordening worden aangepast in het licht van de statistische kans dat zich in de betrokken leeftijdsgroepen van de communautaire runderpopulatie een geval van BSE voordoet, op basis van de resultaten van het toezicht op BSE overeenkomstig hoofdstuk A, deel I, van bijlage III en hoofdstuk B, punt 1, van deze bijlage.

b) Behalve het onder a) vermelde gespecificeerde risicomateriaal moeten in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, alsmede in Portugal, met uitzondering van de Autonome Regio van de Azoren, de onderstaande weefsels als gespecificeerd risicomateriaal worden aangewezen:

de gehele kop, exclusief de tong, maar inclusief de hersenen, de ogen, de ganglia semilunaria en de amandelen; de zwezerik, de milt en het ruggenmerg van runderen van meer dan zes maanden.

2. In afwijking van de bepalingen van punt 1, onder a) i), kan overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 2, het gebruik worden toegestaan van de wervelkolom en achterwortelganglia van runderen:

a) die geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in lidstaten waarvoor blijkens wetenschappelijk onderzoek vaststaat dat het uitbreken van BSE er bij inheemse runderen hoogst onwaarschijnlijk, of onwaarschijnlijk hoewel niet uitgesloten is; of

b) die geboren zijn na het daadwerkelijk van kracht worden van het verbod op het vervoederen van van zoogdieren afkomstige eiwitten aan herkauwers, afkomstig uit lidstaten waar BSE bij inheemse dieren is vastgesteld of waarvoor blijkens wetenschappelijk onderzoek vaststaat dat het uitbreken van BSE er bij inheemse runderen waarschijnlijk is.

Het Verenigd Koninkrijk, Portugal en Zweden kunnen van deze uitzondering gebruikmaken op grond van eerder ingediende en geëvalueerde bewijsstukken. Andere lidstaten kunnen een aanvraag tot deze uitzondering indienen door de Commissie terzake overtuigende bewijsstukken betreffende punt a) of b), als toepasselijk, voor te leggen.

De lidstaten die van deze uitzondering gebruikmaken, moeten naast de in bijlage III, hoofdstuk A, deel I, vastgestelde vereisten tevens garanderen dat alle runderen van meer dan 30 maanden onderzocht worden met een van de goedgekeurde snelle tests zoals opgesomd in bijlage X, hoofdstuk C, punt 4, voorzover deze runderen:

a) op het landbouwbedrijf of tijdens het transport zijn gestorven, doch niet voor menselijke consumptie zijn geslacht, met uitzondering van dode dieren in afgelegen gebieden waar de veedichtheid gering is, en in lidstaten waar het uitbreken van BSE onwaarschijnlijk is;

b) normaal geslacht zijn met het oog op menselijke consumptie.

Deze uitzondering mag niet worden verleend om het gebruik toe te staan van de wervelkolom en achterwortelganglia van runderen boven 30 maanden uit het Verenigd Koninkrijk en Portugal, met uitzondering van de Autonome Regio van de Azoren.

Deskundigen van de Commissie kunnen overeenkomstig artikel 21 controles ter plaatse uitvoeren om de ingediende bewijsstukken verder te verifiëren.

3. De beenderen van runderen, schapen en geiten mogen niet gebruikt worden voor de productie van separatorvlees.

4. Het na bedwelming beschadigen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, mag niet worden toegepast bij runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is.

5. Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd in:

a) slachthuizen;

b) uitsnijderijen, in geval van wervelkolommen van runderen;

c) verwerkingsbedrijven voor hoogrisicomateriaal of inrichtingen zoals bedoeld in de artikelen 3 en 7 van Richtlijn 90/667/EEG, onder toezicht van een door de bevoegde autoriteit aangewezen ambtenaar. Die inrichtingen moeten daartoe door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

Wanneer van dode dieren het gespecificeerde risicomateriaal niet verwijderd is, moeten de delen van het kadaver die gespecificeerd risicomateriaal bevatten dan wel het hele kadaver als gespecificeerd risicomateriaal behandeld worden. Hele kadavers hoeven echter niet overeenkomstig punt 7 te worden gekleurd.

6. In afwijking van punt 5 kunnen de lidstaten het volgende toestaan:

a) het verzamelen van het wangvlees en de tong van runder-, schapen- en geitenkoppen in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen;

b) het verwijderen van het ruggenmerg van schapen en geiten in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen;

c) het verwijderen van de wervelkolom van karkassen of delen van karkassen in speciaal daarvoor erkende, gecontroleerde en geregistreerde slagerijen.

7. Al het gespecificeerde risicomateriaal wordt bij verwijdering onmiddellijk met een kleurstof of, in voorkomend geval, met een merkstof, gemerkt en wordt volledig vernietigd:

a) door verbranding zonder voorbehandeling; of

b) na voorbehandeling:

i) overeenkomstig de regelingen van de hoofdstukken I tot en met IV, VI en VII van de bijlage bij Beschikking 92/562/EEG:

- door verbranding,

- door medeverbranding;

ii) ten minste overeenkomstig de normen van bijlage I bij Beschikking 1999/534/EG door het materiaal op een erkende stortplaats te begraven.

Het voorbehandelde materiaal wordt opnieuw gekleurd of, in voorkomend geval, met een merkstof gemerkt als de kleurstof niet meer zichtbaar is, respectievelijk de merkstof niet meer waarneembaar.

8. De lidstaten mogen toestaan dat van het bepaalde in de punten 5 en 7 wordt afgeweken met het oog op verbranding of begraving van gespecificeerd risicomateriaal of van hele karkassen, zonder voorafgaande kleuring, of, in voorkomend geval, zonder verwijdering van het gespecificeerd risicomateriaal onder de in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 90/667/EEG omschreven omstandigheden, en met een methode:

- die elk gevaar voor overdracht van een TSE uitsluit, en

- door de bevoegde autoriteit toegestaan is en gecontroleerd wordt.

9. De lidstaten kunnen in voorkomend geval gespecificeerd risicomateriaal of het daarvan afgeleide materiaal uitsluitend met het oog op verbranding naar een andere lidstaat vervoeren volgens de voorwaarden van artikel 4, lid 2, van Beschikking 97/735/EG of, indien van toepassing, overeenkomstig punt 11, onder b).

Dit punt kan op verzoek van een lidstaat gewijzigd worden om het vervoer van gespecificeerd risicomateriaal of daarvan afgeleid materiaal voor verbranding naar een derde land toe te staan, nadat de voorwaarden voor die uitvoer zijn vastgesteld.

10. a) Op de onderstaande producten van dierlijke oorsprong zijn bij invoer in de Gemeenschap de onder b) vermelde voorwaarden van toepassing:

- het in punt 1, onder a), bedoelde gespecificeerd risicomateriaal;

- "vers vlees": vlees zoals omschreven in Richtlijn 64/433/EEG;

- "gehakt vlees en vleesbereidingen": gehakt vlees en vleesbereidingen zoals omschreven in Richtlijn 94/65/EG(1);

- "vleesproducten": vleesproducten zoals omschreven in Richtlijn 77/99/EEG(2);

- "andere producten van dierlijke oorsprong": andere producten van dierlijke oorsprong zoals omschreven in Richtlijn 77/99/EEG;

- "gesmolten vet" zoals bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- "gelatine" zoals bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- "voeder voor gezelschapsdieren" zoals bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- "verwerkte dierlijke eiwitten" zoals bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- "beenderen en producten uit beenderen" zoals bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG;

- "grondstoffen voor de vervaardiging van voeder voor dieren" zoals bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG.

De verwijzingen in dit artikel naar "producten van dierlijke oorsprong" gelden alleen de in dit punt opgesomde producten van dierlijke oorsprong, en hebben geen betrekking op andere producten van dierlijke oorsprong die dergelijke producten van dierlijke oorsprong bevatten of daarvan afkomstig zijn.

b) Wanneer bovenstaande producten van dierlijke oorsprong die van runderen, schapen of geiten afkomstig materiaal bevatten uit derde landen of gebieden daarvan in de Gemeenschap worden ingevoerd, dient het voorgeschreven gezondheidscertificaat vergezeld te gaan van de onderstaande, door de bevoegde autoriteit van het land van productie ondertekende verklaring: "Dit product bevat geen materiaal zoals hieronder omschreven en is daar niet van afkomstig:

hetzij(3)

na 31 maart 2001 geproduceerd gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage XI, deel A, van Verordening (EG) nr. 999/2001, of na 31 maart 2001 geproduceerd separatorvlees van beenderen van runderen, schapen of geiten. Dit product is niet afgeleid van runderen, schapen of geiten die na 31 maart 2001 zijn geslacht met gebruikmaking van de methode waarbij de dieren worden bedwelmd of onmiddellijk gedood door middel van een gasinjectie in de schedelholte, of waarbij, na bedwelming van het dier, het weefsel van het centrale zenuwstelsel met een lang en staafvormig, in de schedelholte ingebracht instrument wordt beschadigd.

Karkassen, halve karkassen en voor- en achtervoeten kunnen bij de invoer (delen van) de wervelkolom bevatten;

hetzij(4)

materiaal afkomstig van runderen, schapen en geiten, die niet geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in de volgende landen:

Argentinië

Australië

Botswana

Brazilië

Chili

Costa Rica

El Salvador

Namibië

Nieuw-Zeeland

Nicaragua

Panama

Paraguay

Uruguay

Singapore

Swaziland.".

11. De lidstaten verrichten frequent officiële controles om na te gaan of dit deel correct wordt uitgevoerd en zien erop toe dat er maatregelen worden getroffen om verontreiniging te vermijden, met name in de slachthuizen, uitsnijderijen, inrichtingen voor de verwerking van dierlijk afval, verwerkingsbedrijven van hoogrisicomateriaal en overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 90/667/EEG door de lidstaten erkende inrichtingen, overeenkomstig punt 6 geregistreerde slagerijen, stortplaatsen en andere opslag- of verbrandingsinstallaties.

De lidstaten voeren met name een regeling in om te waarborgen en te controleren dat:

a) gespecificeerd risicomateriaal dat wordt gebruikt voor de productie van de in artikel 1, lid 2, genoemde producten uitsluitend voor het toegestane doel gebruikt wordt;

b) gespecificeerd risicomateriaal, vooral als het in een andere inrichting of ruimte dan een slachthuis uitgenomen wordt, volledig gescheiden blijft van ander afval dat niet verbrand wordt, gescheiden verzameld wordt en overeenkomstig de punten 1 en 5 tot en met 9 wordt vernietigd. De lidstaten kunnen toestaan dat er koppen of karkassen met gespecificeerd risicomateriaal naar een andere lidstaat worden vervoerd als deze daarmee en met de specifieke voorwaarden waaronder dit vervoer moet plaatsvinden, heeft ingestemd.

Karkassen, halve karkassen en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, kunnen evenwel in een lidstaat worden ingevoerd of zonder voorafgaande toestemming van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verzonden.

12. Er wordt een controlesysteem ingevoerd voor de verwijdering van de wervelkolom, als omschreven in punt 1, onder a) i). Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

a) wanneer de wervelkolom niet hoeft te worden verwijderd, worden karkassen van runderen, zoals in Richtlijn 64/433/EEG omschreven onder "geslacht dier", of delen daarvan gekenmerkt door middel van een blauwe streep op het in Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket;

b) in het in artikel 3, lid 1, punt A, onder f) ii), van Richtlijn 64/433/EEG bedoelde handelsdocument of het in artikel 1, lid 2, van Beschikking 93/13/EEG van de Commissie(5) bedoelde document, al naar het geval, wordt specifiek het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waarvan de wervelkolom moet worden verwijderd en het aantal runderkarkassen of delen daarvan waarbij dit niet hoeft te gebeuren;

c) de slagerijen bewaren de in punt b) genoemde handelsdocumenten gedurende ten minste één jaar.

(1) Richtlijn 94/65/EG van de Raad van 14 december 1994 tot vaststelling van voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van gehakt vlees en vleesbereidingen (PB L 368 van 31.12.1994, blz. 10).

(2) Richtlijn 77/99/EEG van de Raad van 21 december 1976 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesproducten (PB L 26 van 31.1.1977, blz. 85). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/76/EG van de Raad (PB L 10 van 16.1.1998, blz. 25).

(3) Doorhalen wat niet van toepassing is.

(4) Doorhalen wat niet van toepassing is.

(5) PB L 9 van 15.1.1993, blz. 33."