32002D0059

2002/59/EG: Beschikking van de Commissie van 23 januari 2002 betreffende de kennisgeving, krachtens artikel 95, lid 5, van het EG-Verdrag, door het Koninkrijk der Nederlanden van een ontwerp van nationale bepalingen inzake de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van gecreosoteerd hout (Voor de EER relevante tekst) (kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 97)

Publicatieblad Nr. L 023 van 25/01/2002 blz. 0037 - 0047


Beschikking van de Commissie

van 23 januari 2002

betreffende de kennisgeving, krachtens artikel 95, lid 5, van het EG-Verdrag, door het Koninkrijk der Nederlanden van een ontwerp van nationale bepalingen inzake de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van gecreosoteerd hout

(kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 97)

(Slechts de tekst in de Nederlandse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2002/59/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

I. DE FEITEN

1. COMMUNAUTAIRE WETGEVING

(1) In Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten(1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/90/EG van de Commissie(2), wordt het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten verboden of aan beperkingen onderworpen. Richtlijn 76/769/EEG wordt geregeld gewijzigd om in de bijlage nieuwe stoffen op te nemen die gevaarlijk zijn voor de mens en het milieu.

(2) Richtlijn 76/769/EEG werd gewijzigd bij Richtlijn 94/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(3) ter harmonisering van onder meer het gebruik en het op de markt brengen van creosoot en soortgelijke koolteerdestillaten en van preparaten daarvan, door het gehalte van één specifiek bestanddeel, namelijk benzo[a]pyreen, hierna B[a]P genoemd, en met water extraheerbare fenolen bij het gebruik voor de behandeling van hout te beperken (punt 32 van de bijlage bij Richtlijn 94/60/EG). De grenswaarde voor B[a]P is vastgesteld op maximaal 0,005 massaprocent (= 50 ppm) en de grenswaarde voor met water extraheerbare fenolen is vastgesteld op maximaal 3 massaprocent (= 30 g/kg). Hout dat is behandeld met creosoot of preparaten die creosoot bevatten en niet aan deze grenswaarde voldoet, mag niet op de markt worden gebracht.

(3) In afwijking hiervan mogen creosoot en preparaten die creosoot bevatten krachtens Richtlijn 94/60/EG voor de behandeling van hout in industriële installaties worden gebruikt indien zij maximaal 0,05 massaprocent (= 500 ppm) B[a]P en maximaal 3 massaprocent (= 30 g/kg) met water extraheerbare fenolen bevatten. Deze producten mogen niet aan het grote publiek worden verkocht en op de verpakking dient de volgende vermelding te worden aangebracht: "Uitsluitend bestemd voor gebruik in industriële installaties". Op deze wijze behandeld en voor de eerste keer in de handel gebracht hout mag alleen voor industriële toepassingen en door professionele gebruikers worden gebruikt, bv. voor spoorwegen, bij de transmissie van elektriciteit en telecommunicatie, voor omheiningen, en in haveninstallaties en waterwegen, behalve in bepaalde gevallen waarin het gebruik wordt uitgesloten, zoals binnen gebouwen, wanneer het in aanraking zou komen met voor menselijke of dierlijke voeding bestemde producten, op speelplaatsen en op andere openbare plaatsen voor vrijetijdsbesteding buitenshuis of wanneer het gevaar bestaat dat het hout met de huid in aanraking komt. Reeds eerder behandeld hout dat voor de tweede keer in de handel wordt gebracht, mag ongeacht de aard van het gebruikte creosoot worden gebruikt, behalve in de bovengenoemde gevallen.

(4) Op 26 oktober 2001 werd Richtlijn 2001/90/EG tot zevende aanpassing aan de technische vooruitgang van bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten goedgekeurd.

(5) Overeenkomstig de gewijzigde bepalingen mag creosoot niet voor de behandeling van hout worden gebruikt en mag aldus behandeld hout niet op de markt worden gebracht. In afwijking hiervan mag creosoot worden gebruikt voor de behandeling van hout in industriële installaties of door professionele gebruikers, maar alleen voor herbehandeling in situ, indien zij B[a]P in een concentratie van minder dan 0,005 massaprocent en met water extraheerbare fenolen in een concentratie van minder dan 3 massaprocent bevatten. Deze stoffen en preparaten mogen niet aan consumenten worden verkocht en mogen uitsluitend in verpakkingen van 20 liter of meer in de handel worden gebracht. Op de verpakking dient de volgende vermelding te worden aangebracht: "Uitsluitend bestemd voor gebruik in industriële installaties of voor behandeling door professionele gebruikers".

(6) Op deze wijze behandeld of in situ herbehandeld hout mag uitsluitend door professionele gebruikers en in industriële toepassingen worden gebruikt, bv. voor spoorwegen, bij de transmissie van elektriciteit en telecommunicatie, voor omheiningen, voor agrarische doeleinden en in haveninstallaties en waterwegen. Het mag niet worden gebruikt binnen gebouwen, op speelplaatsen, in parken, tuinen en andere voorzieningen voor recreatie en vrijetijdsbesteding buitenshuis, wanneer het gevaar bestaat dat dit hout regelmatig met de huid in aanraking komt, en voor de vervaardiging van tuinmeubilair of wanneer dit hout in aanraking zou komen met voor menselijke of dierlijke voeding bestemde producten. Hout dat vóór de inwerkingtreding van de richtlijn met creosoot is behandeld, mag voor hergebruik op de tweedehandsmarkt worden gebracht, behalve in de bovengenoemde gevallen.

2. BESTAANDE NATIONALE BEPALINGEN DIE DOOR DE COMMISSIE KRACHTENS ARTIKEL 95, LID 4, VAN HET VERDRAG ZIJN GOEDGEKEURD

(7) De Commissie heeft Nederland reeds een afwijking toegestaan om met Richtlijn 94/60/EG onverenigbare nationale bepalingen te handhaven. Het verzoek hiertoe op grond van artikel 95, lid 4, (ex artikel 100 A, lid 4) werd ingewilligd bij Beschikking 1999/832/EG van de Commissie(4).

(8) Onderstaande tabel geeft een overzicht van de verschillen tussen Richtlijn 94/60/EG en de nationale bepalingen in Nederland die door de beschikking van de Commissie werden goedgekeurd:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(9) Kort samengevat zijn de bestaande Nederlandse bepalingen in verscheidene opzichten stringenter dan die van Richtlijn 94/60/EG:

- het gebruik van creosoot met een B[a]P-gehalte tussen 50 en 500 ppm in industriële installaties is niet toegestaan;

- de verduurzaming van hout moet met behulp van een specifieke techniek (de vacuüm- en drukmethode) in speciale installaties worden uitgevoerd;

- in bepaalde gevallen wordt het gebruik van creosoot voor de verduurzaming van hout uitgesloten, ook al is het B[a]P-gehalte lager dan 50 ppm.

3. GEPLANDE NATIONALE BEPALINGEN

(10) Nederland is voornemens nieuwe nationale bepalingen vast te stellen die verdergaan dan de maatregelen waarin Richtlijn 94/60/EG voorziet, door het Besluit PAK-houdende coatings Wet milieugevaarlijke stoffen (gecreosoteerd hout) te wijzigen.

(11) Artikel 8a in een nieuwe paragraaf 4a van de bovenvermelde ontwerp-wetgeving luidt als volgt: "Het is met ingang van bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip verboden om gecreosoteerd hout in Nederland in te voeren, toe te passen, aan een ander voor de Nederlandse markt ter beschikking te stellen of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden te hebben voor toepassingen in contact met (grond)water.".

(12) Het verbod geldt niet voor gecreosoteerd hout dat voor een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip is toegepast, zolang die toepassing ter plaatse wordt gehandhaafd. Twee andere uitzonderingen betreffen gecreosoteerd hout dat:

- onder een douaneregeling valt en bestemd is voor douanevervoer, plaatsing in douane-entrepot of voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 4, lid 16, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad;

- afkomstig is uit een lidstaat van de Europese Unie of uit een EER-staat en niet bestemd is voor het in Nederland in de handel brengen.

(13) Artikel 8b van het ontwerp-besluit bepaalt dat degene die gecreosoteerd hout dat niet onder het verbod valt, invoert, aan een ander ter beschikking stelt of voor handelsdoeleinden voorhanden heeft, een zodanige administratie van dat gecreosoteerd hout moet houden dat desgevraagd op basis daarvan kan worden aangetoond dat het gecreosoteerde hout niet bestemd is voor toepassingen waarop het verbod betrekking heeft. De administratie omvat ten minste:

- naam en adres van de producent of leverancier van wie het gecreosoteerde hout is betrokken;

- de datum waarop het gecreosoteerde hout door de producent of leverancier is geleverd;

- het toepassingsgebied van het gecreosoteerde hout;

- naam en adres van degene aan wie het gecreosoteerde hout ter beschikking is gesteld dan wel geleverd;

- de datum van levering van het gecreosoteerde hout;

- de hoeveelheid van het ontvangen of geleverde gecreosoteerde hout.

II. PROCEDURE

(14) Richtlijn 94/60/EG werd op 20 december 1994 vastgesteld. De lidstaten moesten de maatregelen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, uiterlijk een jaar na de vaststelling ervan, dat wil zeggen op 20 december 1995, hebben goedgekeurd en deze met ingang van 20 juni 1996 toepassen.

(15) Zoals hierboven wordt vermeld, heeft de Commissie Nederland bij Beschikking 1999/832/EG toegestaan om bestaande nationale bepalingen betreffende het gebruik van creosoot die stringenter zijn dan Richtlijn 94/60/EG, te handhaven.

(16) Bij schrijven van 23 januari 2001 stelde de Nederlandse permanente vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 95, lid 5, van het EG-Verdrag de Commissie ervan in kennis dat Nederland voornemens was bepalingen betreffende gecreosoteerd hout in te voeren die verder gaan dan de maatregelen van Richtlijn 94/60/EG. Deze nationale maatregelen worden door Nederland noodzakelijk geacht om het milieu te beschermen in verband met een specifiek probleem dat zich in Nederland na de vaststelling van Richtlijn 94/60/EG heeft aangediend.

(17) Bij schrijven van 22 februari 2001 heeft de Commissie de Nederlandse autoriteiten meegedeeld dat zij de kennisgeving overeenkomstig artikel 95, lid 5, had ontvangen en dat de in artikel 95, lid 6, bedoelde periode van zes maanden voor haar onderzoek was ingegaan op 26 januari 2001, dat wil zeggen de dag volgende op de datum van ontvangst van de kennisgeving.

(18) Bij schrijven van 17 april 2001 heeft de Commissie de andere lidstaten in kennis gesteld van het uit Nederland ontvangen verzoek. De Commissie heeft ook een bekendmaking van het verzoek in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen(5) gepubliceerd, teneinde andere belanghebbenden in kennis te stellen van het ontwerp van nationale maatregelen die Nederland beoogt in te voeren.

(19) Aangezien de rechtvaardiging van de Nederlandse kennisgeving op het eerste gezicht een complexe aangelegenheid leek en er geen gevaar voor de gezondheid van de mens leek te bestaan, heeft de Commissie het Wetenschappelijk Comité voor de toxiciteit, de ecotoxiciteit en het milieu (hierna WCTEM genoemd) verzocht een advies over deze problematiek uit te brengen. Op 12 juni 2001 heeft het WCTEM(6) bevestigd dat de rechtvaardiging van het Nederlandse verzoek een complex vraagstuk is en dat er geen direct gevaar voor de gezondheid van de mens bestaat.

(20) Op grond van het advies van het WCTEM heeft de Commissie op 13 juli 2001 ingevolge artikel 95, lid 6, derde alinea, van het Verdrag Beschikking 2001/599/EG(7) gegeven, waarbij de in artikel 95, lid 6, tweede alinea, genoemde termijn van zes maanden waarbinnen een besluit moet worden genomen, met nog eens zes maanden wordt verlengd teneinde een grondige evaluatie van alle ingediende gegevens mogelijk te maken. Op 13 juli 2001 werd Nederland van deze beschikking in kennis gesteld.

(21) Vervolgens verzocht de Commissie het WCTEM een advies uit te brengen over de inhoud van de door Nederland verstrekte rechtvaardiging. Het WCTEM werd meer bepaald verzocht advies uit te brengen over de vraag of Nederland nieuwe wetenschappelijke gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat het gebruik van gecreosoteerd hout in contact met oppervlaktewater en grondwater milieurisico's oplevert en zo ja, of deze risico's specifiek zijn voor Nederland. Het WCTEM heeft zijn advies op 30 oktober 2001 uitgebracht(8).

(22) Zoals hierboven wordt vermeld, zijn de bepalingen van Richtlijn 76/769/EEG betreffende creosoot en gecreosoteerd hout gewijzigd bij Richtlijn 2001/90/EG en deze gewijzigde bepalingen moeten tegen 30 juni 2003 door de lidstaten worden toegepast.

III. BEOORDELING

1. BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID

(23) De door de Nederlandse autoriteiten ingediende kennisgeving van 25 januari 2001 is bedoeld om toestemming te verkrijgen voor de invoering van nationale bepalingen die onverenigbaar zijn met Richtlijn 94/60/EG, een harmonisatiemaatregel die op grond van artikel 95 van het Verdrag is vastgesteld.

(24) Artikel 95, lid 5, van het Verdrag bepaalt dat, wanneer een lidstaat het na het nemen van een harmonisatiemaatregel door de Raad of de Commissie noodzakelijk acht, nationale bepalingen te treffen die gebaseerd zijn op nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu vanwege een specifiek probleem dat zich in die lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is genomen, hij de Commissie in kennis dient te stellen van de voorgenomen bepalingen en de redenen voor het vaststellen ervan.

(25) Bij vergelijking van de bepalingen van Richtlijn 94/60/EG en die welke Nederland voornemens is vast te stellen, blijkt dat de nationale bepalingen in de volgende opzichten stringenter zijn dan die van de richtlijn:

- het op de markt brengen en het gebruik van gecreosoteerd hout voor toepassingen waarbij het hout in contact staat met (grond)water, wordt verboden ongeacht de concentratie B[a]P of met water oplosbare fenolen in de op creosoot gebaseerde producten die voor de behandeling worden gebruikt;

- voor oud gecreosoteerd hout geldt hetzelfde verbod indien het van de bestaande plaats van toepassing wordt verwijderd.

(26) Het zij opgemerkt dat Richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu worden geloosd(9), van toepassing is op het door een persoon in het oppervlaktewater brengen van gecreosoteerd hout(10). Die richtlijn gaat echter over het verlenen van een voorafgaande vergunning voor iedere lozing in onder andere oppervlaktewateren in het binnenland, territoriale zeewateren en kustwateren, en heeft geen betrekking op het op de markt brengen van gecreosoteerd hout en voorziet evenmin in een algemeen verbod op het gebruik van gecreosoteerd hout in contact met oppervlaktewater. Daarom zou een nationale maatregel die tot doel heeft het op de markt brengen en het gebruik van gecreosoteerd hout voor toepassingen in contact met oppervlaktewater volledig te verbieden, verder gaan dan de maatregelen waarin Richtlijn 76/464/EG voorziet, en zou hij onverenigbaar zijn met Richtlijn 94/60/EG.

(27) Bovendien heeft Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen(11) betrekking op het door een persoon in direct contact met grondwater brengen van gecreosoteerd hout indien polycyclische aromatische koolwaterstoffen (hierna PAK's genoemd) die door uitloging uit behandeld hout vrijkomen, in zorgwekkende hoeveelheden of concentraties worden aangetroffen. In deze omstandigheden is het gebruik van gecreosoteerd hout in contact met grondwater op grond van deze richtlijn verboden. Deze richtlijn voorziet echter niet in een volledig verbod op het gebruik van gecreosoteerd hout in contact met grondwater en heeft evenmin betrekking op het op de markt brengen van gecreosoteerd hout. Daarom zou een nationale maatregel die tot doel heeft het op de markt brengen en het gebruik van gecreosoteerd hout voor toepassingen in contact met grondwater te verbieden, verder gaan dan de maatregelen waarin Richtlijn 80/68/EG voorziet, en zou hij onverenigbaar zijn met Richtlijn 94/60/EG.

(28) Zoals door artikel 95, lid 5, van het Verdrag wordt verlangd, heeft Nederland de Commissie kennis gegeven van de tekst van de bepalingen die verder gaan dan die waarin Richtlijn 94/60/EG voorziet en die het wil invoeren, en bij het verzoek een toelichting gevoegd van de redenen die volgens Nederland de invoering van die bepalingen rechtvaardigen.

(29) De door Nederland ingediende kennisgeving om goedkeuring te verkrijgen voor de invoering van nationale bepalingen die afwijken van de bepalingen van Richtlijn 94/60/EG, dient daarom ingevolge artikel 95, lid 5, van het Verdrag als ontvankelijk te worden beschouwd.

2. INHOUDELIJKE BEOORDELING

(30) Overeenkomstig artikel 95 van het Verdrag moet de Commissie nagaan of aan alle voorwaarden is voldaan die een lidstaat in staat stellen een beroep te doen op de in dit artikel opgenomen uitzonderingsmogelijkheden.

(31) De Commissie moet derhalve beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 95, lid 5, van het Verdrag is voldaan. Dit artikel bepaalt dat, wanneer een lidstaat het noodzakelijk acht nationale bepalingen te treffen die afwijken van een harmonisatiemaatregel, hij dit moet doen:

a) op grond van nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu;

b) vanwege een specifiek probleem dat zich in die lidstaat heeft aangediend nadat de harmonisatiemaatregel is genomen.

(32) Bovendien moet de Commissie, wanneer zij van mening is dat de invoering van dergelijke nationale maatregelen gerechtvaardigd is, ingevolge artikel 95, lid 6, van het Verdrag nagaan of zij al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie, een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten of een hinderpaal voor de werking van de interne markt vormen.

2.1. CREOSOOT - ALGEMENE INFORMATIE

(33) Creosoot is een complex mengsel van meer dan 200 chemische verbindingen, voornamelijk aromatische koolwaterstoffen en daarnaast fenol- en aromatische stikstof- en zwavelverbindingen. Het is een middelzwaar koolteerdestillaat (kooktraject ongeveer 200-400 °C).

(34) Creosoot kan meer dan 30 verschillende polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) bevatten en het totale PAK-gehalte kan oplopen tot 85 %. De belangrijkste zijn:

- acenafteen;

- naftaleen;

- fenantreen;

- antraceen;

- fluoreen;

- fluorantheen;

- chryseen;

- trifenyleen;

- benzo[a]antraceen;

- benzo[b]fluorantheen;

- benzo[k]fluorantheen;

- benzo[a]pyreen.

(35) Benzo[a]pyreen (B[a]P) is een van de grondigst bestudeerde PAK's en het B[a]P-gehalte wordt gebruikt als indicator of marker met het oog op de indeling en is op zich niet gekoppeld aan het totale PAK-gehalte van creosoot. Afhankelijk van de aard van het betrokken creosoot kan het B[a]P-gehalte variëren van 0,003 tot 0,3 massaprocent (30 tot 3000 ppm). Een verbeterde koolteerdestillatie en selectie van de fracties kunnen leiden tot een lager B[a]P- of fenolgehalte. Door het West-Europese instituut voor houtverduurzaming zijn verschillende industrienormen ontwikkeld, die voornamelijk worden gekenmerkt door verschillende gehaltes aan gespecificeerde destillatiefracties en, in deze context het belangrijkst, verschillende B[a]P-gehaltes. De grenswaarden voor de indelingsnormen zijn 500 ppm en 50 ppm.

(36) Wijziging van zowel de fysische als de chemische eigenschappen van creosoot is mogelijk wanneer dit voor het gebruik of met het oog op het milieu nodig is. Door bestanddelen met een lager kookpunt toe te voegen is het mogelijk een product met een lagere viscositeit te maken, dat beter geschikt is om met een kwast te worden aangebracht en soms carbolineum wordt genoemd. Richtlijn 94/60/EG maakt geen onderscheid: zij bestrijkt en behandelt een hele reeks verschillende koolteerdestillaten, alle gespecificeerd met hun naam en EINECS- en CAS-nummer, waarvoor dezelfde voorschriften gelden.

(37) Creosoot wordt vooral en vrijwel uitsluitend gebruikt als houtverduurzamingsmiddel. Grootschalige industriële en professionele toepassingen zijn veruit het belangrijkst: spoorbielzen, elektriciteitspalen, waterwerken (oeverbeschoeiing), omheiningen, palen voor landbouw en fruitteelt. Creosoot en soortgelijke producten worden ook door individuele consumenten gebruikt voor de verduurzaming van hout.

(38) De belangrijkste eigenschappen van creosoot zijn:

- hoge effectiviteit als fungicide;

- hoge effectiviteit als insecticide;

- langdurige persistentie;

- geringe uitloging en verwering.

(39) Een zeer kleine hoeveelheid creosoot wordt gebruikt in geneesmiddelen voor de behandeling van bepaalde huidziekten zoals psoriasis.

Ecotoxicologische effecten

(40) In een aantal landen is milieuverontreiniging door creosoot gerapporteerd, waarbij oude installaties voor de behandeling van hout vaak de bron van verontreiniging waren. De meeste informatie over het gedrag van creosoot in het milieu is dan ook verkregen uit de lozing van creosoot door de industrie en de verontreiniging die bij niet meer gebruikte creosootinstallaties is achtergebleven. De milieuverontreiniging is opgespoord door de analyse van een aantal PAK-verbindingen en met name B[a]P.

(41) Creosoot is giftig voor bepaalde bodemorganismen en zeer giftig voor waterorganismen (waarbij de LC50 over 96 uur vaak lager is dan 1 mg/l). Bij veel van de bestanddelen treedt bioaccumulatie op.

(42) De belangrijkste kenmerken van PAK's in het milieu zijn:

- PAK's binden sterk aan het organische materiaal in de bodem;

- de afbraaksnelheid van PAK's in de bodem en in andere milieucompartimenten is meestal laag. Creosootresiduen kunnen vele jaren in het milieu overleven ( > 20-30 jaar);

- de belangrijkste afbraakprocessen zijn fotodegradatie (d.w.z. onder invloed van zonlicht) en microbiële afbraak (d.w.z. door bepaalde bacteriën). Microbiële afbraak kan zowel in aërobe als in anaërobe omstandigheden plaatsvinden. PAK-verbindingen met vier of meer ringen zijn vaak slecht afbreekbaar;

- PAK's die in het water terechtkomen, worden snel in het sediment opgenomen;

- in water verdwijnen de meeste PAK's met een laag molecuulgewicht vooral door microbiële afbraak en de hoogmoleculaire verbindingen door foto-oxidatie en sedimentatie. Microbiële afbraak van de beter in water oplosbare PAK's kan zowel in aërobe als in anaërobe omstandigheden plaatsvinden. Bioaccumulatie van de bestanddelen van PAK's in waterorganismen is aangetoond.

(43) PAK's kunnen tijdens het impregnatieprocédé en de opslag op de impregnatielocatie en ook bij het gebruik van behandeld hout in lucht, water en bodem terechtkomen. De in de verschillende milieucompartimenten aangetroffen PAK's zijn echter uit verschillende bronnen afkomstig (zoals alle verbrandingsprocessen en het verkeer) en het is vaak moeilijk te bepalen welk gedeelte daarvan uit een bepaalde bron zoals met creosoot behandeld hout afkomstig is.

(44) Uit een studie(12) in Zweden is gebleken dat na 40 jaar in de bodem een deel van de bestanddelen van creosoot uit met creosoot geïmpregneerde palen is verdwenen, vooral degene met het laagste kookpunt (< 270 °C). Uit het gedeelte van de palen boven de grond is het meest verdwenen. De mobiliteit van de uitgeloogde verbindingen was echter zeer laag, aangezien zij alleen in de onmiddellijke omgeving van de palen in de bodem konden worden gedetecteerd. Dit strookt met de waarneming dat de mobiliteit van PAK's in de bodem door hun sterke adsorptie aan organisch materiaal uiterst laag is.

(45) De hoge PAK-gehaltes in het aquatisch milieu zijn vaak toegeschreven aan de aanwezigheid van met creosoot behandeld hout. De migratie van creosootbestanddelen uit behandeld hout is in zoet water hoger dan in zeewater en is in vele studies aangetoond. De migratie lijkt in zeewater beperkter te zijn; bij één studie is gebleken dat palen na tien jaar in zee nog 93 % van de oorspronkelijke creosootsamenstelling bevatten(13). De verontreining van sedimenten door creosoot uit de oeverbeschoeiing is in Nederland(14) en ook bij onderzoek naar de verontreiniging door oude impregneerinstallaties aangetoond.

(46) Ten aanzien van de blootstelling van de mens zijn er maar weinig meetgegevens over de milieuverontreiniging door PAK's uit creosoot beschikbaar.

2.2. HET STANDPUNT VAN NEDERLAND

(47) In het onderstaande worden alle relevante argumenten voor de aangemelde ontwerp-bepalingen weergegeven.

(48) Nederland is van mening dat nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu wegens een specifiek probleem dat zich in Nederland na de vaststelling van Richtlijn 94/60/EG heeft aangediend, de invoering van de aangemelde maatregel rechtvaardigen.

(49) Aan deze nieuwe wetenschappelijke gegevens wordt gedeeltelijk gerefereerd in de Beschikkingen 1999/832/EG(15), 1999/833/EG(16), 1999/834/EG(17) en 1999/835/EG(18) van de Commissie inzake de kennisgeving door respectievelijk het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Zweden en het Koninkrijk Denemarken van de nationale bepalingen inzake de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van creosoot. Verder verwijst Nederland naar een recent onderzoek(19) in Nederland (hierna: RIVM-onderzoek) naar de milieurisico's ten gevolge van de toepassing van gecreosoteerd hout in contact met water en bodem. Dit onderzoek bevat aanvullende informatie hierover.

(50) In de bovengenoemde beschikkingen heeft de Commissie gewezen op de mogelijke gevaren voor het aquatisch milieu door de uitloging van PAK's uit gecreosoteerd hout in contact met water. Er werd eveneens verwezen naar een in 1995 ter beschikking gesteld Nederlands onderzoek(20) en naar een daarna in opdracht van de Commissie door een adviesbureau uitgevoerde kritische beoordeling ervan(21), waaruit blijkt dat de uitloging van bestanddelen van creosoot uit de oeverbeschoeiing de verontreiniging van waterbodems in Nederland heeft veroorzaakt.

(51) In Beschikking 1999/832/EG sluit de Commissie op basis van deze bevindingen haar beoordeling af met de erkenning dat de Nederlandse instanties "hebben aangetoond dat de specifieke geografische situatie van Nederland, die een uitgebreide oeverbeschoeiing van de wateren nodig maakt, tot het hoogste gebruik van met creosoot behandeld hout per km2 in de Europese Unie heeft geleid. Door de uitloging van bestanddelen van creosoot naar het water is de verontreiniging van het grootste deel van het sediment met PAK-verbindingen tot onaanvaardbare waarden gestegen. Het is dan ook terecht dat er in Nederland maatregelen worden genomen om de uitloging van deze verbindingen naar het aquatisch milieu verder terug te dringen"(22).

(52) Het recente RIVM-onderzoek bevat een risicobeoordeling van creosoot als houtconserveringsmiddel in het Nederlandse milieu. Hierin zijn gegevens verwerkt voor verschillende bestanddelen van creosoot. Het gaat om zes verschillende PAK's. In Richtlijn 94/60/EG wordt benzo[a]pyreen gebruikt als stof die model staat voor de PAK's in creosoot. Uit het RIVM-onderzoek blijkt echter dat er voor andere PAK's in het milieu meer gegevens voorhanden zijn.

(53) Bij de risicobeoordeling is uitgegaan van de milieukwaliteitsnormen zoals opgenomen in de Vierde Nota waterhuishouding (1997) en in Stoffen en Normen (ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1999). Het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) is de minimumkwaliteit waaraan oppervlaktewater, sediment en bodem dienen te voldoen.

(54) Voor de beoordeling of de kwaliteitsnormen worden overschreden, wordt de concentratie van PAK's in het desbetreffende compartiment bepaald. Deze concentratie wordt bepaald aan de hand van modelberekeningen en monitoringsgegevens.

(55) De conclusies van de risicobeoordeling worden in het onderstaande per compartiment weergegeven.

Oppervlaktewater

(56) Uit de modelberekeningen zoals uitgevoerd in het onderzoek blijkt dat voor de meeste geselecteerde PAK's bij gebruik van gecreosoteerd hout als oeverbeschoeiing het MTR vele malen wordt overschreden. De berekende normoverschrijdingen lopen uiteen van 18 tot ruim 500 maal het MTR gedurende de eerste 3-5 dagen na toepassing. Deze modelberekeningen worden ondersteund door de gemeten concentraties in de buurt van recent geplaatste oeverbeschoeiingen. De gemeten normoverschrijdingen zijn in de orde van 10 tot meer dan 1000 maal het MTR.

(57) De resultaten van de monsters, genomen op verschillende afstanden van de gecreosoteerde oeverbeschoeiingen, zijn sterke aanwijzingen dat de verhoogde gehaltes aan PAK's daadwerkelijk zijn veroorzaakt door gecreosoteerd hout. Daaruit wordt dan ook geconcludeerd dat het gebruik van gecreosoteerd hout als oeverbeschoeiing op lokale schaal een bedreiging vormt voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.

(58) Door middel van modelberekeningen, uitgaande van het aantal kilometers oeverlengte en het percentage oever dat beschermd is met gecreosoteerd hout in een beheersgebied van een waterschap is berekend hoeveel PAK's hierbij jaarlijks zouden vrijkomen. Hieruit blijkt dat bij de huidige lengte aan gecreosoteerde oeverbeschoeiing in het desbetreffende beheersgebied het MTR voor fluorantheen ruim overschreden wordt. Aangezien ook van andere MTR's de overschrijdingen niet tot een waterschap beperkt blijven, maar in verschillende delen van het land worden aangetroffen, zoals in West-Overijssel en Zuid-Holland, wordt geconcludeerd dat er sprake is van een nationaal probleem.

Sediment

(59) Uit de modelberekeningen blijkt dat voor de meeste geselecteerde PAK's bij gebruik van gecreosoteerd hout als oeverbeschoeiing het MTR 5 tot 95 maal wordt overschreden. De juistheid van deze modelberekeningen wordt in grote lijnen bevestigd door de gemeten concentraties in de buurt van een recent geplaatste oeverbeschoeiing. Volgens de gemeten concentraties treedt een normoverschrijding van maximaal 3 op.

(60) De resultaten van de monsters, genomen op verschillende afstanden van de gecreosoteerde oeverbeschoeiingen, zijn sterke aanwijzingen dat de verhoogde gehaltes aan PAK's daadwerkelijk zijn veroorzaakt door gecreosoteerd hout. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het gebruik van gecreosoteerd hout als oeverbeschoeiing op lokale schaal een bedreiging vormt voor de kwaliteit van het sediment.

(61) Door middel van modelberekeningen, uitgaande van het aantal kilometers oeverlengte en het percentage oever dat beschermd is met gecreosoteerd hout in een beheersgebied van een waterschap, is berekend hoeveel PAK's hierbij jaarlijks zouden vrijkomen. Hieruit blijkt dat bij de huidige lengte aan gecreosoteerde oeverbeschoeiing in het desbetreffende beheersgebied het MTR voor fenantreen ruim overschreden wordt.

(62) Aangezien de overschrijdingen van dit MTR en van andere MTR's niet tot een waterschap beperkt blijven, maar in verschillende delen van het land worden aangetroffen, zoals in West-Overijssel en Zuid-Holland, wordt geconcludeerd dat er sprake is van een nationaal probleem.

Bodem en grondwater

(63) Uit de modelberekeningen voor de compartimenten bodem en grondwater blijkt dat er voor drie van de zes PAK's overschrijding van het MTR plaatsvindt, van maximaal 47 maal. Uit de schaarse meetgegevens blijkt dat er in de praktijk uitloging van creosoot uit behandeld hout plaatsvindt en de MTR's voor bodem overschreden worden. Dit geldt dan met name voor de bodem in de onmiddellijke nabijheid van het behandelde hout.

(64) Overschrijding van de grondwaternorm van 0,1 ìg/l wordt modelmatig voorspeld in de onmiddellijke nabijheid van het hout in de verzadigde fase, maar meetgegevens die de modelberekeningen onderbouwen of ontkrachten ontbreken. Infiltratie van verontreinigd oppervlaktewater naar (ondiep) grondwater is mogelijk, waarbij de (water)bodem in feite kan werken als een filter. Ook voor deze situatie ontbreken meetgegevens die deze aannames onderbouwen.

(65) Nederland wijst erop dat de resultaten van het RIVM-onderzoek moeten worden gezien in het licht van de bijzondere situatie in Nederland, zoals de Commissie in haar Beschikking 1999/832/EG heeft erkend. Uit de bovengenoemde milieuoverwegingen wordt dus duidelijk dat er in Nederland sprake is van een specifiek probleem door de bijzondere geografische situatie van het land en door het in vergelijking met andere lidstaten intensieve gebruik van gecreosoteerd hout in het aquatisch milieu.

(66) Nederland merkt ten slotte op dat dit specifieke probleem zich na de vaststelling van de richtlijn heeft aangediend. In feite waren de blootstellingssituatie noch de daaraan verbonden risico's ten tijde van de vaststelling van Richtlijn 94/60/EG bekend.

2.3. EVALUATIE VAN HET STANDPUNT VAN NEDERLAND

2.3.1. De bewijslast

(67) Opgemerkt zij dat de Commissie, in het licht van het in artikel 95, lid 6, van het Verdrag bepaalde tijdschema, bij de beoordeling of het ontwerp van de nationale maatregelen waarvan krachtens artikel 95, lid 5, kennisgeving is gedaan, gerechtvaardigd is, moet uitgaan van de door de lidstaat aangevoerde "redenen". Dit betekent dat volgens het Verdrag de lidstaat die het verzoek indient, moet aantonen dat de maatregelen gerechtvaardigd zijn. Gezien de procedurele regeling van artikel 95, die met name een strikte termijn oplegt voor de vaststelling van een beschikking, moet de Commissie zich gewoonlijk beperken tot een onderzoek van de relevantie van de gegevens die worden aangedragen door de lidstaat die het verzoek indient, zonder zelf te zoeken naar een mogelijke rechtvaardiging.

2.3.2. Nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu of het arbeidsmilieu

(68) Nederland heeft een aanzienlijk aantal documenten ingediend ter ondersteuning van zijn verzoek. Er wordt eveneens verwezen naar bepaalde onderzoeken die ter beschikking zijn gesteld in het kader van het vorige verzoek dat overeenkomstig artikel 95, lid 4, van het Verdrag bij de Commissie is ingediend (en tot Beschikking 1999/832/EG van de Commissie(23) heeft geleid).

(69) Uit het in het kader van het eerdere verzoek om afwijking ingediende Nederlandse onderzoek(24), en uit de daarop volgende kritische beoordeling ervan(25) is al gebleken dat de uitloging van PAK's uit gecreosoteerd hout dat wordt gebruikt voor een uitgebreide oeverbeschoeiing van de wateren, in Nederland heeft geleid tot onacceptabele risico's voor een bepaald aquatisch compartiment, namelijk zware verontreiniging van het sediment.

(70) Zoals hierboven aangegeven, is alle nieuwe documentatie van Nederland ter beoordeling aan het WCTEM voorgelegd. In de evaluatie van het WCTEM wordt voornamelijk aandacht besteed aan de door de Nederlandse instanties uitgevoerde milieurisicobeoordeling zoals gedocumenteerd in het RIVM-onderzoek.

(71) Bij de bestudering van de wetenschappelijke documentatie stelt het WCTEM vast dat de Nederlandse methodiek in de toepassing van de PEC/L(E)C50 (Predicted Effect Concentrations/Lowest Effect Concentration) in plaats van de gebruikelijke PEC/PNEC (Predicted Effect Concentration/Predicted No Effect Concentration) afwijkt van die welke gewoonlijk bij de uitvoering van risicobeoordelingen wordt gebruikt. Er wordt echter opgemerkt dat de methodiek is vertaald naar de standaardaanpak en dat de berekende risicoquotiënten met die op basis van de EU-standaardmethodiek in overeenstemming zijn. Het WCTEM is derhalve van oordeel dat de gevolgde methodiek op het gebied van milieunormen en de aannames in de milieurisicobeoordeling adequaat en met de EU-standaardaanpak in overeenstemming zijn.

(72) Het WCTEM merkt op dat de Nederlandse risicobeoordeling van "standaardcreosoot" (B[a]P-concentratie van 50 tot minder dan 500 ppm) bij oppervlaktewater en sediment aantoont dat de PNEC voor bepaalde PAK's ruim wordt overschreden. Ook wordt een wisselwerking tussen verschillende PAK's waarschijnlijk geacht. Aangezien de Nederlandse instanties daarmee geen rekening hebben gehouden, zouden de geschatte risico's volgens het WCTEM zelfs nog groter kunnen zijn dan aangegeven. Het WCTEM is dus van oordeel dat er reden tot bezorgdheid is over de milieueffecten van "standaardcreosoot".

(73) Wat "gemodificeerd creosoot" betreft (waarin het B[a]P tot minder dan 50 ppm is teruggebracht), merkt het WCTEM op dat de concentraties antraceen en fluorantheen (andere stoffen in creosoot die echter niet als marker zijn gebruikt) niet veel lager uitvallen in vergelijking met niet behandeld creosoot. Aangezien de risicoquotiënten (PEC/PNEC) bij deze twee PAK's in "standaardcreosoot" duidelijk boven 1 liggen, gelooft het WCTEM niet dat controles op basis van de B[a]P-grenswaarde alleen voldoende zijn.

(74) Het WCTEM is op deze gronden van mening dat Nederland heeft aangetoond dat er een belangrijke reden tot bezorgdheid is over de milieueffecten op de compartimenten water, sediment en grondwater.

(75) In het licht van het voorafgaande en gezien het feit dat de bovengenoemde milieurisico's ten tijde van de vaststelling van Richtlijn 94/60/EG niet bekend waren, kan de conclusie worden getrokken dat Nederland nieuwe wetenschappelijke gegevens heeft geleverd die verband houden met de bescherming van het milieu, zoals artikel 95, lid 5, van het Verdrag voorschrijft.

2.3.3. Specifiek probleem dat zich in Nederland na de vaststelling van Richtlijn 94/60/EG heeft aangediend

(76) Ten eerste zij opgemerkt dat de bovenbeschreven milieuproblematiek niet noodzakelijkerwijs specifiek voor Nederland is, aangezien zij betrekking heeft op een algemene situatie waarin gecreosoteerd hout in contact met oppervlakte- en/of grondwater wordt gebracht, en zich derhalve overal doet gelden waar deze situatie zich voordoet. In zijn advies van 30 oktober 2001 benadrukt het WCTEM dat de bovengenoemde problematiek specifiek voor Nederland is voorzover het de mate betreft waarin de blootstellingsscenario's in Nederland afwijken van die in andere lidstaten.

(77) Alle aan de Commissie ter beschikking gestelde informatie hierover moet derhalve zorgvuldig worden geëvalueerd, teneinde te bepalen of Nederland heeft aangetoond dat de bovenvermelde milieuproblematiek zich vooral in Nederland voordoet als gevolg van scenario's waarin sprake is van grote risico's. De desbetreffende informatie over de blootstellingssituatie wordt voor oppervlaktewater en grondwater afzonderlijk onderzocht.

Oppervlaktewater

(78) In zijn advies van 30 oktober 2001 erkent het WCTEM dat gecreosoteerd hout in contact met water in Nederland op grote schaal wordt gebruikt als oeverbeschoeiing en dat de daaruit voortvloeiende risico's voor het aquatisch milieu in Nederland waarschijnlijk ook aanzienlijk zijn. Uit nadere in 1995 ter beschikking gestelde vergelijkende informatie(26) blijkt dat het grootschalige gebruik van gecreosoteerd hout voor oeverbeschoeiing in Nederland in vergelijking met andere lidstaten een ernstig probleem vormt. Het RIVM-onderzoek bevat ook een schatting van het algemene niveau van blootstelling aan PAK's van oppervlaktewater in Nederland als gevolg van het intensieve gebruik van gecreosoteerd hout voor oeverbeschoeiing. Deze gegevens bevestigen dat de risico's voor dit water aanzienlijk zijn.

(79) In het licht van het voorafgaande en ook gezien het feit dat de bovenvermelde milieuproblematiek en de bijzondere ernst ervan in Nederland na de vaststelling van Richtlijn 94/60/EG aan het licht zijn gekomen, kan de conclusie worden getrokken dat er in Nederland als gevolg van het grootschalige gebruik van gecreosoteerd hout voor de oeverbeschoeiing van wateren sprake is van een specifiek milieuprobleem dat zich pas na de vaststelling van genoemde richtlijn heeft aangediend.

Grondwater

(80) Nederland heeft erop gewezen dat er gezien zijn bijzondere geografische situatie in combinatie met het grootschalige gebruik van gecreosoteerd hout ook bij grondwater sprake is van een specifiek blootstellingsscenario.

(81) De huidige toepassingen van gecreosoteerd hout kunnen inderdaad leiden tot contact met grondwater. Afrasteringen, fruitpalen, elektriciteits- en telefoonpalen en andere in de grond geplaatste producten van gecreosoteerd hout kunnen het grondwater bereiken en zo verontreiniging ervan met PAK's veroorzaken. Dit komt voornamelijk, zo niet uitsluitend, voor op plaatsen met een zeer hoge grondwaterspiegel, waar het grondwater zich dus dicht onder het bodemoppervlak bevindt.

(82) De ernst van specifieke problemen als gevolg van het gebruik van gecreosoteerd hout voor de bovengenoemde toepassingen hangt dus klaarblijkelijk af van de omvang van ondiepe grondwaterzones en de hoeveelheid gecreosoteerd hout die in contact kan komen met grondwater.

(83) Grondwaterzones die zeer dicht onder het bodemoppervlak liggen, bestrijken een groot deel van de grond in Nederland, vooral in polders. Ook in perioden van zware regenval kan het grondwater zich zeer dicht onder het bodemoppervlak bevinden. Het compartiment grondwater in Nederland lijkt derhalve bijzonder kwetsbaar te zijn voor de bovengenoemde toepassingen van gecreosoteerd hout.

(84) Gezien de bijzondere hydrogeografische situatie in Nederland en het grootschalige gebruik van gecreosoteerd hout voor toepassingen die in contact kunnen komen met grondwater, kan dan ook de conclusie worden getrokken dat ook het grondwater in Nederland aan grote risico's is blootgesteld.

2.3.4. Algehele beoordeling

(85) Nederland heeft op basis van nieuwe wetenschappelijke gegevens die verband houden met de bescherming van het milieu, aangetoond dat er in Nederland sprake is van een specifiek probleem dat betrekking heeft op de verontreiniging van oppervlakte- en grondwater door de uitloging van PAK's uit gecreosoteerd hout dat wordt gebruikt voor de oeverbeschoeiing van wateren en voor andere toepassingen die in contact kunnen komen met grondwater, en dat dit probleem zich pas na de vaststelling van Richtlijn 94/60/EG heeft aangediend.

(86) De Commissie is derhalve van oordeel dat het verzoek van Nederland om invoering van nationale maatregelen om de blootstelling van het Nederlandse aquatisch milieu aan PAK's te beperken, aan alle voorwaarden van artikel 95, lid 5, voldoet.

2.4. ONTBREKEN VAN WILLEKEURIGE DISCRIMINATIE, VAN EEN VERKAPTE BEPERKING VAN DE HANDEL TUSSEN LIDSTATEN EN VAN EEN HINDERPAAL VOOR DE WERKING VAN DE INTERNE MARKT

2.4.1. Ontbreken van willekeurige discriminatie

(87) Krachtens artikel 95, lid 6, moet de Commissie nagaan of de nationale bepalingen al dan niet een middel tot willekeurige discriminatie zijn. Krachtens de rechtspraak van het Hof van Justitie houdt het ontbreken van discriminatie in dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet op vergelijkbare wijze mogen worden behandeld.

(88) De beoogde nationale bepalingen zijn van algemene aard en gelden voor binnenlands en geïmporteerd gecreosoteerd hout voor de desbetreffende toepassingen. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat zij als middel tot willekeurige discriminatie tussen marktpartijen in de Gemeenschap kunnen worden gebruikt.

2.4.2. Ontbreken van een verkapte beperking van de handel

(89) Voorgenomen stringentere nationale maatregelen op het gebied van de beperking van het op de markt brengen en het gebruik van producten die afwijken van een richtlijn van de Gemeenschap, vormen gewoonlijk een belemmering voor de handel. Producten die in de rest van de Gemeenschap wettig in de handel mogen worden gebracht, mogen in de betrokken lidstaten niet in de handel worden gebracht. Het in artikel 95, lid 6, van het Verdrag vastgelegde beginsel is bedoeld om te voorkomen dat de voorgenomen, op de criteria van lid 5 gebaseerde beperkingen om onjuiste redenen worden gehanteerd en in feite economische maatregelen vormen die worden ingevoerd om de invoer van producten uit andere lidstaten te belemmeren teneinde de nationale productie indirect te beschermen.

(90) Er is reeds eerder vastgesteld dat de bezorgdheid over het aquatisch milieu in Nederland wegens de voor het land specifieke algehele blootstellingssituatie gerechtvaardigd is. De bescherming van het milieu lijkt dan ook het echte doel te zijn van de invoering van de nationale bepalingen, niet het scheppen van verkapte handelsbelemmeringen.

(91) Daarnaast wordt in de voorgenomen wetgeving een uitzondering gemaakt voor gecreosoteerd hout dat voor de export bestemd is. Deze uitzondering is echter in overeenstemming met Richtlijn 94/60/EG, ingevolge welke het op de markt brengen van gecreosoteerd hout voor het aquatisch milieu is toegestaan.

(92) De Commissie komt tot de slotsom dat er geen aanwijzingen zijn dat de voorgenomen nationale bepalingen na vaststelling ervan tot een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten zullen leiden.

2.4.3. Ontbreken van hinderpalen voor de werking van de interne markt

(93) Deze voorwaarde kan niet zodanig worden uitgelegd dat geen enkele nationale maatregel die gevolgen kan hebben voor de totstandkoming van de interne markt, kan worden goedgekeurd. Elke nationale maatregel die afwijkt van een harmonisatiemaatregel met het oog op de totstandkoming en de werking van de interne markt, is namelijk in wezen een maatregel die gevolgen kan hebben voor de interne markt. Om de afwijkingsprocedure krachtens artikel 95 van het EG-Verdrag op een zinvolle wijze te kunnen gebruiken, moet het begrip "hinderpaal voor de werking van de interne markt" naar het oordeel van de Commissie in de context van artikel 95, lid 6, dan ook worden opgevat als een vergeleken met de doelstelling onevenredig effect.

(94) In het licht van de hierboven vastgestelde milieuproblematiek en ook gezien de specifieke blootstellingssituatie in Nederland, is de Commissie van oordeel dat de voorgenomen nationale bepalingen na vaststelling ervan geen onevenredige hinderpaal voor de werking van de interne markt zullen vormen.

IV. CONCLUSIE

(95) In het licht van het voorafgaande kan worden geconcludeerd dat het op 25 januari 2001 door Nederland ingediende verzoek om voor gecreosoteerd hout nationale bepalingen in te voeren die afwijken van Richtlijn 94/60/EG

- ontvankelijk is,

- aan de voorwaarden van artikel 95, lid 5, van het Verdrag voldoet,

en dat de voorgenomen nationale bepalingen geen middel tot willekeurige discriminatie, geen verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten en evenmin een onevenredige hinderpaal voor de werking van de interne markt zijn.

(96) De Commissie is derhalve van oordeel dat de voorgenomen nationale bepalingen kunnen worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 95, lid 6, van het Verdrag.

(97) De goed te keuren nationale bepalingen zullen na vaststelling ervan evenwel onverenigbaar met Richtlijn 2001/90/EG zijn.

(98) Overeenkomstig artikel 95, lid 7, van het Verdrag onderzoekt de Commissie al of Richtlijn 94/60/EG op grond van de door Nederland geleverde wetenschappelijke gegevens en van het advies van het WCTEM hierover met betrekking tot creosoot en gecreosoteerd hout voor de tweede maal aan de technische vooruitgang moet worden aangepast,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 2001/90/EG wordt goedkeuring verleend aan de voorgenomen nationale bepalingen inzake het op de markt brengen en het gebruik van gecreosoteerd hout waarvan het Koninkrijk der Nederlanden de Commissie bij brief van 23 januari 2001 in kennis heeft gesteld.

Artikel 2

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Brussel, 23 januari 2002.

Voor de Commissie

Erkki Liikanen

Lid van de Commissie

(1) PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201.

(2) PB L 283 van 27.10.2001, blz. 41.

(3) PB L 365 van 31.12.1994, blz. 1.

(4) PB L 329 van 22.12.1999, blz. 25.

(5) PB C 120 van 24.4.2001, blz. 10.

(6) Opinion on creosote. - Notification of the Netherlands made under Article 95(5) of the Treaty expressed at the 24th CSTEE plenary meeting, Brussel, 12 juni 2001.

(7) PB C 210 van 3.8.2001, blz. 46.

(8) Opinion on: Justification of the Dutch request for derogation under Article 95(5) of the EC Treaty - provisions of the Directive 94/60/EC concerning Creosote expressed at the 27th CSTEE plenary meeting, Brussel, 30 oktober 2001.

(9) PB L 129 van 18.5.1976, blz. 23.

(10) Arrest van het Europees Hof van Justitie van 29 september 1999, gewezen in zaak C-232/97 - Jurispr. 1999 I, blz. 6385.

(11) PB L 20 van 26.1.1980, blz. 43.

(12) S. Holmroos, Analys av kreosotstolpar i Simlångsdalen efter 40 års exponering i fält. Rapport nr. M205-252.092. Älvkarleby: Vattenfall Utveckling. 1994.

(13) L.L. Ingram et al., Migration of Creosote and Its Components from Treated Piling Sections in a Marine Environment, Proc. Ann. Meet. Am. Wood Preserv. Assoc. 78, 1982, blz. 120. Zie ook de voetnoten 8 en 18.

(14) BKH Adviesbureau, Foundation of the appeal against the EC-directive on creosote, eindverslag, Delft, 1 juli 1995.

(15) Zie voetnoot 4.

(16) PB L 329 van 22.12.1999, blz. 43.

(17) PB L 329 van 22.12.1999, blz. 63.

(18) PB L 329 van 22.12.1999, blz. 82.

(19) Centrum voor Stoffen en Risicobeoordeling, CSR Adviesrapport: 08196A01, Creosoot - Milieurisico's ten gevolge van de toepassing van gecreosoteerd hout in contact met water en bodem - Auteurs: M.H.M.M. Monforts, E.W.M. Roex, en J.P. Rila, 5.12.2000 - RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).

(20) Zie voetnoot 14.

(21) G. Grimmer, Study on the Justification in Scientific Terms of Allowing The Netherlands to retain its National Laws on Creosote in Place of Council Directive 94/60/EC. Eindverslag, Biochemisches Institut für Umweltcarcinogene, Großhansdorf (Duitsland), december 1995.

(22) Overweging (102)

(23) Zie voetnoot 4.

(24) Zie voetnoot 14.

(25) Zie voetnoot 21.

(26) Zie voetnoten 14 en 21.