Verordening (EG) nr. 2205/2001 van de Commissie van 14 november 2001 tot wijziging van Richtlijn 70/524/EEG van de Raad betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding, wat betreft de intrekking van de vergunning voor sommige toevoegingsmiddelen (Voor de EER relevante tekst)
Publicatieblad Nr. L 297 van 15/11/2001 blz. 0003 - 0004
Verordening (EG) nr. 2205/2001 van de Commissie van 14 november 2001 tot wijziging van Richtlijn 70/524/EEG van de Raad betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding, wat betreft de intrekking van de vergunning voor sommige toevoegingsmiddelen (Voor de EER relevante tekst) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de diervoeding(1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(2), en met name op artikel 9.G, lid 4, Overwegende hetgeen volgt: (1) Zoals bepaald in artikel 9.G, lid 1, van Richtlijn 70/524/EEG zijn de antibiotica en coccidiostatica die vóór 1 januari 1988 in bijlage I van die richtlijn zijn opgenomen, vanaf 1 april 1998 voorlopig toegelaten en naar bijlage B, hoofdstuk I, overgebracht om opnieuw te worden geëvalueerd als toevoegingsmiddel waarvoor een persoonsgebonden vergunning wordt afgegeven aan diegene die verantwoordelijk is voor het in het verkeer brengen. (2) Voor bovengenoemde toevoegingsmiddelen moesten nieuwe vergunningaanvragen worden ingediend. Voorts moesten overeenkomstig artikel 9.G, lid 4, van Richtlijn 70/524/EEG de dossiers betreffende deze aanvragen, zoals bedoeld in artikel 4 van die richtlijn, uiterlijk op 30 september 2000 worden ingediend met het oog op een nieuwe evaluatie. (3) Vóór 1 oktober 2000 zijn dossiers ingediend voor de coccidiostatica meticlorpindol, meticlorpindol/methylbenzoquaat, amprolium, amprolium/ethopabaat, dimetridazol en nicarbazine en voor het antibioticum flavofosfolipol. (4) Overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 70/524/EEG hebben de lidstaten binnen een termijn van 60 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de dossiers hun werden toegezonden, onderzocht of de dossiers waren samengesteld overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 87/153/EEG van de Raad van 16 februari 1987 tot vaststelling van richtsnoeren voor de beoordeling van toevoegingsmiddelen in diervoeding(3), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/79/EG van de Commissie(4). (5) Na raadpleging van het Permanent Comité voor veevoeders zijn de aanvragers van vergunningen voor de bovengenoemde coccidiostatica er overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Richtlijn 70/524/EEG door de Commissie van in kennis gesteld dat de voorschriften met betrekking tot de administratieve presentatie van de dossiers niet waren nageleefd aangezien er gegevens ontbraken, uiteenlopend van de identificatie van de stof tot belangrijke toxicologische informatie. (6) Evenzo werd de aanvrager van het bovengenoemde antibioticum er, na raadpleging van het Permanent Comité voor veevoeders, overeenkomstig artikel 4, lid 5, van Richtlijn 70/524/EEG door de Commissie van in kennis gesteld dat de voorschriften met betrekking tot de administratieve presentatie van het dossier voor bepaalde categorieën dieren niet waren nageleefd aangezien gegevens over de werkzaamheid en gegevens met betrekking tot tolerantietests voor deze categorieën ontbraken. (7) Om er zeker van te zijn dat de tekortkomingen bij de indiening van de nodige gegevens niet te wijten waren aan onvoorziene bezorgingsproblemen, is de termijn voor bovengenoemde aanvragers met drie weken verlengd om hen in staat te stellen de ontbrekende informatie in te dienen. (8) Voor verscheidene stoffen werd aanvullende informatie ingediend, maar deze volstond niet om te voldoen aan Richtlijn 87/153/EEG, terwijl voor de overige betrokken stoffen binnen de verlengde termijn geen aanvullende gegevens aan de Commissie werden gezonden. (9) Aangezien voor de bovengenoemde coccidiostatica niet aan de voorschriften van Richtlijn 70/524/EEG is voldaan, moeten de voor deze toevoegingsmiddelen gegeven vergunningen worden ingetrokken en moeten deze toevoegingsmiddelen uit bijlage B, hoofdstuk I, bij de genoemde richtlijn worden geschrapt. (10) Aangezien voor het bovengenoemde antibioticum flavofosfolipol voor bepaalde categorieën dieren niet aan de voorschriften van Richtlijn 70/524/EEG is voldaan, moet de vermelding van dit antibioticum in bijlage B, hoofdstuk I, bij de genoemde richtlijn dienovereenkomstig worden gewijzigd. (11) De mogelijkheid dient te worden geboden om de bestaande voorraden van de coccidiostatica en het antibioticum waarop deze verordening betrekking heeft, nog gedurende beperkte tijd te gebruiken. (12) Het Permanent Veterinair Comité heeft geen advies uitgebracht. Bijgevolg heeft de Commissie overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 70/524/EEG op 25 juli 2001 een voorstel betreffende deze maatregelen bij de Raad ingediend, waarover de Raad binnen drie maanden een besluit moest nemen. (13) De Raad heeft geen besluit genomen binnen de vastgestelde termijn. De Raad heeft zich binnen diezelfde termijn niet met een gewone meerderheid van stemmen tegen de voorgestelde maatregelen uitgesproken. Die maatregelen moeten thans door de Commissie worden vastgesteld, HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Bijlage B, hoofdstuk I, van Richtlijn 70/524/EEG wordt als volgt gewijzigd: 1. De volgende stoffen, behorende tot de groep "Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen", worden geschrapt: - meticlorpindol, - meticlorpindol/methylbenzoquaat, - amprolium, - amprolium/ethopabaat, - dimetridazol, - nicarbazine. 2. De vermeldingen met betrekking tot flavofosfolipol worden als volgt gewijzigd: a) de diercategorie "Pelsdieren met uitzondering van konijnen" wordt geschrapt; b) de diercategorie "Overige soorten pluimvee met uitzondering van ganzen, eenden en duiven" wordt vervangen door de diercategorie "Mestkippen". Artikel 2 Deze verordening treedt in werking zes maanden na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 14 november 2001. Voor de Commissie David Byrne Lid van de Commissie (1) PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1. (2) PB L 234 van 1.9.2001, blz. 55. (3) PB L 64 van 7.3.1987, blz. 19. (4) PB L 267 van 6.10.2001, blz. 1.