32001R1763

Verordening (EG) nr. 1763/2001 van de Commissie van 6 september 2001 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1750/1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)

Publicatieblad Nr. L 239 van 07/09/2001 blz. 0010 - 0012


Verordening (EG) nr. 1763/2001 van de Commissie

van 6 september 2001

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1750/1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen(1), en met name op de artikelen 34 en 50,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In het eerste jaar waarin de plattelandsontwikkelingsvoorschriften toegepast, is gebleken dat een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 1750/1999 van de Commissie(2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 672/2001(3), niet de mogelijkheid bieden een antwoord te geven op alle situaties die zich kunnen voordoen.

(2) Op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 wordt steun verleend om de vestiging van jonge landbouwers te vergemakkelijken. Om jonge mensen door middel van deze steun daadwerkelijk ertoe aan te zetten zich als landbouwer te vestigen, mag de termijn tussen de feitelijke vestiging en de vaststelling van de beschikking waarbij de steun wordt toegekend niet te lang zijn. Om de lidstaten de mogelijkheid te geven deze nieuwe bepaling ten uitvoer te leggen, moet de toepassing ervan tot 1 januari 2002 worden opgeschoven.

(3) Op grond van de door de Commissie goedgekeurde programmeringsdocumenten van bepaalde lidstaten mag ook steun voor de vestiging van jonge landbouwers worden verleend wanneer die vestiging een aantal jaren vóór de toekenningsbeschikking plaatsgevonden heeft. Aangezien met ingang van 1 januari 2002 de termijn waarbinnen de individuele beschikking tot toekenning van de steun moet worden gegeven, gewijzigd wordt, moeten de lidstaten die steun willen verlenen voor een dergelijke vestiging die vóór de toepassing van de nieuwe voorwaarde plaatsgevonden heeft, vóór 2002 de nodige maatregelen nemen.

(4) Daarnaast kon een aantal jonge landbouwers die zich in 1999, 2000 of 2001 gevestigd hebben, om begrotings- of administratief-technische redenen in verband met het afsluiten van de vorige programmeringsperiode en het ingaan van de nieuwe programmeringsperiode, nog niet voor vestigingssteun in aanmerking worden genomen. De lidstaten moet worden toegestaan in die gevallen de nodige maatregelen te nemen om de steun vóór einde 2001 of, in voorkomend geval, uiterlijk twaalf maanden na de vestiging toe te kennen en enige soepelheid aan de dag te leggen ten aanzien van de leeftijdsgrensvoorwaarde voor de jonge landbouwers.

(5) Op grond van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 kunnen landbouwers financiële compensatie krijgen voor kosten en inkomensverliezen die zich in gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied voordoen ten gevolge van de toepassing van op communautaire milieuvoorschriften gebaseerde beperkende maatregelen in de landbouw. Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen(4) heeft ten doel waterverontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen en tegen te gaan. Overeenkomstig het in artikel 174, lid 2, van het Verdrag opgenomen beginsel dat de vervuiler betaalt, mogen kosten en inkomensverlies ten gevolge van de toepassing van de in die richtlijn vastgestelde beperkende maatregelen niet langer gecompenseerd worden, zodat ze ook niet langer onder de werkingssfeer van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 mogen vallen.

(6) Op grond van artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1750/1999 worden voor elke lidstaat de voor een gegeven begrotingsjaar gedeclareerde uitgaven slechts gefinancierd tot de overeenkomstig artikel 37, lid 1, onder b), van die verordening aan de Commissie meegedeelde bedragen die door de op de begroting voor het betrokken begrotingsjaar uitgetrokken kredieten worden gedekt. Voor het geval dat de op grond van artikel 37 meegedeelde uitgavenramingen in totaal de op de begroting voor het betrokken begrotingsjaar uitgetrokken middelen overschrijden, moet worden bepaald hoe op basis van de jaarlijkse toewijzing zoals bedoeld in Beschikking 1999/659/EG van de Commissie(5), gewijzigd bij Beschikking 2000/426/EG(6), het maximumbedrag berekend moet worden dat met de voor elke lidstaat beschikbare middelen gefinancierd kan worden.

(7) Een aantal plattelandsontwikkelingsmaatregelen, en met name de milieumaatregelen in de landbouw, lopen over meerdere jaren. Voor een deugdelijk beheer en om controleredenen moet worden bepaald dat de begunstigde jaarlijks een betalingsaanvraag voor de steun moet indienen, tenzij de lidstaat een andere procedure vaststelt om na te gaan of aan de steuntoekenningsvoorwaarden is voldaan.

(8) In artikel 48 van Verordening (EG) nr. 1750/1999 wordt ten aanzien van op basis van oppervlakten en van aantallen dieren toegekende steun verwezen naar artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen(7), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2721/2000(8), waarin bepaald is dat onrechtmatig ontvangen bedragen terugbetaald moeten worden, vermeerderd met rente. Om de samenhang van de regeling te bevorderen, moet deze werkwijze worden voorgeschreven voor alle uit het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierde steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling.

(9) Op grond van artikel 55, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 blijven de richtlijnen tot vaststelling of wijziging van de lijsten van probleemgebieden van kracht, tenzij ze in het kader van de programma's worden gewijzigd. In punt 9 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1750/1999 zijn de voor de beschrijving van elke maatregel in het programmeringsdocument aan te geven hoofdkenmerken en andere elementen vermeld. Door de Raad of de Commissie aangebrachte wijzigingen in de lijsten van probleemgebieden en de lijst van gebieden met specifieke beperkingen op milieugebied moeten in de rubriek "Andere elementen" worden opgenomen.

(10) De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 1750/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a) de volgende alinea's worden ingevoegd vóór de eerste alinea: "De individuele steuntoekenningsbeschikking moet, om overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 de vestiging van jonge landbouwers te vergemakkelijken, binnen twaalf maanden na het tijdstip van de vestiging worden vastgesteld.

Voor vestigingen die plaatsgevonden hebben vóór de datum waarop de bepaling van de vorige alinea van toepassing wordt, en waarvoor op grond van bepalingen in het door de Commissie goedgekeurde programmeringsdocument steun zou kunnen worden verleend binnen een termijn van meer dan twaalf maanden na het tijdstip van vestiging, kunnen de lidstaten uiterlijk op 31 december 2002 de individuele steuntoekenningsbeschikking vaststellen.

Voor vestigingen die in 1999, 2000 of 2001 plaatsgevonden hebben en waarvoor om begrotings- of administratief-technische redenen nog geen steun kon worden verleend, kunnen de lidstaten uiterlijk op 31 december 2001 of binnen een termijn van twaalf maanden na het tijdstip van vestiging de individuele steuntoekenningsbeschikking vaststellen.";

b) de tweede alinea wordt vervangen door: "Ten aanzien van de uiterlijk op 31 december 2001 ingediende aanvragen voor de in de derde alinea bedoelde vestigingen moet aan de voorwaarde van artikel 8, lid 1, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 zijn voldaan op het tijdstip van de vestiging.".

2. In hoofdstuk II, afdeling 5, wordt het onderstaande artikel 11 bis ingevoegd: "Artikel 11 bis

De in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 bedoelde compensatie kan niet worden gegeven voor kosten en inkomensverliezen die zich voordoen ten gevolge van de toepassing van beperkende maatregelen die gebaseerd zijn op Richtlijn 91/676/EEG van de Raad(9) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.".

3. Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

a) het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd: "1 bis. Wanneer het totaalbedrag van de op grond van artikel 37, lid 1, onder b), meegedeelde ramingen groter is dan het totaalbedrag van de op de begroting voor het betrokken begrotingsjaar uitgetrokken middelen, worden de uitgaven voor elke lidstaat gefinancierd tot ten hoogste het bedrag dat bepaald wordt op basis van de verdeelsleutel voor de overeenkomstige jaarlijkse toewijzing zoals aangegeven in Beschikking 1999/659/EG van de Commissie(10).

Wanneer na deze vermindering kredieten beschikbaar blijven doordat de ramingen van bepaalde lidstaten lager waren dan hun jaarlijkse toewijzing, wordt het overschot over de lidstaten verdeeld in evenredigheid met hun jaarlijkse toewijzing, waarbij erop toegezien wordt dat het in de eerste alinea bedoelde bedrag van de raming voor elke lidstaat niet overschreden wordt. Binnen een maand na de goedkeuring van de begroting voor het betrokken begrotingsjaar deelt de Commissie de lidstaten de aldus aangepaste ramingen mee.";

b) lid 2 wordt vervangen door: "2. Indien de werkelijke uitgaven van een lidstaat voor een begrotingsjaar groter zijn dan de overeenkomstig artikel 37, lid 1, onder b), meegedeelde bedragen of dan de uit de toepassing van lid 1 bis resulterende bedragen, wordt het teveel aan uitgaven in dat begrotingsjaar in aanmerking genomen tot maximaal het bedrag van de kredieten die beschikbaar blijven nadat de uitgaven van de overige lidstaten zijn vergoed en naar rata van de geconstateerde overschrijdingen.";

c) lid 3 wordt vervangen door: "3. In het geval dat de werkelijke uitgaven van een lidstaat voor een begrotingsjaar lager zijn dan 75 % van de in lid 1 bedoelde bedragen, worden de voor het volgende begrotingsjaar te erkennen uitgaven verminderd met een derde van het verschil tussen deze drempel of de uit de toepassing van lid 1 bis resulterende bedragen als deze lager zijn dan die drempel, en de in de loop van dat begrotingsjaar geconstateerde werkelijke uitgaven.

Met deze vermindering wordt geen rekening gehouden bij de vaststelling van de werkelijke uitgaven in het begrotingsjaar dat volgt op dat waarin de vermindering is toegepast.".

4. Aan artikel 46 wordt het volgende lid 5 toegevoegd: "5. Bij meerjarige steun moet na de betaling ervan in het eerste jaar waarvoor de steun is aangevraagd, jaarlijks een nieuwe betalingsaanvraag worden ingediend, tenzij de lidstaat een procedure vaststelt die daadwerkelijke verificatie zoals bedoeld in artikel 47, lid 1, mogelijk maakt.".

5. Artikel 48, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a) de tweede alinea wordt vervangen door: "Bovendien geldt voor dergelijke steun het bepaalde in artikel 11, lid 1 bis, van Verordening (EEG) nr. 3887/92.";

b) de volgende alinea wordt toegevoegd: "De individuele begunstigde aan wie in het kader van een plattelandsontwikkelingsmaatregel onrechtmatig steun is uitgekeerd, is verplicht het betrokken bedrag terug te betalen overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92.".

6. In punt 9.3.V.B van de bijlage wordt het volgende streepje ingevoegd: "- wijzigingen in de lijsten van probleemgebieden die bij de richtlijnen van de Raad of de Commissie vastgesteld of gewijzigd zijn, en de lijsten van gebieden met milieubeperkingen.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 1, punt 1, onder a), eerste alinea, is van toepassing met ingang van 1 januari 2002.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 september 2001.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.

(2) PB L 214 van 13.8.1999, blz. 31.

(3) PB L 93 van 3.4.2001, blz. 28.

(4) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(5) PB L 259 van 6.10.1999, blz. 27.

(6) PB L 165 van 6.7.2000, blz. 33.

(7) PB L 391 van 31.12.1992, blz. 36.

(8) PB L 314 van 14.12.2000, blz. 8.

(9) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(10) PB L 259 van 6.10.1999, blz. 27.