32001R0456

Verordening (EG) nr. 456/2001 van de Commissie van 6 maart 2001 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het kabeljauwbestand ten westen van Schotland (ICES-sector VIa) en van de daarmee samenhangende voorwaarden voor de controle op de activiteiten van vissersvaartuigen

Publicatieblad Nr. L 065 van 07/03/2001 blz. 0013 - 0016


Verordening (EG) nr. 456/2001 van de Commissie

van 6 maart 2001

tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het kabeljauwbestand ten westen van Schotland (ICES-sector VIa) en van de daarmee samenhangende voorwaarden voor de controle op de activiteiten van vissersvaartuigen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1181/98(2), en inzonderheid op artikel 15, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In november 2000 heeft de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) aangegeven dat er een ernstig gevaar bestaat voor instorting van het kabeljauwbestand ten westen van Schotland (ICES-sector VIa).

(2) In de vergadering van de Raad van 14 en 15 december 2000 hebben de Commissie en de Raad geconstateerd dat het dringend noodzakelijk was een herstelplan voor het kabeljauwbestand ten westen van Schotland vast te stellen.

(3) Er moet onverwijld voor worden gezorgd dat zoveel mogelijk kabeljauw kan paaien vóór eind april 2001, wanneer het paaiseizoen eindigt.

(4) Daarom dienen ten westen van Schotland dringend gesloten gebieden te worden ingesteld waarin de visserij in voornoemde periode verboden is.

(5) De visserij met vistuig dat geschikt is voor de vangst van pelagische vissoorten, weekdieren en schaal- en schelpdieren ten westen van Schotland vormt evenwel geen bedreiging voor het kabeljauwbestand. Daarom dient te worden toegestaan dat in de gesloten gebieden op deze soorten wordt gevist.

(6) Om evenwel zeker te zijn dat de visserij op pelagische vissoorten en schaal- en schelpdieren geen gevaar oplevert voor het kabeljauwbestand, moeten waarnemers aan boord zijn van de vaartuigen die in de gesloten gebieden op deze soorten vissen.

(7) Om voorts te garanderen dat de vissersvaartuigen die in de gesloten gebieden vissen of er doorheen varen, aan de voor de visserij geldende voorwaarden voldoen, moeten aanvullende maatregelen worden vastgesteld om de activiteiten van deze vissersvaartuigen te controleren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Tot en met 30 april 2001 is het verboden enige visserijactiviteit uit te oefenen in de volgende drie gebieden:

a) het gebied dat is gelegen tussen de rechte lijnen die achtereenvolgens de punten met de volgende geografische coördinaten met elkaar verbinden:

59° 05' N, 06° 45' W

59° 30' N, 06° 00' W

59° 40' N, 05° 00' W

60° 00' N, 04° 00' W

59° 30' N, 04° 00' W

59° 05' N, 06° 45' W; en

b) het gedeelte van ICES-statistisch vak 39E4 ten oosten van het schiereiland Kintyre en ten noorden van een rechte lijn tussen 55° 18' 18" N, 05° 38' 50" W en 55° 00' 30" N, 05° 09' 24" W; en

c) het gedeelte van ICES-statistisch vak 39E4 ten noorden van een rechte lijn tussen 55° 17' 57" N, 05° 47' 54" W en 55° 00' 00" N, 05° 21' 00" W en ten zuiden van een rechte lijn tussen 55° 18' 18" N, 05° 38' 50" W en 55° 00' 30" N, 05° 09' 24" W.

Ter indicatie zijn in de bijlage kaarten van deze gebieden opgenomen.

2. a) Lid 1 geldt niet voor vaartuigen die vissen met:

i) ringzegens of soortgelijk omringend vistuig, of

ii) trawlnetten, op voorwaarde dat:

- de maaswijdte van deze trawlnetten tussen 32 en 69 mm bedraagt voor de visserij op pelagische vissoorten, en

- alle trawlnetten aan boord een maaswijdte hebben die behoort tot de toegestane maaswijdtecategorie.

b) Het in lid 1, onder b), vastgestelde verbod geldt niet voor vaartuigen die vissen met:

i) dreggen voor de visserij op sint-jakobsschelpen, of

ii) korven of kubben, of

iii) trawlnetten, op voorwaarde dat:

- de maaswijdte van deze trawlnetten tussen 70 en 79 mm of tussen 80 en 99 mm bedraagt voor de visserij op langoestines, en

- de maaswijdten van alle trawlnetten aan boord behoren tot één en dezelfde toegestane maaswijdtecategorie, en

- de vangsten die aan boord worden gehouden slechts worden aangevoerd als de procentuele samenstelling ervan voldoet aan de voorwaarden die voor gesleept vistuig met een maaswijdte tussen 70 en 79 mm zijn bepaald in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen(3).

c) Het in lid 1, onder c), vastgestelde verbod geldt niet voor vaartuigen die vissen met:

i) dreggen voor de visserij op sint-jakobsschelpen, of

ii) korven of kubben.

3. Wanneer een vaartuig vist onder de in lid 2 bepaalde voorwaarden, mag het geen ander vistuig aan boord hebben, wanneer er:

- ringzegens of soortgelijk omringend vistuig, of

- trawlnetten, of

- korven of kubben, of

- dreggen aan boord zijn.

4. Vaartuigen die onder de in lid 2, onder a), bepaalde voorwaarden in het in lid l, onder a), bedoelde gebied vissen, moeten zijn uitgerust met een functionerend volgsysteem voor vaartuigen dat voldoet aan de voorwaarden die zijn bepaald in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad(4) tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid.

Artikel 2

Tot en met 30 april 2001 is het voor alle vaartuigen verboden:

- in het in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde gebied vistuig dat niet voldoet aan de in artikel 1, lid 2, onder a), bepaalde voorwaarden, geheel of gedeeltelijk te water te laten of op enige andere wijze in te zetten, of

- in het in artikel 1, lid 1, onder b), bedoelde gebied vistuig dat niet voldoet aan de in artikel 1, lid 2, onder b), bepaalde voorwaarden, geheel of gedeeltelijk te water te laten of op enige andere wijze in te zetten, of

- in het in artikel l, lid 1, onder c), bedoelde gebied vistuig dat niet voldoet aan de in artikel 1, lid 2, onder c), bepaalde voorwaarden, geheel of gedeeltelijk te water te laten of op enige andere wijze in te zetten.

Artikel 3

1. De autoriteiten van de lidstaten zorgen ervoor dat waarnemers aan boord zijn van de communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren:

- voor de duur van ten minste 20 visreizen die plaatsvinden in het in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde gebied en onder de in artikel 1, lid 2, onder a), punt ii), bepaalde voorwaarden, en

- voor de duur van ten minste 20 visreizen die plaatsvinden in het in artikel 1, lid 1, onder b), bedoelde gebied en onder de in artikel 1, lid 2, onder b), punt iii), bepaalde voorwaarden.

Daartoe stelt elke lidstaat een steekproefschema op en dient dit voor goedkeuring bij de Commissie in.

2. De waarnemers registreren telkens wanneer het vistuig wordt ingezet de maaswijdte van de trawl en de geografische plaats waar de visserijactiviteit plaatsvindt en passen een speciaal opgestelde steekproefprocedure toe met het oog op de raming van:

a) de totale hoeveelheid, in gewicht, van de vangst van pelagische vis, langoestines en andere mariene organismen, behalve kabeljauw, bij elke inzet van het vistuig;

b) de totale hoeveelheid, in gewicht, van de kabeljauwvangst bij elke inzet van het vistuig;

c) de lengte van de bij elke inzet van het vistuig gevangen kabeljauw, naar beneden afgerond op de centimeter;

d) de totale hoeveelheid pelagische vis, langoestines en andere mariene organismen, behalve kabeljauw, die wordt aangevoerd;

e) de totale hoeveelheid kabeljauw die wordt aangevoerd;

f) de lengte van de aangevoerde kabeljauw, naar beneden afgerond op de centimeter.

3. De kapitein van een communautair vaartuig dat is aangewezen om een waarnemer aan boord te nemen, moet elke redelijke inspanning leveren om het aan boord komen van de waarnemer te vergemakkelijken en moet ervoor zorgen dat de waarnemer beschikt over passende accommodatie en de nodige voorzieningen om zijn werk uit te voeren.

Artikel 4

1. De autoriteiten van de lidstaten zorgen ervoor dat in ten minste 50 gevallen de aanvoer van vaartuigen die zonder waarnemer aan boord hebben gevist:

- in het in artikel 1, lid 1, onder a), bedoelde gebied en onder de in artikel 1, lid 2, onder a), punt ii), bepaalde voorwaarden, en

- in het in artikel 1, lid 1, onder b), bedoelde gebied en onder de in artikel 1, lid 2, onder b), punt iii), bepaalde voorwaarden,

onmiddellijk na de aanlanding wordt bemonsterd.

Daartoe stelt elke lidstaat een steekproefschema op en dient dit voor goedkeuring bij de Commissie in.

2. Het steekproefschema moet zo worden opgesteld dat een raming wordt verkregen van:

a) de totale hoeveelheid pelagische vis, langoestines en andere mariene organismen, behalve kabeljauw, die is aangevoerd;

b) de totale hoeveelheid kabeljauw die is aangevoerd;

c) de lengte van de aangevoerde kabeljauw, naar beneden afgerond op de centimeter.

Artikel 5

De lidstaten zenden de Commissie uiterlijk op 1 juni een uitgebreid verslag over de activiteiten en waarnemingen van de waarnemers die aan communautaire vaartuigen die hun vlag voeren zijn toegewezen en van de resultaten van de steekproeven betreffende de aanvoer.

Artikel 6

1. Elke lidstaat deelt de Commissie uiterlijk op de tiende werkdag na de datum van inwerkingtreding van deze verordening een lijst mee van de communautaire vissersvaartuigen die hun vlag voeren, die gemachtigd zijn de visserij uit te oefenen in de gebieden en de periode als bedoeld in artikel 1, lid 1. In de lijst wordt voor elk vaartuig het interne vlootregisternummer vermeld dat is toegekend overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2090/98 van de Commissie(5) betreffende het communautaire gegevensbestand van vissersvaartuigen. De Commissie zendt de lijsten aan de autoriteiten die bevoegd zijn voor de controle op de naleving van de bepalingen van de onderhavige verordening. Wijzigingen in de bedoelde lijsten moeten onmiddellijk worden gemeld aan de Commissie, die de verantwoordelijke autoriteiten er onverwijld van in kennis stelt.

2. De kapiteins van vissersvaartuigen die de visserij uitoefenen onder de in artikel 1, lid 2, onder a), bepaalde voorwaarden en die hebben gevist of voornemens zijn te vissen in het in artikel l, lid 1, onder a), bedoelde gebied, delen per fax, radioverbinding, telex of telefoon, een verslag mee aan:

- de vlaggestaat, en

- in voorkomend geval, aan de kuststaat die verantwoordelijk is voor het toezicht op de activiteiten in de wateren waarin de visserijactiviteit plaatsvindt.

In het verslag worden vermeld:

- de hoeveelheden, in kilogram levend gewicht, van elke soort mariene organismen die aan boord is onmiddellijk voordat het vaartuig het betrokken gebied binnenvaart,

- de hoeveelheden, in kilogram levend gewicht, van elke soort mariene organismen die in het gebied zijn gevangen en die aan boord zijn onmiddellijk vóór het vaartuig het betrokken gebied verlaat,

- de naam van het vaartuig,

- de code (bij het binnenvaren "IN", bij het verlaten "OUT"),

- datum, tijd, geografische positie,

- de naam van de kapitein.

Artikel 7

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenscshappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 maart 2001.

Voor de Commissie

Franz Fischler

Lid van de Commissie

(1) PB L 389 van 31.12.1992, blz. 1.

(2) PB L 164 van 9.6.1998, blz. 1.

(3) PB L 125 van 26.4.1998, blz. 1.

(4) PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1.

(5) PB L 266 van 1.10.1998, blz. 27.

BIJLAGE

Voor de vangst van kabeljauw gesloten gebied

>PIC FILE= "L_2001065NL.001602.EPS">

>PIC FILE= "L_2001065NL.001603.EPS">