32001R0132

Verordening (EG) nr. 132/2001 van de Raad van 22 januari 2001 tot instelling van definitieve antidumpingrechten en tot definitieve inning van de voorlopige antidumpingrechten op ammoniumnitraat uit Polen en Oekraïne en tot beëindiging van de antidumpingprocedure ten aanzien van Litouwen

Publicatieblad Nr. L 023 van 25/01/2001 blz. 0001 - 0008


Verordening (EG) nr. 132/2001 van de Raad

van 22 januari 2001

tot instelling van definitieve antidumpingrechten en tot definitieve inning van de voorlopige antidumpingrechten op ammoniumnitraat uit Polen en Oekraïne en tot beëindiging van de antidumpingprocedure ten aanzien van Litouwen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1), en met name op artikel 9,

Gezien het voorstel dat de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité heeft ingediend,

Overwegende hetgeen volgt:

A. VOORLOPIGE MAATREGELEN

(1) De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 1629/2000(2) (hierna "voorlopige verordening" genoemd) voorlopige antidumpingrechten ingesteld op de invoer van ammoniumnitraat, ingedeeld onder de GN-codes 31023090 en 3102 40 90, uit Polen en Oekraïne.

(2) In dezelfde verordening werd voorlopig geconcludeerd dat geen antidumpingrecht diende te worden ingesteld op het betrokken product uit Litouwen dat onderwerp was van hetzelfde onderzoek, daar dit product niet met dumping bleek te worden ingevoerd.

B. VERVOLG VAN DE PROCEDURE

(3) Na de bekendmaking van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan besloten was voorlopige antidumpingrechten in te stellen op de invoer van ammoniumnitraat uit Polen en Oekraïne hebben verschillende belanghebbenden schriftelijk opmerkingen doen toekomen. De partijen die hierom hadden verzocht, werden door de Commissie gehoord.

(4) De Commissie is verder gegaan met het verzamelen en verifiëren van alle gegevens die zij voor het vaststellen van de definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

(5) De partijen werden in kennis gesteld van de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was het voorstel te doen definitieve antidumpingrechten in te stellen en de uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid gestelde bedragen definitief te innen. De Commissie heeft tevens laten weten binnen welke termijn hierover opmerkingen konden worden gemaakt.

(6) De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de partijen werden in overweging genomen en de voorlopige bevindingen werden op grond hiervan, zo nodig, gewijzigd.

C. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(7) Daar geen van de belanghebbenden nieuwe argumenten betreffende het betrokken product en het soortgelijke product naar voren heeft gebracht, worden de in de overwegingen 7 en 8 van de voorlopige verordening omschreven feiten en bevindingen bevestigd.

D. DUMPING

1. Litouwen

a) Normale waarde

(8) De indiener van de klacht, de "European Fertiliser Manufacturers Association (EFMA)" heeft over dit onderwerp een aantal opmerkingen gemaakt:

- de winstgevende binnenlandse verkoop van de medewerkende producent/exporteur moet nagenoeg nihil zijn geweest, daar de prijzen in Litouwen waren gedaald door de invoer met dumping van het betrokken product uit Rusland gedurende een groot deel van het onderzoektijdvak;

- de laagst mogelijke normale waarde, berekend aan de hand van de inlichtingen die van de indiener van de klacht waren ontvangen, was hoger dan de exportprijzen en daarom moet dumping hebben plaatsgevonden;

- de lage winstgevendheid van de Litouwse producent doet twijfelen aan zijn voortbestaan op middellange termijn. De verkoop van deze producent kon daarom niet worden beschouwd in het kader van normale handelstransacties te zijn geschied.

(9) Al deze opmerkingen zijn zorgvuldig onderzocht. Wat de productiekosten betreft, deze werden geverifieerd en bleken niet onbetrouwbaar of te laag te zijn. Wat het aandeel van de winstgevende verkoop betreft, deze was vastgesteld op grond van de verkoopprijzen die boven de productiekosten per eenheid lagen, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van Verordening (EG) nr. 384/96 ("de basisverordening"). Om redenen van vertrouwelijkheid kan niet worden bekendgemaakt hoe hoog de winst precies was, maar deze was nog aanzienlijk en kon volgens genoemde bepaling voor de vaststelling van de normale waarde worden gebruikt. De Russische invoer had inderdaad tot lagere prijzen geleid die, indien zij niet meer winstgevend waren, van de berekening van de normale waarde waren uitgesloten.

b) Exportprijzen, vergelijking

(10) In afwezigheid van opmerkingen hierover worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 11 en 12 van de voorlopige verordening bevestigd.

c) Dumpingmarge

(11) De indiener van de klacht stelde dat de methode van de vergelijking per transactie gebruikt had moeten worden om de dumpingmarge vast te stellen, daar het prijsbeleid van de Litouwse producent (dat erop gericht zou zijn antidumpingmaatregelen te voorkomen) en de dumpingmarge niet geheel tot uiting zouden komen wanneer gewogen gemiddelden met elkaar werden vergeleken.

(12) De normale methode om dumping vast te stellen bestaat uit de vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met het gewogen gemiddelde van de gehele export, overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening. De vergelijking per transactie was niet gebruikt vanwege het grote aantal transacties (verschillende duizenden) en de onoverkomelijke praktische problemen om afzonderlijke normale waarden met afzonderlijke exportprijzen te vergelijken. Deze claim werd daarom van de hand gewezen. Zelfs bij een vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met afzonderlijke exportprijzen, gebaseerd op het regionale patroon dat de exportprijzen bleken te vertonen, bleek de dumpingmarge minimaal te zijn.

(13) De indiener van de klacht stelde voorts dat de Commissie, daar het aantal transacties zeer groot was, een steekproef had moeten samenstellen door een uitgevoerde hoeveelheid van 5000 ton te nemen en deze te vergelijken met de soortgelijke verkoop op de binnenlandse markt.

(14) Voor de vaststelling van de dumpingmarge kan een steekproef van de transacties als passend worden beschouwd wanneer het betrokken product in een groot aantal types/modellen voorkomt of wanneer het aantal transacties groot is, mits de steekproef statistisch geldig is of het grootste deel van de verkoop vertegenwoordigt dat redelijkerwijs onderzocht kan worden overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening. In dit geval was er slechts één soort product en slechts één exporttransactie was gelijk aan of groter dan 5000 ton (dit was voor geen enkele verkoop op de binnenlandse markt het geval), terwijl de totale verkochte hoeveelheid verschillende honderdduizenden tonnen bedroeg. Daarom werd het nemen van een steekproef niet als een passende methode beschouwd.

(15) De bij overweging 13 van de voorlopige verordening vastgestelde dumpingmarge (0 %) wordt daarom bevestigd.

2. Polen

a) Normale waarde, exportprijs

(16) In afwezigheid van opmerkingen hierover worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 15 tot en met 18 van de voorlopige verordening bevestigd.

b) Vergelijking

(17) In het voorlopige stadium werd het verzoek om rekening te houden met het prijsverschil tussen verkopen aan handelaars en verkopen aan dealers verworpen. De producent/exporteur was vervolgens in staat meer informatie over de situatie te geven. Bij uitvoer verkocht hij namelijk aan handelaars, terwijl in het binnenland (met een niet-representatieve uitzondering) aan dealers werd verkocht. On grond hiervan kon de prijs voor dealers naar beneden worden bijgesteld. Deze correctie was een forfaitair bedrag van 10 % van de brutomarge (VAA-kosten plus winst op de verkoop aan de dealers) en werd van de normale waarde afgetrokken. Dit forfaitaire bedrag is een vervanging van de winst die de dealers maken. Tevens werd vastgesteld dat dezelfde correctie aan de andere producent/exporteur kon worden toegestaan.

(18) In het voorlopig stadium was ook het verzoek om een correctie voor seizoenen afgewezen. De producent beweerde dat dit niet gerechtvaardigd was omdat de prijs van het betrokken product in de Gemeenschap duidelijk aan seizoensinvloeden onderhevig was, terwijl dit in Polen niet het geval was. Daar dit verschil dus van invloed was op de vergelijkbaarheid van de exportprijzen en de normale waarde, moest daarvoor, overeenkomstig artikel 2, lid 10, onder k) van de basisverordening, een correctie worden toegepast. Deze claim werd eveneens opnieuw onderzocht, maar moest worden afgewezen omdat bleek dat er ook in Polen seizoensinvloeden waren op de prijzen van ammoniumnitraat: in strijd met de bewering van de producent hadden de klanten op die markt niet in alle seizoenen dezelfde prijzen betaald. Er waren dus geen verschillen die van invloed waren op de vergelijkbaarheid van de prijzen in de zin van artikel 2, lid 10, onder k), van de basisverordening.

c) Dumpingmarge

(19) Een gebruikersorganisatie heeft opgemerkt dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de waardevermindering van de zloty ten opzichte van de euro die in het onderzoektijdvak ongeveer 15 % bedroeg. Voor de berekeningen werden evenwel gemiddelde wisselkoersen per maand gebruikt om de invloed van wisselkoersschommelingen zo veel mogelijk uit te schakelen.

(20)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Oekraïne

a) Vergelijkbaar land, normale waarde, exportprijs

(21) Daar geen opmerkingen werden ontvangen over de keuze van Polen als vergelijkbaar derde land met markteconomie worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 22 tot en met 24 van de voorlopige verordening bevestigd.

b) Vergelijking

(22) In het definitieve stadium werd de basis van de vergelijking gewijzigd van fob-prijzen in prijzen af fabriek, gezien de aanzienlijke afstanden tussen de fabrieken en de grens. Daar deze kosten een groot deel uitmaken van de verkoopprijzen van bulkproducten zoals het betrokken product, zou een vergelijking op basis van fob-prijzen de Oekraïense bedrijven ten onrechte bevoordelen. De exportprijzen werden daarom gecorrigeerd voor de kosten van vervoer af fabriek naar haven en voor havendiensten. Tevens werd de normale waarde ook op de prijzen af fabriek gebaseerd. Van de medewerkende producenten/exporteurs werd geen opmerkingen ontvangen aangaande deze wijziging.

c) Dumpingmarge

(23) Een gebruikersorganisatie heeft opgemerkt dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de aanzienlijke waardevermindering van de Oekraïense munt in het onderzoektijdvak en dat dit van invloed was op de dumpingmarge. Voor de vaststelling van de exportprijs werden evenwel de cijfers van Eurostat gebruikt. De gegevens over exportprijzen in Eurostat zijn in euro weergegeven, op basis van maandelijkse wisselkoersen. Hierdoor heeft de vermindering van de Oekraïense munt geen invloed gehad op de berekening van de dumpingmarge door de Commissie.

(24) Na de wijziging van de vergelijkingsbasis van fob-prijzen in prijzen af fabriek bedraagt de dumpingmarge voor het gehele land, in procenten van de cif-prijs grens Gemeenschap, 67,6 %.

E. SCHADE

1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(25) Daar geen nieuwe gegevens zijn ontvangen, worden de voorlopige bevindingen betreffende de bedrijfstak van de Gemeenschap in overweging 28 van de voorlopige verordening bevestigd.

2. Invoer uit Polen en Oekraïne

a) Cumulatieve beoordeling

(26) Een Poolse producent/exporteur voerde aan dat de invoer van ammoniumnitraat uit Polen niet met de invoer van ammoniumnitraat uit Oekraïne moest worden gecumuleerd, gezien de verschillen in concurrentievoorwaarden. Terwijl de invoer uit Oekraïne doorgaans tegen prijzen geschiedde die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 12,5 % onderboden, bedroeg de prijsonderbieding bij invoer uit Polen gemiddeld slechts 2,1 %.

(27) In dit verband wordt erop gewezen dat zowel voor Polen als Oekraïne prijsonderbieding werd vastgesteld. Bovendien is het volgens artikel 3, lid 4, van de basisverordening geen vereiste dat de prijsonderbiedingsmarges ongeveer gelijk zijn. Een cumulatieve beoordeling lijkt aangewezen, daar de dumpingmarge meer dan minimaal is, het invoervolume uit beide landen en het marktaandeel van beide landen ongeveer even groot zijn en sinds 1995 sterk zijn gestegen. Wat de concurrentievoorwaarden van de invoer uit Polen en Oekraïne betreft, wordt erop gewezen dat de prijzen van het betrokken product uit beide landen eenzelfde dalende trend vertoonden, duidelijk lager waren dan die van de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat bij invoer uit beide landen van dezelfde soort handelskanalen gebruik werd gemaakt. Op grond hiervan, en in afwezigheid van nieuwe argumenten, worden de bevindingen in overweging 30 van de voorlopige verordening betreffende de voorwaarden voor een cumulatieve beoordeling van de invoer uit de betrokken landen bevestigd.

b) Ingevoerde hoeveelheden

(28) Volgens twee Oekraïense producenten die in het voorlopige stadium hadden verklaard dat zij in het onderzoektijdvak niet rechtstreeks naar de Gemeenschap hadden geëxporteerd, stemden de voor de vaststelling van de exportprijs gebruikte cijfers van Eurostat niet overeen met de cijfers van het Oekraïense Bureau voor de Statistiek, volgens hetwelk de uitvoer in dezelfde periode aanzienlijk lager was. Deze verklaring werd echter niet met enig bewijsmateriaal gestaafd. De Oekraïense cijfers hadden evenwel betrekking op de export, hetgeen betekent dat niet elke daarin opgenomen zending uiteindelijk de opgegeven bestemming zal bereiken. De invoercijfers van Eurostat geven een nauwkeuriger beeld. Bovendien werden de laatste Eurostatcijfers geverifieerd en werden er geen verschillen gevonden met de in het voorlopig stadium gebruikte cijfers.

c) Onderbieding

(29) Ten aanzien van de prijsonderbiedingsmarges stelde een Poolse producent/exporteur dat de gemiddelde winstmarge van de importeurs die was gebruikt voor de berekening van de exportprijzen af kade, na inklaring, van de producenten/exporteurs, hoger moest zijn dan die welke bij de voorlopige berekeningen was gebruikt.

(30) De betrokken voorlopige bevindingen van de Commissie waren gebaseerd op de gecontroleerde gegevens die de medewerkende importeurs in de Gemeenschap hadden verstrekt. Daar de producent/exporteur over dit onderwerp geen nieuwe of met bewijsmateriaal gestaafde argumenten naar voren heeft gebracht, wordt de voor de voorlopige vaststelling van de prijsonderbieding gebruikte winstmarge van de importeurs bevestigd.

(31) Dezelfde producent/exporteur merkte op dat de lossingskosten die bij de berekening van de exportprijzen af kade zijn gebruikt ten minste 8,5 EUR per ton bedragen, en niet 5,9 EUR, welk cijfer bij de voorlopige berekeningen was gebruikt.

(32) Het bewijsmateriaal dat de producent/exporteur ter staving van zijn claim had voorgelegd, had evenwel betrekking op enige kosten die geen lossingskosten waren. Een verbeterde versie van het voorgelegde bewijsmateriaal stemde overeen met de voorlopige bevindingen van de Commissie, die daarom worden bevestigd.

(33) Wat het kennelijke prijsverschil tussen granulair en gekorreld ammoniumnitraat betreft, heeft de indiener van de klacht de opmerking gemaakt dat dit prijsverschil na het onderzoektijdvak, en met name in het seizoen 2000/2001 op sommige markten geheel was verdwenen en dat om deze reden dus geen correctie kon worden toegepast. Een Poolse producent/exporteur stelde evenwel dat voor het prijsverschil tussen beide soorten een correctie van 10 EUR per ton moest worden toegepast, zoals bij vroegere antidumpingprocedures betreffende ammoniumnitraat, en niet een correctie van 5,8 EUR per ton, zoals bij de voorlopige berekeningen in het kader van onderhave procedure was gebeurd.

(34) Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de basisverordening worden gegevens over een periode na het onderzoektijdvak gewoonlijk niet in aanmerking genomen. De Commissie heeft overwogen de beweerde prijsontwikkeling na het onderzoektijdvak te onderzoeken, maar heeft er toch van afgezien, daar er geen aanwijzingen waren dat de laatste prijsontwikkelingen van blijvende aard waren waardoor het kennelijk niet dienstig zou zijn de voorgestelde maatregelen te nemen. De correctie voor het prijsverschil tussen granulair en korrelvormig ammoniumnitraat, die in het voorlopige stadium was toegestaan, was op de beschikbare gegevens gebaseerd en toegepast op het gemiddelde verschil tussen de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak.

(35) Daar geen nieuw bewijsmateriaal werd voorgelegd, worden de bevindingen in overweging 33 van de voorlopige verordening betreffende de onderbiedingsmarges bevestigd.

d) Situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(36) Naast de economische factoren die reeds in het voorlopig stadium werden onderzocht, werden gegevens onderzocht over de invloed van de hoogte van de dumpingmarge, het rendement op investeringen, cash flow, lonen en het vermogen kapitaal aan te trekken in de periode van 1995 tot en met het onderzoektijdvak. De ontwikkeling van het rendement op investeringen en van de cash flow stemden grotendeels overeen met de ontwikkeling van de winstgevendheid als omschreven in overweging 39 van de voorlopige verordening. De loonkosten volgden grotendeels de afname van het aantal arbeidsplaatsen als in overweging 40 van de voorlopige verordening omschreven. Wat het vermogen betreft kapitaal aan te trekken wordt erop gewezen dat meststofproducerende bedrijven steeds deel uitmaken van grotere concerns en dat geen melding werd gemaakt van problemen op dit gebied. Gezien de hoeveelheden die uit de betrokken landen worden ingevoerd en de prijzen waartegen deze hoeveelheden worden ingevoerd, kunnen de gevolgen van de hoogte van de dumpingmarge voor de bedrijfstak van de Gemeenschap niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

(37) Op grond van het bovenstaande worden de voorlopige bevindingen inzake de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap in het onderzoektijdvak heeft geleden, bevestigd.

3. Oorzakelijk verband

(38) Een Oekraïense producent stelde op basis van de Eurostatcijfers dat het betrokken product uit Oekraïne slechts goed was voor 4 % van het totale verbruik in de Gemeenschap. Volgens hem was dit een onbeduidende hoeveelheid waardoor de bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade kon hebben geleden.

(39) De gevolgen van de invoer uit Oekraïne zijn echter cumulatief beoordeeld met de gevolgen van de invoer uit Polen, overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. Bij de beoordeling of aan de voorwaarden voor cumulatie in dit geval was voldaan (overweging 30 van de voorlopige verordening) werd vastgesteld dat het marktaandeel van het Oekraïense product in de Gemeenschap niet te verwaarlozen was. Het verzoek werd daarom afgewezen.

(40) Een Poolse producent merkte op dat de daling van de graanprijzen sinds 1996 een van de oorzaken was van de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden. Hierdoor hadden de boeren druk uitgeoefend op de verkoopprijzen van de ammoniumnitraatproducenten.

(41) De graanprijzen zijn sinds 1996 weliswaar gedaald, en prijsconcurrentie speelt een grote rol voor basisproducten zoals ammoniumnitraat. In vergelijking echter met de rol van factoren zoals de neerwaartse druk op de prijzen door schadeveroorzakende dumping, kan de druk die boeren op de prijs hebben uitgeoefend niet van doorslaggevende betekenis zijn geweest voor de marktprijzen en kan deze op zich niet de oorzaak van de schade zijn geweest. De conclusie is derhalve dat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de vastgestelde schade hierdoor niet is verbroken.

(42) Een gebruikersorganisatie stelde dat de Commissie enkele factoren had onderschat die tot een daling van de prijzen voor ammoniumnitraat en als gevolg daarvan tot schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap hadden geleid zoals de daling van het verbruik en de ontoereikende pogingen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om de productie te rationaliseren - hetgeen onder meer uit de geringe benutting van de capaciteit zou blijken.

(43) Voorts stelde een organisatie van importeurs dat de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap had geleden te wijten was aan de algemene overcapaciteit in die bedrijfstak.

(44) De kwestie van het dalende verbruik is in de voorlopige verordening behandeld en bij gebrek aan nieuwe gegevens worden de bevindingen van de voorlopige verordening bevestigd.

(45) Wat de pogingen tot rationalisering van de bedrijfstak van de Gemeenschap betreft, wordt erop gewezen dat deze aanzienlijke investeringen heeft gedaan die geen verband hielden met de uitbreiding van de productiecapaciteit voor het betrokken product; een aantal fabrieken werd onlangs gesloten waardoor de productiecapaciteit en het aantal personeelsleden afnamen. Hieruit blijkt dat voldoende moeite is gedaan om de productie te rationaliseren.

(46) Wat de bezettingsgraad en de algemene overcapaciteit in deze bedrijfstak betreft, was de voorlopige conclusie dat dit geen zinvolle indicator was voor de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap (zie overweging 35 van de voorlopige verordening). Hoewel er in betrokken bedrijfstak enige overcapaciteit kan zijn, bleek deze toch niet dusdanige gevolgen te hebben dat het vastgestelde oorzakelijk verband tussen dumping en schade hierdoor werd verbroken.

(47) Gezien het bovenstaande en bij het ontbreken van nieuwe gegevens, worden de voorlopige bevindingen in de overwegingen 46 tot en met 49 van de voorlopige verordening bevestigd.

4. Belang van de Gemeenschap

(48) Een gebruikersorganisatie stelde dat het inkomen van de Britse landbouwers door antidumpingmaatregelen achteruit zou gaan, waardoor de economische situatie van deze boeren veel problematischer zou worden.

(49) Op grond van de door de gebruikersorganisatie verstrekte gegevens bleek dat meststoffen in het onderzoektijdvak gemiddeld 6 % van de totale productiekosten van landbouwers uitmaakten.

(50) Daar ammoniumnitraat uit de betrokken landen slechts 9 % uitmaakte van het verbruik aan ammoniumnitraat in de Gemeenschap (11 % in het Verenigd Koninkrijk) en rekening houdend met het niveau van het antidumpingrecht en het feit dat slechts een deel van een eventueel daaruit voortvloeiende prijsverhoging waarschijnlijk aan de gebruikers zal worden doorberekend, zal een eventuele verhoging van de productiekosten van landbouwers waarschijnlijk gering zijn. Zelfs indien de bedrijfstak van de Gemeenschap niet alleen zijn verkoopvolume, maar ook zijn prijzen zou verhogen, zal de prijsverhoging toch beperkt blijven, omdat er andere leveranciers zijn, namelijk producenten in derde landen waarop geen antidumpingmaatregelen van toepassing zijn.

(51) De beperkte gevolgen voor landbouwers worden daarom niet als een dwingende reden beschouwd om geen antidumpingmaatregelen te nemen.

(52) Op grond van het bovenstaande worden de voorlopige bevindingen in overweging 53 van de voorlopige verordening bevestigd.

F. ANTIDUMPINGMAATREGELEN

1. Beëindiging van de procedure ten aanzien van Litouwen

(53) Gezien de conclusies over de invoer uit Litouwen dient de procedure ten aanzien van dit land te worden beëindigd.

2. Schademarge

(54) Overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening dient het antidumpingrecht overeen te stemmen met de dumpingmarge tenzij de schademarge kleiner is. Om het niveau van het definitieve recht te kunnen vaststellen, werd daarom een schademarge vastgesteld.

(55) De argumenten en overeenkomstige bevindingen inzake de correcties voor het prijsverschil tussen granulair en gekorreld ammoniumnitraat die bij de berekening van de prijsonderbieding werden toegepast, zijn eveneens van toepassing bij de berekening van de schademarge.

(56) Wat in het bijzonder de berekening van de schademarges betreft, heeft de indiener van de klacht nogmaals verklaard dat de bedrijfstak van de Gemeenschap in afwezigheid van schadeveroorzakende dumping een winstmarge van ten minste 10 % kan behalen. Er werd echter geen nieuw bewijsmateriaal in dat verband voorgelegd. Een Poolse producent/exporteur heeft evenwel verklaard dat een winstmarge van 5 % dient te worden aangehouden, zoals in vroegere antidumpingprocedures betreffende meststoffen is gebeurd. Zoals in overweging 56 van de voorlopige verordening vermeld, en op basis van de hoge winsten behaald door de bedrijfstak van de Gemeenschap over de jaren 1995 en 1996 voor het betrokken product in dit onderzoek, werd een winst van 8 % als de winst beschouwd die in afwezigheid van schadeveroorzakende dumping redelijkerwijze kon worden gemaakt.

(57) Op grond van het bovenstaande wordt de werkwijze om de schademarge vast te stellen, als in overweging 56 van de voorlopige verordening omschreven, bevestigd.

3. Vorm en hoogte van de definitieve maatregelen

(58) De indiener van de klacht heeft erop gewezen dat er aanwijzingen zijn dat nieuwe vormen ammoniumnitraat, namelijk mengsels van ammoniumnitraat met andere producten, op de markt worden gebracht, uitsluitend met het doel eventuele antidumpingmaatregelen ten aanzien van ammoniumnitraat te ontwijken. De aandacht van de douaneautoriteiten wordt op dit punt gevestigd.

(59) Op grond van het bovenstaande wordt het dienstig geacht, overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, definitieve antidumpingrechten in te stellen die met de vastgestelde schademarges overeenstemmen, behalve voor een Poolse producent/exporteur waarvoor het antidumpingrecht op de dumpingmarge moet worden afgestemd.

(60) Om de doelmatigheid van de maatregelen te waarborgen en prijsmanipulatie tegen te gaan die bij sommige van de voorgaande antidumpingprocedures betreffende meststoffen werd waargenomen, wordt bevestigd dat rechten dienen te worden ingesteld in de vorm van een bepaald bedrag per ton. Deze rechten bedragen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(61) De in deze verordening genoemde individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen zijn gebaseerd op de bevindingen in het kader van deze procedure. Zij weerspiegelen de situatie die tijdens het onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot de rechten die "voor alle ondernemingen" in het land gelden) zijn dus uitsluitend van toepassing op producten uit het betrokken land die door de genoemde ondernemingen (rechtspersonen) zijn geproduceerd. Producten die door andere ondernemingen zijn geproduceerd die niet specifiek, met naam en adres, in het dispositief van deze verordening zijn genoemd, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek genoemde ondernemingen, komen niet voor deze rechten in aanmerking. Op deze ondernemingen is het recht van toepassing dat voor "alle andere ondernemingen" geldt.

(62) Aanvragen om de toepassing van deze specifiek voor een onderneming geldende antidumpingrechten (bijv. na de naamswijziging van een onderneming of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen aan de Commissie(3) te worden gericht, met opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houden met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien zij dit gerechtvaardigd acht, zal de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de verordening wijzigen door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen.

4. Inning van de voorlopige rechten

(63) Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de uit hoofde van de bij Verordening (EG) nr. 1629/2000 ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid gestelde bedragen definitief te innen tot het bedrag van het definitieve recht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Er worden definitieve antidumpingrechten ingesteld op de invoer van ammoniumnitraat andere dan opgelost in water en mengsels van ammoniumnitraat en calciumcarbonaat of andere niet-vruchtbaar makende anorganische stoffen, met een stikstofgehalte van meer dan 28 gewichtspercenten, vallende onder de GN-codes 31023090 en 3102 40 90, van oorsprong uit Polen en Oekraïne.

2. De rechten in EUR per ton zijn als volgt voor de producten vervaardigd door de in onderstaande tabel genoemde ondernemingen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

3. Wanneer de goederen voor het in het vrije verkeer brengen werden beschadigd en de werkelijk betaalde of te betalen prijs overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie(4), verhoudingsgewijs wordt verminderd met het oog op de vaststelling van de douanewaarde, wordt het bedrag van het antidumpingrecht, berekend aan de hand van de hierboven vermelde vaste bedragen, verminderd met een percentage dat overeenstemt met de verhoudingsgewijze vermindering van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

4. De bepalingen inzake de douanerechten zijn van toepassing, tenzij anders vermeld.

5. De procedure betreffende de invoer van ammoniumnitraat uit Litouwen wordt beëindigd.

Artikel 2

De bedragen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1629/2000 uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht op ammoniumnitraat uit Polen en Oekraïne als zekerheid zijn gesteld worden definitief geïnd tot het bedrag van het definitieve antidumpingrecht. De als zekerheid gestelde bedragen die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden worden vrijgegeven.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 januari 2001.

Voor de Raad

De voorzitter

A. Lindh

(1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000 (PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2).

(2) PB L 187 van 26.7.2000, blz. 12.

(3) Europese Commissie Directoraat-generaal Handel

Directoraat B

DM 24-8/38

Wetstraat 200 B - 1049 Brussel

(4) PB L 253 van 11.10.1993, blz. 40.